Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Mijn vader was een Heer maandag 11 december 2017 08:08

Streekhistorie: Mijn vader was een Heer

Toen Nico Hilgerson nog gemeentebode was in Wateringen en ik nog raadslid, zei Nico een keer tegen me: “Uw vader was een Heer!” Mijn vader bleek dit niet alleen verdiend te hebben aan zijn hoffelijke manieren, maar ook aan zijn kleding, en aan een andere gewoonte: hij rookte ’s ochtends een pijp. Die pijp en zijn kleding hebben hem, behalve de eretitel van Heer, nog iets anders belangrijks opgeleverd. Op 1 januari 1956 werd de eerste pensioenregeling voor notarissen ingevoerd. Mijn vader was voor de oorlog al candidaat-notaris, zoals het toen gespeld werd. Er was maar een beperkt aantal standplaatsen voor notarissen, dus het was lang wachten. Toen de pensioenregeling erdoor kwam was mijn vader al 52! Hij solliciteerde op een paar plekken die open kwamen doordat al die oude notarissen moesten opstappen. Uiteindelijk werd het Wateringen, waar tot die tijd notaris Van Wessum zat.De eerste winter dat wij in Wateringen woonden, vanaf januari 1956, was een koude winter met heel veel sneeuw, tot in februari en zelfs maart aan toe. Mijn vader had nog geen auto; nog maar weinig mensen hadden er toen een. Hij verplaatste zich op een Solex. ’s Winters droeg hij daarbij een leren jas - in die dingen nam hij geen halve maatregelen - en een alpinopetje. Niet zo’n zwierige Baskische muts, maar een Hollands klein doppie. Het zag er niet fraai uit.Deze winter lag er te veel sneeuw om op de Solex te rijden. De aandrukrol op de voorband slipte door, en er was te veel gevaar om onderuit te gaan. Hoewel mijn vader een geweldige hekel had aan lopen - dat was maar stompzinnig de ene voet voor de andere zetten - ging hij die winter iedere dag lopend naar zijn kantoor, de hele kilometer lang. Hij droeg daarbij een zwarte winterjas - ’s winters nooit anders dan zwart - met daarin een witte zijden sjaal. Op zijn hoofd droeg hij een zwarte hoed, van het Anthony Edenmodel; een statige hoed, die zeker in zijn geval niet klein was uitgevallen. Mijn vader vond dat Nederlandse mannen altijd te kleine hoeden droegen. Al wandelend rookte hij zijn ochtendpijp. Notaris Jongmans en zijn kat druk aan het werk aan het bureau in het woonhuis Oosteinde 19, december 1956.Mijn vader had geld geleend om de inventaris van het kantoor over te nemen en de aanloopkosten te betalen, en ging aan de slag. De eerste maand kwamen er alleen maar cliënten die al een afspraak hadden gemaakt met de vorige notaris, en van wie de zaak klaar was. Alleen de akte hoefde nog gepasseerd te worden. Er kwamen geen nieuwe zaken. Nu ja, januari is altijd een slappe maand. “Geen zorgen”, zei oud-notaris Van Wessum, “ze kijken eerst een beetje de kat uit de boom, wat u er voor een bent. En als u meevalt, vertellen ze dat wel door op verjaardagen. U zult zien, dan gaat het wel lopen.” Maar ook in februari kwam er geen enkele nieuwe cliënt. Mijn vader maakte zich ernstig zorgen, het had zo’n drukke praktijk geleken. “Hebben ze dan geen nieuwe zaken?” vroeg hij zich af. “Jawel”, zei Van essum, “maar daar gaan ze nu even mee naar Naaldwijk, of naar Delft.” Het geleende geld raakte op. Er waren een candidaat-notaris, een klerk, en een aantal typistes, die allemaal hun salaris moesten hebben. Het zag er niet goed uit. Mijn vader had geen onderpand voor een nieuwe lening, wij huurden het woonhuis aan het Oosteinde en het kantoor aan de Heulweg.Toen kwam er op een ochtend een telefoontje. Het was van de huishoudster van Annetje Hoek. De Hoeken waren in vroegere tijden de regentenfamilie van Wateringen. Ze waren de eigenaren van de molen, indertijd een zeer kostbaar kapitaalgoed, van de herberg, van veel andere panden en van veel boerenland. Een aantal generaties was burgemeester. Een nazaat, Harry Hoek, was een groot man geweest bij het oprichten van het veilingwezen in het Westland, en er was een straat naar hem genoemd. De pater jezuïet die de rector was van het Stanislascollege in Delft, waar ik schoolging, was een Hoek. De familie was overigens zo goed als uitgestorven. In Wateringen restte alleen nog Annetje Hoek. Ze was een breekbaar oud dametje dat nooit was getrouwd. Ze woonde met haar huishoudster in het grote huis tegenover de St. Jan de Doperkerk aan de Herenstraat. Boven de deur van dat huis is vele jaren later een foeilelijk bord geschroefd met de naam “Het Hoge Huis”. Toen noemde niemand het zo.Oosteinde 19, ca. 1956.Annetje kwam haar huis niet meer uit. Ze was zéér katholiek maar naar de kerk ging ze niet meer. Op gezette tijden ontbood ze de pastoor, toentertijd de Zeer Eerwaarde Heer J. (Jos) Schoots, om haar de biecht af te nemen, en op de zondag daarna kwam de pastoor, na de Hoogmis, bij haar thuis om haar de communie uit te reiken. Daar keek niemand van op.De huishoudster ontbood mijn vader bij Annetje thuis. Een verzoek was het niet. Mijn vader, dolblij met eindelijk een klant, en nog volledig onkundig van de positie van Annetje Hoek in Wateringen, toog erheen. Hij werd ontvangen in de salon en kreeg een kopje thee. Tussen het kopje en het schoteltje lag een klein rond wit gehaakt kleedje. “Ach”, zei mijn vader, “dat was in mijn jeugd zo’n goede gewoonte, helaas zie je dat niet meer. Wat fijn, dat sommige mensen dat nog in ere houden.” Dat zei hij niet om haar te paaien, hij meende zulke dingen. Annetje reageerde er niet op. De klus was eenvoudig, ze wilde een minuscule wijziging in haar testament. Mijn vader nam de gegevens op, liet een akte uitschrijven op kantoor, door Nel, die het mooiste handschrift had, - testamenten werden toen nog uitsluitend met de hand geschreven - en maakte via de huishoudster een afspraak om de akte bij Annetje thuis te “verlijden”, zoals dat heet. Hij bracht zelf de verplichte twee getuigen mee. Het zou ondenkbaar zijn geweest dat Annetje naar kantoor zou zijn gekomen. Notaris Jongmans op weg naar zijn kantoor, 1974.De week na zijn eerste bezoek aan Annetje kwam er een klant. De week daarna nog een, en toen begon het te stromen. Mijn vader verbaasde zich over deze plotselinge toeloop. Hij sprak er over met mevrouw Van Wessum, die het dorp heel goed kende. Ze wist wat er gebeurd was. Annetje had mijn vader ’s ochtends zien lopen, met zijn zwarte jas, zijn witte sjaal en zijn zwarte hoed. Maar vooral met zijn pijp. “Een man die een pijp rookt”, had ze gezegd, “móét deugen. En hij kleedt zich ook heel netjes.” En dus had ze hem maar eens besteld, op proef. Dat was haar goed bevallen. Een man van de oude stempel, die nog wist hoe het hoorde (de witte kanten kleedjes!). Daarna had ze enkele vooraanstaande Wateringers laten weten dat de nieuwe notaris absoluut te vertrouwen was en zelfs aan te bevelen. Hij was een Heer.Het jaar daarna kocht mijn vader een auto. Auteur: Otto Jongmans van de Historische Werkgroep Oud Wateringen - Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Scheepswerven in het Westland maandag 4 december 2017 13:01

