Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Een nieuwe ambtsketen voor Wateringen maandag 14 mei 2018 09:09

Streekhistorie: Een nieuwe ambtsketen voor Wateringen

Vorige week werd bekend dat er een ambtsketen van een van de oude Westlandse gemeenten is verdwenen uit het Historisch Archief Westland. Een van de ambtsketens die er nog is, althans op 20 april 2018 wel, is de 'nieuwe' ambtsketen van de gemeente Wateringen. Jarenlang maakte de burgemeester van Wateringen gebruik van een standaardketen. Dit was een ambtsketen met sober uitgevoerde schakels, weliswaar in zilver, die als een soort catalogusmodel kon worden besteld. In 1995 besloten de wethouders van Wateringen dat het tijd werd voor een nieuwe ambtsketen. De gemeente was op 1 januari 1994 een kwart kleiner geworden als gevolg van de annexatie van een groot stuk Wateringen door Den Haag. Besloten werd om een echte ontwerper de opdracht te geven voor een typisch Westlandse keten. Op 30 april 1995, Koninginnedag, kon de ambtsketen officieel gepresenteerd worden. Dat gebeurde tijdens de traditionele bijeenkomst van de gedecoreerden in de raadzaal aan de Dorpskade. Een compleet verraste Burgemeester Van den Bos kreeg de nieuwe keten omgehangen door wethouder en loco-burgemeester Jan Kleyberg.Tijdens de raadsvergadering van 30 mei 1995 geeft VVD-fractievoorzitter Bart Kat een overzicht van de symboliek in de ambtsketen. Hij doet dat bij het aanvaarden van een geschenk, een boek over verzetsherinneringen, waar hij als nestor van de raad altijd een dankwoord voor uitsprak.De ambtsketen is tot december 2003 gedragen en werd op de laatste dag van de gemeente Wateringen opgeborgen in het gemeentearchief door de burgemeester en archivaris Ed Schooneman. Nu bevindt de ambtsketen zich in de kluis van het Historisch Archief Westland. Tegenwoordig wordt de ambtsketen nog een keer per jaar gedragen door de voorzitter van de Klas in de Raad-bijeenkomst voor leerlingen van 5 havo van ISW Hoogeland, die voor hun eindexamen een echte raadsvergadering moeten naspelen met initiatiefvoorstellen die ze zelf hebben gemaakt.Notulen van de vergadering van de raad van de gemeente Wateringen 30 mei 1995De heer Kat wenst het volgende op te merken: (…)"Mijnheer de voorzitter, er is nog een tweede gift aan de gemeente in ontvangst te nemen: uw ambtsketen. Weliswaar niet een gift in de zin van gratis aangeboden, want de financiering van deze ambtsketen komt uit de gemeentebegroting en zal dus nog een goedkeuring van de raad behoeven met de daarbij behorende begrotingswijziging, maar in de zin van een noodzakelijk cadeau voor het functioneren van de voorzitter van deze raad. Het initiatief hiertoe is genomen door de wethouders maar verdient nu eenmaal de instemming van de raad. De fractievoorzitters zijn tijdig op de hoogte gebracht van dit initiatief, dus over die instemming van de raad maak ik mij niet zo'n zorg. Ik beperk mij nu als nestor van deze raad tot het memoreren van het feit dat het ontvangen van een nieuwe ambtsketen, in zijn vormgeving een typisch Nederlands gebruik, een toch redelijk uniek gebeuren is, zowel voor u mijnheer de voorzitter als voor ons als raadsleden. Dat unieke gebeuren, ik denk "once in a lifetime" willen wij als raad toch niet zo maar voorbij laten gaan. Dat zou jammer zijn want onderzoek mijnerzijds heeft uitgewezen, dat deze ambtsketen stijf staat van de symboliek en het bovendien een aantal interessante feiten in zich heeft. Er valt dus nogal wat te vertellen over deze ambtsketen. Eerst maar de feiten. De keten bestaat uit 24 schakels die elk een onderwerp uitbeelden dat kenmerkend is voor het Westland en dus ook voor Wateringen. Van onderaf gezien, naar rechts draaiend, zijn dat de roos, de gerbera, de anthurium en de tulp, ook in die volgorde. Elke bloem wordt afgewisseld door een schakel met een gestileerde kas. De kassensierbloemteelt dus, een van de twee elementen waarop het Westland economisch steunt. De basis en de top van de keten worden gevormd door schakels met druiventrossen. De druif, een hele wijk in onze gemeente heeft er zijn naam aan te danken, als overgang naar de andere helft van de keten, de kassen-groenteteelt, het andere element van de Westlandse economie. Van rechts nu naar links draaiend vanuit de druif: de tomaat, de paprika, de komkommer en de wortelen, ook hier steeds afgewisseld door een schakel met het kassymbool. Aan de onderzijde van de keten hangt het gemeentewapen met aan de andere zijde het wapen van Nederland. De keten weegt 600 gram en is gemaakt van zilver en koper in een verhouding van 925/1000 zilver en 75/1000 koper. Zoals te doen gebruikelijk is de keten aan de achterzijde voorzien van een aantal waarmerken. Ze staan op de tweede kassschakel, rechts van de sluiting. Ten eerste het zilvermerk "ZWA" hetgeen betekent Zilverwerk At (bedrijfsnaam en voornaam van de maker At Brandenburg). Dan het gehalteteken, 925/1000 en het Gildeteken, het wapen van Schoonhoven met de letter M (= het waarborgkantoorteken van Schoonhoven). Dan het kantoorteken van de keuring, een Minervakop met de letter R (= keuringsstad Gouda). Tenslotte de letter L voor het jaar 1995. Dit voor zover de feiten. Nu de symboliek. Eerst de Minervakop. Minerva is in de Romeinse mythologie de godin van de wijsheid en dapperheid en wordt afgebeeld met schild en speer. Zij was de dochter van Jupiter en de beschermster van kunsten en wetenschappen. Voorwaar een mooi symbool op de ambtsketen van een burgemeester, vlak voor de tweede werkconferentie in het kader van de kerntakendiscussie. Dan die 24 schakels: 1 x 24, 2 x 12, 3 x 8 en 4 x 6. Een stukje getallensymboliek. Eerst maar eens 12. De maat in onze samenleving: 12 maanden, 12 uren per dag en per nacht, de twaalf apostelen en twaalf sterrenbeelden. Maar ook, als je de 1 en de 2 uit 12 optelt krijg je drie, het perfecte getal, de drie-eenheid. Ik kan nog veel verder gaan, maar dat zal ik in dit kader niet doen. Nog een interessant getal is de 8: 2 x 2 x 2. 2 is dualiteit, in ons huidig politiek jargon dualisme, het kennisnemen van de mening van beide partijen. Een gezond symbool dus in een ambtsketen van een burgervader. Tenslotte de 6. In de filosofie het symbool voor het principe van wet. Voorzitter, zo'n symbool in uw ambtsketen moet u toch geruststellen. Voor zover wat getallensymboliek. Ook in de schakels zit symboliek, politieke symboliek. In de eerste plaats zijn al onze politieke kleuren vertegenwoordigd: de rode tomaat en wortel, de blauwe druif en de groene komkommer. Ook is het interessant om te kijken naar de volgorde van de schakels en wie naast wie staat. De rode tomaat naast de groene paprika, of is dat dan ineens een rode paprika? De groene komkommer naast de blauwe druif, of wordt dit dan ineens een groene druif? Een blauwe Alicante of een witte Emile? Een gele tulp naast de blauwe druif, zijn dat niet de politieke kleuren van het Westland? Voorzitter, ik kan zo doorgaan en het onderstreept hoe belangrijk die keten om uw schouders is: de perfecte illustratie van uw vak. Er is nog een element in de keten die een zwaar symbool is en waar ik deze korte gedachtengang rondom uw ambtsketen mee wil besluiten. De gerbera: in mijn ogen is het de zon stralend over het Wateringse en over het Westland. Met haar warmte energie gevend aan onze economie en aan onze samenleving. Een onuitputtelijke energiebron. In de keten gelegen aan de kant van het hart, de energiebron die het menselijk lichaam de kracht geeft om datgene te doen waar het voor bestemd is. Wij wensen u toe, als voorzitter van deze raad en als drager van deze keten, dus eigenlijk ook voor diegene die u bij afwezigheid vervangt, dat u de symboliek van deze keten weet te gebruiken en samen met ons zult vertalen in ideeën die de gemeente Wateringen uit de woelige periode van nu in rustiger vaarwater zal brengen. Zo moge het zijn. Ik dank u wel."Auteur: Maxim van Ooijen van de Historische Werkgroep "Oud-Wateringen & Kwintsheul"
Lees meer
Streekhistorie: De joodse familie Van Tijn maandag 7 mei 2018 09:09

