Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Hoe is het Wilhelminaplein van Naaldwijk ontstaan? maandag 19 februari 2018 10:10

Streekhistorie: Hoe is het Wilhelminaplein van Naaldwijk ontstaan?

Het Wilhelminaplein in Naaldwijk vervult al eeuwenlang een centrale rol in het dorp. Maar over het ontstaan van het plein weten we weinig. Recent archeologisch onderzoek heeft hier meer duidelijkheid in gebracht. Zo leren we dat het plein als marktveld aan het einde van de 13e eeuw is aangelegd. Vóór die tijd stonden hier huizen met erven en moestuinen. Dit nieuwe gegeven roept vragen op: Hoe zag het dorp er zonder het plein uit? Wat was de aanleiding om een marktveld aan te leggen? En waarom op deze plek?Locaties van de opgravingen in 2017. Afbeelding: Archeologie Delft.Wat is er gevonden?De opgravingen in het Wilhelminaplein waren mogelijk doordat het plein opnieuw ingericht werd. De sporen en voorwerpen zijn in verschillende grondlagen gevonden. Voor dit artikel zijn de vondsten op ca 1,5 meter onder het huidige maaiveld interessant. Hier liepen en woonden de Naaldwijkers rond het jaar 1300. Het is een dunne laag grijze zand op een halve meter opgestoven duinzand.Doorsnede met verschillende grondlagen, afbeelding: Archeologie DelftOnder deze laag zijn paalkuilen gevonden van de houten draagconstructies van huizen. Ook zijn hier sporen van gedempte greppels en sloten met daarin diverse soorten aardewerk: Kogelpot-aardewerk, Andenne-aardewerk en Pingsdorf-aardewerk met rode versiering. Deze laatste is belangrijk voor de datering van het loopniveau omdat de bakovens in de 13 e eeuw verbeterd werden, waardoor het aardewerk van betere kwaliteit werd.In de donkere grondlaag erboven zien we de ophogingen die tussen 1300 en 1400 gedaan zijn. Deze laag is ongeveer een halve meter dik. Hierin zijn afvalkuilen aangetroffen met scherven van hardgebakken drinkkannen, botten van varkens en vogels en wat visgraten.Afval uit de 14 e en 15 e eeuw, foto: Archeologie DelftWelk verhaal vertellen de vondsten?De sporen van paalkuilen en greppels vertellen ons dat er tot de helft van de 13 e eeuw op het huidige plein gewoond werd. De Naaldwijkers van toen groeven greppels en sloten rondom hun huizen, hun erven, en hun landbouwgronden. De greppels zijn geregeld weer dichtgelegd, waardoor er een druk patroon van lijnen gevonden is.Greppels uit de 12 e en 13 e eeuw. Foto: Archeologie DelftKlopt dit met andere bronnen over het ontstaan van het Westland? In het jaar 1134 is er een grote stormvloed geweest die een deel van de duinen ten westen van Naaldwijk weggeslagen heeft. De overstroming heeft plaatselijk een dik pakket aan klei achtergelaten, waarop geen nederzettingen gebouwd zijn. Naaldwijk lag op een duinstrook en was daarmee een veiligere plek. De ondergrond van zand maakte het geschikt voor bewoning. Of er al een nederzetting op de locatie van het plein lag, heb ik niet kunnen achterhalen.Na deze ramp werd de aanleg van dijken georganiseerd vanuit het grafelijk hof, waarbij op een zeker moment Unarch van Nadelwich een deel van de taak toegewezen kreeg. Via een uitgebreid netwerk van sloten en bestaande watertjes werd het overtollig water afgevoerd naar de Maas. In Naaldwijk had nog lang last van overtollig water, daarop wijzen de vele greppels. Na de aanleg van de Maasdijk rond het jaar 1250 was het Westland beter beschermd tegen de zee. Hierdoor kon het gebied zich verder ontwikkelen. Dit is ook de periode waarin begonnen is met de aanleg van het marktveld.Halverwege de 13 e eeuw zijn de huizen op het plein gesloopt en de greppels en sloten dichtgegooid. Er zijn karrensporen gevonden in de dunne grijze zandlaag die op het plein aangebracht was. Deze open ruimte centraal in het dorp was geschikt voor markten en dorpsfeesten. Het afval werd in kuilen in het plein gegooid en afgedekt.Karrensporen. Foto: Gemeente Westland, Cluster RuimteHoe is het dorp ontstaan?Het eerste kerkgebouw op de plek van de Oude kerk is eind 12 e of begin 13 e eeuw gebouwd. De Atlas van het Westland vermeldt dat deze kerk de plaatsvervanger is van de kerk van Holtsele, omdat deze bij de stormvloed van 1134 verdwenen is. Dat daarvóór al een gebouw op de locatie van de Oude kerk stond, is aannemelijk omdat het (nog steeds) iets hoger ligt dan haar omgeving. In het boek 800 jaar Naeltwick wordt verwezen naar archeologisch onderzoek van Jan Emmens in de jaren vijftig en later onderzoek op het terrein van de voormalige Moddermanschool. Hieruit is geconcludeerd dat er van de 10 e tot en met de 12 e eeuw een ronde waterloop achter de Kerkstraat gelegen heeft. Dit wijst mogelijk naar een ringwalburg met daarbinnen een vluchtburcht. Het is niet duidelijk of er bij deze burcht woningen stonden, maar door verhoogde ligging is dit wel mogelijk geweest.We kunnen vrijwel zeker aannemen dat bij de bouw van de kerk woonruimte nodig was voor ambachtslieden: timmerlieden, metselaars, steenhouwers en beeldhouders. Hoewel het een kleiner gebouw was dan de huidige kerk, zal het een aantal decennia geduurd hebben om het te maken. Nog vóór de bouw voltooid was, zal begonnen zijn met het onderhoud en - in rijke tijden - de uitbreiding met kappelen en een toren.Een kerk leverde geregeld werk voor de bouwlieden, maar zal ook een aantrekkingskracht hebben gehad op andere beroepsgroepen. De timmermannen hebben gereedschap en spijkers nodig, wat aanleiding kan zijn geweest voor een smederij in het dorp, als deze er nog niet was. Daarnaast was er een geestelijke om de missen te leiden en een koster die tevens grafdelver was. Een herberg was ook zeer gebruikelijk in die tijd. Daarnaast moesten al deze mensen eten en drinken, waardoor er een afzetmarkt was voor de boeren.1643. Kerk met linksboven het marktveld en linksonder de Kerklaan. Kaartboek van Simon vanCatshuijsen. HAWDe Herenstraat maakt onderdeel uit van een oud wegennetwerk van het Westland. Om de kerk vanaf deze verbindingsweg te bereiken zal een pad aangelegd zijn. Het was misschien al vanaf het begin ‘verhard’ omdat men wat omhoog moest lopen naar de kerk. Het hoogteverschil zal zeker twee meter zijn geweest en dat wordt al snel een beekje als je het niet van stenen of keitjes voorziet. De plek van het kerkenpaadje kan de huidige Kerklaan geweest zijn. Deze ‘laan’ wordt voor het eerst genoemd in een akte uit 1504. Het is een kort recht straatje dat begint in een knik van de huidige Koningstraat (het verlengde van de Herenstraat) en eindigt bij een toegangshek in de tuinmuur. Vandaar leidt een grindpad naar de zijdeur van de kerk. In vroegere eeuwen kwammen meestal niet via de toren maar via de zijgevels de kerk binnen.Kerklaan met toegang naar de zijdeur van de Oude kerk. Foto: Jolanda FaberHoe is het marktveld aangelegd?Stel het dorp Naaldwijk bestond rond 1250 uit een kerk, een verbindingsweg met (ambachts)huizen, een kerklaantje en boerderijen. Wat was dan de reden om een deel van de huizen te verwijderen en een marktveld aan te leggen? Groeide de welvaart, waardoor de status van het dorp verhoogd kon worden met de aanleg van een marktlocatie?Was er een brand geweest en kwam daardoor ruimte vrij voor een nieuwe inrichting van het dorp? Stadsbranden waren een veel voorkomend probleem in die tijd. Van Utrecht is bekend dat ze in de 11e tot 13 e eeuw zeven grote branden heeft gekend. In Naaldwijk is in 1472 de kerk grotendeels verwoest door een brand. Zijn er in de 12 e eeuw ook grote branden geweest?Misschien was het de kerk - die belangrijker werd in de regio - waardoor het dorp een plein nodig had. De kerk ligt in een hoekje van het Wilhelminaplein, wat vanuit het oogpunt van stedenbouw een B-locatie is. Maar als je oude kaarten bekijkt, dan lijkt het er meer dat het marktveld een uitbreiding van het ronde plein is, waar de kerk en een herberg op stonden. Dan is het logischer dat de markt vanaf dit kerkplein langzaam aan gegroeid is, waarbij uiteindelijk ook de bebouwing aan de Herenstraat plaats heeft moeten maken. Werden de huizen daarbij zorgvuldig afgebroken en verplaatst?1623. Kaart van Naaldwijk. HAWHoe nu verder…Naar het ontstaan van het plein blijft het nog even gissen, maar zonder hypothese kan je geen verder onderzoek verrichten. Iedereen die mee wil denken in het ontstaan van Naaldwijk is van harte welkom om zich te melden bij de historische vereniging. Hiervoor heb je geen historische kennis nodig; nieuwsgierigheid en kritisch denken is al genoeg. Als we alle beschikbare bronnen bij elkaar leggen, komen we misschien tot nieuwe inzichten.Paardenschedel in de vitrine van de tentoonstelling. Foto: HAWEen deel van de archeologische vondsten van het Wilhelminaplein is tot 16 maart te zien in de hal van het Bestuurs- en publieksgebouw aan de Verdilaan. Voor kinderen is er bij de balie van het historisch archief een quiz verkrijgbaar. Zij kunnen ook meedoen aan een verhalenwedstrijd over het paard dat gevonden is in de Herenstraat. Meer informatie staat op de website van Historisch Archief Westland.    www.historischarchiefwestland.nlAuteur: Jolanda Faber, Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijkwww.hvnh.nlinfo@hvnh.nl
Lees meer
Streekhistorie: De brand in hotel Harwich maandag 12 februari 2018 12:12