Streekhistorie: Scheepswerven in het Westland

Tot in de jaren ’60 van de vorige eeuw was het transport van goederen over water van groot belang. Een groot deel van de tuinders gebruikte de ‘schuit’ om de producten naar de veiling te brengen en de kooplieden brachten die vervolgens met de ‘westlanders’ naar de steden in de omgeving. Voor het onderhoud van die schepen waren werven nodig. Daarvan waren er ooit ongeveer 15 in het Westland. Maar met de terugloop van het vaarverkeer, zijn die scheepswerven langzaamaan verdwenen. Recent zijn de laatste twee gestopt met hun activiteiten. Dat betreft de werven van Nico van Zeijl en van Bol, beide langs de Gantel gesitueerd. In twee artikelen krijgt u een overzicht van de scheepswerven die het Westland in de loop der tijd heeft gehad. Vandaag deel 1.Kwintsheul: Pieter van der PlasAl in de tweede helft van de 17e eeuw was er een werf op de hoek van de Gantel en de Hollewatering en daarmee lijkt het de oudste werf die het Westland heeft gehad. Huijbert van Meurs is degene die deze werf dan runt. In 1711 wordt deze ‘Timmerragie, soo van Huijsinge, timmerloods, timmerwerf en alle tgeen daer op aert en nagelvast is staande’ door zijn weduwe Anna van Meurs-van Leeuwen en haar kinderen Jan en Maria verkocht aan Jan Pieterszn Olsthoorn. Dit was een succesvol zakenman die in Rotterdam en Poeldijk logementen in bezit had. Deze Jan doet de werf in 1719 kado aan zijn zoon, Jacob Janszn, als ‘huwelijks goet’. Daar zit overigens wel een ‘schultbrief’ van f. 700 aan vast t.b.v. Ary Pieterse van Meurs. Vier jaar later verkoopt Jacob de werf aan zijn neef, Jacob Jacobszn van der Knaap, die aan de overkant van de Gantel woont. Die had het tij mogelijk niet mee, want aan het einde van datzelfde jaar ging hij failliet en kon de boel alleen in de familie worden gehouden doordat zijn vader borg stond.De scheepswerf is later in allerlei handen overgegaan, tot in 1851 het echtpaar Van der Plas – Machiele zich op de scheepswerf vestigde. Pieter van der Plas Sr. was scheepsbouwer en had in dat jaar de scheepsmakerij gekocht. Het scheepvaartverkeer was in die dagen voor het Westland erg belangrijk. Bijna alle vervoer van en naar de tuinderijen gebeurde met de schuit. Bovendien maakte Van der Plas ook de zogenaamde Westlanders, grote schuiten die voor de expediteurs de tuinbouwproducten naar de grote steden vervoerden. Pieter Sr. stierf in 1884 op 80-jarige leeftijd. Daarvoor reeds had zijn zoon Cornelis de scheepmakerij van hem overgenomen. En na Cornelis was het diens zoon Pieter Cornelis die aan de Hollewatering de scheepswerf runde. Deze Pieter, aangeduid als P.C. van der Plas, maakte zich verdienstelijk voor de protestantse school aan de Heulweg in Wateringen, die mede dankzij financiële bijdragen van zijn oom was opgericht. De crisistijd in de jaren 30 eisten zijn tol. De scheepsmakerij was niet meer lonend en in 1936 moest Pieter zijn werkzaamheden staken. Hij verhuisde naar Rijswijk om daar van zijn oude dag te genieten. Zijn bedrijf werd op 19 november 1937 verkocht aan tuinder J. Binnendijk, voor f. 4.500. Hij vermaakte de werf tot een tuinbouwbedrijf. Hoewel de scheepswerf verdwenen is, is het woonhuis wat bij de werf hoorde nog steeds aanwezig (zie kopfoto)Wateringen: Scheepswerf Van der KleijDe scheepstimmerwerf langs de Heulweg in Wateringen zou in het jaar 1750 al zijn gesticht, door een zekere Van der Spek. Uit het bevolkingsregister van 1829 blijkt dat op deze scheepstimmermanswerf de 42 jaar oude Phillipus van den Ende als scheepsmaker resideert. Als zijn knechten vinden wij vermeld: Ary Hooyer: 61 jaar oud, Hermanus Waardeloo: 31 jaar oud (eind 19e eeuw komen we deze familienaam ook tegen bij een kleine werf in Poeldijk) en Lourens van der Meer 25 jaar oud. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Joannes van den Ende, geboren 1816. Deze vertrok in april 1882 naar Naaldwijk.De nieuwe scheepsbouwer was Arnoldus Bos, die in 1896 stierf. Na hem kwam een zekere K. van Rossum, maar deze was een eigenaar en stond niet ingeschreven in de bevolking van de gemeente Wateringen.In 1909 kwam de werf weer in andere handen. Dit blijk uit een schrijven, waarin Jacoba Verbeek, weduwe van Anthonius Hersbach, verklaart dat een woonhuis, werf en timmerloodsen worden verhuurd aan Evert Cornelis van der Kleij, wiens vader al vele jaren knecht op de werf was.Op de foto met pet op: Evert. Van der Kleij, naast hem zijn zoon Joh, P. van der Kleij en met het hoofdje boven de boeg uit Evert jr. Links blootshoofds: secretariebeamte dhr. V.d. Gulik.De nieuwbakken scheepmaker huurde het geheel voor 286 gulden per jaar of f 5,50 per week. Evert vond de huurprijs blijkbaar heel schappelijk, hij ging het avontuur volgens de gegevens tenminste aan. De opmars van de tuinbouw werkte in Everts voordeel, het werd op de werf steeds drukker. Nieuwe tuindersschuitjes bouwen en het verrichten van allerlei reparaties vergden veel tijd. Dat de drukke jaren op de werf Evert van der Kleij niet hebben getrakteerd op windeieren, blijkt uit een hypotheek die in 1929 passeerde bij notaris G.F. Roosen te Monster. In dat jaar was het inzake huren voor hem gedaan. Scheepmaker Van der Kleij kocht de werf, compleet met loodsen, werkplaats en open grond voor 12.000 gulden. Alhoewel zoon Jan van der Kleij zijn vader vol goede moed opvolgde, liep het werk op de werf in de vijftiger jaren geleidelijk aan terug.Het tijdperk van de ontsluiting der bedrijven had zijn intrede gedaan, het betekende meer auto’s en minder schuiten. Toen Jan van der Kleij er lucht van kreeg dat de Wateringse Vaart zou worden gedempt, diende hij in mei 1959 een bezwaarschrift in. Het mocht niet baten, de vaart ging toch dicht en de scheepswerf ging ter ziele. Daardoor werd de tweede generatie Van der Kleij tevens de laatste die als scheepmaker in de boeken is gekomen. Evert junior (generatie drie), thans woonachtig in Zevenbergen, nam met vader Jan in de zestiger jaren de ontmanteling van de werf voor zijn rekening. Momenteel is op de bewuste locatie aannemersbedrijf Eijgermans van Graafeijland gevestigd.Poeldijk: A. WaardelooEen van de weinige scheepswerven die in het centrum van een dorp gevestigd was. Deze werf lag aan het haventje van Poeldijk, achter het toenmalige café De Zwaan van A.J. van Rest. Hier vond alleen onderhoud van schepen plaats, door A. Waardeloo, die dit beroep als bijbaan deed. Het geeft aan dat er niet zoveel activiteiten plaatsvonden. De werf heeft dan ook maar kort bestaan, van (ongeveer) 1890 tot 1917. Uitbreiding van de dorpskern zal hier mede debet aan zijn geweest.Honselersdijk: Nico van ZeijlDeze werf, gelegen aan de Pouwelslaan 10 in Honselersdijk, heeft zich altijd bezig gehouden met reparatie en onderhoud van schepen. Complete nieuwbouw vond er nooit plaats. Op de plek van de latere werf stond in de 19e eeuw een boerderij van de familie Van der Klugt. Zij verkochten de boerderij in 1875 aan de familie Kok. Omdat de gebouwen en boerenhoeve in slechte staat verkeerden, liet de nieuwe eigenaar de boerderij afbreken en de vele hectaren grond verkavelen ten behoeve van tuinderijen gelegen langs de Nieuwe Vaart (Weg). In 1890 vestigde zich, op de plaats waar vroeger de boerderij stond, de scheepsmaker Maarten Rijgersberg. Hij werd in de volksmond Maarten Blikkie genoemd, omdat hij dikwijls te dun plaatijzer voor het repareren van de tuinderschuiten gebruikte. Deze scheepswerf floreerde echter goed, vooral omdat er steeds meer schuiten nodig waren. In 1910 is zoon Gerard Rijgersberg verder gegaan met de werf. Bij het overlijden van Gerard heeft de knecht (Joop Hogervorst) de werkzaamheden doorgezet tot 1943. De vrouw van Gerard heeft de werf in dat jaar verkocht aan haar zwager, A.P. van Zeijl. In die laatste oorlogsjaren lagen de werkzaamheden echter stil.Na de Tweede Wereldoorlog, in september 1945 is zoon Martien van Zeijl de werf gaan huren van zijn vader en startte de werkzaamheden weer op. In 1957 nam hij de werf van zijn vader over en vervolgens heeft hij de werf in 1990 verkocht aan zoon Nico van Zeijl. Vanwege milieuvereisten heeft Nico de onderhoudswerkzaamheden verzet naar de overkant van de Gantel, naar Poeldijks gebied. Het bedrijf richtte zich op het onderhoud van jachtjes, maar het onderhoud van tuindersschuiten vormde ook nog steeds een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden. Dit jaar is de werf gestopt met haar werkzaamheden.Auteur: Gustaaf van Gaalen van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Duitsers komen stemmen op zee maandag 27 november 2017 09:09

Streekhistorie: Duitsers komen stemmen op zee

Na het winnen van de Duitse verkiezingen in november 1932 werd Hitler op 30 januari 1933 door de rijkspresident, Paul von Hindenburg, benoemd tot rijkskanselier. Von Hindenburg was op dat moment 85 jaar en ziek en hij kwam op 2 augustus 1934 te overlijden. De dag erna voegde Hitler de bevoegdheden van het ambt van rijkspresident bij die van zijn eigen ambt als rijkskanselier. Kennelijk durfden de nazi’s het niet aan om dit zonder enige volksraadpleging te doen en daarom werd er op zondag 19 augustus 1934 een verkiezing, eigenlijk een referendum, georganiseerd over de vraag of Hitler tegelijkertijd rijkspresident en rijkskanselier kon zijn. De Duitsers die in Nederland woonden mochten ook stemmen en uit de omgeving van Amsterdam konden ze met speciale treinen naar Wesel, net over de grens bij Emmerich. Duitsers uit de omgeving van Rotterdam en Den Haag konden stemmen aan boord van het motorschip CORDILLERA dat speciaal hiervoor Hoek van Holland zou aanlopen. Overigens was er voor andere landen in Europa een soortgelijke oplossing bedacht. Inscheping op de CORDILLERA. Ondanks dat de gangway (loopplank) nogal steil ligt komt men toch met vaandels omhoog aan boord. Diverse mensen brengen de Hitlergroet. Foto uit ‘Ons Zuiden’; collectie Henk van der LugtDe CORDILLERA en het zusterschip CARIBIA waren in 1933 in de vaart gebracht door de Hamburg-America Line (HAPAG) en voeren in een lijndienst tussen West-Europa en het Caribisch gebied waarbij Rotterdam toen niet werd aangelopen. Op 19 augustus 1934 om 13:50 kwam de CORDILLERA uit Hamburg in Hoek van Holland aan en meerde aan de Fruitsteiger. Een kleine tweeduizend Duitsers, die met speciale treinen waren aangevoerd, stonden toen al te wachten want het schip arriveerde een paar uur later dan verwacht. De stemmers hadden van tevoren een plaats moeten bespreken waarna zij van het consulaat een reisbiljet en een stembewijs hadden ontvangen. Bovendien moesten zij hun paspoort meebrengen. De CORDILLERA aan de Fruitsteiger in Hoek van Holland. Krantenfoto uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 20 augustus 1934Om de voorkomen dat er ‘vreemdelingen’, bijvoorbeeld pers, aan boord gingen werd er streng gecontroleerd bij de inscheping. Dit nam daardoor nogal wat tijd in beslag en pas om 16:35 vertrok het schip naar zee. Eenmaal buiten de Nederlandse territoriale wateren konden de Duitsers hun stemplicht vervullen en ook dit duurde langer dan men had verwacht want pas om 20:25 kwam de CORDILLERA weer in Hoek van Holland aan waar de ‘passagiers’ weer werden ontscheept. Het schip vertrok hierna om 23:15 naar Antwerpen, de volgende reguliere aanloophaven. Mede door de aanwezigheid van enige muziekkorpsen was de stemming aan boord zeer vrolijk en er werd geregeld lustig gezongen. Na afloop van de stemming werden het Horst Wessellied en het Duitse volkslied gezongen en werd er een telegram van hulde naar Hitler gestuurd. Van de 1.901 uitgebrachte stemmen waren er 1.790 (94,2%) voor, 88 (4,6%) tegen en 23 (1,2%) ongeldig. De totale Duitse einduitslag was 89% voor, 9% tegen en 2% ongeldig. De CORDILLERA op volle zee. Foto; collectie Henk van der Lugt, fotograaf onbekendMen kan zich afvragen of het veel zin heeft gehad om op deze manier Duitsers die in het buitenland woonden de gelegenheid te geven om te stemmen. Op een totaal van ruim 43 miljoen uitgebrachte stemmen maakten die 1.901 immers niet veel uit en in het Duitsland van toen zorgden de nazi’s er door intimidatie toch wel voor dat een ruime meerderheid voor stemde. Mogelijk kwam er ook een propaganda element om de hoek kijken en wilden de Duitsers laten zien waartoe ze op korte termijn organisatorisch in staat waren? Zo speelde Hoek van Holland een bescheiden rol bij deze Duitse verkiezingen waarbij Hitler de absolute macht in Duitsland kreeg.Bronvermelding: Diverse kranten Boek ‘Great Passenger Ships of the World’ deel 3, door Arnold Kludas Archief Henk van der Lugt   Auteur: Henk van der Lugt van het Historisch Genootschap Hoek van Holland
Lees meer
Streekhistorie: Canon van Maassluis maandag 20 november 2017 09:09