Streekhistorie: De joodse familie Van Tijn

Afgelopen vrijdag was het 4 mei, dodenherdenking. We herdenken dan allen die in de oorlog hun leven hebben gelaten. Militairen, verzetsstrijders, maar ook burgers, en in het bijzonder de vele joden die vermoord zijn in de Duitse concentratiekampen. Twee weken eerder waren in het Wilhelminaplein kleine stenen met een messing plaatje aangebracht. Dit betrof de ‘struikelstenen’ die al in 2016 geplaatst waren ter nagedachtenis aan vijf leden van de joodse familie Van Tijn, die in de oorlog zijn omgebracht. Eens leefden er behoorlijk wat joden in het Westland. De eerste joden kwamen in de tweede helft van de achttiende eeuw in het Westland wonen. Het was in deze regio veilig en rustig, en later telde ook mee dat zij – met dank aan de Franse revolutie – hier het vrijwel volledige burgerschap kregen. In de 19e eeuw nam het aantal joden aanvankelijk behoorlijk toe, tot zo’n 150 mannen, vrouwen en kinderen. Ze waren grotendeels gevestigd in ’s-Gravenzande en in Naaldwijk. Dat aantal nam aan het begin van de 20e eeuw sterk af omdat de ze uit economische motieven naar steden als Den Haag vertrokken. Door die afname konden joodse voorzieningen zoals de synagoge (gevestigd in de kapel van het Heilig Geest Hofje) en de mikwe (bad voor reinigingsritueel) niet langer gehandhaafd worden. Ook de begraafplaats aan de Opstalweg werd overgedragen aan de gemeentelijke overheid, wél met de verplichting om deze eeuwigdurend in stand te houden en deze te verzorgen. Toen de oorlog in 1940 startte, waren er in het Westland nog maar twee Joodse gezinnen: de familie van Tijn in Naaldwijk en de familie Van Leeuwen in Monster. Beide waren slagersfamilies, gewaardeerd om hun koshere bereiding van het vlees. De familie van Tijn woonde achter hun winkel aan het Wilhelminaplein, nummer 15. Naast vader Gabie (Gabriël) en moeder Naatje waren er drie kinderen: Levie, Roza en Ida. De kinderen waren onderdeel van de Naaldwijkse gemeenschap, gingen er naar school en speelden er met andere kinderen. Hun rustige leventje veranderde volledig toen de oorlog uitbrak. Het eerste oorlogsjaar viel het aanvankelijk nog mee, maar in de loop van 1941 werden de anti-joodse maatregelen steeds strenger. Dat begon met het verplicht inschrijven in het bevolkingsregister als jood. Vervolgens moesten zij hun radio en fiets inleveren, veel eerder dan de andere Nederlanders. Daarna werden ze gedwongen om te stoppen met hun winkelnering en moesten ze vanaf mei 1942 een jodenster gaan dragen. Op vele plekken waren joden niet meer toegestaan. Alleen al in Naaldwijk waren er meer dan veertig plekken die verboden waren, zoals de bioscoop, het zwembad, het slachthuis, de veilingen en de cafés. Zodoende werd ‘normaal’ leven voor joden onmogelijk gemaakt. Gabie van TijnRoza van Tijn Ida van Tijn Dat bleek helemaal het geval toen Duitsland met zijn meest morbide plan kwam: de deportatie en vervolgens moord op álle joden. Op 14 juli 1942 vond het eerste transport van joden plaats, via kamp Westerbork naar de concentratiekampen in Duitsland en (het huidige) Polen. In eerste instantie werden de joden opgeroepen om zich te melden in Amsterdam. Men zou naar werkkampen gaan, wat altijd nog beter was dan een concentratiekamp als Mauthausen, dan toen al berucht was. Later vervielen de oproepen en werden joden direct gearresteerd. De familie Van Tijn was al snel het slachtoffer van deze deportatie. Levie werd in augustus 1942 opgeroepen om zich te melden in Amsterdam. Hij vertrok op 15 augustus met zijn zusje Ida, die net 17 jaar was geworden. Waarom Ida meeging is niet duidelijk. Zij zijn beide naar Westerbork overgebracht en vrijwel direct daarna per goederentrein naar Auschwitz afgevoerd, een reis van drie dagen. We weten niet wat er vervolgens met hen gebeurd is. Voor een grote groep van jongeren – waar zij deel van uitmaakten - is na de oorlog de overlijdensdatum van 30 september 1942 vastgesteld. Vader en moeder Van Tijn waren niet veel later de volgende slachtoffers. Op 8 oktober 1942 zijn Gabie en Naatje uit hun huis gehaald en weggevoerd naar het politiebureau dat aan hetzelfde plein stond. Er zijn Naaldwijkers die dit als kind hebben zien gebeuren en het zich levendig kunnen herinneren. Hij was ziek, zij was in paniek. Dezelfde dag zijn ze weggevoerd naar Amsterdam. Vandaar zijn ze naar Westerbork getransporteerd en vervolgens ook naar Auschwitz. Daar zijn ze op 26 oktober, direct na aankomst, vermoord. De tweede dochter, Roza, was getrouwd met Levie de Jong. Ze hadden een dochtertje en woonden bij zijn ouders in Amsterdam. Op 20 juni 1943 zijn tijdens een grote razzia 5.000 joden opgepakt, waaronder Roza en haar man. Zij zijn uiteindelijk naar Sobibor afgevoerd, waar zij op 2 juli 1943 zijn vermoord. Hun dochtertje was elders ondergebracht en heeft als enige van de familie de oorlog overleefd. Zij woont in Amsterdam en was met haar kleinzoon aanwezig bij de eerste steenlegging van de struikelstenen, in 2016. De struikelstenenGedurende de verbouwing van het Wilhelminaplein hebben de vijf steentjes in de publiekshal van het gemeentehuis gelegen, maar nu zijn ze weer teruggebracht naar waar ze horen: bij de plek waar de slagerswinkel van Van Tijn stond. Hier kunnen we de familie gedenken, die zoveel leed is aangebracht, enkel om het feit dat ze joods waren. Eenieder die ze ziet en leest, buigt zijn hoofd en struikelt met zijn hart.Auteur: Gustaaf van Gaalen van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: De groep Jansen vlucht voor de Nazi’s naar Engeland maandag 30 april 2018 09:09

