Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie: Varen in het Westland

Door: Bas Booister

Gepubliceerd op: maandag 17 april 2017 09:00

Foto: Scheepswerf Van Waveren uit de collectie van het Westlands Museum


De maand april vormt de start van het nieuwe vaarseizoen. In het Westland is vorig jaar fors geïnvesteerd in de ‘bevaarwijzering’, dus watersporters kunnen nu nóg makkelijker de mooiste plekjes van het Westland ontdekken. Of het nu om kano’s, motorschepen of waterfietsen gaat; het betreft in deze dagen alleen nog maar recreatievaart. Hoe anders was dat tot halverwege vorige eeuw.

Het is nu nauwelijks voor te stellen, maar het transport in het Westland verliep tot 60 jaar terug hoofdzakelijk over het water. De wegen waren smal en slecht en veel tuindersbedrijven waren niet eens per openbare weg bereikbaar. Het betekende dat schepen essentieel waren voor de economische ontwikkeling in het Westland. In de 19e eeuw werd dit vooral door beroepsschippers op zogenoemde ‘westlanders’ gedaan, maar met de schaalvergroting in de tuinbouw gingen ook tuinders steeds meer hun eigen vervoer regelen, per tuindersschuit. Diverse veilingen die rond 1900 opgericht werden, kenden een klok waarbij de schuit dóór de veilingzaal werd gevaren.

De toename van het aantal schuiten zorgde voor extra vraag, en daardoor ontstonden kansen voor scheepsmakers en scheeps-onderhoudsbedrijven. Het Westland kende al een aantal oude werven uit de 18e eeuw, maar medio 19e eeuw was er een groei van het aantal zichtbaar, en bestaande werven groeiden fors. Dat liep ten einde in de crisisjaren (1930-1937). En later, met de groei van het wegtransport is deze sector feitelijk ten einde gekomen. Slechts 2 van de ongeveer 15 Westlandse scheepswerven hebben zich staande gehouden: de gebroeders Bol in Monster (deze werf staat nu overigens te koop) en Van Zeijl in Honselersdijk.

In dit artikel trachten we een historisch beeld te geven van de scheepvaart in de voorbije anderhalve eeuw. Het is zeker nog geen volledig verhaal en veel van de inhoud is geleend van andere schrijvers. Bedoeling is vooral om een overzicht te geven van dit historische stukje Westland. Mochten er mensen zijn die aanvullende informatie hebben, dan vernemen we dat graag (mail naar info@hvnh.nl). Ook oude foto’s van schepen en scheepswerven zijn van harte welkom.

De westlander
Eind 19e eeuw deed de westlander zijn intrede op de waterwegen, min of meer als opvolger van de ‘bok’. De westlander kwam voor in een groot deel van Zuid-Holland en het zuidelijk deel van Noord-Holland. Dit scheepstype is omstreeks 1880 ontstaan bij de opkomst van de Westlandse glastuinbouw. Westlanders werden veel gebruikt voor het vervoer van tuinbouwproducten, kolen, mest en zand. Men kon ze ook aantreffen bij de Harwich-boot in Hoek van Holland. Daar werd de lading overgegeven. Veel Westlandse producten werden via Hoek van Holland naar Engeland verscheept, waar door de industriële revolutie grote vraag was naar vroege aardappelen en bessen. Maar ladingen bestonden ook uit bouwmaterialen, turf en pulp van de suikerfabrieken (voor de veehouderij).

foto: Westlander, collectie Westlands Museum

Aanvankelijk werd de westlander van hout gebouwd. Vanaf de jaren tachtig (19e eeuw) gebeurde dat ook in ijzer en staal. Het was evenals de bok een lang, smal, laag schip met een platte bodem. Opvallend waren de flauw gebogen, sterk vallende stevens, met aan de boeg aan weerszijde van de voorsteven ‘wangen’. Dat gaf aan dit schip zijn karakteristieke uiterlijk. De westlander werd in verschillende maten gebouwd. Hij kon een lengte hebben van ca. 12 tot 18 meter en een inhoud tussen 12 en 30 ton. Het meest kwamen schepen van zo’n 17 ton voor. De grootste maat was te groot om er in het Westland goed mee te kunnen varen. Ze werden dan ook ingezet bij de vaart op ‘het Overmaas’ (de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden), West-Brabant, Noord-Limburg, enz.