Streekhistorie: Canon van Maassluis

De Canon van Maassluis is op 16 november officieel gelanceerd door burgemeester Haan tijdens de Historische Avond van de Historische Vereniging Maassluis. Vrijwilligers van de Vereniging hebben er jarenlang aan gewerkt en presenteerden op deze avond het resultaat. Wat is een canon?De (geschiedenis)canon is, om te beginnen, een website die is ondergebracht bij de regiocanons van de landelijke canon entoen.nu. In maart 2018 zal de HVM ook een boek publiceren. Er zijn geen lesbrieven of lespakketten voor de scholen ontwikkeld. Maar het staat iedereen vrij om dat, met de informatie van de Canon, zelf op te pakken.De Vlietlanden met de Noordvliet, Zuidvliet en Boonervliet geven een beeld hoe het land eruitzag kort na het graven van de Vlieten in de 14e eeuw. Vooral omdat de horizon zorgvuldig ‘schoon’ gepoetst is voor deze gelegenheid. Een canon is ‘het minimum’ wat iedereen zou moeten weten over de geschiedenis van Maassluis. In 25 kort beschreven onderwerpen, vensters genoemd, krijgt men zicht op gebeurtenissen die Maassluis hebben gemaakt tot wat het nu is. De keuze van de onderwerpen van een canon is altijd arbitrair. Want een canon mag maar een beperkt aantal onderwerpen bevatten en ook nog eens per onderwerp maximaal één bladzijde tekst. Dat is niet veel om belangrijke ontwikkelingen en hun impact op de geschiedenis van Maassluis te beschrijven. Daarom heten het ‘vensters’. Men kan zijn hoofd door het venster steken om meer van het onderwerp te zien en zelf op zoek te gaan naar meer informatie.Leuke weetjesToch denkt de werkgroep van de HVM dat ze erin geslaagd is een boeiend geheel van verhalen en foto’s samen te stellen die een beeld geven van alle mijlpalen en momenten die bepalend zijn geweest voor de geschiedenis van Maassluis. Er zijn aardige, interessante, grappige, bijzondere details toegevoegd die de geschiedenis levendig maken. Wist u bijvoorbeeld dat er in de loop van eeuwen meer dan 50 manieren gebruikt zijn om Maeslantsluys, Sluijs, Maessluys te schrijven. Wij houden het in de Canon voor de duidelijkheid maar op de moderne schrijfwijze van Maassluis, voor alle eeuwen.Op het hoogtepunt van de visserij, omstreeks 1900, lagen er meer dan 100 vissersschepen in de haven. Op de voorgrond een zalmschouw.TouwtrekkenMaassluis leefde vanaf het ontstaan rond 1330 tot circa 1930 van de visserij. Dat was vooral de zeevisserij op de Doggersbank, onder IJsland en Groenland. Maar ook in de rivier de Maas werd gevist. Daar vingen de Maassluizers vooral zalm, waarvoor het water tot ongeveer 1940 nog schoon genoeg was. Met kleine bootjes konden zij de netten bereiken om te controleren op zalm. Ook in de polder ving men vis. Aal of paling was rijkelijk aanwezig in de sloten en vlieten. Het was het makkelijkst om netten te spannen in de sluizen. Als deze open gingen om het Westland te spuien zwom de paling er zo in. Dat leverde wel eens problemen en getouwtrek op. De vissers zetten bij elk laagwater de sluizen open, terwijl de boeren dat water hard nodig hadden voor de landbouw.Het valse wapen van Maassluis aan de Wagenbrug. Het wapen van Maassluis vanaf 1959.Toen Maassluis zelfstandig werd in 1614 kreeg het een wapen. In 1814 kreeg het dorp de titel ‘stad’, van koning Willem I, tegelijk met een aangepast wapen. Daarin zaten echter fouten die volgens de heraldiek (wapenkunde) nooit hadden gemogen. Het aantal kepers (winkelhaken in rood/goud), dat verwees naar de zes ridderlijk deugden, veranderde in zeven. En aan de kleuren van de golvende banen van de Maas werd ook gesleuteld. Een ‘vals’ wapen is nog te zien aan de Wagenbrug. Pas in 1959 kreeg Maassluis zijn originele wapen terug, aangevuld met een kroon. Op een foto uit 1870 van de Noordvliet is het verschil in bestrating goed te zien. Het middendeel was Rijksstraatweg. De Rijksweg nr. 4 liep ook over de Goudsteen. De Rijksweg liep door MaassluisRond 1800 zijn er door Napoleon door heel Europa rijkswegen aangelegd om zijn troepen snel en efficiënt te kunnen verplaatsen. Rijksweg nr. 4 liep dwars door Maassluis. Dat had een reden. Delft was de garnizoensplaats en daar was veel materieel opgeslagen in het Arsenaal. Hellevoetsluis was de marinehaven. Tussen deze twee plaatsen was veel verkeer en de route liep over de veerdienst tussen Maassluis en Brielle. De Rijksweg kwam langs de Noordvliet Maassluis binnen, liep over de Goudsteen, ging bij de Wedde de Dijk op en via de Fenacoliuslaan kwam de weg uit bij de veersteiger. De Rijksweg was 2,50 of 4 m breed, al naar gelang de verwachte hoeveelheid verkeer. Dat betekende dat op de Noordvliet en Goudsteen een middenstrook van 4 m straatstenen door het Rijk werd onderhouden. De resterende breedte van de weg had een andere steensoort en onderhoud was voor rekening van de gemeente. Het Weeshuis aan de Noordvliet is in 1675 gebouwd.Vetdag in het WeeshuisHet Weeshuis is een van de monumenten die Maassluis kreeg nadat het zelfstandig was geworden in 1614. Het is gebouwd in 1675 door de diaconie, de liefdadigheidsinstelling van de kerk. Deze had natuurlijk niet veel geld. Om aan geld voor de bouw te komen hield men een grote loterij. Tot in Haarlem was die loterij uitgezet, en er verschenen berichtjes in de Haarlemse Courant over het Maassluise Weeshuis.De rijke reder en weldoener Govert van Wijn maakte in 1732, 90 jaar oud en ongehuwd, zijn testament. Hij bedacht het Weeshuis ‘genereuselijk’ met een rente van vijfhonderd gulden per jaar. Op 21 januari, de sterfdag van Govert van Wijn, was het feest. Dan kreeg elk kind een cadeautje van het bestuur en werd er extra lekker gekookt. Tot aan de sluiting van het Weeshuis in 1946 vierden de kinderen deze zogenoemde ‘vetdag’. Een van de laatste weesmeisjes herinnert zich de jaarlijkse feestdag nog goed; er moest ’s avonds verplicht samen met het bestuur gesjoeld worden.Bijzondere foto’sEr zijn nog veel meer verhalen te vertellen. Op de website staat er een bij elk venster. In het boek kunt u er te zijner tijd meer lezen. In dat boek zijn voor elk hoofdstuk hele bijzondere foto’s opgenomen. Speciaal voor de Canon maakte fotograaf Edwin Sonneveld een combinatie van een oude foto en de huidige situatie op precies dezelfde plek. Hij mengde oud en nieuw op verschillende plaatsen op de foto door elkaar. Zo zien we bijvoorbeeld op de foto van de Veerstraat een aantal hobbyvissers naast elkaar staan, geconcentreerd op hun hengel kijkend. Maar in de tijd zijn zij een eeuw van elkaar verwijderd. Kijkt u maar eens aandachtig, u ontdekt steeds meer ‘verschillen’ in de werkelijkheid. Het boek, met alle 25 vensters, toen/nu foto’s en bijzondere verhalen uit de Maassluise geschiedenis, is te koop vanaf april 2018 bij de Historische Vereniging Maassluis. U krijgt het in april als jubileumgeschenk cadeau als u lid bent van de Historische Vereniging Maassluis.Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Boerderij Arendshoeve maandag 13 november 2017 09:09