Streekhistorie: De brand in hotel Harwich

Nadat op 1 juni 1893 de spoorlijn naar Hoek van Holland in gebruik was genomen en ook de Harwichboten Hoek van Holland gingen aanlopen ontstond het zogenaamde ‘nieuwe gedeelte’, de huidige dorpskern. In dit nieuwe gedeelte verrezen drie hotels; Hotel Caland, Hotel Amerika en Hotel Harwich. Hotel Caland is tijdens de 2e wereldoorlog is afgebroken net als het hele ‘2e Zandwerk’, de wijk achteraan de Prins Hendrikstraat waarin het stond. Hotel Amerika (na de 2e wereldoorlog Hotel America) staat er nog steeds, het heette een aantal jaren Grand Hotel Hoek van Holland, maar heeft nu weer de oorspronkelijke naam Hotel Amerika (met een k). Hotel Harwich stond aan de Rietdijkstraat op nr. 54. Dit hotel was eigendom van de weduwe G. van Hees-Peeters, maar werd vanaf omstreeks 1930 geëxploiteerd door de heer en mevrouw de Wijs. Brand!Op zaterdag 1 oktober 1932 omstreeks 07:30 ontdekten voorbijgangers dat er brand woedde in Hotel Harwich op de eerste etage aan de straatkant. Ze waarschuwden onmiddellijk mevrouw de Wijs, die zojuist haar vier gasten had weggeholpen. Met haar man zocht ze snel een goed heenkomen, want het vuur greep met grote snelheid om zich heen. Het einde van de Rietdijkstraat omstreeks 1930. Rechts Hotel Harwich. Nadat de houten Rooms Katholieke kerk in 1905 was verplaatst waren er in 1923 stenen zijbeuken aan gebouwd waardoor het aantal plaatsen steeg van zo'n 100 naar zo'n 250. Op de plaats waar de kerk stond bevindt zich nu de parkeerplaats tussen de Planciushof en de Jozefschool. Ansichtkaart, collectie Henk van der Lugt.Kort nadat de brand was ontdekt, was de vrijwillige brandweer van Hoek van Holland met haar twee handspuiten ter plaatse. Probleem was echter het verkrijgen van bluswater. De toenmalige drinkwaterleiding had onvoldoende capaciteit omdat het water werd aangevoerd per boot en werd opgeslagen in een buffertank. Daarom was men aangewezen op de sloot bij de Watertoren aan de Langeweg. Een handspuit werd bij de sloot geplaatst en halverwege de slang de tweede spuit. Omdat er weinig water in de sloot stond kwam er slechts een armzalig straaltje water uit de slang terwijl de brandweerlieden op ±1 meter afstand van het brandende hotel moesten staan om enig effect te bereiken.Het nablussen van de brand in hotel Harwich op 1 oktober 1932. Krantenfoto uit de Westlandsche Courant van 12 oktober 1932.Ernstig gevaarOok voor de belendende gebouwen, onder meer de Rooms Katholieke kerk, dreigde ernstig gevaar.Daarom vroeg de commissaris van Hoek van Holland, de heer C.F. Jas, om assistentie van de Rotterdamse brandweer. Advertentie uit de Gids voor de badplaats Hoek van Holland 1925Om half 10 arriveerde de Rotterdamse brandweer met een motorspuit en een manschappenwagen. Om aan voldoende bluswater te komen werd de motorspuit bij de Berghaven geplaatst. Niet minder dan 23 slangen van elk 20 meter werden aan elkaar gekoppeld, een totale lengte dus van 460 meter. Hierdoor kon men gaan blussen met water uit de Berghaven. Veel viel er op dat moment niet meer te redden. Slechts een paar muren stonden nog overeind, waarin het houtwerk nog brandde. De oorzaak van de brand is nooit achterhaald en het hotel is nooit meer herbouwd. Enige jaren later bouwde aannemer P. Spuybroek een pand met zes woningen op de plek waar het hotel stond.Pand met zes woonhuizen op de plek waar ooit Hotel Harwich stond. Foto: Henk van der LugtOpmerkingenHotel Harwich moet niet worden verward met Café Harwich (‘de Aardappel’). Het pand van Café Harwich is in 1930 gebouwd maar het café heette voor de oorlog Het Kruispunt. De Watertoren aan de Langeweg maakte geen deel uit van de drinkwaterleiding maar was van de spoorwegen en diende voor de watervoorziening van de stoomlocomotieven.Bronvermelding: · Diverse kranten· Archief Henk van der Lugt
Lees meer
Streekhistorie: Geschiedenis van het politiebureau in Maassluis maandag 5 februari 2018 09:09

Streekhistorie: Geschiedenis van het politiebureau in Maassluis

Op de plek waar voorheen de sociale dienst van de gemeente Maassluis gehuisvest was, is eind januari 2018 de nieuwe politiepost geopend. Deze post vervangt het bureau aan de Westlandseweg. Hiermee is de politie in Maassluis weer terug waar ze ooit begon: in het stadhuis. Politiebureau links boven aan de Wip. Er bleef maar een smal steegje over om op de Dijk bij het stadhuis te komen. (foto Historische Vereniging Maassluis) Toen Maassluis in 1614 zelfstandig werd, kreeg het een eigen dorpsbestuur van schout en burgemeesters. En ook een eigen politiedienst. De schout was de hoogste ambtenaar in het dorp en hoofd van de politie. De politie in Maassluis zetelde vanaf 1676 in het Raadhuis aan de Hoogstraat, nu Nationaal Sleepvaart Museum. Want het was de zetel van schout en burgemeesters. Er was onder de trap een cel gemaakt om raddraaiers tijdelijk te huisvesten. Dit is nog te zien aan het metselwerk.Het stadhuis aan de Hoogstraat. In 1676 beschikte de schout, tevens hoofd van politie, over een cel onder de trap.Omstreeks 1882 werd het oude stadhuis te klein voor alle diensten en verhuisde de politie naar een pand aan de linkerkant van de Wip, naast het telegraafkantoor. Dat is al lang verdwenen. Ansichtkaart van de Wip. Aan de kant van de Wateringse Sluis stonden tot 1912 het politiebureau en telegraafkantoor. In 1906 huurde de gemeenteraad het leeggekomen postkantoor op de Markt van het Rijk om het als politiebureau in te richten. Wij kennen dit pand als het Patriciërshuis Markt 18, maar oudere Maassluizers zeggen nog steeds ‘het politiebureau aan de Markt’. Bij de overeenkomst werd bepaald dat het Rijk de uitwendige en de gemeente de inwendige restauratie van het verwaarloosde pand zou bekostigen. Gemeentearchitect Brand paste de inrichting aan voor gebruik als politiebureau. Cornelis Poortman, de achterbuurman, maakte in 1908 nog bezwaar tegen de voorgenomen verbouwing tot politiebureau omdat hij waardevermindering van zijn woning verwachtte, evenals overlast vanwege het feit dat de woningen zo dicht bij elkaar gelegen waren. Politiebureau op de Markt.Patriciërshuis, voormalig politiebureau, aan de Markt omstreeks 2000.De bovenverdieping was in gebruik door het gezin van de hoofdcommissaris (dat was J.D. Bloemen in 1920 en H.W. Alberti in 1929). Ook de gemeenteontvanger kreeg in het pand zijn kantoor. Bovendien werd er het kantoor van de Nederlandsche Bell Telefoonmaatschappij in ondergebracht. In voorkomende gevallen gebruikte de patholoog-anatoom de kleine keuken om sectie te verrichten. Onder de trap was een cel ingericht voor arrestanten. In 1950 kocht de gemeente Maassluis het pand voor f 7.000 en het bleef tot 1970 in gebruik bij de politie. Het politiebureau aan de Westlandseweg dateert uit 1970.Het verbouwde politiebureau aan de Westlandseweg omstreeks 2010.In 1971 betrok de politie het nieuwe bureau aan de Westlandseweg. De politie is inmiddels een zelfstandige organisatie en het bureau is dus niet van de gemeente. Door bezuiniging is het politiebureau leeg komen te staan. Nu verhuizen de wijkagenten naar de nieuwe politiepost in het stadhuis, de voormalige balie van de sociale dienst. Zo blijft een bemande politiepost voor Maassluis behouden. En is de politie weer terug in het stadhuis.
Lees meer
Streekhistorie: 's-Gravenzande aan ramp ontsnapt maandag 29 januari 2018 09:09