Streekhistorie: De groep Jansen vlucht voor de Nazi’s naar Engeland

Op 25 mei 1940 werd Johannes Jannes Jansen door de Duitse bezetter gedemobiliseerd als dienstplichtig militair en uit het Nederlandse leger ontslagen. Hierna pakte hij zijn beroep als stoffenhandelaar weer op. Vervolgens sloot hij zich aan bij een pas opgerichte anti-Duitse illegale organisatie, de OD of Orde Dienst. Hij werd lid van de afdeling Maartensdijk en Zuylen in de provincie Utrecht waar hij opklom tot districtsleider. Eind 1941 werden diverse leden van zijn beginnende verzetsgroep door de Duitsers opgespoord en gearresteerd. Jansen wist te ontkomen en kreeg opdracht om, met de door het verzet verzamelde gegevens, naar Engeland te gaan. Dit waren gegevens over de, door de Duitsers, te bouwen “IJssellinie” en de verbroken radiocontacten. Jansen besloot nu om een groepje betrouwbare medestanders te verzamelen om samen met hem naar Engeland uit te wijken. Door zijn werk als stoffenhandelaar had hij veel contacten in het hele land.Het vluchtplanIn Assen woonde Abraham (Bram) Levi (31 jr.) met zijn vrouw Greta Cato Levi-Mendels.(31 jr.) Bram was vertegenwoordiger in de manufacturen- en stoffen groothandel van zijn vader en had daardoor ook veel relaties, onder andere met Johannes Jansen. De laatste maakte Bram op een gegeven moment deelgenoot van zijn plan. Ook vertelde hij dat hij dit wilde doen met nog enkele betrouwbare mensen. Voor het Joodse echtpaar Levi Bram was de keus niet moeilijk. Zij moesten zo snel mogelijk weg uit Nederland naar een veiliger land. Zij sloten zich aan bij Jansen en verlieten op 19 november 1941 in het geheim hun woning in Assen. Zij lieten alles achter en vertelde niemand, ook hun naaste familie iets over hun plan. Zij namen de trein naar Utrecht en maakten ’s-avonds bij Jansen kennis met nog vijf andere leden van de groep.De groep potentiele Engelandvaarders bestond nu uit negen personen, Johannes Jansen (24 jr.), Bram (31 jr.) en Greta Levi (31 jr.), Walrave van Krimpen (47 jr.) oud-militair en verzetsman, Anton (Tonny) Loontjes (19 jr.), oud-marinier, Adriaan van der Craats (20 jr.) en Jan Bastiaans (21 jr.) beiden oud-matroos bij de Koninklijke marine, oud-sergeant Theo Meinardus Daalhuizen (24 jr.) en Gerardus van Asch (19 jr.) student.Men dacht aan Hoek van Holland als vertrekhaven naar Engeland. Van Krimpen reisde 14 dagen eerder naar de Hoek en verkende de situatie daar. Zijn verslag was niet erg positief. Hoek van Holland was een zwaar bewaakt en verdedigde Duits gebied en een haven voor Duitse snelboten en andere oorlogsschepen. Tussen deze oorlogsschepen lag een reddingvlet van de Zuid-Hollandse Redding Maatschappij. Het scheepje had een benzinemotor van 20 pk en was wit geschilderd met een rode band rondom en rode kruis tekens. De vlet was naast een oorlogsschip afgemeerd en met een ketting daaraan vastgelegd. Ook moest men tijdens het vertrek rekening houden met de maanstand, eb en vloed beweging en de routine van de Duitse wachtposten rond de haven. De militairen naderde elkaar van twee punten en als zij bij elkaar waren keerden zij zich om en verwijderde zich weer van elkaar. Ondanks deze belemmeringen besloot de groep het toch te wagen om de reddingvlet te stelen voor de overtocht. De vluchtNederlandse marineofficieren verstrekte informatie over stromingen, getijden, lichtseinen en dergelijke. De groepsleden reisden in koppeltjes van twee met de trein naar Hoek van Holland. De volgende stap was, het ongezien aan boord krijgen van de groepsleden. Dat probleem werd opgelost doordat Jansen in het café “Het Kruispunt” een toevallige ontmoeting had met een eigenaar van een kolenboot die ook in de Berghaven lag. Die kolenboot zorgde voor bunkerkolen voor de Duitse oorlogsschepen. De schipper was een goede vaderlander. Hij verstrekte informatie over de reddingvlet, de aanwezige Duitse militairen en overige zaken. Ook konden het gezelschap aan boord komen van de kolenboot zodat zij vandaar konden overstappen op de vlet. Op de avond van 20 november 1941 glipte het gezelschap steeds in groepjes van twee en drie aan boord van de kolenboot. Zij slopen langs de Duitse wachtposten, als deze het verst van elkaar waren verwijderd. Op de boot werden zij met koffie en brood opgevangen door de schipper en zijn vrouw. Deze mensen namen daardoor ook een groot risico. De mannen droegen een omwonden peddel en gereedschap om te zagen en te vijlen onder hun kleding. Als laatste ging Jansen aan boord van de kolenboot. Het was ’s-avonds om 8 uur toen onder dekking van de duisternis en opkomende mist van Krimpen, Craats en Bastiaans het lukte om de reddingvlet los te maken van het oorlogsschip. De mensen gingen nu heel voorzichtig en stil aan boord van de vlet. Hierna roeide men heel zachtjes met de omwikkelde peddels de Berghaven uit. Net toen men de Berghaven uit was liepen er een aantal snelboten vanuit zee de Nieuwe Waterweg binnen terwijl een groot eskader geallieerde vliegtuigen ook vanuit zee over Hoek van Holland vloog. Ondanks de hectiek van de bundels licht van de zoeklichten welke de overvliegende vliegtuigen probeerde te vangen en het lawaai van de vurende stukken luchtafweergeschut glipte het scheepje met de acht opvarende met de ebstroom door de duisternis naar zee.De reddingvlet ‘Maasvlakte” van de ZHRM verlaat de Berghaven.Op zee bleek dat de bougies en de startknop van de motor waren verwijderd. Ongeveer 3 mijl uit de kust vond men de bougies en de verstopte startknop. Hierna lukte het een van de groepsleden om de motor op gang te krijgen. Er stak nu een harde wind op en de zee werd ruw. Men besloot een westelijke koers aan te houden met hulp van een simpel draagbaar kompasje. Men had alleen een klein handkompas. Het doel was de haven van Harwich. Op volle zee passeerde diverse snelboten en een konvooi het scheepje maar gelukkig werden zij niet ontdekt. Ook de motor haperde diverse malen maar men zag steeds kans om hem weer op gang te krijgen. De opvarenden voelde zich beroerd door zeeziekte, vermoeidheid en angst voor ontdekking. Voor de aanvang van de tocht was Jansen, ondanks zorgvuldige voorbereiding, vergeten water mee te nemen voor de opvarenden. Dus ook de dorst sloeg toe. Hij had wel voor scheepsbeschuit gezorgd. Door de ruwe zee en de wind was het scheepje uit koers geraakt. Een van de mannen begon zeewater te drinken. Hij kreeg hierdoor schuim op zijn mond en begon wartaal uit te slaan. Op zondag was het weer verbeterd en zette men weer koers in westelijke richting. Op een gegeven stopte de motor en kreeg men hem niet meer aan de praat. De brandstof was op. Hierop ging men roeien met de peddels terwijl een van de marinemannen van een meegenomen hangmat een zeiltje improviseerde. Wanhopig probeerde de mannen de aandacht te trekken van vliegtuigen. Ook al waren het Duitse vliegtuigen als ze maar gered werden. Want waar zouden ze terecht komen, in het Kanaal of op de Franse kust? Ze wisten dat ze in zuidelijke richting dreven. De reddingIn de middag zagen zij een vissersbootje. Aarzelend vroegen zij: ‘Are You English?’. De visser antwoordde ‘Yes’. Na 68 uur varen bereikte het scheepje met drie zichtbare Nederlandse vlaggen en een uitgeputte maar blije bemanning bij Reculver ter hoogte van Ramsgate de Engelse kust. Hier werden zij opgevangen door de Britse kustwacht en overgedragen aan de politie. Van hier werden zij onder politiebegeleiding naar Burnett Cottage in Herne Bay gebracht waar zij de gastvrije bevolking onderdak, eten en een bed kregen. De volgende dag werden ze overgebracht naar Londen waar ze in de zogenaamde “Patriotic School” gedurende 14 dagen werden verhoord en getest door mensen van de Britse geheime dienst MI5 en Overste O. Pinto en Luitenant ter zee 2e kl. KMR. A. Wolters van de Nederlandse contraspionage dienst. Verder stuurde men het gecodeerde bericht “C6 van 1 ½” via “Radio Oranje” naar Nederland dat de groep veilig in Engeland was aangekomen. Na deze veiligheidsprocedure werden zij in een hotel ondergebracht en kregen ze burgerkleding en zakgeld. Begin december werden alle groepsleden ontvangen door Koningin Wilhelmina en kregen ze het Bronzen Kruis uitgereikt. Greta Cato Levi-Mendels was verpleegster van beroep en de eerste vrouwelijke Engelandvaarder.Hoe verging het de 9 Engelandvaarders verder Johannes Jannes Jansen nam dienst bij de Koninklijke Marine en werd als geheim agent enkele malen met een onderzeeboot afgezet op het strand bij Petten. Hij keerde na de oorlog terug naar Nederland. Walrave van Krimpen ging als kanonnier bij de koopvaardij varen. Hij sneuvelde op 26 maart 1943 aan boord van het koopvaardijschip ss. Prins Willem III. Het schip voer in konvooi naar Algiers en werd door Duitse vliegtuigen getorpedeerd waarna het zonk. Walrave werd 48 jr. oud en liet een vrouw en 5 kinderen achter. Abraham Levi nam dienst bij de Prinses Irene Brigade. Tijdens gevechten bij het Belgische Broekhoven op 31 oktober 1944 raakte hij zwaar gewond. Hij stierf in het ziekenhuis te Brussel. Hij nam dienst onder de schuilnaam M. Rodriques dit in verband met zijn Joodse afkomst. Greta Cato Levi-Mendels was verpleegster en nam dienst bij het Rode Kruis. Zij keerde op 23 oktober 1945 met haar 2 jaar oude zoon Ronald Bernhard terug naar Nederland en woonde tot haar overlijden in 2002 in Utrecht.. Theo Meinardus Daalhuizen nam dienst bij de Prinses Irene Brigade. Hij trouwde in juni 1945 met een Engelse vrouw, emigreerde in 1953 naar Canada en in 1958 naar Amerika. Adriaan van der Craats nam dienst bij de Koninklijke marine waar hij tot na de oorlog bleef varen. Hij trouwde in Australië met een Australische vrouw en ging in Melbourne wonen. Jan Bastiaans nam ook dienst bij de Koninklijke marine waar hij tot na de oorlog bleef varen. Ook hij trouwde, net als zijn maat v.d.Craats, in Australië met een Australische vrouw en ging ook in Melbourne wonen. Anton Loontjes, de oud-marinier, nam dienst bij de nieuw op te richten Mariniersbrigade die later opging in de Prinses Irene Brigade. Hij overleefde de oorlog. Hij trouwde een Engelse vrouw, vocht in Nederlands Indië en Nieuw Guinea waarna het gezin zich in Nederland vestigde. Gerardus van Asch werd leerling vlieger bij de R.A.F. Hij overleefde de oorlog en ging in Australië wonen. Aanvulling van Dirk van den Burg jr.†:Dirk van den Burg jr. heeft zijn hele leven in Hoek van Holland gewoond, ook tijdens de oorlog. Hij was na de oorlog werkzaam als gemeenteambtenaar. Hij vulde het verhaal van Jansen aan met zijn volgende bevindingen. De schipper van het kolenschip heette Herman en verrichtte nog diverse andere vaderlandslievende daden in de oorlog. Verder was er een jonge Katwijker die bij de Shell werkte en ook opvarende was van een vaartuig in de Berghaven. Hij had een belangrijk aandeel in de ontsnapping. Nadat hij was ingelicht door Herman liet hij bougies namaken bij de werf Kinderdijk en deze voor het vertrek van de groep Jansen in de motor van de reddingvlet “Maasvlakte” gedraaid. De Duitsers hadden namelijk opdracht gegeven dat de schippers van de reddingboten in de vooravond de startknop moeten verwijderen en de bougies van de boten moesten inleveren bij de Marine Hafenkommandant in het loodsgebouw aan de Berghaven.Bekendmaking door de Duitse autoriteiten van de diefstal.Op zaterdag 22 november 1941 werd bij de politie Hoek van Holland aangifte van diefstal gedaan van de reddingvlet door A.J. Drenth, inspecteur van de Zuid-Hollandsche Mij. tot redding van Schipbreukelingen. Diefstal reddingvlet opgelostDe diefstal van de reddingvlet “Maasvlakte” had nog een staartje. In mei 1979 meldde zich een man in het politiebureau aan de Rietdijkstraat te Hoek van Holland met de mededeling dat hij in de Tweede Wereldoorlog de Hoekse reddingvlet uit de Berghaven te Hoek van Holland had gestolen. Deze man was genaamd J.J. Jansen. Hij vertelde dat hij in de nacht van 20 op 21 november 1941 de reddingvlet, had losgemaakt en samen met acht mensen, waaronder een Joodse familie de Nieuwe Waterweg was uitgevaren en was overgestoken naar Engeland. Deze reddingvlet was lang 8½ meter, breed 2.30 meter, wit geschilderd met aan beide zijden en op de motorkap een rood kruis. Het scheepje was voorzien van een motor, merk Parsons, een kompas, meertouwen, zwemvesten en ongeveer 70 liter benzine. De totale waarde van het gestolen vaartuig was 5.000,--. gulden. Het scheepje was afgemeerd met een ketting en meertouwen. De motor was onklaar gemaakt, de contactknop was gedemonteerd en lag tussen de brandstoftanks. De kabels van de bougies waren afgekoppeld. Met de komst van J.J. Jansen en zijn ‘bekentenis’, werd deze “diefstal” na 30 jaar opgelost!!!Bronnen:Hoek v Holland, gedurende de tweede wereldoorlog 1940 – 1945. Concept boek, niet uitgegeven. Dirk van den Burg. Hierin het, door J.J. Jansen voor D. v.d. Burg op schrift gestelde verhaal van de Engelandvaart. Geschreven brief met bijlagen van mevr. I. Jansen-Hut, e.v. J.J. Jansen. Archief P. Heystek. In het Zicht van de Haven, deel 2. P. Heijstek en G.R. van Veldhoven, uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam 1986. S.O.S. voor de Hoek, Hans Beukema, uitg. Maritext vof, Delfzijl 2005. De zee was onstuimig, Bram Oosterwijk. Uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam 1994.Internet:www.prinsesirenebrigade.nl. www.joodsmonument.nl.www.maxvandam.nl. stambomen van Nederlands Joodse families.www.asserjournaal.nl.www.wikipedia.Foto Berghaven in de Tweede Wereldoorlog, Archief Stichting Fort a/d Hoek v HollandFoto Reddingvlet Maasvlakte, collectie P. Heystek, reddingmuseum Hoek v HollandAfbeelding Bekendmaking Duitse autoriteiten. Collectie P. Heystek, reddingmuseum Hoek v Holland.Auteur: Dick Ruis van het Historisch Genootschap Hoek van Holland en de Stichting Fort a/d Hoek v Holland.
Lees meer
Streekhistorie: 100-jarige Maassluise verenigingen maandag 23 april 2018 09:09