Streekhistorie: Boerderij Arendshoeve

In het jaar 2000 werd de boerderij, genaamd Arendshoeve, aan de Commandeurskade 46 aangewezen tot rijksmonument. De boerderij is jarenlang familiebezit geweest van de familie Van der Lely. De hoeve ligt vlak bij de Maaslandse Dam in de Commandeurspolder en heeft een oude geschiedenis. Op de kaart uit 1570 van Jan Jansz. Potter, gezworen landmeter van Delfland, is reeds op deze plaats een boerderij te zien. Het boerenbedrijf was toen in handen van een boer, genaamd Dirck Heijn. Op de kaart is een eenvoudige boerderij met hooiberg getekend. In 1754 was de boerderij in bezit van Cornelis Hendriksz. Hogendam, geboren in de Zuidbuurt. Na zijn overlijden namen zijn zoons Hendrik en Abraham de boerderij over. Beide broers bleven ongetrouwd. Op 5 februari 1813 kwam de boerderij te koop op een publieke veiling, die gehouden werd in herberg/café De Pynas aan de ’s-Herenstraat in Maasland. De koper was de 41-jarige Dirk van der Lely. Als hoogste bieder betaalde hij 10.921 francs (het was immers nog de Franse Tijd) ofwel ƒ 5.200,-. Dirk ging niet zelf op de boerderij wonen, maar verpachtte deze onder andere aan de familie De Waal. Dirk van der Lely, molenaar van beroep, was een vermogend man geworden. Door hard te werken en een drietal erfenissen afkomstig uit de familie had hij voldoende geld verworven om het zware molenaars vak te verlaten en de graanhandel in te gaan. Door zijn grote vermogen kon hij tevens de financier voor diverse mensen en instellingen worden; hij fungeerde als een soort bank van lening. In de koopakte van 1813 wordt de boerderij omschreven als : “Huisingen, stallingen, schuren, bargen, boomgaard en geboomte, omheind en betimmerd met twee partijen weij- en hooiland vanuit het Gaagwater oostwaarts tot de Middelwatering groot 17 ha En daarnaast een partij uit de Gaag oostwaarts tot het land van wed. Willem Moerman groot 4 ha”. In 1846 erfde zijn dochter Maartje Noordam-van der Lely de boerderij. De woning kreeg toen de naam ‘Arendshoeve’. De naam is afkomstig van Arend Noordam, de man van Maartje van der Lely. Arend Noordam, afkomstig uit een arbeidersgezin in Rozenburg, wist door zijn lucratieve handel in onroerend goed veel geld te verdienen en kon daardoor de rijke weduwe Maartje huwen. Hij werd een invloedrijk man en in 1850 tot burgemeester van Maasland benoemd. Ondertussen bleef de Arendshoeve verhuurd tot 1 mei 1853. Vanaf die datum (de maand mei was bij de boeren de eerste huurmaand ofwel eindigt een huurcontract) begon Arend Jacobsz. van der Lely, die met de dochter uit het eerste huwelijk van Noordam getrouwd was, met boeren op de Arendshoeve. Hij leende ƒ 5.000,- om levende have en gereedschappen te kunnen kopen. Hij was de eerste Van der Lely die zelf dit bedrijf ging runnen met zo’n 25 koeien en 27 ha land. Het land lag nogal verspreid: 16 ha achter de woning, bij de molen ‘De drie Lelies’ lag 3 ha, bij het Bommeer 1 ha Vlietland, in de Foppenpolder 5 ha en in de Sluispolder 2 ha. Het ging hem goed; het waren economisch zeer goede jaren voor boeren. De prijzen van kaas en boter waren hoog. Ook door erfenissen van zijn vader Jacob van der Lely en schoonvader, de oud-burgemeester Arend Noordam, ontstond een mooi familiekapitaal, waaronder veel onroerend goed. In 1869 vertegenoordigde de Arendshoeve met 16 ha land een waarde van ƒ 16.000,- In 1880 werd de boerderij verbouwd toen zoon Arend het boerenbedrijf overnam. De boerderij bleef tot 1968 in handen van de familie Van der Lely en is dus ruim 150 jaar familiebezit geweest! Bij gebrek aan een opvolger moest het bedrijf verkocht worden. De woning was in de loop der jaren nauwelijks veranderd. Het was een typisch negentiende-eeuwse Midden-Delflandse boerderij met een losse waterbak(pet), een fornuis, een rookschorsteen, tussen de voor-en achterkamer twee bedsteden. De opkamer lag boven de koelkelder en een grote onbetimmerde zolder. Rond 1850 was een dwarsstuk op de koestal aangebouwd voor paarden, de stier en de kalveren. Hierdoor werd het erf als een carré omsloten. Kortom een mooie bouwmanswoning. Ook na de verkoop in 1968 is het niet tot een drastische verbouwing gekomen. ‘Arendshoeve’ in 2017 (foto: Door: Michiel1972 op Wikimedia CC) In het jaar 2000 werd de boerderij rijksmonument, juist vanwege deze typische kenmerken die zo goed bewaard zijn gebleven. Helaas heeft het pand zijn oorspronkelijke functie moeten verliezen. De toenmalige eigenaar wilde modernisering van het huis en stallen en werd door toekenning van de monumentale waarde genoodzaakt zijn bedrijf op een naburige boerderij voort te zetten. De volgende bewoner heeft het pand mooi gerestaureerd. Bijkomstig voordeel is dat het negentiende-eeuwse gebouwencomplex van de familie Van der Lely aan de Commandeurskade behouden is: de Arendshoeve, de Lelyhoff (het renteniershuis) uit 1880 en de Bij-Arendshoeve. Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Vliegtuig bij Ter Heijde in beslag genomen woensdag 8 november 2017 10:10

Streekhistorie: Vliegtuig bij Ter Heijde in beslag genomen

Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië en enkele dagen later op 1 augustus 1914 Duitsland aan Rusland. Daarna volgden de oorlogsverklaringen van Duitsland aan Frankrijk, van Oostenrijk-Hongarije aan Rusland, van Servië en Groot-Brittannië aan Duitsland en van Frankrijk en Groot-Brittannië aan Oostenrijk-Hongarije. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was toen een feit. De Nederlandse regering trachtte zich in dit conflict afzijdig te houden en handhaafde een strikte neutraliteit. Zo sloot zij de Schelde voor Britse en andere oorlogsschepen. Wel werd een algehele mobilisatie afgekondigd om de neutraliteit te verdedigen. Deze mobilisatie bleef tot het einde van de oorlog (november 1918) van kracht. Het veldleger telde 95.000 man. In totaal bracht Nederland 200.000 man onder de wapenen. Een deel van deze troepen werd in Monster en Ter Heijde gelegerd. Ook in andere Westlandse dorpen vormden gemobiliseerde militairen vier jaar lang een ‘gewoon’ onderdeel van het dorpsleven. Iedereen kent wel een foto van poserende militairen uit die tijd.Een jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was in Soesterberg op 1 juli 1913 de Luchtvaartafdeling (LVA), een Nederlandse militaire vliegdienst opgericht. De LVA zou worden uitgerust met enkele les- en verkenningsvliegtuigen. Zowel in Nederland als in Frankrijk werden toestellen aangekocht. Zo leverde Frankrijk een aantal anderhalfdekkers van het type Farman. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog doorkruiste de opbouw van de LVA. De ons omringende landen waren met elkaar in oorlog, waardoor de LVA slechts sporadisch in het buitenland nog nieuwe vliegtuigen kon bestellen. Een ‘creatieve’ oplossing vormde het in beslag nemen (interneren) van vliegtuigen van de oorlogvoerende landen. Ruim honderd Belgische, Duitse, Engelse of Franse vliegtuigen landden als gevolg van motorstoring, brandstoftekort of navigatiefouten op het neutrale Nederlandse grondgebied. Vliegtuig en bemanning werden dan geïnterneerd. Indien mogelijk transporteerde de LVA de gestrande toestellen naar Soesterberg. Na een opknapbeurt werden deze vliegtuigen in de luchtvloot van de LVA opgenomen. Wel zorgde het Ministerie van Buitenlandse Zaken ervoor dat de landen van herkomst een financiële vergoeding ontvingen. Dankzij deze geïnterneerde vliegtuigen kon de Nederlandse luchtvloot toch worden uitgebreid met de modernste toestellen.Vliegtuig bij Ter HeijdeHet was groot nieuws in de Westlandsche Courant en andere dagbladen van 15 november 1916. Vlakbij strandpaal 112 bij Ter Heijde had een Belgisch vliegtuig op vrijdag 10 november een noodlanding gemaakt. Een dreigend benzinetekort als gevolg een navigatiefout was de oorzaak van dit onverwachte bezoek. De twee bemanningsleden, onderluitenant-vlieger René Vertongen en onderluitenant René Jonas werden direct door bewakingstroepen geïnterneerd en naar Den Haag overgebracht. Het vliegtuig namen de Nederlandse troepen in beslag. Het was een toestel van Franse makelij. Het ging om een Farman HF.40, een dubbeldekker die vooral voor verkenningstaken kon worden ingezet. Rond 1915 liepen de eerste exemplaren van deze tweezitter van stapel. Er werden er meer dan 1.000 stuks van gebouwd. VertongenOp zondag 12 november liep het Heijdse strand vol met ramptoeristen die allemaal de Belgische ongeluksvogel wilden bekijken. Militairen hielden de nieuwsgierigen op gepaste afstand. ’s Maandags arriveerden twee vrachtauto’s. Het vliegtuig werd in delen ingeladen en eerst naar Den Haag en later naar vliegkamp Soesterberg vervoerd. Nederlandse technici maakten het toestel weer vliegklaar. De motor vervingen zij door een exemplaar dat afkomstig was uit een Franse Farman die bij Ritthem op Walcheren een noodlanding had gemaakt. Op 27 november 1916 was de HF.40 vlieggereed en opgenomen in luchtvloot van de LVA. Het toestel kreeg het registratienummer LA37. Zelfs in Nederlands-Indië was Ter Heijde even in het nieuws. Onder het kopje ‘Uit het Moederland’, publiceerde op 9 januari 1917 De Preanger-Bode het verhaal van de Belgische aviateurs bij Ter Heijde. Waarom een noodlanding?De Belgische vlieger Vertongen vertelde aan de autoriteiten dat zij vanuit Le Havre waren vertrokken naar Engeland om militaire telegrammen en berichten over te brengen. Op vrijdagmiddag om 15.00 uur hadden zij vanuit Folkstone de terugreis aanvaard. Direct na het opstijgen werden zij overvallen door zeer dichte mist. Alle oriëntatie was onmogelijk. Zij vlogen toen op 1.500 meter hoogte. Vertongen besloot te dalen. Toen hij door het wolkendek dook, zag hij dat zij boven de Noordzee vlogen. Onder hen bevonden zich twee vlekken, die al naderend vijandelijke onderzeeboten bleken te zijn. De Farman was onbewapend en Vertongen vond het raadzaam om toch weer te stijgen. Uiteindelijk bemerkte hij dat zij niet boven de Franse maar boven de Nederlandse kust vlogen. De benzinemeter was bedenkelijk gedaald en terugkeer naar het materieeldepot te Beaumarais bij Calais was niet meer mogelijk. Een noodlanding op het Heijdse strand was de enige oplossing. GeïnterneerdVanwege de neutraliteit hield de regering zich strikt aan alle internationale neutraliteitsbeginsels. Dit had nogal wat voeten in de aarde. Militaire vluchtelingen die over de Nederlandse grens kwamen werden ontwapend en vervolgens geïnterneerd. Interneren betekende niet dat ze als krijgsgevangenen werden beschouwd. Ze werden slechts ‘geneutraliseerd’, dat wil zeggen afgehouden van verdere oorlogvoering. Hetzelfde gold voor zeelieden en vliegers. De geïnterneerden kwamen voornamelijk uit België, Duitsland, Engeland en Frankrijk. Officieren werden gescheiden van manschappen. Als officieren de belofte gedaan hadden dat ze niet zouden ontsnappen uit Nederland, werden ze ondergebracht in hotels en pensions met een beperkte bewegingsvrijheid in een straal van tien kilometer. Officieren die deze belofte weigerden af te leggen, werden ondergebracht in zogenaamde interneringskampen, zoals te Urk en Amersfoort/Zeist. Zowel Vertongen als Jonas gaven bij hun landing op het Heijdse strand hun ‘erewoord’ dat zij vooralsnog geen poging tot ontsnapping zouden ondernemen. Uiteindelijk weigerden zij de gebruikelijke verklaring te ondertekenen. Beide officieren werden daarop overgebracht naar het interneringskamp op het toenmalige eiland Urk. Een vreemde handelwijze van deze Belgische aviateurs, omdat hun regering enkele maanden eerder ten strengste alle militairen verbood uit zo’n kamp te vluchten. Bij aankomst in geallieerd gebied stond hen arrestatie te wachten. In 1917 werden de meeste geïnterneerde militairen vanuit Urk overgebracht naar een kamp te Zeist. Op 4 november 1917 ontsnapte Vertongen. Elf dagen later meldde hij zich in Beaumarais. Hoe hij vanuit Zeist zo snel Calais wist te bereiken blijft onduidelijk. Conform de gemaakte afspraken werd hij daar gestraft voor zijn ontsnapping. Zijn collega René Jonas bleef waarschijnlijk tot aan de wapenstilstand van 1918 in Nederland. Voor de laatste keer in het nieuwsOp 9 februari 1918 meldde een correspondent uit Le Havre aan diverse Nederlandse couranten dat de Belgische vlieger-luitenant René Vertongen werd vermist. Vanuit Calais was hij met zijn Hanriot HD1 opgestegen om dit nieuwe vliegtuig naar het front te brengen. Waarschijnlijk was hij door dichte mist met zijn vliegtuig in zee gestort. Een visser zag het toestel vallen. Pas op 14 april werd zijn lichaam geborgen en vier dagen later begraven in Calais. Op 2 februari 1923 is hij herbegraven op Schoonselhof te Antwerpen. Op het strand van Ter Heijde kwamen geen andere vliegtuigen meer naar beneden. Slechts aangespoelde en ontploffende mijnen en de aanwezigheid van gemobiliseerde soldaten waren in Ter Heijde stille getuigen van de ‘Groote Oorlog’. Meer lezenNederland en Oranje. Anti-Revolutionair Weekblad voor het Westland en omgeving, 11 (1916) nr. 567, 18 november 1916Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18 november 1916Nieuwe Tilburgsche Courant, 9 februari 1918Westlandsche Courant, 15, 25 november 1916, 28 april 1917F. Gerdessen en N. Geldhof, De internering van vliegtuigen tijdens de Groote Oorlog (Maarssen 2016).R. de Winter, Bakermat Soesterberg. Een eeuw militaire luchtvaart in Nederland 1913-2013 (Amsterdam 2013).http://www.wardeadregister.be/nl/content/vertongen-8Illustraties1. Gemobiliseerde militairen voor de Monsterse veiling.(Collectie Thomas van Straalen, Monster)2. Jager Willem Kappe uit Staphorst naast de gelande Farman F.40.(Foto van kleinzoon Willem Kappe, Nijkerk) 3. Portret van R.E.A.M. Vertongen (1877-1918).(http://www.wardeadregister.be/nl/content/vertongen-8)4. De Farman F.40 klaar voor de start van Soesterberg.(Nederlands Instituut voor Militaire Historie, LVA, inv.nr. 2157_006788)Auteur: Adri van Vliet van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Langzame Reformatie in Naaldwijk maandag 30 oktober 2017 09:09