Streekhistorie: 's-Gravenzande aan ramp ontsnapt

Op 1 februari 1953, nu 65 jaar geleden, werd Nederland getroffen door een ramp. Een zware storm met windvlagen van orkaankracht, nog versterkt door springtij, veroorzaakte op vele plaatsen in Zuid-Hol­land en Zeeland dijkdoorbraken. Hoewel de toestand in het begin zeer ver­ward was, werd al gauw duidelijk dat een ramp van ongekende omvang ons land getroffen had. Uiteindelijk kwam ongeveer 175.000 hectare land onder water te staan en kwamen 1835 mensen om het leven. Het heeft toen niet veel gescheeld of bij ’s-Gravenzande waren de duinen doorgebroken. In Hoek van Holland werd zondagmorgen 1 februari 1953 om 4.00 uur alarm geslagen. De smalle duinenrij langs de Westlandse kust werd nauwlettend in de gaten gehouden. Een doorbraak zou namelijk tot gevolg hebben dat een groot deel van het Westland onder zou lopen. TelexberichtZondagmiddag kwamen er plotseling alarmerende berichten uit 's-Gravenzande. Om half twee werd burgemeester H.B.N. Mumsen gewaarschuwd dat de duinen ernstig gevaar liepen waarna hij direct naar het strand ging. Nabij het rijslag naar het ‘s-Gravenzandse strand aan de kant van Arendsduin was een diepe bres geslagen in de smalle duinen. Leden van de Nationale Reserve, brandweermannen en veel vrijwilligers werkten, onder leiding van A.C.Peters, technisch hoofdamb­tenaar van Delfland, met man en macht om een doorbraak te voorkomen. Samen met minis­ter Mans­holt van Landbouw, die inmiddels ook gearriveerd was, volgde burgemees­ter ­Mum­sen de dichtings­werk­zaamheden nauw­lettend. Voordat het weer hoog water werd moest de bres gedicht worden. Daarvoor werden vier­dui­zend zandzakken gebruikt en veel klei die met grote spoed met vracht­wa­gens was aangevoerdFoto: De Westlander 1953 Ook werden zware zeilen ge­bruikt, die met ijzeren pinnen werden vastge­sjord. Na een eindeloos ge­vecht tegen de woeste zee kwam eindelijk het moment dat de inge­nieur van Del­fland mee­deelde dat het ergste gevaar geweken was. De dijk­graaf van het Hoog­heem­raad­schap Mr.Dr. Th.F.J.A.Dolk vertelde later dat het op het nippertje geweest was en dat het er lang heel somber uitge­zien had. Dichten gat in het duinIn een radio-uitzending in de nacht van zondag op maandag voor de Wereldomroep deelde burgemeester Mumsen radioreporter Herman Felderhof mee dat de mannen van de 1e luitenant Van Pelt van de Nationale Reserve al paraat gehouden werden voor­dat er sprake was van een noodsituatie. Verder bedankte de burge­meester in deze uitzending voor het grote aanbod aan hulp dat binnengekomen was en was hij zeer dankbaar voor de eensge­zin­de samen­werking.De gehele nacht van zondag op maan­dag hebben medewerkers van Delfland de wacht gehou­den bij de bres, te meer omdat ook een bunker op de grens van het gat voor een deel ondermijnd was. Gelukkig nam de storm af en hoefde niet op­nieuw alarm te worden geslagen. Achteraf kan worden vastgesteld dat Delfland precies op tijd geweest is om overstroming van een groot deel van het Westland te voorko­men. Dit is zoals de verslaggever van de krant, nog onder de indruk van de gebeurtenissen, in hoogdravende bewoor­dingen schreef: "vooral te danken aan hun paraatheid en het zweet van de honderdvijftig West­landse kerels, die als karrepaarden hebben gezwoegd om hun tuinderij­en en weilanden tegen de vernielende kracht van het zoute water te beschermen en die hebben verhoed dat Nederlands vrucht­baar­ste groententuin verzwolgen werd en dat er een schade werd geleden waarvan men zich in misschien geen kwart eeuw had kunnen herstellen. Het was een recht­streek­se aanval op de Achilleshiel van Del­fland. De grauwende zee­wolf beet zich hier in het land en scheurde met zijn muil de stukken grond weg. Zo veel zand werd er in enkele uren tijd afgeslagen dat de duindrempel, toen de nood het hoogst was en het rijke Westland een verloren gebied scheen te worden, nog hooguit twintig meter breed was. Hoe deze smalle drempel door de Westlandse vrijwilligers werd verdedigd is een geschiedenis die misschien spoedig vergeten zal worden, omdat er zoveel is dat ons aan dit rampzalige weekeinde zal blijven herinneren maar zelf zullen zij het nimmer vergeten, die verbeten strijd om hun land, hun have, hun goed op deze helse Zondag". Werkzaamheden na de ramp (foto Hoogheemraadschap van Delfland)In het gebied tussen Maassluis en Hoek van Holland verdronk veel vee. Boerderijen stonden daar tot de bovenverdieping in het water. De uiteindelijke schade in het Westland viel erg mee. Wel had bijna iedere tuinder glasscha­de. In ver­schil­lende dorpen waren hele warenhuizen platge­slagen, het proefstation berekende de stormschade voor het Westland op ongeveer 13.000 m2 kasglas. Maar het zogenaam­de platglas kreeg de meeste schade, er sneuvelden ongeveer 55.000 eenruiters. Verder waren er veel dakpan­nen van de daken gewaaid en bomen ontworteld maar in vergelij­king met de noodge­bieden was de schade hier te verwaarlozen.Als snel werden er overal in Nederland hulpacties op touw gezet. In 's-Gravenzande bleef men niet achter bij de rest van het Westland. Ongeveer 75 winkeliers gaven het goede voorbeeld en zamelden maandag onderling al in totaal een bedrag van f 6000,- in. Maandagmiddag 2 februari fietsten de dorpsomroepers Boers en De Geus onver­moeid rond om de mensen aan te sporen flink te geven. Zij riepen overal in het dorp met luide stem “Morgen zal een geldinzameling worden gehouden voor de geteisterde gebieden en woensdag zullen kleding, dekking en schoeisel worden opgehaald. Zegt het voort”. Verder wisten de dorpsom­roe­pers nog te vertellen dat er evacuees zouden komen, hoeveel en waar van­daan was toen nog niet precies bekend maar vermoede­lijk zouden het mensen van Goeree zijn. Onder voorzitterschap van burgemeester Mumsen werd een grote commissie gevormd die de inzameling van geld en goederen organiseerde. De collecte voor de nationale ramp bracht in ‘s-Gravenzande met inbegrip van het door de winkeliers ingezamelde bedrag in totaal f 44.600,- op. Ook werd een enorme hoeveelheid kleding opgehaald.Burgemeester H.B.N.Mumsen Verder stelde de reddingsbrigade een zogenaamde tomboot (speciaal voor reddingwerk in de branding) beschikbaar. Vrijwilligers vertrokken er dinsdagnacht om half twee mee naar Middel­harnis. Zij namen voor de slachtoffers op Goeree-Overflakkee voor f 1200,- aan goede­ren in natura mee, die door winkeliers en particulieren waren ingezameld. Een kruidenier schonk bijvoorbeeld 50 kilo bruine bonen, 24 bussen tomatensoep, 24 potten jam, 22 pakken HO-havermout, 20 pakken liga en 24 blikjes leverpastei. Deze springvloed was één van de hevigste die sinds mensenheu­genis aan de Westlandse kust werd waargenomen. In 1882 bereik­te het water in Hoek van Holland een hoogte van 3.78 meter, dit­maal steeg het water tot 4.15 meter boven N.A.P. Volgens berekeningen van Delfland werd langs de 20 kilometer lange kust­strook van het Westland in 4 uur tijd ongeveer 2,5 miljoen m3 zand weggeslagen. In verband met dringende herstelwerkzaamheden aan de Westlandse kuststrook besloot het Hoogheemraadschap van Delfland het strand en de duinen af te sluiten voor het publiek. Door de stormvloed waren veel Duitse bunkers, die ingegraven waren in deze duinstrook, bloot komen te liggen en verzakt wat gevaar opleverde voor nog meer kustafslag. Besloten werd deze bunkers zo spoedig mogelijk op te blazen. Een grote groep Amerikaanse militairen hebben daarbij met hun gespecialiseerde materieel uitstekend geholpen. Kort na de ramp waren er in ’s-Gravenzande dan ook dagelijks enorme knallen te horen, dan zei men tegen elkaar “daar gaat er weer een”! Duinversterking door Hoogheemraadschap bij slag Arentsduin in 1963 Om een vervolg op deze ramp te voorkomen werd in 1958 de Deltawet aangenomen waardoor in onze regio de duinen en dijken op deltahoogte, d.w.z. op 10,5 meter boven NAP, gebracht werden. In dit verband legde het Hoogheemraadschap van Delfland in 1963 tussen Hoek van Holland en Ter Heijde een enorm zandlichaam aan tegen de binnenzijde van de smalle duinenrij. Deze kustversterking werd groots aange­pakt er werd zelfs een tijdelijke spoorlijn aangelegd zodat het benodigde zand met zandtrei­nen naar de plaats van bestem­ming vervoerd kon worden. Vòòr de smalle duinen tussen Hoek van Holland en Scheveningen werden in 2008/2009 door opspuiting een nieuw duin en een breed strand aangelegd. Een extra veiligheid tegen abnormaal hoog water is nog de in 1997 aangelegde Maeslandkering in de Nieuwe Waterweg.Aanleg van nieuw strand bij slag Beukel Auteur: Jan Dahmeijer van de historische werkgroep Oud ‘s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: De Monsterse rederijkerskamer maandag 22 januari 2018 09:09