Streekhistorie: 100-jarige Maassluise verenigingen

In 1918 ging de werkweek van 57 naar 52 uur. De directeur van de Touwfabriek, H.C. van der Lely, maakte zich ernstig zorgen. Al die vrije tijd voor zijn arbeiders zou leiden tot verveling, rondzwerven op straat, vernielingen en drankmisbruik. Hij moest iets doen. Invulling van vrije tijdDe directeur hield zelf niet van voetbal, maar toch richtte hij in 1918 een voetbalvereniging op, VDL (Van Der Lely) genaamd. Bijzonder was dat deze club op zondag ging voetballen. Velen in Maassluis vonden dat voetballen op zondag – een ‘heilige rustdag’ – eigenlijk niet kon. Daarom werd ook in 1918 de voetbalvereniging ‘Excelsior Maassluis’ opgericht. Die ging op zaterdag voetballen.Op de Fenacoliuslaan een feestelijke optocht van de diverse Maassluise sport- en culturele verenigingen ter ere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan Maassluis op 19 september 1924. Zo ontstonden in de afgelopen 100 jaar veel verenigingen in Maassluis. Ze hadden vaak dezelfde doelstellingen, maar verschillende ideeën over de invulling. Bedrijven richtten eigen verenigingen op voor hun werknemers, maar ook kerkelijke gezindten stichtten hun eigen clubs. Zo ontstonden er heel wat verenigingen in Maassluis die allemaal dezelfde tak van sport beoefenden. Het raskonijnZeker tot in de jaren zestig was Maassluis daar groot genoeg voor. Iedereen was lid van een of meer vrijetijdsverenigingen en besteedde daar veel tijd aan. Heel bekend zijn de foto’s van optochten. Als er ook maar iets te vieren was, marcheerden de vele verenigingen mee in de optocht. Het was een eer jezelf en de vereniging zo goed mogelijk te presenteren, samenwerken en samendoen stond hoog in het vaandel. Optocht van een gymnastiekvereniging op de Afrol. Op de achtergrond komt de harmonie Euterpe uit Maasland de Patijnestraat uit marcheren. Onder ‘sportverenigingen’ vielen ook de konijnenfokvereniging Het Raskonijn en de Duivenmelkers. De duivenvereniging is in de Tweede Wereldoorlog opgeheven door de bezetter, omdat hij bang was voor het verzenden van berichten per postduif. De konijnenvereniging heeft in WO II nog een wedstrijd gehouden met prijzen als een damespermanent, een baal hooi, een doos sigaren, enz. Na de oorlog vernemen we niets meer van deze vereniging, wellicht waren alle konijnen in de pan beland.Op 1 september 1945 werd er in Maassluis ter gelegenheid van de verjaardag van Koningin Wilhelmina een optocht georganiseerd waarin onder andere met praalwagens facetten uit de oorlog verbeeld werden. Een praalwagen van Advendo met leden van de gymnastiekvereniging op de Noorddijk ter hoogte van de Wedde.Het is bekend dat in de jaren zestig een beetje de klad kwam in het verenigingsleven. Dat wordt algemeen verweten aan de opkomst van de tv, de groeiende welvaart en de ‘individualistische maatschappij’. Maar is dat helemaal terecht? De Historische Vereniging Maassluis hield een aantal jaren geleden een inventarisatie en wat bleek? Maassluis kent nog altijd een kleine 50 sportverenigingen die allemaal actief zijn, van klaverjas tot korfbal. Dus zo slecht is het nog niet gesteld met het verenigingsleven. Alleen zien we het niet meer zo.Samen fietsenNaast de sport kent Maassluis ook veel culturele verenigingen en stichtingen. Van koren tot knutselen en koffieclubs. We doen dus nog steeds heel veel samen, ondanks de veranderde tijden. Defilé op 12 juli 1963 ter gelegenheid van de geboorte van de 15.000e inwoner van Maassluis. Deze optocht was een spontane actie waaraan zeer velen deelnamen en trok honderden belangstellenden.Even terug naar de 52-urige werkweek in 1918. Want het bleef niet bij een sportvereniging, Van der Lely richtte ook het Van Der Lely’s Fanfarekorps op. Dit is nu bekend als muziekvereniging Kunst na Arbeid. Er zijn dus 3 verenigingen die dit jaar 100 jaar bestaan, reden voor een feestje. Ook de Historische Vereniging viert een jubileum; zij bestaat 35 jaar. En de HVM vond het een aardig idee om die verbondenheid van de Maassluizers van vroeger voor een keertje nieuw leven in te blazen. Daarom is het idee voor een grote Stadsquiz opgevat. Elke (vrienden)club mag inschrijven. Wie meedoet krijgt een quizboek met de meest uiteenlopende vragen en opdrachten. Niet alleen speuren naar historische sporen, ook onderzoek op internet, een fietstocht door de Vlietlanden, het bouwen van het mooiste vogelhuisje. Als de inschrijvers het maar samen doen. Ze hebben er de hele zomer de tijd voor. Verbonden door de StadsquizDe HVM probeert met de quiz heel Maassluis met elkaar te verbinden. De quiz is bijvoorbeeld leuk voor inwoners uit aangrenzende gemeenten om Maassluis beter te leren kennen. Maar hij is ook een aanrader voor de Maassluizers die hier nog maar kort wonen en Maassluizers die uit andere landen komen. Dé gelegenheid om elkaar en de stad te leren kennen en ‘in te burgeren’. Meer informatie op stadsquizmaassluis.nl Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: De stoomzuivelfabriek ‘Ons Bestaan’ in Maasland maandag 16 april 2018 08:08