Streekhistorie: Langzame Reformatie in Naaldwijk

Op 31 oktober van dit jaar is het precies 500 jaar geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen op deur van de slotkapel in Wittenberg spijkerde. Binnen tien jaar kozen grote delen van Duitsland voor het protestantisme. In Nederland liep de verandering in het kerkelijk leven anders en langzamer. Kerkhistoricus dr. Paul Abels uit Gouda hield op 10 oktober een lezing over de reformatie in Naaldwijk. Abels weet waarover hij spreekt. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de reformatie in Delft en Delfland. Daarbij maakte hij gebruik van het uitstekend bewaard gebleven archief van de classis Delfland, waardoor wij veel weten over het begin van het Calvinisme in onze streek. Het archief is bewaard gebleven door de inspanningen van Anneke Jans. Zij was de weduwe van Adriaen Cornelisz Storm van ’s-Gravenzande ook wel bekend als Crucius. Deze naam verwijst naar de eerste gereformeerde gemeente onder het kruis, waarvan de leden in ballingschap naar het buitenland vluchten. Adriaen Cornelisz behoorde tot een voorname Delftse familie, die al vroeg de reformatie omarmde. De zonen uit deze familie studeerden in de gereformeerde bolwerken Heidelberg en Genève. De predikant was niet zozeer theoloog maar een onvermoeibare kerkopbouwer. Als spoedig kreeg het Calvinisme ook voet in het Westland. De welgestelde boeren Cors en Pieter Steffenszoon uit Honselersdijk kozen voor de reformatie net zoals Mathijs Jacobszoon uit Naaldwijk. In 1566 is er al een gemeente in Naaldwijk. Drie jaar later moesten de Calvinisten echter vluchten voor de hertog van Alva, die na de beeldenstorm orde op zaken kwam stellen in de oproerige Nederlanden. SlachtoffersCors Steffenszoon en predikant Wouter Simonsz werden de eerste slachtoffers van de hertog. Zij werden in 1568 geëxecuteerd. Vier jaar waren de rollen omgekeerd na de inval van de geuzen. De pastoor en kapelaan van Monster werden door de geuzen in een schuur in Den Brielle opgehangen. Zij werden later bekend als Martelaren van Gorcum. Op 9 augustus 1572 had in de kerk van Naaldwijk de eerste openbare Calvinistische predicatie plaats. Opmerkelijk is dat de notulen van de kerkenraad in Naaldwijk uit deze vroegste tijd bewaard zijn gebleven. Daardoor heeft de gemeente in Naaldwijk het oudste notulenboek van Nederland. Abels heeft in zijn proefschrift ruim gebruikt gemaakt van dit notulenboek. Hij was sterk geïnteresseerd in de kerkelijk tucht. De hoge morele eisen, die de nieuwe leer stelde om aan het avondmaal te worden toegelaten, remden de groei van het calvinisme. ,,In de notulen krijg de lezer het rauwe leven aangereikt’’, zei Abels. ,,Drie tot vier keer per jaar kwam een predikant of ouderling langs om te vragen of er bezwaren zijn om tot het avondmaal te worden toegelaten. In geval van bezwaren vond een onderzoek plaats gevolgd door een openbare schuldbelijdenis.’’ IdiootOpmerkelijk is dat de eerste vijftig jaar van de reformatie in Naaldwijk vaak een uit Vlaanderen gevluchte predikant aan het roer stond. Van de eerste vijftig jaar na 1572 hadden er 42 een Vlaamse predikant, die in de notulen met idioot werd aangeduid. Dat woord betekende in de 16de eeuw: niet Nederlander. Intussen maakte de gemeente een bescheiden groei door naar 97 belijdende lidmaten waarvan 63 afkomstig uit Naaldwijk en 23 uit Honselersdijk en de overige van het platteland. De nieuwe kerk gaf dus niet meer dan 13 procent van de 1300 parochianen toelating tot het avondmaal. Naast de leden telde de kerk echter een grote groep liefhebbers, die geen belijdenis aflegde maar zondags wel regelmatig naar de preek ging luisteren. De strenge regels hinderden meer toetredingen tot de nieuwe kerk. Philip Jacobz wilde bijvoorbeeld niet door de kerk te schande worden gezet als hij een glaasje teveel had gedronken. Daar tegenover stond Jan Jansz die wel wat steun kon gebruiken om van de drank af te blijven. Hij vroeg de kerkenraad hem op zijn drankgedrag aan te spreken. Voor de katholieke geestelijkheid had het protestantisme ook voordelen. Een kanunnik van het kapittel van Naaldwijk en een kapelaan gingen over tot de nieuw leer, die de eis van het celibaat niet hanteerde. Zij trouwden beide met hun concubine. Daarmee kregen vaak al lang bestaande relaties waarbinnen ook kinderen werden geboren, een wettelijke basis.   Auteur: Frank de Klerk van het Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: De Bloemenveiling(en) in het Westland maandag 16 oktober 2017 09:09