De westlander had geen gangboorden. De luiken rustten op ‘steekleren’, dat zijn planken die aan de zijkanten van het ruim recht overeind werden gezet. Als er met dunne mest gevaren werd en er kans was dat die bij overhellen van het schip naar buiten zou lopen, werden de luiken met zes stevige, langsscheepse ‘spalklatten’ vastgezet. Zo bleef de kostbare lading in de boot.

De schepen waren op de achterplecht voorzien van een roefje, waarin meestal een kacheltje of fornuisje stond. Er was aan alle zijden een bank gemaakt. Ook was er een kooi ingebouwd waarin een of twee personen konden slapen. In het vooronder was een bergruimte voor zeilen, touwen en verf en meestal ook een kooi. Tot de uitrusting van de westlander hoorde vaak een watervaatje.

De westlander was voorzien van een grootzeil en een fok. Bij windstil weer kon een westlander geweegd worden. Daartoe waren in de voor- en achterplecht weeggaten aangebracht. Een enkele maal werd de boot ook wel geroeid. De schipper van de westlander kon het roer bedienen vanuit de roef, of vanuit het stuurgat. Dat was een luik achter de roef, waardoor de schipper wat lager kon staan. En wat meer beschut tegen het weer.

foto: zeilende westlander bij scheepswerf Van der Plas, hoek Gantel – Hollewatering, collectie Westlands Museum

De Westlandse westlanders kwamen van een aantal verschillende werven en werfjes, maar werden soms ook wel van ver ingekocht, onder andere in Friesland. Bijna elke plaats had wel een scheepsmaker, waar boten gebouwd of hersteld werden. De belangrijkste werven in het Westland en omgeving waren Van Waveren uit Monster, Van der Plas in Kwintsheul, Van Straten in Loosduinen en Van der Aar in diezelfde plaats. Buiten het Westland waren bekende werven: Boot te Leiderdorp en Van Beveren in Zoeterwoude. Zelden werd een tekening gebruikt bij de bouw van de schepen. Meestal werd de westlander in een schuur gebouwd, die dan als levensgrote ‘mal’ werd gebruikt. Men zei dan ook dat als bij de scheepsmaker de schuur verzakt was, hij een scheve boot afleverde!

In het begin van de jaren 20 (20e eeuw) werden een flink aantal westlanders gemotoriseerd. De Westlandse schippers hoorden tot de eersten die motors inbouwden. De stoommachine was niet geschikt voor dit type boot en kwam er dan ook niet in voor. De machine en de kolen zouden veel te veel laadruimte in beslag nemen. Een enkel schip werd met een van de eerste typen verbrandingsmotoren uitgerust. Maar de echte doorbraak kwam met de gloeikopmotor, die aanmerkelijk minder groot was. Deze motor werkte volgens het principe van de latere dieselmotor. Maar bij dit systeem was de compressie nog niet groot genoeg om de dieselolie te laten ontbranden. Daarom moest eerst een kop die op de cilinder zat, heet gestookt worden met een brander (vandaar de naam gloeikopmotor). Was die kop heet genoeg, dan kon de motor gestart worden. Bij veel westlanders werd een dergelijke motor ingebouwd. In de jaren dertig kwam de dieselmotor sterk op. Veel gloeikopmotoren werden toen omgebouwd tot dieselmotor. Dat was een vrij simpele ingreep.


foto: Westlanders en tuindersschuiten bij veiling Westerlee, collectie Westlands Museum

Het plaatsen van een motor in een westlander (zeilschip) was geen kleinigheid. Het betekende niet alleen dat het roefje van achter naar voor op het schip verhuisde om voor de motor plaats te maken. Vaak kreeg het schip een heel andere achtersteven omdat een zeilboot nu eenmaal niet voor schroefaandrijving gebouwd is. Veel schippers lieten dan ook (ijzeren) motorschepen bouwen: de Westlandse motorschuiten en ‘scherpstevens’. De overgang naar dit soort schepen ging snel; in de jaren dertig waren er nog maar enkele zeilende westlanders te vinden.