Streekhistorie: De stoomzuivelfabriek ‘Ons Bestaan’ in Maasland

Van oudsher werd op een boerderij zelf kaas en boter gemaakt. Om een goede kwaliteit van de zuivelproducten te garanderen, moesten boerenbedrijven aan allerlei eisen voldoen. Veel zuivelboeren hadden echter een te klein bedrijf. Echt kwaliteit leveren was alleen mogelijk op grote bedrijven. Naast vakmanschap was er immers ook dagelijks een grote hoeveelheid melk nodig. Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd op congressen voor Landhuishoudkunde al regelmatig gesproken over het gezamenlijk maken van boter en kaas, om op die manier de krachten van de boeren te bundelen. Langzamerhand ontstonden overal in het land zuivelfabrieken. Veel fabrieken bleken echter te klein te zijn om te kunnen overleven en daarom besloten boeren tot samenwerking. Tegen deze achtergrond is de opkomst van de coöperatieve vereniging te verklaren. In 1902 werd de reeds enkele jaren bestaande zuivelfabriek aan de Langetaam in Maasland in een coöperatieve vorm gegoten. Bij de notaris werd een vennootschap opgericht door de volgende personen: Simon Bijl fabrikant, Pieter Johannes van Geest landbouwer, Pieter Huisman particulier, Jan de Baan meestertimmerman, Arie van der Lely landbouwer, Jacob Moerman zuivelmaker en Abraham Chardon landbouwer. Allen woonachtig in Maasland. Het doel van de vennootschap was: ‘het koopen van melk, het bereiden van boter en kaas en andere melkproducten en het verkopen van deze melk en melkproducten’. Het kapitaal werd bepaald op ƒ 18.000,-, verdeeld in zesendertig aandelen van elk ƒ 500,-. De oprichters namen deel voor ƒ 8.000,-, ofwel zestien aandelen. De heren Bijl, Van Geest en Huisman namen elk vier aandelen. De fabriek kreeg de naam: ‘Ons Bestaan’. Deze naam werd echter weinig gebruikt, men sprak van ‘de fabriek van Van Geest’, omdat eigenaar Piet van Geest er jarenlang de leiding had. De fabriek stond op het terrein van het boerenbedrijf van de familie Van Geest. Het kantoor grensde aan de Langetaam, hier werd onder andere het melkgeld uitbetaald. Daarnaast was het boterhuis, een kleine paardenstal en het kaashuis. Op de foto uit 1916 zien we rechts boer en bedrijfsleider Piet van Geest en zijn vader Arie. Daarachter een hittenkar met melkbussen. In de fabriek is een werknemer bezig om met behulp van een katrol een melkbus op te hijsen. Rechts voor het gebouw liggen de kazen klaar om verkocht te worden. Links op de foto zien we Jacob Moerman op de bok zitten. Hij vervoert melkbussen en botervaatjes. Er werkten veel mensen voor de fabriek. Simon Noordam, zelf boer, haalde met zijn paard en wagen melk op bij de boeren als bijverdienste. Later reed er ook een vrachtwagen.Het tot huizen verbouwde fabrieksgebouw aan de Langetaam. (foto 2018) Rond 1925 is de fabriek opgeheven. Waarschijnlijk was er toch te veel concurrentie van de vele zuivelfabrieken in de omgeving. In 1929 is de fabriek verbouwd tot een rij van vijf huizen. De huizen waren eigendom van Van Geest, later zijn ze verkocht. Door de bouw van de nieuwe woonwijk ‘Drie Hoeven’ in 1995 moest, ten behoeve van een betere doorgang naar de woonwijk, het laatste (5e) huis worden afgebroken. Auteur: Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Het witte goud van het Westland maandag 9 april 2018 09:09

Streekhistorie: Het witte goud van het Westland

Ze zijn er weer, de Westlandse asperges, ook wel het witte goud genoemd. Al vanaf maart zijn ze de laatste jaren in toenemende mate uit de kas verkrijgbaar. Uit verwarmde kassen is dat nog eerder het geval. In de open lucht worden ze in deze omgeving echter nauwelijks meer geteeld. Dat was tot een halve eeuw geleden wel anders. Vooral ’s-Gravenzande en Monster waren belangrijke leveranciers. De zandgrond langs de kust leende zich uitermate goed voor de teelt van deze groente. De uitgebreide aspergediners in restaurant De Spaanse Vloot in ’s-Gravenzande en in hotel Overheijde in Monster waren befaamd. Ze trokken in het voorjaar vele liefhebbers, ook van ver buiten deze regio. Al in de zeventiende eeuw werden er asperges geteeld in het Westland. Ze worden bijvoorbeeld genoemd in een contract dat Anthony Pieterson, eigenaar van de buitenplaats Geerbron in Monster, in 1697 afsloot met zijn tuinman Thomas van Es inzake het onderhoud van de tuin. De overeenkomst bevat een uitgebreide omschrijving van de werkzaamheden die de tuinman diende te verrichten. Over de zorg voor de asperges op het landgoed wordt het volgende bepaald.Item den voorsz. thuynman zal d’esperges daer al bereits leggende ofte noch te leggen ter behoorlijcker teijdt met het opkruyen van mist, spitten en wijen [wieden], onderhouden maar oock de daerop te wassen [groeien] esperges twee mael des daeghs snijden en behoorlijck wassen en aen bussen [bossen] binden.Aspergebossen. Met behulp van een aspergeblok werden de bossen op de juiste dikte gebundeld. Collectie Historisch Archief Westland.Niets nieuws onder de zon dus. Om te voorkomen dat de aspergekoppen door het daglicht zouden verkleuren, moest er in die tijd al twee maal per dag geoogst worden. Ook toen werd het kennelijk belangrijk gevonden dat ze spierwit verhandeld werden. Wat ook uit deze tekst blijkt, is dat Pieterson niet een nieuwe teelt op het oog had. Het ging om aspergebedden die er al waren, naast wat nog aangeplant zou gaan worden. Voordat hij de overeenkomst met Van Es afsloot werden er op Geerbron dus al asperges geteeld. De oogst van Geerbron werd in het voorjaar per schuit naar de stad vervoerd. Dat weten we uit de bewaard gebleven administratie van de Monsterse marktschipper Pieter Jansz. van Bremen. Hij hield nauwkeurig bij welke goederen hij dagelijks vervoerde vanaf de haven in het centrum van Monster. De eerste vermeldingen van vervoer van asperges voor Pieterson stammen uit 1695. In mei en juni van dat jaar worden twaalf keer asperges vervoerd. In totaal gaat het om ruim 40 kinnetjes. De bestemming wordt niet vermeld, maar dat zal Den Haag of een van de andere omliggende steden zijn geweest. Pieterson bezat ook een huis in Den Haag. Als hij daar verbleef liet hij regelmatig mandjes asperges bij zijn Haagse woning bezorgen door schipper Van Bremen. Hij was dus zelf ook een liefhebber van deze exclusieve voorjaarsgroente.Bezorging in 1707 van asperges en andere goederen door schipper Van Bremen aan het adres van admiraal Pieterson in Den Haag (Historisch Archief Westland, Weeskamerarchief Monster).Pieterson overlijdt in 1722. Ook volgende eigenaren van Geerbron in de achttiende eeuw telen groenten, waaronder asperges, in de moestuin van de buitenplaats. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een contract met tuinman Pieter van der Linden, die 3 hond (ca 0,45 ha) aspergeland huurt van de eigenaar van Geerbron. In het contract is bepaald dat de asperges niet langer gesneden mogen worden dan tot de Delftse kermis. Uit die tijd is ook een rekening bewaard gebleven wegens het omspitten, klauwen en gladstrijken van de aspergebedden. En in 1735 werden aan Francijntje Verstraten in Den Haag in de periode van 25 april tot 23 juni dagelijks asperges geleverd vanuit de moestuin van Geerbron, in totaal niet minder dan 1182 bossen. Het was dus zeker geen onbelangrijke teelt. Niet alleen op Geerbron, maar ook op de buitenplaats Overheijde, gelegen aan de Choorstraat in Monster, werden asperges geteeld. Volgens een verkoopakte uit 1734 behoorde er rond 35 morgen (30 ha) land tot Overheijde, waaronder niet minder dan 1 morgen en 400 roeden (ca 1,4 ha) ‘espergesland’.De vraag rijst of in het begin van de zeventiende eeuw alleen op buitenplaatsen asperges werden gekweekt. Dat is niet het geval. Ook particuliere tuinders kweekten ze in die tijd al. Zo is er een contract bekend uit 1703 inzake de verhuur van een stuk landbouwgrond van circa 2,3 ha aan de Papelaan in Monster, dat door de huurder geschikt moet worden gemaakt als tuinland. De huur wordt voor 30 jaar aangegaan. Het contract geeft een gedetailleerde beschrijving van de verplichtingen van de huurder. Zo moet een halve morgen (ruim 0,4 ha) van het perceel beplant worden met asperges.Al met al kent het witte goud in het Westland een rijke historie. De laatste jaren neemt het belang weer toe, met name door de teelt onder glas.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Kunstenaar Jaap Binnendijk maandag 2 april 2018 09:09