Streekhistorie: De Monsterse rederijkerskamer

Het blazoen van de Monsterse rederijkerskamer De Blauwe Wijngaertrancken heeft jarenlang in de hal van het gemeentehuis aan de Choorstraat gehangen. Na de sluiting van het gemeentehuis in 2017 is dit rederijkersbord onlangs overgebracht naar partycentrum De Noviteit. Monster heeft net als vele andere plaatsen in de zestiende en de zeventiende eeuw een rederijkerskamer gehad. Rederijkerskamers waren gezelschappen die zich bezighielden met het schrijven en voordragen van toneelstukken, gedichten en liederen. Onderling hielden de rederijkerskamers van tijd tot tijd wedstrijden. De organiserende kamer stuurde dan uitnodigingen rond, vergezeld van een vraag die in dichtvorm moest worden beantwoord. De eerste keer dat de Monsterse rederijkerskamer wordt genoemd, is in 1546. De Goudse kamer organiseerde in dat jaar een wedstrijd, waar niet minder dan 23 kamers aan deelnamen. Ook de ’s-Gravenzandse en de Naaldwijkse kamer waren daar aanwezig.De Monsterse rederijkers opereerden onder de naam De Blauwe Wijngaertrancken. Hun blazoen of wapenbord heeft de eeuwen overleefd en dateert uit 1685. Daarop staat te lezen dat zij in 1548 tijdens een feest te Dordrecht gedoopt werden. Zij werden bij die gelegenheid officieel toegelaten tot de rijen der erkende kamers. Op het blazoen is een christusfiguur afgebeeld, halfgeknield in een graf en omringd door druivenranken, een verwijzing naar de naam van de kamer. Op een lint wordt het devies van de kamer vermeld: Smaackt sdruifs soetheit.In de loop der jaren wordt de Monsterse kamer verschillende keren vermeld als deelnemer aan door andere kamers georganiseerde wedstrijden: -1546 Gouda-1548 Dordrecht-1564 Gouda-1581 ’s-Gravenhage-1581 Delft-1671 Honselersdijk-1676 Naaldwijk-1678 Schipluiden-1680 Vlaardingen-1705 Schiedam Opvallend is dat er soms jaren voorbijgaan zonder dat de Monsterse kamer in de archieven opduikt als deelnemer aan een elders georganiseerde wedstrijd. Het is onduidelijk of de frequentie van deelname aan wedstrijden inderdaad laag was of dat simpelweg de archieven zwijgen omdat er geen verslagen zijn overgeleverd. In 1589 wordt prins Maurits ingehuldigd als ambachtsheer van Monster. Bij die gelegenheid organiseert de Monsterse rederijkerskamer zelf een wedstrijd, waaraan wordt deelgenomen door rederijkerskamers uit onder meer ’s-Gravenhage, Haarlem, Gouda en Vlaardingen. Voor zover bekend zijn er geen teksten bewaard gebleven van hetgeen bij deze gelegenheid aan gedichten en toneelspelen ten gehore is gebracht. Wel zijn er in de ambachtsrekeningen diverse betalingen terug te vinden aan onder meer de schilder en de schrijnwerker in verband met de plaatsing van een groot tafereel en twee kleine taferelen. Het gaat hier waarschijnlijk om de plaatsing van de toneelopbouw ten behoeve van de voordrachten van de deelnemende kamers.In het begin van de zeventiende eeuw woonde in Monster een zekere schipper Jan Dircxzoon Camerman. Vermoedelijk houdt zijn naam een verwijzing in naar zijn activiteiten voor de Monsterse rederijkerskamer. Er is een gevelsteen bewaard gebleven die waarschijnlijk was ingemetseld in de gevel van zijn huis aan de Vaart. De steen bevat de volgende raadselachtige tekst: ‘Die mij benijden, en niet en geven, moeten mij lijde en laten leven. Kent u selven. 1613’ De tekst kan een verwijzing zijn naar de spanningen die in die tijd bestonden tussen de kerkelijke overheid en de rederijkerskamers. De steen is later in een tuinmuur van het klooster geplaatst en prijkt inmiddels in de gevel van het voormalige pensionaat aan de Havenstraat. Het ruitvormige blazoen van de Monsterse rederijkerskamer heeft vanaf 1982 in de hal van het Monsterse gemeentehuis aan de Choorstraat gehangen. Daarvoor hing het aan de muur in de voorgangers van dit gemeentehuis. Het is heel goed mogelijk dat het blazoen al vanaf 1740, toen het eerste ambachtshuis aan het Kerkplein werd gebouw, de wand van een openbaar gebouw heeft gesierd. Het gemeentehuis aan de Choorstraat is sinds de samenvoeging van vijf gemeenten tot de gemeente Westland in gebruik geweest als een van de gemeentekantoren. Het pand is eind 2017 gesloten nadat het nieuwe gemeentehuis van Westland aan de Verdilaan in Naaldwijk gereed was gekomen. De in het gemeentekantoor aanwezige kunst is overgebracht naar het depot van de gemeente in Naaldwijk, met uitzondering van het rederijkersbord en een schilderij uit 1894 van een vissersvrouw van de hand van de Franse schilder René Ravaut. Deze beide kunstwerken zijn overgebracht naar partycentrum De Noviteit aan de Havenstraat. Het schilderij van Ravaut heeft een plaatsje gekregen in de voormalige kloosterkapel, terwijl het rederijkersbord is bevestigd aan de muur van de garderobe van het partycentrum. Het is aan de ene kant goed dat beide kunstwerken in Monster zijn gebleven en niet naar Naaldwijk zijn verhuisd. Aan de andere kant verdient met name het rederijkersbord een betere en veiliger plaats. Een uiterst zeldzaam kunstvoorwerp met een aan het dorp Monster verbonden geschiedenis van bijna 500 jaar verdient een betere plek dan de garderobe van een partycentrum.Auteur: Leo van den Ende van Werkgroep Oud-MonsterBronnen:F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden, De Westlandse Rederijkerskamers in de 16e en 17e eeuw (Amsterdam 1985).L.J.M. van den Ende, De inhuldiging van Prins Maurits als ambachtsheer van Monster. In: Historisch Jaarboek Westland 1991.J.G. Endhoven, Op de Vaert, Het pensionaat St. Joseph te Monster en zijn voorgeschiedenis (1997).
Lees meer
Streekhistorie: Veel Westlanders hebben Duitse wortels maandag 15 januari 2018 11:11