Doordat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw het vervoer van de tuinbouwproducten steeds meer over de weg plaatsvond kreeg de kleine scheepsbouw het moeilijk en volgden er vele bedrijfssluitingen. Enkele blijvers richten hun activiteiten toen op de stalen kassenbouw en de bouw van kleine stalen bruggen om te overleven. In de jaren negentig kwam er langzaam maar zeker een herwaardering voor het traditionele typisch streekgebonden vrachtschip. Vele niet meer in gebruik zijnde Westlanders werden als het ware herontdekt en door enthousiaste nieuwe eigenaren van de ondergang gered en compleet gerestaureerd om weer in volle glorie in bedrijf te worden gesteld. Fraaie voorbeelden zijn te zien tijdens het Westlands bloemencorso waar vele oudgedienden fraai versierd met Westlandse producten de toon aangeven.

Vergunningstelsel
Elke eigenaar van een schuit moest vergunning van Delfland hebben om zijn wateren te mogen bevaren. Bij het Hoogheemraadschap bracht dit geld in het laatje, dat onder meer gebruikt werd voor het onderhoud van zijn bezittingen. Uit het archief van Delfland blijkt dat niet iedere schipper mocht varen waar hij maar wilde. Er stond omstreeks 1900 keurig in de vergunning vermeld voor welke wateren de papieren geldig waren. Bij de intrede van de motorschuit werden nog meer regels en bepalingen van kracht. Mede ter bescherming van de oevers mocht niet in elk water met een draaiende motor gevaren worden. Zo mocht er in de ‘grote’ Gantel tussen ’s-Gravenzande en Kwintsheul overal gedraaid worden. Aangekomen bij de scheepswerf van Pieter van de Plas, aan het eind van de Gantel bij Kwintsheul, was het toegestaan rechtsaf de Holle- en Langewatering en verder enerzijds richting Delft en anderzijds richting Vlaardingen te ‘stomen’. Daarentegen was elke schipper verplicht zijn ‘kar’ uit te schakelen indien hij aan het eind van genoemde Gantel linksaf de Hollewatering in wilde gaan richting Blauwebrug, Wennetjessloot en eventueel Loosduinen. Ook in de zogenoemde ‘kromme’ Gantel, het verlengde van de ‘grote’ Gantel, was draaien taboe. Zo waren er meer (vooral smalle) wateren waar uitsluitend geschoven en/of geboomd mocht worden. Bij geconstateerd misbruik kon een schipper rekenen op een forse boete. Schippers van kleinere vaartuigen gokten het wel eens om in ‘verboden’ wateren te draaien, maar meestal hield men zich aan de regels. Om alles controleerbaar te houden was elke motorschipper verplicht het hen toegewezen Delflandnummer (DL ‘cijfer’) zichtbaar te bevestigen. Het bordje met dat nummer was het bewijs dat men gerechtigd was met een bepaalde schuit te varen. Alles betreffende de (motor)schuit stond verder keurig vermeld in een rapport van de Scheepsmetingsdienst in Rotterdam.

Op de website van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk kunt u dit artikel terugvinden, aangevuld met een beschrijving van de vele scheepswerven die het Westland in het verleden gehad heeft: http://hvnh.nl/artikelen/scheepswerven-in-het-westland

Auteur: Gustaaf van Gaalen van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk


Terug

Deel deze pagina: LinkedIn Google+
Evides - Kraan doorspoelen
Gerelateerd
Media Choice - powered by: HPU internet services / IB broadcast / Maxx-XS