Streekhistorie: Kunstenaar Jaap Binnendijk

Vanaf zaterdag 24 maart tot en met zondag 1 juli 2018 is in het Westlands Museum een expositie over kunstenaar Jaap Binnendijk te bezichtigen. Jaap Binnendijk was een hobby-kunstenaar die op latere leeftijd Westlandse landschappen en dorpsgezichten ging tekenen. Deze tentoonstelling wordt georganiseerd door de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk in samenwerking met het Westlands Museum. De in 1895 geboren Binnendijk was een enthousiaste amateurtekenaar die vele plekjes in het Westland heeft getekend. Zijn tekenstijl was opvallend gedetailleerd, waardoor vaak kleine elementen van gebouwen zijn terug te vinden. Vooral in de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw ging hij regelmatig op pad om mooie plekjes en herkenbare dorpsgezichten op papier te zetten. Hij maakte eerst een opzet met potlood en werkte de tekening later heel precies uit in Oost-Indische inkt. Als lijnwerker in dienst bij de WSM standplaats SchipluidenJaap Binnendijk werd op 22 juni 1895 in Honselersdijk geboren. Zijn ouders waren de in Naaldwijk geboren Gerrit Binnendijk en de in ’s-Gravenzande geboren Jaapje Alida Luijendijk. Jaap was enig kind en bleef zijn leven lang vrijgezel. Hierdoor zijn er hoegenaamd geen familieleden die nog materiaal en gegevens van hem hebben en dat maakte het moeilijk om iets over hem te weten te komen. Jaap Binnendijk tekent in de Prins Hendrikstraat te NaaldwijkGezicht op Wateringen 1951In 1920 ging Jaap Binnendijk bij de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij (WSM) werken. Zijn functie was lijnwerker met als standplaats Schipluiden waar hij ook ging wonen. Hij trok in bij een oudere collega, Adrianus Vrijland. In 1943 ging hij werken in het station van Honselersdijk als ladingmeester en trok hij in bij zijn moeder die in de Hofstraat in Honselersdijk woonde. Later werd zijn standplaats het station Naaldwijk omdat het station van Honselersdijk werd gesloten. In station Naaldwijk kreeg Jaap de functie van tweede ladingmeester. Werkzaam bij het WSM station NaaldwijkHeenweg aan de Maasdijk 1958Op het moment dat Jaap in Honselersdijk ging wonen begon hij steeds meer werk te maken van zijn tekenhobby. De eerste tekeningen van zijn hand die we kennen dateren van 1945. Al zijn vrije tijd gebruikte hij om te tekenen. Als het weer goed was dan trok hij er op uit om in het dorp of in het landschap zijn tekeningen te maken. Hij tekende in alle Westlandse plaatsen. Doordat hij zo vaak op straat zat te tekenen begon hij een bekende verschijning te worden en kreeg daardoor lokale en regionale bekendheid. Als hij ergens had plaatsgenomen op zijn krukje met het tekenbord in de aanslag, dan stond er in een mum van tijd een hele groep mensen om hem heen. Vooral kinderen waren erg geïnteresseerd in zijn manier van tekenen waarbij hij heel precies te werk ging. Hij tekende historische en monumentale gebouwen, waarbij hij elk bouwelement en zelfs alle bakstenen zó precies intekende, dat de kinderen het magisch vonden. Bejaardenhuis Bijdorp, Dijkweg, NaaldwijkStaelduinse bos 1958De mooiste tekeningen hing hij op in zijn kamer. Heel af en toe verkocht hij wel eens een tekening, maar dat was eigenlijk alleen bedoeld om de kosten van de benodigde materialen te kunnen dekken. Zijn realistische stijl van tekenen sloeg aan in het Westland en mensen lieten blijken dat zij geïnteresseerd waren in zijn tekeningen en er graag een wilden verwerven. Bij grote uitzondering nam hij wel eens een opdracht aan om voor iemand een tekening van zijn huis of dorp te maken. Hij was hier geen voorstander van omdat hij bang was dat zijn hobby te commercieel werd en hij te afhankelijk zou worden van het daarmee verdiende geld. Hij gaf zijn tekeningen dan nog liever weg aan mensen die ze mooi vonden. Binnendijk tekent in het H. GeesthofjeAchterzijde Prins Hendrikstraat, vanaf Patijnenburg, Naaldwijk 1966Als gevolg van zijn groeiende bekendheid werd er in juli 1960 een heel artikel aan hem gewijd in het blad ‘De Westlander’. Ter gelegenheid van dat interview zijn er toen diverse foto’s van Jaap Binnendijk gemaakt terwijl hij buiten aan het werk was. Zo maakte hij een tekening van het Heilige Geesthofje, die hij na voltooiing trots aan de bewoners van het hofje liet zien. In het interview vertelde Jaap ook dat hij tot voor enkele jaren graag in het Staelduinse bos ging tekenen. Hij was daar bezig met een studie naar alle verschillende bomen die in het bos stonden. In de jaren vijftig was het grootste deel van het Staelduinse bos in gebruik genomen door het ministerie van defensie, waardoor driekwart van het bos werd afgezet en niet meer toegankelijk was voor gewone bezoekers. Volgens Jaap was het mooiste deel van het bos verboden gebied geworden en daarom voor hem niet meer interessant om daar zijn tekeningen te maken. Daarna begon hij zich vooral toe te leggen op het tekenen van oude en vervallen huizen. Hier zaten ook veel gebouwen bij die al op de nominatie stonden om gesloopt te worden. Veel van de voorbeelden die hij tekende zijn ook daadwerkelijk in de jaren zestig en zeventig gesloopt. Hierdoor kregen Jaaps tekeningen niet alleen artistieke maar ook historische waarde. Zij geven een mooi beeld van het Westland hoe het ooit was, maar nooit meer terugkomt. Bewoners H. Geesthofje bewonderen Jaaps tekeningIn 1955 kreeg Jaap Binnendijk eervol ontslag bij de WSM. Hij was toen pas 60 jaar maar ging wonen in het bejaardenhuis Bijdorp aan de Dijkweg in Naaldwijk. Hij kreeg nu nog meer tijd om aan zijn tekenhobby te besteden en hij had zijn kamer in Huize Bijdorp vol hangen met zijn mooiste tekeningen. Bijdorp was het bejaardenhuis van de diakonie van de Hervormde kerk in Naaldwijk en toen Jaap in 1972 overleed op 77-jarige leeftijd zijn alle tekeningen die zich nog in zijn kamer bevonden opgenomen in het archief van de Hervormde (Oude) Kerk Naaldwijk. Dat waren er meer dan honderd en uit die verzameling is een mooie selectie gemaakt die nu te zien is in de tentoonstelling. Deze selectie is aangevuld met meerdere tekeningen die in bezit zijn bij particulieren en voor deze tentoonstelling in bruikleen zijn gegeven. Ze geven een prachtig beeld van het Westland in vroeger tijden. Bij veel tekeningen is een foto van diezelfde situatie in déze tijd gevoegd, zodat bezoekers geholpen worden in het herkennen van de plek.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Delft was bestuurlijk, economisch en medisch centrum van de regio maandag 26 maart 2018 12:12

Streekhistorie: Delft was bestuurlijk, economisch en medisch centrum van de regio