Streekhistorie: Veel Westlanders hebben Duitse wortels

Veel Westlanders hebben verre voorouders van Duitse afkomst. Daarin verschilt het Westland nauwelijks van andere delen van ons land. Vooral vanaf de 18de eeuw trokken veel Duitsers naar het Westland om hier een beter leven op te bouwen. De armoede op het platteland van Westfalen, het Kleverland en het Rijnland bracht een ware volksverhuizing te weeg. Arnold Arkesteijn van de Studiegroep Genealogie Westland hield op 6 december in de Kastanjehof in Kwintsheul een lezing voor het Genootschap Oud-Westland over Westlanders van Duitse afkomst. De zaal met 150 stoelen was tot de laatste plaats bezet. Niet iedereen zal bij familienamen als Koene, Barendse, Disselkoen, Holtkamp, Grootscholten en Mulder aan Duitsland denken. Toch heeft meer dan de helft van de Westlanders van voor 1940 verre Duitse voorouders hoewel zij zich daar zelf niet van bewust zijn. In een historische terugblik schetste Arkesteijn hoe Nederland altijd een grote toestroom van immigranten heeft gehad. In de 16de eeuw kreeg het protestantisme veel aanhang in de het huidige België. Met name de omgeving van Ieper en Antwerpen telde veel aanhangers van de nieuwe leer. Om orde op zaken te stellen in de roerige Nederlanden stuurde de Spaanse koning Philips II de hertog van Alva naar ons land. Na de Spaanse verovering van Antwerpen vluchtten veel Calvinisten naar het noorden en vestigden zich in de Hollandse steden. Zij brachten veel ambachtelijke vakkennis mee naar hun nieuwe vaderland. In de 17de eeuw was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een van de meest welvarende gebieden van Europa. Ook technisch liep Nederland voorop. Het lukte de helft goedkoper dan in Engeland een schip te bouwen. Er ontstond een groot tekort aan arbeidskrachten voor de scheepsbouw, het bemannen van de schepen van de Verenigde Oost-Indische compagnie en het leger. Dit tekort werd voor een groot deel opgevuld met immigranten. Met name Duitsers wisten de weg naar ons land te vinden. "Niet vreemd als je weet dat het loon voor een seizoenarbeider in Holland in die tijd vijf keer zo hoog was als in Westfalen,’’ weet Arkesteijn. ,,In 1725 was 10 procent van de huwelijken met een Duitse partner." "Het Genootschap heeft mij gevraagd over Duitsers te spreken maar er zijn ook andere immigranten’’, zei Arkesteijn. ,,In het Westland komt ook een familie Toussaint voor en die is duidelijk van Franse afkomst. Schrijfster Nelleke Noordervliet komt oorspronkelijk uit Poeldijk maar heeft Noord-Franse roots en de familienaam Telleur is ook Frans. Ik heb ook onderzoek gedaan naar de familie Broch, die afkomstig is uit Frans Vlaanderen." "De meeste immigranten begonnen met het pachten van een stukje grond. Zij gingen bijvoorbeeld aardappelen telen en zetten hun bedrijf goed op. Zij trouwden met gevestigde families. Zo sloten de Duitse families Barendse en Mulder een huwelijk met de leden van de familie Hofstede. Die huwelijken hebben de integratie bevorderd. Het komt ook voor dat een man al jong weduwnaar werd en trouwde met een weduwe. Die huwelijken waren niet de eerste keuze maar zorgden dat de immigranten omhoog gingen op de sociale ladder. Neem het voorbeeld van de familie Zwinkels uit Son. Zij kwamen als metselaars naar Delft en later het Westland en kregen daar contact met de familie Aalsborgh en werden tuinder. Daaruit kwamen hele generaties Zwinkelsen voort." Immigranten"Het grijpt allemaal in elkaar. Het was een kleine wereld en de Westlanders hielpen elkaar. Ik heb geen moeite gedaan om de kerkelijke achtergrond van de Duitse immigranten te achterhalen maar de meesten waren katholiek. De immigranten kwamen naar heel West-Nederland om te werken als polderjongen, maaiers en hooiers, turfstekers, scheepsvolk, soldaat of tichelaar (stenenbakker). De routes naar ons land liepen over Boertange en Lingen. Vaak ging het dan via Hasselt in Overijssel over de Zuiderzee naar Amsterdam." "Ik heb de oorsprong van verschillende families getraceerd. De familie Koene komt uit Alpen ten zuiden van Xanten, Disselkoen uit Wesel, Holtkamp uit Merzen, Mulder uit Schapen en Reincke uit Ibbenbüren. Ik heb de stamboom van Holtkamp nagetrokken. Holtkamp had een boerderij en later een bakkerij in Schipluiden. De boeren, die op zondag naar de Mis gingen in de kerk op Hodenpijl, lieten hun klompen achter op de bakkerij en kleedden zich om. Na afloop van de kerkdienst kregen zij koffie met brood. Vanaf de bakkerij vond ook de postbezorging naar de familie in Duitsland plaats. De Holtkampen waren een hele grote familie. Ik heb nog een familiefoto waarop ook de priester Cor Holtkamp staat. Hij was de deken van Goes."Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud-Westland
Lees meer
Streekhistorie: Groenteveiling Naaldwijk maandag 8 januari 2018 09:09