Streekhistorie: De Bloemenveiling(en) in het Westland

In het Westlands Museum is nu een tijdelijke tentoonstelling te zien over de geschiedenis van de Westlandse tuinbouwveilingen. In het kader van deze tentoonstelling dit uitgebreide verhaal over de Westlandse bloemenveilingen. De bloemenveiling in het Westland is op 2 maart 1923 opgericht in Poeldijk, met als officiële naam “Centrale Westlandsche Snijbloemenveiling”. Het initiatief tot oprichting van de veiling werd genomen door enkele leden van de “Vereeniging van Westlandsche Bloembollenkweekers”. De toenmalige voorzitter van de vereniging van bloembollenkwekers, Jac. Van den Berg uit Maasdijk, werd de eerste voorzitter van de “Centrale Westlandsche Snijbloemenveiling”.Bloemenveiling in de Hofstraat te Honselersdijk, 1927De eerste veilingen werden gehouden in de “Fruit- en Groentenveiling Poeldijk”. De bloemenveiling kon hier voorlopig terecht op maandag, woensdag en vrijdag. Het bestuur van de groenteveiling had echter wel als voorwaarde gesteld dat men zo snel mogelijk moest proberen een eigen ruimte te zoeken. Als de aanvoer van groenten en fruit in de zomermaanden zou toenemen dan was het niet meer mogelijk om de bloemen nog te veilen. In mei van 1923 was het al zo ver en kon men de bloemen niet meer in de veilinghal uitstallen, noodgedwongen gebeurde dat toen buiten onder de luifel van de aanvoerhal van de groenteveiling. Nog diezelfde maand vertrok de bloemenveiling naar de naast de groenteveiling gelegen conservenfabriek Coverin. Deze fabriek was al kort na de oprichting in 1918 failliet gegaan en de gebouwen stonden leeg. Men had nu wel een eigen gebouw maar verder waren er geen voorzieningen die een goede manier van veilen mogelijk maakte. Zo was er geen afmijntoestel, een zogenaamde veilingklok, en waren er ook geen roltafels om de producten uit te stallen en te transporteren. Door de aanschaf van een tweedehands afmijntoestel en roltafels werd hier een voorlopige voorziening voor getroffen.Bloemenveiling aan de Dijkweg te Honselersdijk, 1931Ideaal was deze situatie niet en toen men in 1927 de oude groenteveiling van Honselersdijk kon aankopen verhuisde de bloemenveiling naar Honselersdijk. Dit gebouw, dat gelegen was aan de Hofstraat in Honselersdijk, was al snel te klein en er werden plannen ontwikkeld om een nieuwe veiling te bouwen. De gemeenten Monster en Naaldwijk hadden beide belangstelling om de nieuwe veiling binnen hun grenzen te krijgen en stelden hiervoor grond en faciliteiten beschikbaar. Het aanbod van de gemeente Naaldwijk was financieel gezien het meest aantrekkelijk, bovendien wilde Naaldwijk bij het terrein aan de Dijkweg in Honselersdijk ook nog een gebied reserveren, direct grenzend aan het veilingterrein, voor eventuele uitbreiding in de toekomst. Die uitbreidingsmogelijkheid was er niet voor het gebied dat de gemeente Monster aanbood, namelijk het terrein bij de Leuningjes in Poeldijk. Bloemenveiling Het Westland te Poeldijk, 1932Op de ledenvergadering van de bloemenveiling werd dan ook besloten om te kiezen voor het aanbod van de gemeente Naaldwijk. Op 3 november 1931 werd het nieuwe veilinggebouw aan de Dijkweg te Honselersdijk in gebruik genomen. Niet iedereen was het hiermee eens want een grote groep kwekers wilde een bloemenveiling in Poeldijk. Zij splitsten zich af en in 1932 werd in Poeldijk ‘Bloemenveiling Het Westland’ geopend. Deze veiling is echter niet tot ontwikkeling gekomen en in 1970 opgeheven. De afmijnzaal van de bloemenveiling aan de Dijkweg te Honselersdijk, 1931De veilinghal is blijven staan en later verbouwd tot sociaal-cultureel centrum de Leuningjes. Over dit sociaal-cultureel centrum de Leuningjes is de laatste tijd nogal wat commotie ontstaan. Door aanwezigheid van asbest kan het gebouw nu niet meer gebruikt worden en de vraag is nu gaan we het gebouw afbreken en een nieuw sociaal-cultureel centrum bouwen, of gaan we het asbest saneren en de Leuningjes verbouwen en moderniseren naar de eisen van de huidige tijd. Met enige fantasie is de bloemenveiling nog in het huidige gebouw te herkennen. De grote zaal van de Leuningjes bestaat in de kern nog uit de veilinghal van Bloemenveiling Het Westland.De uitdeelhal van de Bloemenveiling aan de Dijkweg te Honselersdijk, 1975Door de enorme uitbreiding van de bloementeelt in het Westland maakte de bloemenveiling C.C.W.S een grote groei door. Na de afschaffing van de teeltvergunningen voor de bloementeelt in 1967 gingen steeds meer Westlandse tuinders bloemen telen en dat was te merken in de aanvoer en omzet van de bloemenveiling. Om die groei van de bloemenaanvoer te verwerken werd het gebouwencomplex steeds verder uitgebreid. De tuinbouwgebieden bij de Strijplaan en de Hertenlaan, de ijsbaan en het gemeentelijk zwembad werden aangekocht en door de veiling bebouwd. Het water de Strijp moest zelfs worden omgelegd om een zo economisch mogelijk bouwterrein te verkrijgen. In 1990 fuseerde men met bloemenveiling Berkel e.o. en werd de naam van de veiling veranderd in Bloemenveiling Holland. Het gebouwencomplex werd verrijkt met een zilverkleurige kantoortoren van 12 verdiepingen, het “Fleurcenter”. In 2002 fuseerde de Bloemenveiling Holland met veiling Flora in Rijnsburg en werd de naam Flora Holland. In 2008 ging Flora Holland samen met de bloemenveiling in Aalsmeer (VBA) en zo ontstond door deze fusie de grootste bloemenveiling ter wereld met als naam Royal FloraHolland. Deze veiling heeft diverse vestigingen in Nederland waarvan die in Naaldwijk (Honselersdijk) en Aalsmeer de grootste zijn.Royal FloraHolland, vestiging Naaldwijk (Honselersdijk) aan de Middel Broekweg, 2010Door de uitbreiding sinds het jaar 2000 met het ‘Trade Parc Westland’ aan de overkant van de Middel Broekweg in Honselersdijk is er een gigantisch veilingcomplex ontstaan. Door de aanleg van de veilingroute in 1998 heeft het complex een goede aansluiting op het internationale wegennet gekregen. Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: De Dorpspomp van 's-Gravenzande maandag 9 oktober 2017 09:09

Streekhistorie: De Dorpspomp van 's-Gravenzande

Begin volgend jaar zal het marktplein van ‘s-Gravenzande worden omgevormd tot een multifunctioneel plein. Volgens de plannen zal de wekelijkse warenmarkt er een plaatsje houden en zullen er op dit plein nieuwe bomen worden geplant. Binnenkort beginnen de voorbereidende werkzaamheden voor deze reconstructie. Op het marktplein staat al meer dan 3 eeuwen een waterpomp. Het schijnt de bedoeling te zijn dat deze pomp bij de herinrichting wordt verplaatst. Vroeger was de pomp een belangrijke plek in het dorp, het was de plaats waar de ‘s-Gravenzanders elkaar geregeld tegenkwamen als zij een emmertje water kwamen halen. Iedereen had op zijn erf meestal wel een eigen waterton of waterput waarin het regenwater van het dak opgevangen werd, maar dat was meestal geen goed drinkwater. Er waren veel inwoners die een eigen waterpomp hadden. Zij pompten hun water door een houten pijp, die in de grond geslagen was, uit een “wel” (een waterbron), maar niet iedereen had het geluk boven goed drinkwater te zitten. Als je naar de dorpspomp liep had je goed water en nog een praatje ook. Wanneer onze dorpspomp werd gebouwd is niet precies bekend. Zeker is dat de pomp er nog niet stond in 1566. Op de stadsplattegrond uit het kaartboek van de landerijen van het Regulierenklooster, dat dateert uit die tijd, staat nog geen pomp op het marktveld afgebeeld. Dat wil nog niet zeggen dat er toen nog geen centrale drinkwatervoorziening was. Op grond van de middeleeuwse stadskeuren kunnen we aannemen dat er in het centrum altijd wel een waterput geweest is. Detail van het centrum van ’s-Gravenzande van de stadsplattegrond van Blaeu. Op de stadsplattegrond van ’s-Gravenzande, in 1652 getekend door Joan Blaeu, is op de hoek van het marktveld één van de stadswaterputten te zien waaruit met een emmer, die met een touw aan een beweegbare balk bevestigd was, water geput kon worden. De andere en waarschijnlijk oudere stadswaterput ligt dan op de Kerkelaan. In de middeleeuwse stadskeuren staan met betrekking tot de drinkwatervoorziening een aantal voorschriften. Het was bijvoorbeeld verboden om binnen een roe (een kleine 4 meter) afstand van de stadsput, kleding, wol, vlees of ”ongerechtigheid” te wassen, of uit te slaan. Op overtreding stond een flinke geldboete. Niemand kon zeggen dat hij niet wist dat dit niet mocht want dit voorschrift was in de kerk afgekondigd ! Door voorschriften probeerde men in die tijd de hygiëne in de hand te houden. Detail van een aquarel van Aart Schouman van het lommerrijke marktplein gezien vanaf het stadhuis met daarop links de visbank en rechts de dorpspomp.De dorpspomp verschijnt voor het eerst op een aquarel vervaardigd in 1745 door A. Schouman. Aangenomen kan worden dat de waterpomp dus wellicht rond het jaar 1680 is gebouwd. Op de lijst van Rijksmonumenten van ’s-Gravenzande vastgesteld in 1968 staat hij vermeld als 17e eeuws met als vermelding: Object van belang uit oogpunt van oudheidkunde en kunsthistorische waarde. Aan de voorkant is onze pomp zowel links als rechts versierd met het wapen van ’s-Gravenzande, een klimmende gouden leeuw op een blauw veld. Bovenop de pomp staat een stenen fruitschaal. Deze schaal stond vroeger op een voetstukje maar dat is in het begin van deze eeuw door vuurwerkvandalisme weggeblazen waardoor de schaal nu op de bovenkant van de pomp rust. Ook al eerder vond vandalisme plaats, in 1958 had de dorpsjeugd de punten van de spijlen van het hekwerk rond de pomp omgebogen, maar de plaatselijke politie greep toen de daders en maakte proces-verbaal op wegens baldadigheid.Het marktplein rond 1890 gezien vanaf het stadhuis met links de dorpspomp en rechts de zogenaamde “poelsloot” en op de achtergrond de openbare school.De pomp werd tot in de 20e eeuw intensief gebruikt. In de zomer van 1911 heerste er een grote droogte waardoor de pompen leeg raakten. De burgemeester bepaalde toen dat de dorpspomp op het marktplein alleen tussen 9 uur en 9.30 uur gebruikt mocht worden en het verboden was water te tappen om de stoepen mee te schobben. In die tijd stonden er naast de stenen pomp op het marktplein ook nog ijzeren pompen aan de Gasthuislaan en aan de Zuidwind. Alle pompen moesten geregeld nagekeken worden en eens per jaar moest de zuiger worden vernieuwd. Verder moesten de gemeentearbeiders bij vorst het water er uit laten lopen zodat het niet bevriezen zou en moest de pomp bij dooi weer gebruiksklaar worden gemaakt. Na de invoering van de waterleiding werd er natuurlijk veel minder gebruik van deze pompen gemaakt. Toch is het in 1936 rond 1 oktober nog een poosje erg druk geweest bij de pomp op het marktplein. Dat kwam omdat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland per die datum de concessie aan de gemeente voor het exploiteren van een eigen (primitieve) drinkwaterleiding voor de bewoners van de nieuwe wijk “De Boerenwoning” hadden ingetrokken. Aanleiding hiervoor was dat het water was afgekeurd, de bewoners beweerden dat het water naar “carboleum“ smaakte en bruine vlekken op het linnengoed maakte. Door persoonlijk ingrijpen van burgemeester Brunt werd de waterlevering per 1 oktober direct stopgezet. Deze kordate actie werd hem niet in dank afgenomen. Hierdoor hadden de bewoners van 200 huizen op de Boerenwoning namelijk geen drinkwater meer en moesten zij met emmers naar de pomp in het dorp om daar water te tappen en daarmee honderden meters naar hun huizen terug te lopen. Na luide protesten werd door de provincie toegestaan dat de gemeentelijke waterlevering nog enige tijd voortgezet mocht worden onder voorwaarde dat de gemeente zich zo spoedig mogelijk bij een erkend waterleidingbedrijf aan moest sluiten.De huidige pomp is gebouwd van Bentheimer zandsteen en werd in 1934 geheel gerestaureerd. Dat was wel nodig ook, de pomp was namelijk om onverklaarbare reden bedekt met een ontsierende laag grauwe-grijze verf waardoor veel van de historische waarde verloren was gegaan. Bij de restauratie werd de verflaag afgeklopt en kwam de mooie gele steen tevoorschijn. In de krant stond dat de pomp na de restauratie weer bijdroeg tot de dorpsverfraaiing. Dorpspomp met ijzeren hekwerk, rechts de muziektent.In het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw lag er op het marktplein grind. Dat gaf een rustieke uitstraling maar dat was, met de warenmarkt op vrijdag, niet zo praktisch omdat het bij regen vaak erg modderig was. In 1971 werd het marktplein met klinkers bestraat en voorzien van bloemperken en zitbanken. Daarbij verdween het plantsoentje midden op het plein, waar vroeger de muziektent stond. De pomp die in de loop der tijd vuil geworden was gaf geen water meer en het hekwerk er omheen was erg vervallen. Besloten werd de pomp in volle glorie te herstellen. Steenhouwer J.Cordes en Zonen uit Den Haag kreeg de opdracht voor een bedrag van f 12.975,-. Omdat het om een rijksmonument ging verleende het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk een subsidie van 40% van de kosten. Na de restauratie stond de pomp er weer bij als nieuw met bovenop een fruitschaal met druiven. Het oude monumentale hekwerk was vervangen door een plateau van gele ijsselsteentjes met rondom de pomp 12 sierstenen paaltjes. De pomp was ook aangesloten op de waterleiding en als men ging zwengelen kwam er water uit. Deze aansluiting op de waterleiding was niet zo’n succes, vanwege de flinke waterverspilling door de dorpsjeugd en door het autowassen van de inwoners, waardoor de pomp weer van de waterleiding afgekoppeld werd. De paaltjes rond de pomp zijn bij een latere herinrichting van het marktplein weer verdwenen en in de jaren 90 werd de huidige bestrating van natuursteen op het plein aangelegd. We zijn benieuwd hoe het marktplein er straks uit gaat zien.Auteur: Jan Dahmeijer van de Historische werkgroep Oud ’s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Unieke ontmoeting trekvaart - railverkeer in Schipluiden maandag 2 oktober 2017 09:09