Delft was in de middeleeuwen in inwoneraantal de derde stad van Holland. In de 17de eeuw groeide het inwoneraantal tot 10.000, een fors aantal voor die tijd. Delft is ook een van de weinige Nederlandse steden, die bekend is in het buitenland. Denk aan de moord op Willem van het Oranje, de schilder Vermeer, het wereldberoemde Delfts blauw en de Technische Universiteit. Historicus en stadsarchivaris Gerrit Verhoeven schreef de stadsgeschiedenis van Delft. Op 13 februari hield hij een lezing voor Genootschap Oud-Westland over de stad Delft en zijn ommelanden. Tegenwoordig is er nog maar weinig groen in de omgeving van Delft. Dat was in de middeleeuwen heel anders. 1200 jaar geleden bestond onze streek uit een kwelderlandschap, waar schapen graasden. "Toen Delft in 1246 stadsrechten kreeg, was de stad nog een torentje in het groen", zei Verhoeven. Delft groeide echter snel doordat de stad het bestuurlijke en juridische centrum van de regio werd. De gevangenis bevond zich aanvankelijk in de schoolpoort maar verhuisde al snel naar de Waterslootse Poort, een van de grootste poorten van Nederland. "De baljuw had hier de privacy om gevangenen te martelen zonder dat de buurt de kreten hoorde", wist Verhoeven. De schepenen van de stad spraken ook recht in belastinggeschillen en Delft was het medisch centrum van de omgeving. Een oorkonde uit 1521 vermeldt dat het Delftse leprozenhuis ook bereid is melaatsen uit Naaldwijk en Honselersdijk op te nemen. Als tegenprestatie wordt in de kerk in Naaldwijk een collecte gehouden een vindt huis aan huis een inzameling van kaas voor de bewoners plaats. Delft wordt het economisch centrum van de omgeving. "Het was een belangrijke bierstad", zegt Verhoeven. "Nergens in Nederland werd zoveel bier geproduceerd als in Delft. De stad heeft ook een kantoor van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en een aanzienlijke lakenindustrie. Voor de handel in deze producten is de Delftse Schie naar Delfshaven belangrijk. Delft koopt op diverse plaatsen grond langs de Schie. Hendrik van Naaltwijk verkoopt bijvoorbeeld in 1480 het Ambacht van Overschie aan Delft. In deze tijd waren Dordrecht en Gouda concurrerende steden voor Delft. Gouda gaf bijvoorbeeld opdracht om de sluis bij Leidschendam te vernietigen waardoor de doorvaart voor Delft moeilijk werd." De Hoekse en Kabeljauwse twisten hielden Delft anderhalve eeuw in hun greep. Delft was Kabeljauws en wendde zich voor steun tot de Bourgondische hertog Philips de Goede (1396-1467). Hij kocht de zwakke gravin Jacoba van Beieren uit, die zich terugtrok op slot Teylingen. De machtsovername in Delft zorgde voor een aanval op de stad van honderden plattelanders waarbij onder andere de schout werd gedood. "Philips greep hard in bij deze opstand tegen het wettig gezag", zei Verhoeven. "Twaalf van de aanvallers werden onthoofd en hun hoofden werden bij de Waterslootse Poort opgesteld. De opstandelingen werden veroordeeld tot betaling van het aanzienlijke bedrag van 3600 schilden, dat zij in drie termijnen in de kerk van Naaldwijk moesten komen betalen. Van het geld werden 14.000 heilige missen voor het eeuwig zielenheil van de schout en de andere slachtoffers betaald. De plattelanders moesten met een verklaring van de priester aantonen dat de missen inderdaad gelezen waren." In 1572 koos Delft na jarenlange aarzeling de zijde van de opstand tegen het gezag van de koning van Spanje, Philips II. Het omringende platteland werd geteisterd door de rondtrekkende militairen. Geuzen en Spanjaarden deden niet voor elkaar onder in plunderingen. Het platteland zocht een veilig toevluchtsoord in de ommuurde stad. "In de zijkapellen van de Nieuwe kerk stond het vee van het platteland en de kloosters zaten vol vluchtelingen", zei Verhoeven. "Kastelen en buitenhuizen werden gesloopt om te voorkomen dat zij als huisvesting voor de Spanjaarden dienden. Aan deze situatie kwam twee jaar later een einde toen het platteland na het doorsteken van de dijken onder water kwam te staan."Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: Het Pynasplein maandag 12 maart 2018 09:09

Streekhistorie: Het Pynasplein

De oude dorpskern van Maasland was eeuwenlang maar heel klein. De bebouwing beperkte zich tot een ring rondom de dorpskerk en verder uitwaaierend naar twee zijden langs de vliet, die officieel Zuidgaag heet. Ook waren er nog enkele zijstraatjes. Achter verschillende dorpshuizen kwamen diepe tuinen en zelfs enkele boerenerven voor. Zo had Johan van den Berg achter zijn winkelpand (thans Museum De Schilpen) aan de ’s Herenstraat een tuin van wel zeventig à tachtig meter diep eindigend bij een sloot. Achter de sloot vond men de weilanden van de Dijkpolder, die doorliepen tot aan de Maasdijk. In het begin van de twintigste eeuw had Jan van den Berg, die er toen woonde, groenten en fruitbomen, een druivenkas en een bijenstal. In 1905 liet hij in zijn tuin een vergader- en feestzaal bouwen met de naam TAVENU (Ter Aangename Verpozing En Nuttige Uitspanning). Het gebouw was bereikbaar vanaf de ’s Herenstraat via een bestraat paadje tussen zijn winkelpand en herberg De Pynas. De Pynas in de ’s Herenstraat te Maasland. Op de foto v.l.n.r. Klaas Vollebregt, caféhouder, Jan Gordijn, Alida Vollebregt-Wendel en dienstbode (?). (foto 1935) Rond 1950 begon de dorpsuitbreiding op gang te komen en werden er nieuwe straten aangelegd zoals de Slot de Houvelaan en de Diepenburchstraat. De grote achtertuinen vielen ten prooi aan de dorpsuitleg. Het overgebleven terrein tussen de Diepenburchstraat en de achterzijde van de huizen aan de ’s Herenstraat bleef onverhard. Het Tavenu werd in 1954 opslagruimte van de Coöperatieve Aan- en Verkoopvereniging (CAV) en verviel later tot opslagplaats van de gemeente Maasland; onderhoud werd niet gepleegd. De omgeving verpauperde in snel tempo. De kentering kwam in 1994 met de bouw van het Heelhuis, waar de huis- en tandartsen hun praktijk gingen uitoefenen. Toen er ook nog een advocatenkantoor en een kapperszaak kwamen, ontstond er een pleintje. Het gemeentehuis werd verbouwd en kreeg een moderne ingangspartij recht voor het pleintje. Café De Pynas legde een gezellig terras aan met uitzicht op Museum De Schilpen en het in 1989 gerestaureerde tentoonstellingsgebouw Tavenu.Het Pynasplein. (foto 2004) Toen een passende bestrating rondom een gespaarde eikenboom werd aangelegd, volgde in 1995 de officiële opening met de naam Pynasplein, naar de eeuwenoude herberg grenzend aan het pleintje. Het plein heeft inmiddels een echte dorpsfunctie: buurt- en kinderfeesten, dorpsfeesten en Koningsdag worden er gevierd. In de zomer geeft de Harmonie er een concert en op Hemelvaartsdag wordt er boelhuis gehouden. Auteur: K. Boschma Ϯ van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Een boerderijverplaatsing in 1564 donderdag 8 maart 2018 10:10

Streekhistorie: Een boerderijverplaatsing in 1564

In een vorig artikel van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden stond kasteelheer Otto van Egmond centraal. Als hoogheemraad van Delfland was hij gedurende lange tijd betrokken bij waterstaatkundige zaken. Eén zaak waarbij de directe bemiddeling van Otto van Egmond goed zichtbaar is, betreft de boerderijverplaatsing van een bewoner in Schipluiden. In 1563 was er een conflict ontstaan tussen Rochus Claesz. en de overige ingelanden van de Kerkpolder. De eerste woonde vlak bij de watermolen van de genoemde polder en wilde zijn oude huis vervangen door een woning die langer, breder en 6,5 voet hoger was. In de afgelopen vijftien jaar waren de bomen in zijn boomgaard en op zijn erf sterk uitgegroeid, bovendien had hij een hooiberg met zes roeden laten oprichten. Omdat de molen hierdoor dikwijls onvoldoende wind ontving, kon het overtollige water niet meer op behoorlijke wijze uit de polder worden afgevoerd. Toen de nieuwbouwplannen van Rochus Claesz. bekend werden, riepen de andere grondgebruikers van de Kerkpolder de hulp in van het waterschapsbestuur van Delfland. Om het probleem van de beperkte windvang op te lossen, waren er twee mogelijkheden: de verplaatsing van de molen of de sloop van de boerderij. De boerderij stond op het eerste perceel direct ten zuidoosten van de watermolen, dus duidelijk binnen de afstand waar het windrecht van kracht was. De boerderij moet er dus eerder geweest zijn dan de molen. De Kerkpoldermolen zelf behoorde tot de oudste windwatermolens van Holland. Een akte uit 1413 vermeldt reeds deze molen, die kort daarvoor door Philips de Blote was opgericht. Deze bouwheer van kasteel Keenenburg trad ook op als dijkgraaf en baljuw van Delfland. Een archeologisch onderzoek op de locatie van de boerderij van Rochus Claesz. in 2009 heeft bevestigd dat dit boerenerf al heel lang werd bewoond. Detail van de kaart van Kruikius (1712) met de Keenenburg en de Kerkpoldermolen. Tussen het kasteelterrein en de molen stond de eerste boerderij van Rochus Claesz.De hoogheemraden probeerden op 19 en 27 mei 1563 beide partijen rond een voorstel te verenigen. Wanneer de ingelanden van de Kerkpolder 400 ‘Rynsgulden’ (200 ineens, gevolgd door 100 in 1564 en 100 in 1565) voor Rochus Claesz. bij elkaar brachten, zou hij ‘zijn huys, bargen, schuyeren ende boemen’ laten afbreken. Op 1 juni kwamen zeven vertegenwoordigers van ‘de gemeen brukers’ (grondgebruikers) van de Kerkpolder bijeen op de Keenenburg. Ze verzochten Otto van Egmond, als belangrijkste ingeland, het vermelde bedrag voor te schieten, omdat de boeren vanwege ‘die quade jaer’ niet in staat waren te betalen. Ze beloofden de kasteelheer ‘den penninck zestien’ (een rente van 6,25%) te betalen, tot de tijd dat de lening was afgelost. Otto van Egmond stemde hiermee in, waarna deze zaak op 12 juni 1563 door de hoogheemraden werd afgesloten. Op 26 maart 1567 gaf Delfland Rochus Claesz. vergunning om in de Gaag voor zijn woning ‘een huijsken te maecken omme daer onder zijn schuytken te moegen leggen’. Hij woonde toen op de Zouteveense kade, in de uiterste noordpunt van de Zouteveense polder, nabij de huidige Valbrug in het centrum van Schipluiden. Zijn nieuwe boerderij stond zo'n 300 meter van de oorspronkelijke plaats. Woonde Rochus Claesz. eerst op een stuk land enkele percelen ten noorden van het tuincomplex van de Keenenburg; nu vinden we hem op een perceel grond, dat slechts door de Zouteveenseweg en de Veensloot gescheiden werd van de kasteeltuin. Zijn kinderen noemden zich dan ook niet zonder reden ‘Hofhouck’. Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat Otto van Egmond betrokken is geweest bij de keuze van deze boerderijplaats. Voor Rochus Claesz. was de nieuwe locatie naast het kasteelterrein, mede door de goede ontsluitingsmogelijkheden, in ieder geval zeer aantrekkelijk. Op de locatie van zijn eerste boerderij staat nu het nieuwe raadhuis van de gemeente Midden-Delfland. Het pad ernaast heet Rochus Claeszpad.Op de plaats van het grote pand rechts van de Valbrug werd in 1564 de nieuwe boerderij van Rochus Claesz. gebouwd. Voor zijn woning kwam in de Gaag een schuitenhuisje. Foto ca. 1915, Historische Vereniging Oud-Schipluiden.Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Ik zocht een kruidenierswinkel en vond een bejaardentehuis maandag 26 februari 2018 11:11