Streekhistorie: Groenteveiling Naaldwijk

Op het ogenblik is er nog tot en met 25 februari 2018 in het Westlands Museum een tentoonstelling te zien over de Westlandse Veilinggeschiedenis. In het kader daarvan wil ik iets vertellen over de Naaldwijkse groenteveiling en wel omdat het laatste restant van het laatste veilinggebouw binnenkort gesloopt gaat worden. De meeste groenteveilingen in het Westland zijn opgericht in 1889. Er werd een veilingvereniging voor het gehele Westland opgericht met plaatselijke afdelingen. In Naaldwijk ging de oprichting van een veiling nogal moeizaam dat kwam o.a. door het feit dat er in Naaldwijk veel tuinders waren die ook in de handel zaten. Zij waren in het begin wantrouwig omdat ze bang waren dat de oprichting van de veiling hen overbodig zou maken. De eerste veiling werd gehouden in juni 1890 in café Torenburg aan het Wilhelminaplein. Eigenaar Houniet maakte van de bovenverdieping een zaal die geheel voor de veiling bestemd was. Die zaal kreeg een eigen toegang via een trap die te bereiken was door een poort in de Herenstraat. Dit was een heel gedoe, alles naar boven dragen en weer naar beneden en dan nog 400 m van en naar de Haven (nu Havenplein), want het belangrijkste transportmiddel in die tijd was het schip. In 1900 besloot men een eigen nieuw gebouw aan de Haven te realiseren. Het veilingbestuur kocht een huis met een stuk grond waar een grote loods werd gebouwd onder leiding van meester timmerman W. Dessing.Veilinggebouw aan de Haven, 1900Veilinggebouw aan het Zuideinde, 1909Sloop van het veilinggebouw aan het Zuideinde, pas in 2017!!!Spoedig na de ingebruikname bleek de inrichting niet te voldoen. De lijnen van de aan- en afvoer waren verbeterd, maar de situering van het gebouw was een vergissing. Er was te weinig ruimte rondom het gebouw en maar één smalle toegang, die als in- én uitgang fungeerde. Vanaf 1900 begon de omzet van de veiling enorm te groeien en er was in dit nieuwe gebouw niet genoeg plek om alle producten te kunnen bergen. Al in 1907 werd er een commissie benoemd die opdracht kreeg om een oplossing te bedenken. De commissie kwam al snel tot de conclusie dat de enige oplossing was nieuwbouw aan de westzijde van het dorp bij vaarwater en aan het WSM-spoor. Dit advies werd in eerste instantie door de ledenvergadering verworpen omdat men het te duur vond. De situatie aan de Haven bleek echter onhoudbaar en daarom werd na enkele jaren besloten aan het Zuideinde een nieuwe veiling te bouwen. In juni 1909 werd het door A.G.W. Dessing ontworpen gebouw in gebruik genomen. Veilinggebouw aan de ’s-Gravenzandseweg, gebouwd in 1926Neerzethal van de veiling aan de ’s-GravenzandsewegHet veilingcomplex aan de ’s-GravenzandsewegEr rustte echter geen zegen op de Naaldwijkse veilinggebouwen want ook dit nieuwe gebouw en dan vooral het terrein er omheen bleek al snel te klein. Door de aanleg van een goede spoorverbinding, die ook aansloot op het internationale net, was in het begin van de 20ste eeuw de vraag vanuit Duitsland enorm gegroeid. Door de gestegen vraag groeide ook de aanvoer van producten die door het veilingbestuur niet goed was ingeschat. De Naaldwijkse tuinders waren blijkbaar ook voorzichtig en daardoor bouwde men wat op dat moment nodig was. De financiën waren altijd een heikel punt en men was niet bereid al te investeren voor de toekomst. Op het moment dat de veiling in 1909 in gebruik werd genomen was die al te klein. Om de ruimteproblemen op te lossen werd er in 1911 grond bijgekocht om het veilingterrein te vergroten en ook de haven kon worden uitgebreid. Dit was echter niet genoeg en men wilde verder uitbreiden. Het veilingbestuur wilde het nu goed aanpakken. Bij het zuideinde was niet genoeg ruimte voor uitbreiding en daarom werd er een plan ontwikkeld om helemaal opnieuw te beginnen aan de ’s-Gravenzandseweg. Men zou dan de tuin van het Proefstation voor de tuinbouw kopen. Dit terrein lag aan het WSM-spoor en er was ruimte om een grote haven uit te graven. Dit plan werd in eerste instantie goed ontvangen, maar was erg duur en dat schrok nogal wat leden af. De onderhandelingen met de proeftuin duurden lang en toen begon de oppositie zich te organiseren. Zij vonden dit plan een te groot financieel risico en wisten te bereiken dat een meerderheid het plan wegstemde. Men bleef doormodderen aan het Zuideinde.Sloop van de veilinggebouwen aan de ‘s-Gravenzandseweg omstreeks 1975Het kantoorgebouw van de veiling uit 1965 met het kunstwerk aan de gevelHet in 2017 beschadigde kunstwerkIn 1924 ging dat echt niet meer, de aanvoer was zo gestegen dat er iets moést gebeuren. Het oude plan op het terrein van het Proefstation werd weer uit de kast gehaald. De onderhandelingen voor aankoop verliepen vlot en ook een naastgelegen tuin kon het veilingbestuur aankopen. Er was nu een zeer geschikt terrein beschikbaar waar een modern veilinggebouw gerealiseerd kon worden, met een fustloods, ruimtes voor kooplieden en een haven. Het was wel een kostbare operatie die ruim een half miljoen gulden ging kosten, maar de vooruitzichten in die periode waren goed en op 22 juli 1926 kon het nieuwe veilingcomplex feestelijke geopend worden. Nu was er meer dan genoeg ruimte, ook voor toekomstige uitbreidingen. De veiling is hier gebleven tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw. Toen gingen alle veilingen in de verschillende Westlandse dorpen met elkaar fuseren waarna er nog drie grote veilingen overbleven. De leden van groenteveiling Naaldwijk sloten zich in 1972 aan bij veiling Westland Zuid in ’s-Gravenzande en veiling Delft-Westerlee in De Lier. Het merendeel van de veilinggebouwen werd toen gesloopt voor de bouw van de nieuwe woonwijk Opstal. Eén deel bleef gehandhaafd, dat was de hal met de veilingklok en het gedeelte met de kantoren voor de administratie. Dit deel werd in 1972 verbouwd tot politiebureau en brandweerkazerne. De politie is inmiddels vertrokken en als ook de brandweer een nieuwe behuizing heeft zal dat gebouw (gedeeltelijk) worden afgebroken. Dit deel van de veiling was overigens pas in 1965 gebouwd en bij de officiële opening werd door de gemeente Naaldwijk een kunstwerk van keramiek geschonken aan de veiling. Dit kunstwerk bevindt zich nog steeds aan de gevel van het voormalige politiebureau. Bij de sloop zou dit zorgvuldig verwijderd worden en dan naar het museum vervoerd worden. Helaas is het kunstwerk een half jaar geleden ernstig beschadigd doordat iemand het gemeentewapen van Naaldwijk er met een slijptol heeft afgehaald. We hopen dat dit nog gerestaureerd kan worden. Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Voor paal in het Westland maandag 1 januari 2018 09:09

Streekhistorie: Voor paal in het Westland

U bent er allemaal wel een keer langs gereden, maar waarschijnlijk zijn ze u nooit opgevallen. Deze twee paaltjes staan in het Westland. Waar? Dat leest u straks. In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van de onderzoeksresultaten van Flip Werner, die – net als ik nu – enkele jaren geleden gefascineerd raakte door de aanwezigheid van enkele ijzeren paaltjes langs de Vliet tussen Leiden en Delft. Werner ontdekte in 2009 dat er in heel Zuid-Holland nog maar twaalf gietijzeren kilometerpalen bewaard zijn gebleven. Tien palen langs de Vliet tussen Leiden en Delft en twee in het Haagse bos. En hij ontdekte dat de provincie Zuid-Holland de enige provincie is met gietijzeren kilometerpalen. De kilometerpalen in de andere provincies waren allemaal van eikenhout of basaltsteen.Maar hoe kwamen die palen daar en oud zijn ze? De palen langs de Vliet moeten er al rond 1893 zijn geplaatst in opdracht van het Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland. De palen waren gemaakt naar hetzelfde model als die langs de Rijksstraatweg van Den Haag naar Haarlem. Het eerste deel van die weg (de Leidsestraatweg) loopt dwars door het Haagse bos. De palen in het Haagse bos (geplaatst omstreeks 1861) waren in de plaats gekomen van eikenhouten palen, die kennelijk zo verrot waren dat ze moesten worden vervangen.Langs De VlietIn het bestek stond “ln 1861 de houten mijlpalen 2, 3, 4 en 5 te vervangen door gegoten ijzeren mijlpalen, ieder lang 1.80 el, van onderen voorzien van een daaraan vast gegoten plaat. Iedere paal zal de zwaarte moeten hebben van 135 pond en worden vervaardigd volgens bestaand model zoo als die geplaatst op den weg in het Westland". Van deze vier kilometerpalen in het Haagse bos zijn er twee bewaard gebleven. Die twee zijn inmiddels aangewezen als gemeentelijk monument. Die weg in het Westland waar ze het over hadden, was de rijksweg van Loosduinen naar Naaldwijk (latere Rijksweg 20). Langs deze weg moeten dus ook gietijzeren kilometerpalen hebben gestaan. Deze zouden een paar jaar eerder, in 1858, geplaatst moeten zijn. In de opdracht tot plaatsing stond dezelfde beschrijving zoals hierboven voor het Haagse Bos is genoemd. Maar nu stond er óók bij, dat deze palen vervaardigd moesten worden "volgens te geven teekening". Die tekening vond Flip Werner tussen de correspondentie die gevoerd was bij het opmaken van de onderhoudsbestekken voor de jaren 1858- 1860. Uit die correspondentie uit 1857 blijkt ook dat het besluit om de houten kilometerpalen te vervangen door gietijzeren palen niet lichtvaardig is genomen. De ingenieurs schrijven “De aanhoudende uitgaven voor vernieuwingen van de houten mijlpalen hadden het denkbeeld doen ontstaan om die van gegoten ijzer voor te stellen. Volgens bijgaande schetsen, ter nadere keus, waren zij in het bestek omschreven. Wij vinden ons echter verplicht Uw EG mede te delen dat de kosten geraamd zijn op f.25,- voor iedere paal.” En dan te denken dat een basaltstenen kilometerpaal met wit geverfde kop maar zo’n 5 gulden kost. De hoofdingenieur van Rijkswaterstaat en de Commissaris van de Koningin lijken roet in het eten te gooien. Zij kiezen voor basaltsteen. Maar de Minister laat zich overtuigen en gaat akkoord met vervanging van vergane houten palen door gietijzeren palen. Maar wie zou die kilometerpalen nou hebben gemaakt? Dat blijkt de ijzergieterij “De Prins van Oranje” in Den Haag te zijn. In het archief van het gemeentebestuur Naaldwijk vonden wij een catalogus uit 1870 van deze ijzergieterij. De ijzergieterij maakte o.a. putdeksels, urinoirs, straatverlichting. Maar dus ook kilometerpalen (zie linksonder op de foto).Westlandse kilometerpalen We hebben gelezen dat de kilometerpalen langs de weg van Loosduinen naar Naaldwijk de oudsten waren. Deze kilometerpalen hebben model gestaan voor de rest van de provincie. Dat is mooi. Maar bestaan die palen nog? En als ze nog bestaan, waar staan ze dan? Welnu, er zijn twee Westlandse kilometerpalen bewaard gebleven. Eentje, paaltje 10, staat er aan de Haagweg vlakbij het inrijden van Monster (schuin tegenover scouting Polanen).Haagweg MonsterEn de ander staat nog steeds langs de weg van Loosduinen naar Naaldwijk. Kilometerpaal nr. 13 (de afstand gerekend vanaf het centrum van Den Haag) staat in de grasstrook tussen fietspad en rijbaan aan de Dijkweg in Naaldwijk.Dijkweg NaaldwijkAlle andere palen langs de weg van Loosduinen naar Naaldwijk zijn verdwenen. Ze zijn waarschijnlijk ooit verwijderd om ruimte te maken voor wegverbreding of de bouw van huizen. Natuurlijk hebben we gezocht naar oude foto’s waarop nog palen te vinden zijn. We hebben er twee gevonden.kilometerpaal nr, 12 langs de Hofstraat in Honselersdijkkilometerpaal nr. 10 langs de Nieuweweg in Poeldijk De locatie is wat lastig te herkennen. Deze plek ziet er tegenwoordig zo uit:hoek Nieuweweg/Monsterseweg in PoeldijkMoeten we zuinig zijn op onze twee kilometerpalen? Laten we eerst eens kijken naar de motivatie van de gemeente Den Haag om haar twee kilometerpalen in het Haagse bos als gemeentelijk monument aan te wijzen: “De kilometerpalen langs de Leidsestraatweg zijn van historisch belang als tastbare herinnering aan één van de belangrijkste voormalige uitvalwegen van Den Haag. De verscheidenheid in materiaal en vorm verwijzen naar de historie van het wegbeheer. Cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen de gietijzeren kilometerpalen als bewaard gebleven industrieel product van de in Den Haag gevestigde ijzergieterij “De Prins van Oranje”. Daarnaast hebben de palen een zeldzaamheidswaarde: in Zuid-Holland staan anno 2011 nog slechts 12 gietijzeren kilometerpalen. Daarbuiten zijn ze in Nederland onbekend.” (Werner en gemeente Den Haag wisten toen nog niet dat er ook in het Westland nog twee staan)Zouden wij in het Westland die palen ook als monument moeten aanwijzen? Ik denk het wel. Toegegeven, het gaat om twee kleine gietijzeren voorwerpen die er al 158 jaar staan en nooit door iemand worden opgemerkt. De grasmaaiers van de gemeente zullen er vaak op gescholden hebben. Wie ligt er wakker van twee van die paaltjes? Maar ondertussen staan ze er 158 jaar en zijn ze een stille getuige van een tijdperk waarin er nog geen auto’s redenen en er ook nog geen veilingen waren. De paaltjes werden gepasseerd door paard en wagens, diligences, een enkele wielrijder en wandelaars. Onze twee paaltjes hebben model gestaan voor de hele provincie Zuid-Holland en zijn de oudste gietijzeren kilometerpalen van Nederland. Bewaren dus.(Wil je het hele verhaal van Flip Werner uit 2009 lezen? Meer: http://ezhlive.blob.core.windows.net/assets/a3834e21-fe70-440b-b063-fcc784fbecdf ) Auteur: Jan Buskes van het Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: De betekenis van Otto van Egmond, heer van de Keenenburg maandag 18 december 2017 09:09