Streekhistorie: Unieke ontmoeting trekvaart - railverkeer in Schipluiden

In Schipluiden ligt over de Vlaardingervaart de trambrug, een schakel in het vervoer van de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij. De WSM werd in 1881 opgericht met als doel een net van tramlijnen aan te leggen tussen Den Haag en een aantal Westlandse plaatsen. Het zou vooral om personenvervoer gaan, naast enig transport van goederen, post en bagage. De WSM besloot om qua breedte op normaal spoor te gaan rijden en niet zoals veel andere trammaatschappijen op smalspoor. Dat bleek een goede beslissing, want zo kon al vroeg op het nationale spoorwegnet worden aangesloten zonder goederen te hoeven overladen. De eerste lijn - Den Haag - Loosduinen - was in 1882 gereed. In oktober 1912 werd het laatste onderdeel van het tramnetwerk in het Westland in gebruik genomen. Het ging om het tracé van de Maaslandse Dam naar Delft via Schipluiden. De WSM profiteerde van de opkomst van de tuinbouw in het Westland en Midden-Delfland (Maasland en Den Hoorn). De veilingen kwamen aan de tramlijn te liggen, zodat de afvoer van de kwetsbare producten snel kon plaatsvinden. Vanwege dit belang betaalden het Rijk, de provincie en de gemeente mee aan de totstandkoming van het railnetwerk. Aanvankelijk - tot ca. 1926 - was er nog sprake van personenvervoer. Dit verdween na de opkomst van regionale busmaatschappijen. De afvoer van de tuinbouwproducten werd het belangrijkst. Terug werd onder andere leeg fust, stro en steenkool, bestemd voor de tuinbouw, vervoerd. De WSM ontwikkelde zich tot een winstgevend bedrijf. In 1968 kwam er een eind aan het railvervoer in de streek. Vrachtauto’s hadden inmiddels de afvoer van tuinbouwproducten overgenomen. In Schipluiden herinneren het WSM-tramstation (nu Museum Het Tramstation) en de tramburg aan de periode van het railvervoer. TrambrugDe ijzeren trambrug over de Vlaardingervaart is van het type boogbrug met trekband en is in 1911-1912 door Werkspoor in Amsterdam gebouwd in opdracht van de WSM. De brug is in de fabriek reeds in elkaar gezet, zodat de opdrachtgever vooraf kennis kon nemen van de constructie. Het lijkt of er twee bruggen in elkaar zijn geschoven, maar het is een typisch voorbeeld van een zogenoemde ‘boogligger’. De belasting van de vloer van de brug is op de boog overgebracht door de hangers (verticale balken). De voetpunten van de boog zijn door trekbanden verbonden, waarmee de zijdruk wordt opgevangen. De portalen vormen de verbinding van alle horizontale delen van deze 60 meter lange brug. In het midden is de totale hoogte bijna 10 meter, de binnenboog is 8 meter hoog en de portalen bijna 6 meter. De onderkant van de brug ligt minimaal 2.05 meter boven Delflands peil. Voor de gehele constructie werd 173.150 kg ijzer en 4.620 kg staal gebruikt. Omdat metaal bij warmte uitzet en bij kou krimpt kan zo’n brug niet aan beide kanten worden vastgelegd. Aan de westelijke kant - de zijde van de Duifpolder - is de brug op de onderbouw bevestigd. Aan de oostelijke kant - de zijde van de Vlaardingsekade - rust die op een paar grote rollen van gesmeed gietstaal. Ze maken het mogelijk dat de brug kan ‘werken’. Deze constructie is heel goed vanaf het jaagpad en vanaf het water waar te nemen. De aannemingssom voor het betonwerk bedroeg destijds f 16.830,- en voor de brug f 35.880,-. Tot 1 januari 1968 werd de brug gebruikt als trambrug. Er lag één spoor op met aan beide zijden een voetstrook. Sinds 1974 doet de brug dienst als fietsbrug in de route van het provinciale hoofdnet fietsverbindingen, die in de richting van Maasland over de voormalige trambaan loopt.De trambrug over de Vlaardingervaart. Foto: Jacques MoermanDe trambrug is van algemeen belang vanwege de stedenbouwkundige en de historisch-functionele waarde. De brug herinnert aan de groei van de tuinbouw in het Westland. Daarnaast is de trambrug een belangrijk beeldbepalend element in het landschap, zowel vanaf het land als vanaf het water. Sinds 2001 is de brug een rijksmonument. Het onderhoud berust bij de gemeente Midden-Delfland en vraagt, vooral gezien de toestand van het verfwerk, om snelle actie. JaagpadDe brug overspande het jaagpad van de historische vaarroute Delft - Maassluis-Vlaardingen. De trekschuitroutes tussen deze plaatsen waren respectievelijk in 1645 en 1654 in gebruik genomen. Tot 1871 maakten per dag ten minste zes trekschuiten met jaagpaarden vanuit Maassluis en twee vanuit Vlaardingen gebruik van deze vaarroute. De stad Delft onderhield de jaagroute. De opkomst van het landelijke spoorwegnet was voor Delft op 1 januari 1871 een reden om met deze financiering te stoppen. Drie schippersfamilies in Maassluis (Van der Lee, Van der Wel en De Jong), één in Vlaardingen (De Willigen) en één in Maasland (Verkade) gingen tot ver in de twintigste eeuw door met deze beurtdienst (Van der Lee zelfs tot na de oorlog). Daarnaast waren er ook andere schippers die van de route over de Vlaardingervaart en het trekpad ernaast gebruik maakten, bijvoorbeeld voor het vervoer van melk, mest, turf, groente en bouwmaterialen. Er werd gejaagd, geboomd of gezeild. De trekvaart, vooral van goederen, was in deze regio in 1912 dus nog erg actueel. Het personenvervoer werd in 1912 voor een groot deel overgenomen door de WSM-tram, en later door de busdiensten. Een trekpaard passeert via het paardenpad de trambrug. Foto: Jacques MoermanDe provincie Zuid-Holland koppelde de vergunning voor de bouw van de trambrug in Schipluiden aan een aantal voorwaarden die van belang waren voor de scheepvaart. Het verkeer over het water en het trekpad mocht niet teveel hinder van de brug ondervinden. Zo moest het jaagpad worden verlegd naar het ‘binnenbeloop’ van de kade, een breedte krijgen van 1,5 meter en onder de brug een ‘waterpasgedeelte’ van 5 meter en een vrije hoogte van 2.5 meter. Het pad moest worden bestraat met waalklinkers en voorzien van een afscheiding. De aansluitingen met het jaagpad mochten niet te steil zijn (‘minstens 10 op 1’ volgens de vergunning). In het bestek waren ook bepalingen te vinden die de hinder moesten beperken bij de bouw. Zo staat in paragraaf 23 bijvoorbeeld dat ‘de passage voor jaagpaden onder de brug niet mag worden belemmerd’. En verder: ‘De steigers moeten bij nacht verlicht worden, zowel ten behoeve van het verkeer over het jaagpad onder de brug als ten behoeve van de scheepvaart’. Het aan de voet van de dijk gelegen jaagpad met waalklinkers bestaat nog steeds. Er is aandacht nodig voor het onderhoud. Gezien het unieke karakter van deze locatie is het ook een geschikte plaats voor een eventuele informatiezuil. Het trekvaartvervoer en het railvervoer hebben elkaar hier lange tijd ontmoet. Het is een belangrijke passageplaats voor fietsers, wandelaars en vaarverkeer! Auteur: Jacques Moerman, Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: De geschiedenis van het Kwak-complex maandag 25 september 2017 09:09