Streekhistorie: Ik zocht een kruidenierswinkel en vond een bejaardentehuis

Soms ben je naar iets op zoek en dan kom je iets heel anders tegen dan waar je naar zocht. Ik wilde uitzoeken hoeveel kruideniers er vroeger in Wateringen waren. Nu is de keus tussen Jumbo en Albert Heijn, meer keus is er niet. Tot in de jaren vijftig waren er echter overal in het dorp kleine kruidenierswinkeltjes. Zo ging ik op zoek naar de kinderen van Siem van Lier die op Noordweg 2, tussen De Rusthoek en de garage van Van Ooijen, een kruidenierswinkel had. Maar bij hun zoektocht naar familiefoto’s stuitten ze op een contract van hun oudoom Koos Bes en ze vroegen of wij daarin ook geïnteresseerd zijn? Uiteraard, het voegt iets toe aan onze kennis over de geschiedenis van Wateringen. Het leek mij interessant genoeg om daar eerst onderzoek naar te doen. In 1928 werd in de Herenstraat in Wateringen een tehuis voor ouden van dagen gebouwd genaamd Huize Sint Jan. Men sprak ook wel van gesticht voor bejaarden. Oudoom Koos Bes werd in 1865 geboren in Berkel en Rodenrijs waar hij later boerenknecht was. Toen hij in 1935 zeventig jaar oud was, kocht hij zich voor 4.500 gulden in, in Huize St. Jan. Daar kreeg hij voeding, kleding en zoals dat genoemd werd bewassing voor. Hij kwam voor dat geld op zaal. Niks eigen kamer. In die zaal stond een grote tafel met rondom stoelen, daar zaten de mannen overdag. Er was geen enkele moeite gedaan om er iets gezelligs van te maken. Aan het eind van de gang was een slaapzaal, daar had men een bed met een dun houten schot tussen de bedden en aan het voeteneind een gordijn. De mensen hadden dus enkel een bed met een nachtkastje ernaast en een stoel om hun kleren op te leggen.Huize Sint Jan aan de Herenstraat in Wateringen.De zaal was aan de zijkant van het gebouw met uitzicht op kassen. De slaapzaal voor mannen was boven (in de aanbouw met plat dak links op de foto van het gebouw), er was geen lift. Voor de vrouwen was beneden een zelfde zaal. Het eten voor de zaal verschilde ook met dat voor de kamerbewoners. Het was vaak eenvoudiger of stamppot van het overschot van de vorige dag.Voor de welgestelden waren de kamers aan de straatkant. Die hadden een zit- en slaapkamer. De luxe ging toen nog niet zover dat ze een eigen wc hadden. Deze was op de gang en die moest door velen gebruikt worden. Dat gaf wel eens problemen, zo waren er regelmatig klachten omdat niet iedereen doortrok na zijn grote boodschap.Onduidelijk was of dat uit zuinigheid was of omdat ze dat niet gewend waren omdat ze in hun eigen woning nog een poepdoos gehad hadden. De mensen die op zaal kwamen mochten behalve kleding niets meenemen. Dekamerbewoners konden alles wat ze hadden meebrengen. Wat niet in hun kamer paste werd op zolder opgeslagen, tot het moment dat er houtworm werd geconstateerd, toen moest daar toch geruimd worden! Ook aan de kant van de Laan van St. Jan waren kamers maar die waren kleiner en hadden geen aparte slaapkamer.Koos (Jacobus Jr.) Bes was in Wateringen terechtgekomen doordat de dochter van zijn halfzus met de Wateringse Siem van Lier getrouwd was en daar ook woonde. Jacobus Bes sr.Koos had een moeilijke jeugd gehad. Hij was op 3 september 1865 geboren in Berkel. Hij was het zesde kind van Jacobus (Koos) Bes sr. en Alida (Alie) van Zwet. Zijn vader was in Stompwijk geboren en zijn moeder in Berkel en Rodenrijs. Daar gingen Koos sr. en Alie na hun huwelijk ook wonen en werden hun acht kinderen geboren. Twee daarvan overleden al kort na de geboorte, Nicolaas werd twee maanden en Adriaan vier weken, en twee anderen kwamen levenloos ter wereld. Alida overleed evenals de baby bij de bevalling van haar achtste kind.Vader Koos bleef daardoor in 1872 achter met vier kleine kinderen, zoon Cor (11), Johannes (9), Koos (7) en dochter Maria was nog maar 3 jaar oud. Twee jaar eerder, in 1870, was Johannes Stigt overleden. Hij was gehuwd met Catharina (Kee) van der Helm en was pas 42 jaar oud. In dit gezin waren negen kinderen geboren, waarvan er vier kort na de geboorten overleden. Drie maanden voordat Jan Stigt overleed was zijn jongste zoon Cornelis op de leeftijd van slechts 1 jaar overleden.Toen Johannes overleed bleef zijn vrouw achter met vijf jonge kinderen. De oudste was een zoon van 13 jaar en dan nog vier dochters van 11, 10, 5 en 4 jaar oud. Het gezin kreeg financiële steun van de armenzorg. In 1878 wilde Koos Bes wel met de weduwe trouwen, hij zou dan weer een moeder voor zijn kinderen hebben. Maar Kee had haar bedenkingen. Ze weet dat Koos een harde werker is, maar in het dorp is ook bekend dat hij niet vies was van een borrel en dan wel eens agressief kon worden. Maar ze kon niet anders dan in dit huwelijktoestemmen, misschien omdat het armbestuur de uitkering stopte?Kee Bes-van der HelmHet huwelijk tussen Jacobus Bes en Kee van der Helm vond plaats op 2 maart 1878 in Schiebroek. De eerste zaterdag is het al raak. Koos wordt stomdronken thuisgebracht. Kee bekijkt de situatie en zegt: "Leg hem maar in de snuif" (schuur). Als Koos op zondagochtend weer wat ontnuchterd uit de schuur tevoorschijn komt vraagt zijn vrouw: "En hoe heb je dit gesmaakt?" Het antwoord van Koos luidde: "Ik wist dat je heel wat mans was maar dit had ik niet verwacht!" Waarop zijn vrouw zei: "Ik zorg dat er altijd een borrel in huis is maar als je nóg eens dronken thuis komt dan kom je er niet meer in!!" Koos heeft zich daar waarschijnlijk aan gehouden.Koos jr. hield heel veel van zijn stiefmoeder. Hij zei later altijd: "Door moeder Kee kwam ik van de hel in de hemel!" In 1957 heeft Willem Drees er voor gezorgd dat er AOW kwam voor de mensen van 65 jaar en ouder. Maar eind 1946 heeft hij aan een voorlopige regeling gewerkt om de (oude) mensen die in acute geldnood verkeerden te helpen. In oktober 1947 ging deze Noodwet Ouderdomsvoorziening in. Er is een aanvraag van Koos Bes bij de Raad van Arbeid voor een uitkering uit de Noodwet bewaard gebleven. Hij kwam niet in aanmerking voor een uitkering.contract tussen Jacobus Bes jr. en het R.K. Armbestuur van Wateringen voor inwoningin Huize Sint Jan (29 januari 1935)Koos Bes jr. stierf op 14 april 1948 in Huize St. Jan. Door de invoering van de AOW is er gelukkig een eind gekomen aan de grote standsverschillen in de verzorging en zijn die uit de wereld. Maar nu zijn er weer andere problemen en kom je niet zo gemakkelijk meer in een verzorgingshuis.Toen Koos Bes overleed was de kleindochter van Kee, Anna van Lier-Paalvast zijn erfgenaam. Zij kocht daarvan een koelkast voor in hun kruidenierswinkel aan de Lange Noordweg nr. 2. Zo ben ik toch weer teruggekeerd bij mijn kruidenierswinkelonderzoek!Auteur: C.M.G. van Leeuwen de Vette van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen en Kwintsheul
Lees meer