Streekhistorie: De betekenis van Otto van Egmond, heer van de Keenenburg

Otto van Egmond is een van de belangrijkste inwoners van Midden-Delfland geweest. Hij leefde van ca. 1522-1586 en had als volledige achternaam Egmond van Meresteijn. Zijn familie was afkomstig van het huis Meresteijn in de omgeving van Beverwijk en was verwant met het geslacht van graaf Lamoraal van Egmond. Beide edelen hadden als gemeenschappelijke voorvader Kwade Wouter van Egmond. Otto van Egmond bezat op de Keenenburg een schilderij met een portret van Lamoraal van Egmond. Hij ontmoette deze verre neef regelmatig in Brussel en Den Haag, waar ze belangrijke landszaken met elkaar bespraken. Door het huwelijk van Aelbrecht van Egmond van Meresteijn met Haze de Blote kwam de Keenenburg omstreeks 1460 in handen van het geslacht Van Egmond. De bewoners van het kasteel bekleedden voorname bestuurlijke en militaire functies. Zo was de vader van Otto van Egmond luitenant-stadhouder van Holland, een van de hoogste militaire rangen in Holland. Otto van Egmond onderscheidde zich in zijn leven vooral als bestuurder. Hij had grote diplomatieke gaven en offerde zijn eigen belangen op voor de regio, het gewest en het land. Veel waarde hechtte hij aan vrijheid, ook in de godsdienst; hij bezat een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Pleiter voor vrijhedenOtto van Egmond trad in de periode 1544-1566 namens de Ridderschap en het gewest Holland in Brussel regelmatig op als afgevaardigde en onderhandelaar in de Staten-Generaal en bij de landvoogdes (eerst Maria van Hongarije en later Margaretha van Parma). Met andere gewestelijke bestuurders pleitte hij in de periode 1565-1566 voor acties tegen de Amsterdamse graanhandelaren, die hun voorraden vasthielden om de prijs nog meer te laten stijgen. Het volk leed honger. Ook zette hij zich te Brussel in voor de verzachting van de geloofsplakkaten. Aanhangers van Luther en Calvijn werden vervolgd. Ondanks zijn kritiek bevestigde Otto van Egmond in 1567 opnieuw de eed van trouw aan koning Filips II. Nadat zijn vriend en eveneens gematigde bestuurder Jacob van den Eynde in 1567 door de Spaanse Inquisitie werd opgepakt en Lamoraal van Egmond in 1568 door Alva was onthoofd, hield hij zich enkele jaren stil. Maar in 1572 koos hij volledig de zijde van de Opstand. Op dat moment was het nog volstrekt onduidelijk hoe de strijd tegen het machtige Spanje zou aflopen. Veel collega waterschapsbestuurders en leden van de Ridderschap bleven de Spaanse koning trouw en weken uit naar Spaansgezinde gebieden. Inzet voor de OpstandOtto van Egmond bleef op zijn post en raakte daardoor zijn huis aan het Noordeinde in Den Haag en zijn kasteel Keenenburg in Schipluiden tijdelijk kwijt aan de Spanjaarden. Hij woonde een aantal jaren in Delft. Grote sommen eigen kapitaal stopte hij in de oorlog. Willem van Oranje belastte hem in de moeilijke jaren met de uitbetaling van de soldaten die tegen de Spanjaarden vochten. Otto van Egmond nam met de Prins het initiatief om de polders van Delfland, Schieland en Rijnland onder water te zetten, zodat de geuzen Leiden zouden kunnen ontzetten. Dat de heer van Keenenburg hierin toestemde, was heel bijzonder, omdat hij als hoogheemraad van Delfland bij zijn aantreden had beloofd het land droog te zullen houden. Als gevolg van de klachten van boeren over de langdurige wateroverlast - het duurde een aantal jaren voor de dijken en molens hersteld waren - zorgde Otto van Egmond ervoor dat de boeren tot 1579 geen grondbelasting en andere heffingen hoefden te betalen. Hij steunde Willem van Oranje om de ergste heethoofden onder de geuzen, zoals Lumey, uit hun functies te zetten. Zijn zoon Jacob van Egmond werd een van de drie nieuwe kolonels in het Staatse leger. Portret van Otto van Egmond (ca. 1522-1586). Anoniem schilderij, zonder jaartal. Stichting slot Zuylen.Trouwe landsbestuurderDe indruk bestaat dat Otto van Egmond en zijn vrouw Agnes Croesink pas na 1572 geleidelijk naar het protestantisme zijn overgegaan. Verschillende van hun kinderen trouwden met leden van families die al eerder voor de nieuwe leer hadden gekozen. In 1578 werden Otto en Agnes belijdend lidmaat van de kerk in Delft, toen nog hun woonplaats. In die tijd werd het kasteel Keenenburg hersteld na de vernielingen in de jaren 1573-’74. De collega-hoogheemraden van Otto van Egmond schonken hem in 1578 vijf gebrandschilderde ramen voor zijn adellijke huis in Schipluiden. Als vooraanstaand lid van de Staten van Holland maakte Otto van Egmond vanaf 1572 in Het Prinsenhof in Delft en later in Den Haag veel overlegsituaties mee. Hij was een trouwe bezoeker van de vergaderingen. Hierdoor had hij zeer regelmatig contact met Willem van Oranje. Op veel staatsstukken, waaronder die van de Pacificatie van Gent, staan de namen en zegels van de Prins en de heer van Keenenburg naast elkaar. Otto van Egmond heeft zich erg ingezet om Willem van Oranje als soevereine vorst van Holland en Zeeland te benoemen, in plaats van de Spaanse koning Filips II. Toen Willem van Oranje op 10 juli 1584 in Delft werd doodgeschoten, was de heer van Keenenburg in de weken erna vrijwel dagelijks in Het Prinsenhof aanwezig om met anderen zijn uitvaart en opvolging te regelen.Betekenis voor Midden-DelflandIn 1583 kocht Otto van Egmond de ambachtsheerlijkheid Maasland (met Schipluiden), tezamen ruim 4.000 ha groot. Hierdoor werd hij de belangrijkste bestuurder van de regio. Hij zorgde voor stabiliteit. De oorlogsjaren waren in Holland voorbij en de opbouw van het platteland en de dorpen was in volle gang. Op 9 oktober 1586 stierf Otto van Egmond; hij werd begraven in de Grote Kerk te Den Haag. Zijn zoon en opvolger Jacob van Egmond liet later zijn lichaam overbrengen naar de kerk in Schipluiden. Hier ligt op het koor de grote grafzerk van Otto van Egmond en zijn echtgenote. Vanwege zijn verdiensten is zijn naam en portret verbonden aan de erepenning van de gemeente Midden-Delfland.Otto van EgmondpenningWie het volledige verhaal over zijn leven wil lezen, wordt verwezen naar het Historisch Jaarboek Schipluiden 2009, waarin een groot artikel over deze boeiende persoon is opgenomen. Het jaarboek is verkrijgbaar in Museum Het Tramstation te Schipluiden. Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Mijn vader was een Heer maandag 11 december 2017 08:08

