Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: De stoomzuivelfabriek ‘Ons Bestaan’ in Maasland maandag 16 april 2018 08:08

Streekhistorie: De stoomzuivelfabriek ‘Ons Bestaan’ in Maasland

Van oudsher werd op een boerderij zelf kaas en boter gemaakt. Om een goede kwaliteit van de zuivelproducten te garanderen, moesten boerenbedrijven aan allerlei eisen voldoen. Veel zuivelboeren hadden echter een te klein bedrijf. Echt kwaliteit leveren was alleen mogelijk op grote bedrijven. Naast vakmanschap was er immers ook dagelijks een grote hoeveelheid melk nodig. Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd op congressen voor Landhuishoudkunde al regelmatig gesproken over het gezamenlijk maken van boter en kaas, om op die manier de krachten van de boeren te bundelen. Langzamerhand ontstonden overal in het land zuivelfabrieken. Veel fabrieken bleken echter te klein te zijn om te kunnen overleven en daarom besloten boeren tot samenwerking. Tegen deze achtergrond is de opkomst van de coöperatieve vereniging te verklaren. In 1902 werd de reeds enkele jaren bestaande zuivelfabriek aan de Langetaam in Maasland in een coöperatieve vorm gegoten. Bij de notaris werd een vennootschap opgericht door de volgende personen: Simon Bijl fabrikant, Pieter Johannes van Geest landbouwer, Pieter Huisman particulier, Jan de Baan meestertimmerman, Arie van der Lely landbouwer, Jacob Moerman zuivelmaker en Abraham Chardon landbouwer. Allen woonachtig in Maasland. Het doel van de vennootschap was: ‘het koopen van melk, het bereiden van boter en kaas en andere melkproducten en het verkopen van deze melk en melkproducten’. Het kapitaal werd bepaald op ƒ 18.000,-, verdeeld in zesendertig aandelen van elk ƒ 500,-. De oprichters namen deel voor ƒ 8.000,-, ofwel zestien aandelen. De heren Bijl, Van Geest en Huisman namen elk vier aandelen. De fabriek kreeg de naam: ‘Ons Bestaan’. Deze naam werd echter weinig gebruikt, men sprak van ‘de fabriek van Van Geest’, omdat eigenaar Piet van Geest er jarenlang de leiding had. De fabriek stond op het terrein van het boerenbedrijf van de familie Van Geest. Het kantoor grensde aan de Langetaam, hier werd onder andere het melkgeld uitbetaald. Daarnaast was het boterhuis, een kleine paardenstal en het kaashuis. Op de foto uit 1916 zien we rechts boer en bedrijfsleider Piet van Geest en zijn vader Arie. Daarachter een hittenkar met melkbussen. In de fabriek is een werknemer bezig om met behulp van een katrol een melkbus op te hijsen. Rechts voor het gebouw liggen de kazen klaar om verkocht te worden. Links op de foto zien we Jacob Moerman op de bok zitten. Hij vervoert melkbussen en botervaatjes. Er werkten veel mensen voor de fabriek. Simon Noordam, zelf boer, haalde met zijn paard en wagen melk op bij de boeren als bijverdienste. Later reed er ook een vrachtwagen.Het tot huizen verbouwde fabrieksgebouw aan de Langetaam. (foto 2018) Rond 1925 is de fabriek opgeheven. Waarschijnlijk was er toch te veel concurrentie van de vele zuivelfabrieken in de omgeving. In 1929 is de fabriek verbouwd tot een rij van vijf huizen. De huizen waren eigendom van Van Geest, later zijn ze verkocht. Door de bouw van de nieuwe woonwijk ‘Drie Hoeven’ in 1995 moest, ten behoeve van een betere doorgang naar de woonwijk, het laatste (5e) huis worden afgebroken. Auteur: Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Het witte goud van het Westland maandag 9 april 2018 09:09