Streekhistorie: De geschiedenis van het Kwak-complex

Afgelopen week werd het twintigjarig bestaan van Wateringse Veld gevierd. In 1997 werden de eerste huizen opgeleverd. Drie jaar eerder werd het gebied door Den Haag geannexeerd en kwam de nieuwe gemeentegrens vlak langs de Kwaklaan en het wijkje aan het begin van de laan te lopen. Op 13 september 2009 werd in De Ark een grote reünie georganiseerd voor oud-bewoners van het Kwak-complex (Kwaklaan, Vlietlaan, Vlotlaan). De Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul was gevraagd om een historisch overzicht te geven van deze (gedeeltelijk al verdwenen) woonwijk. Op grond van de officiële stukken van de gemeenteraad uit het voormalige archief van de gemeente Wateringen stelde Maxim van Ooijen de onderstaande bijdrage samen. Het verhaal begint bij de eerste aankoop van gronden door de gemeente in 1933 en eindigt bij de overdracht van de huizen door de gemeente aan de Wateringsche Bouwvereeniging in 1974. De foto's zijn afkomstig van bezoekers aan de reünie. De Kwak bestaat oorspronkelijk alleen als voetpad. Het liep van de Noordweg tot ongeveer de kerk. Daar kon de wandelaar achter de kerk langs en via de Julialaan het dorp bereiken. Er was bij het gemeentebestuur wel de wens om het pad te verbreden en door te trekken naar het Oosteinde. Daar lag wel nog een tuin tussen en er stonden huizen. In 1933 kreeg de gemeente de kans om van tuinder H.A. Ammerlaan het hele bezit aan te kopen. Voor ƒ 22.000,-- werd de gemeente eigenaar van "een Westlandschen tuin met schuren, waarvan één stenen, 5 muurkassen, 5 serres (waarvan 2 verwarmd) en 4 warenhuizen", 3 burgerwoonhuizen en 5 arbeiderswoningen. De druiven worden in massa verkocht bij publieke inschrijving en 1500 eenruiters worden op dinsdag 17 oktober 1933 in een boelhuis verkocht. Van andere tuinders langs de Kwak wordt grond aangekocht voor de verbreding en slootdemping. Alleen Van Holsteijn moet worden onteigend, omdat hij er geen zin in heeft. Hij krijgt een vergoeding van ƒ 0,50 per m².De jaren daarna wordt er gewerkt aan een nieuw uitbreidingsplan. Tegenwoordig noemen wij dat een bestemmingsplan. Architect Oosthoek werkt er druk aan, maar op een gegeven moment wil de Provincie dat er een echte stedenbouwkundige aan te pas komt. De destijds beroemde architect Van den Kloot Meijburg wordt eind 1939 ingehuurd.Op 11 september 1940 kan dan eindelijk het plan voor de Kwak worden vastgesteld. Maar inmiddels is het wel oorlog en tijdens de oorlog gebeurt er weinig op het gebied van woningbouw. De enige beslissing die we nog tegenkomen is dat op 2 december 1942 burgemeester Bocxe officieel de straatnaam Kwaklaan vaststelt.Na de bevrijding is het gemeentebestuur eerst bezig met alle zaken weer aan de gang te krijgen. De organisatie moet weer op orde komen, voldoende mensen om het werk te doen, er komt een nieuwe burgemeester, Meissen en het Rijk moet de woningbouw weer ter hand nemen.Hiervoor worden allerlei financieringsregelingen ingesteld en in 1948 wordt het plan van 1940 definitief goedgekeurd. Het betreft de bouw van 22 woningen. Dit zijn de duplexwoningen.Een jaar later krijgt de gemeenteraad te horen dat zo rond 1 november 1949 de eerste panden kunnen worden betrokken. Dan hebben al 16 mensen een vergunning gekregen om in een Kwakwoning te gaan wonen. De raad stelt de eerste huurprijs vast. Dat is per maand 31,50 en 32,50 voor de benedenwoningen en 27,50 en 28,50 voor de bovenwoningen.Ook worden er "enkele voorwaarden omtrent de bewoning" gesteld, maar wat die precies zijn wordt niet vermeld. Tijdens het uitzoeken van de huurders hadden twee mensen bezwaren tegen de huurprijs en die trokken zich dan ook terug.Een hele tijd gebeurt er niets, totdat er begin 1950 bekend wordt dat er 6000 woningen in Nederland worden gebouwd. Wateringen krijgt er 56. In een extra raadsvergadering op 14 april 1950 besluit de raad deze 56 goedkope woningen te bouwen voor ƒ 6800,-- per woning en ƒ 180,-- per schuurtje. Het worden uiteindelijk huizen aan de Julianastraat, Dr. Schaepmanstraat, de oneven nummers van de Irenestraat en Vlietlaan 1 t/m 15 en Vlotlaan 1 t/m 8 en 10. Het worden echte eengezinswoningen. Burgemeester Meissen zegt hier nog over: "Bij de bouw van deze goedkope woningen is uitgegaan van de mogelijkheid van het onderbrengen van een gezin met tenminste 6 kinderen, doch zelfs voor 8 kinderen wordt de ruimte verantwoord geacht."In december 1950 besluit de raad de laatste huizen van het Kwakplan te bouwen. Het worden 16 middenstandswoningen voor ƒ 173.892,--. De huur wordt ƒ 8,45 per week. Dit worden de huizen Kwaklaan 12 t/m 38 en Vlietlaan 16 en 17. Nog voor de jaarwisseling wordt de bouw gegund en de burgemeester zegt tegen de raad dat hiermee "getuigd wordt, dat het gemeentebestuur paraat is in de bestrijding van de woningnood." Na al dit gebouw blijft er nog een stukje grond over op de hoek van de Kwak en het Oosteinde. Ook heeft de gemeente nog wat grond van de erven Bom gekocht. In mei 1951 verkopen ze deze 700 m² aan Alboma uit Leiden voor de bouw van 7 eengezinswoningen. De prijs is ƒ 12,-- per m². De gemeente houdt zelf nog wat voor de bouw van een transformatorhuisje. Twee maanden later verhuurt de gemeente nog een stukje grond aan het Boekhoudbureau LTB voor de bouw van een werkruimte. Eind 1951 zijn alle gemeentewoningen bewoond.Nu lijkt het rustig te worden, maar in april 1952 duikt er een nieuw probleem op: de straatnaamgeving. Tot dan toe worden de woningen aangeduid met Kwak en een huisnummer. Er komt een voorstel. De straat rondom het hele complex moet Singel gaan heten en het kleine straatje rechts de Singeldwarsstraat. Het levert een hoop discussie op in de raad en uiteindelijk wordt besloten een enquête te houden onder de bewoners voor een nieuwe straatnaam.Welke voorstellen de bewoners allemaal doen, is niet bewaard gebleven, maar twee maanden later worden Vlietlaan en Vlotlaan vastgesteld. De straatnaam Kwaklaan wordt doorgetrokken tot het Oosteinde.De Alboma uit Leiden die nog grond kocht voor 7 woningen komt intussen in moeilijkheden en kan niet gaan bouwen. Het besluit wordt in augustus 1952 ingetrokken en een deel van de grond wordt gelijk verkocht aan de Boerenleenbank voor de bouw van een bank met kassierswoning. Ruim tien jaar later werkte bij die bank een Haags meisje en een van haar klanten was de jongste zoon van de plaatselijke garagehouder. De rest is geschiedenis.Op 23 maart 1954 stuurt een aantal bewoners een brief naar het college. Ze willen een hek tussen de straat en de sloten rondom het complex. Er zijn namelijk nogal wat kinderen in de sloot terecht gekomen. Raadslid Donck ziet niet veel in een laag hek. Het zal kleine kinderen wel tegenhouden, maar de grote kinderen zullen het ongetwijfeld vernielen. Van der Kruit zegt vervolgens: "De ouders moeten naar hun kinderen kijken. De kinderen moeten aan een touw worden gelegd." Besloten wordt een proef te nemen met een lugustrumheg, afgezet met draad. Later dat jaar wordt het Kwakcomplex afgerond met de bouw van twee woningen op de hoek van de Kwaklaan door Van Meurs en Zwinkels van de Strijpkade. Ze betalen ƒ 3,-- per m².In 1955 is het al zo druk op de Kwak dat er overal auto's en vrachtwagens geparkeerd staan. Daarom komt er een stopverbod op de Vlotlaan en een parkeerverbod op de Vlietlaan.Een groot probleem is de uitgang van de wijk op het Oosteinde. Waar nu de parkeerplaats naast de voormalige supermarkt van Brabander is, staat het nog vol met huisjes. De gemeente weet er een aantal te kopen, maar vooral de onderhandelingen met Van den Ende lopen heel stroef. Uiteindelijk weet Van den Ende er nog ƒ 13.500,-- uit te slepen. Ook wordt er voor hem een nieuwe woning gezocht.De afbraak van al deze panden en de demping van de vaart in 1957-1958 geven de kruising Oosteinde-Kwaklaan het huidige uiterlijk.In 1958 worden de schuurtjes vergroot omdat de bewoners hun fietsen en kolen niet meer kwijt kunnen. En ook de wasmachines zijn tegenwoordig nogal omvangrijk, zegt de burgemeester. Er komt 1,50 tot 2 meter bij. Hiervoor moet wel meer huur worden betaald: ƒ 0,25 per week.Het gebeurt vrij vaak dat, wanneer een huurder vertrekt, er van alles aan de woning moet worden gerepareerd om het huis weer bewoonbaar te maken. Deze kosten zouden eigenlijk door de vorige huurder moeten worden betaald. Vanaf eind 1958 moet elke nieuwe huurder van de Kwak daarom een waarborgsom van ƒ 100,-- betalen. Hiervan moet een preventieve werking uitgaan, zodat de schade aan de woningen zal worden beperkt. De jaren daarna gebeurt er weinig, behalve schilderwerk en huurverhogingen. Dan wordt het 1972. Het college vindt het niet meer verstandig dat de gemeente eigenaar is van huurwoningen. Deze worden overgedragen aan de Bouwvereeniging. Het onderhoud en beheer van de duplexwoningen en de woningwetwoningen gaat al per 1 april 1972 over. De 16 middenstandswoningen worden verkocht aan de eigenaren, de meeste voor ƒ 15.000,--. Een uitschieter is Kwaklaan 28, dat ƒ 23.000,-- opbrengt. Wel wordt er bepaald dat als iemand zijn huis binnen 5 jaar doorverkoopt, de gemeente ƒ 5.000,-- van de opbrengst krijgt.Het uitrekenen van de waarde van de overige woningen duurt even, maar op 1 januari 1974 worden ze definitief eigendom van de Bouwvereeniging. Er is nog even een probleem omdat 18 huurders hun woning willen kopen. Het college vindt echter dat deze huizen beschikbaar moeten blijven voor minder draagkrachtige gezinnen en wijst het verzoek af.Hiermee eindigt de gemeentelijke bemoeienis met het Kwakcomplex en hiermee eindigt dan ook mijn verhaal.   Auteur: Maxim van Ooijen van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul
Lees meer

Meer Streekhistorie