Streekhistorie: Mijn vader was een Heer

Toen Nico Hilgerson nog gemeentebode was in Wateringen en ik nog raadslid, zei Nico een keer tegen me: “Uw vader was een Heer!” Mijn vader bleek dit niet alleen verdiend te hebben aan zijn hoffelijke manieren, maar ook aan zijn kleding, en aan een andere gewoonte: hij rookte ’s ochtends een pijp. Die pijp en zijn kleding hebben hem, behalve de eretitel van Heer, nog iets anders belangrijks opgeleverd. Op 1 januari 1956 werd de eerste pensioenregeling voor notarissen ingevoerd. Mijn vader was voor de oorlog al candidaat-notaris, zoals het toen gespeld werd. Er was maar een beperkt aantal standplaatsen voor notarissen, dus het was lang wachten. Toen de pensioenregeling erdoor kwam was mijn vader al 52! Hij solliciteerde op een paar plekken die open kwamen doordat al die oude notarissen moesten opstappen. Uiteindelijk werd het Wateringen, waar tot die tijd notaris Van Wessum zat.De eerste winter dat wij in Wateringen woonden, vanaf januari 1956, was een koude winter met heel veel sneeuw, tot in februari en zelfs maart aan toe. Mijn vader had nog geen auto; nog maar weinig mensen hadden er toen een. Hij verplaatste zich op een Solex. ’s Winters droeg hij daarbij een leren jas - in die dingen nam hij geen halve maatregelen - en een alpinopetje. Niet zo’n zwierige Baskische muts, maar een Hollands klein doppie. Het zag er niet fraai uit.Deze winter lag er te veel sneeuw om op de Solex te rijden. De aandrukrol op de voorband slipte door, en er was te veel gevaar om onderuit te gaan. Hoewel mijn vader een geweldige hekel had aan lopen - dat was maar stompzinnig de ene voet voor de andere zetten - ging hij die winter iedere dag lopend naar zijn kantoor, de hele kilometer lang. Hij droeg daarbij een zwarte winterjas - ’s winters nooit anders dan zwart - met daarin een witte zijden sjaal. Op zijn hoofd droeg hij een zwarte hoed, van het Anthony Edenmodel; een statige hoed, die zeker in zijn geval niet klein was uitgevallen. Mijn vader vond dat Nederlandse mannen altijd te kleine hoeden droegen. Al wandelend rookte hij zijn ochtendpijp. Notaris Jongmans en zijn kat druk aan het werk aan het bureau in het woonhuis Oosteinde 19, december 1956.Mijn vader had geld geleend om de inventaris van het kantoor over te nemen en de aanloopkosten te betalen, en ging aan de slag. De eerste maand kwamen er alleen maar cliënten die al een afspraak hadden gemaakt met de vorige notaris, en van wie de zaak klaar was. Alleen de akte hoefde nog gepasseerd te worden. Er kwamen geen nieuwe zaken. Nu ja, januari is altijd een slappe maand. “Geen zorgen”, zei oud-notaris Van Wessum, “ze kijken eerst een beetje de kat uit de boom, wat u er voor een bent. En als u meevalt, vertellen ze dat wel door op verjaardagen. U zult zien, dan gaat het wel lopen.” Maar ook in februari kwam er geen enkele nieuwe cliënt. Mijn vader maakte zich ernstig zorgen, het had zo’n drukke praktijk geleken. “Hebben ze dan geen nieuwe zaken?” vroeg hij zich af. “Jawel”, zei Van essum, “maar daar gaan ze nu even mee naar Naaldwijk, of naar Delft.” Het geleende geld raakte op. Er waren een candidaat-notaris, een klerk, en een aantal typistes, die allemaal hun salaris moesten hebben. Het zag er niet goed uit. Mijn vader had geen onderpand voor een nieuwe lening, wij huurden het woonhuis aan het Oosteinde en het kantoor aan de Heulweg.Toen kwam er op een ochtend een telefoontje. Het was van de huishoudster van Annetje Hoek. De Hoeken waren in vroegere tijden de regentenfamilie van Wateringen. Ze waren de eigenaren van de molen, indertijd een zeer kostbaar kapitaalgoed, van de herberg, van veel andere panden en van veel boerenland. Een aantal generaties was burgemeester. Een nazaat, Harry Hoek, was een groot man geweest bij het oprichten van het veilingwezen in het Westland, en er was een straat naar hem genoemd. De pater jezuïet die de rector was van het Stanislascollege in Delft, waar ik schoolging, was een Hoek. De familie was overigens zo goed als uitgestorven. In Wateringen restte alleen nog Annetje Hoek. Ze was een breekbaar oud dametje dat nooit was getrouwd. Ze woonde met haar huishoudster in het grote huis tegenover de St. Jan de Doperkerk aan de Herenstraat. Boven de deur van dat huis is vele jaren later een foeilelijk bord geschroefd met de naam “Het Hoge Huis”. Toen noemde niemand het zo.Oosteinde 19, ca. 1956.Annetje kwam haar huis niet meer uit. Ze was zéér katholiek maar naar de kerk ging ze niet meer. Op gezette tijden ontbood ze de pastoor, toentertijd de Zeer Eerwaarde Heer J. (Jos) Schoots, om haar de biecht af te nemen, en op de zondag daarna kwam de pastoor, na de Hoogmis, bij haar thuis om haar de communie uit te reiken. Daar keek niemand van op.De huishoudster ontbood mijn vader bij Annetje thuis. Een verzoek was het niet. Mijn vader, dolblij met eindelijk een klant, en nog volledig onkundig van de positie van Annetje Hoek in Wateringen, toog erheen. Hij werd ontvangen in de salon en kreeg een kopje thee. Tussen het kopje en het schoteltje lag een klein rond wit gehaakt kleedje. “Ach”, zei mijn vader, “dat was in mijn jeugd zo’n goede gewoonte, helaas zie je dat niet meer. Wat fijn, dat sommige mensen dat nog in ere houden.” Dat zei hij niet om haar te paaien, hij meende zulke dingen. Annetje reageerde er niet op. De klus was eenvoudig, ze wilde een minuscule wijziging in haar testament. Mijn vader nam de gegevens op, liet een akte uitschrijven op kantoor, door Nel, die het mooiste handschrift had, - testamenten werden toen nog uitsluitend met de hand geschreven - en maakte via de huishoudster een afspraak om de akte bij Annetje thuis te “verlijden”, zoals dat heet. Hij bracht zelf de verplichte twee getuigen mee. Het zou ondenkbaar zijn geweest dat Annetje naar kantoor zou zijn gekomen. Notaris Jongmans op weg naar zijn kantoor, 1974.De week na zijn eerste bezoek aan Annetje kwam er een klant. De week daarna nog een, en toen begon het te stromen. Mijn vader verbaasde zich over deze plotselinge toeloop. Hij sprak er over met mevrouw Van Wessum, die het dorp heel goed kende. Ze wist wat er gebeurd was. Annetje had mijn vader ’s ochtends zien lopen, met zijn zwarte jas, zijn witte sjaal en zijn zwarte hoed. Maar vooral met zijn pijp. “Een man die een pijp rookt”, had ze gezegd, “móét deugen. En hij kleedt zich ook heel netjes.” En dus had ze hem maar eens besteld, op proef. Dat was haar goed bevallen. Een man van de oude stempel, die nog wist hoe het hoorde (de witte kanten kleedjes!). Daarna had ze enkele vooraanstaande Wateringers laten weten dat de nieuwe notaris absoluut te vertrouwen was en zelfs aan te bevelen. Hij was een Heer.Het jaar daarna kocht mijn vader een auto. Auteur: Otto Jongmans van de Historische Werkgroep Oud Wateringen - Kwintsheul
Lees meer