Streekhistorie: Het witte goud van het Westland

Ze zijn er weer, de Westlandse asperges, ook wel het witte goud genoemd. Al vanaf maart zijn ze de laatste jaren in toenemende mate uit de kas verkrijgbaar. Uit verwarmde kassen is dat nog eerder het geval. In de open lucht worden ze in deze omgeving echter nauwelijks meer geteeld. Dat was tot een halve eeuw geleden wel anders. Vooral ’s-Gravenzande en Monster waren belangrijke leveranciers. De zandgrond langs de kust leende zich uitermate goed voor de teelt van deze groente. De uitgebreide aspergediners in restaurant De Spaanse Vloot in ’s-Gravenzande en in hotel Overheijde in Monster waren befaamd. Ze trokken in het voorjaar vele liefhebbers, ook van ver buiten deze regio. Al in de zeventiende eeuw werden er asperges geteeld in het Westland. Ze worden bijvoorbeeld genoemd in een contract dat Anthony Pieterson, eigenaar van de buitenplaats Geerbron in Monster, in 1697 afsloot met zijn tuinman Thomas van Es inzake het onderhoud van de tuin. De overeenkomst bevat een uitgebreide omschrijving van de werkzaamheden die de tuinman diende te verrichten. Over de zorg voor de asperges op het landgoed wordt het volgende bepaald.Item den voorsz. thuynman zal d’esperges daer al bereits leggende ofte noch te leggen ter behoorlijcker teijdt met het opkruyen van mist, spitten en wijen [wieden], onderhouden maar oock de daerop te wassen [groeien] esperges twee mael des daeghs snijden en behoorlijck wassen en aen bussen [bossen] binden.Aspergebossen. Met behulp van een aspergeblok werden de bossen op de juiste dikte gebundeld. Collectie Historisch Archief Westland.Niets nieuws onder de zon dus. Om te voorkomen dat de aspergekoppen door het daglicht zouden verkleuren, moest er in die tijd al twee maal per dag geoogst worden. Ook toen werd het kennelijk belangrijk gevonden dat ze spierwit verhandeld werden. Wat ook uit deze tekst blijkt, is dat Pieterson niet een nieuwe teelt op het oog had. Het ging om aspergebedden die er al waren, naast wat nog aangeplant zou gaan worden. Voordat hij de overeenkomst met Van Es afsloot werden er op Geerbron dus al asperges geteeld. De oogst van Geerbron werd in het voorjaar per schuit naar de stad vervoerd. Dat weten we uit de bewaard gebleven administratie van de Monsterse marktschipper Pieter Jansz. van Bremen. Hij hield nauwkeurig bij welke goederen hij dagelijks vervoerde vanaf de haven in het centrum van Monster. De eerste vermeldingen van vervoer van asperges voor Pieterson stammen uit 1695. In mei en juni van dat jaar worden twaalf keer asperges vervoerd. In totaal gaat het om ruim 40 kinnetjes. De bestemming wordt niet vermeld, maar dat zal Den Haag of een van de andere omliggende steden zijn geweest. Pieterson bezat ook een huis in Den Haag. Als hij daar verbleef liet hij regelmatig mandjes asperges bij zijn Haagse woning bezorgen door schipper Van Bremen. Hij was dus zelf ook een liefhebber van deze exclusieve voorjaarsgroente.Bezorging in 1707 van asperges en andere goederen door schipper Van Bremen aan het adres van admiraal Pieterson in Den Haag (Historisch Archief Westland, Weeskamerarchief Monster).Pieterson overlijdt in 1722. Ook volgende eigenaren van Geerbron in de achttiende eeuw telen groenten, waaronder asperges, in de moestuin van de buitenplaats. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een contract met tuinman Pieter van der Linden, die 3 hond (ca 0,45 ha) aspergeland huurt van de eigenaar van Geerbron. In het contract is bepaald dat de asperges niet langer gesneden mogen worden dan tot de Delftse kermis. Uit die tijd is ook een rekening bewaard gebleven wegens het omspitten, klauwen en gladstrijken van de aspergebedden. En in 1735 werden aan Francijntje Verstraten in Den Haag in de periode van 25 april tot 23 juni dagelijks asperges geleverd vanuit de moestuin van Geerbron, in totaal niet minder dan 1182 bossen. Het was dus zeker geen onbelangrijke teelt. Niet alleen op Geerbron, maar ook op de buitenplaats Overheijde, gelegen aan de Choorstraat in Monster, werden asperges geteeld. Volgens een verkoopakte uit 1734 behoorde er rond 35 morgen (30 ha) land tot Overheijde, waaronder niet minder dan 1 morgen en 400 roeden (ca 1,4 ha) ‘espergesland’.De vraag rijst of in het begin van de zeventiende eeuw alleen op buitenplaatsen asperges werden gekweekt. Dat is niet het geval. Ook particuliere tuinders kweekten ze in die tijd al. Zo is er een contract bekend uit 1703 inzake de verhuur van een stuk landbouwgrond van circa 2,3 ha aan de Papelaan in Monster, dat door de huurder geschikt moet worden gemaakt als tuinland. De huur wordt voor 30 jaar aangegaan. Het contract geeft een gedetailleerde beschrijving van de verplichtingen van de huurder. Zo moet een halve morgen (ruim 0,4 ha) van het perceel beplant worden met asperges.Al met al kent het witte goud in het Westland een rijke historie. De laatste jaren neemt het belang weer toe, met name door de teelt onder glas.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Kunstenaar Jaap Binnendijk maandag 2 april 2018 09:09

Streekhistorie: Kunstenaar Jaap Binnendijk

Vanaf zaterdag 24 maart tot en met zondag 1 juli 2018 is in het Westlands Museum een expositie over kunstenaar Jaap Binnendijk te bezichtigen. Jaap Binnendijk was een hobby-kunstenaar die op latere leeftijd Westlandse landschappen en dorpsgezichten ging tekenen. Deze tentoonstelling wordt georganiseerd door de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk in samenwerking met het Westlands Museum. De in 1895 geboren Binnendijk was een enthousiaste amateurtekenaar die vele plekjes in het Westland heeft getekend. Zijn tekenstijl was opvallend gedetailleerd, waardoor vaak kleine elementen van gebouwen zijn terug te vinden. Vooral in de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw ging hij regelmatig op pad om mooie plekjes en herkenbare dorpsgezichten op papier te zetten. Hij maakte eerst een opzet met potlood en werkte de tekening later heel precies uit in Oost-Indische inkt. Als lijnwerker in dienst bij de WSM standplaats SchipluidenJaap Binnendijk werd op 22 juni 1895 in Honselersdijk geboren. Zijn ouders waren de in Naaldwijk geboren Gerrit Binnendijk en de in ’s-Gravenzande geboren Jaapje Alida Luijendijk. Jaap was enig kind en bleef zijn leven lang vrijgezel. Hierdoor zijn er hoegenaamd geen familieleden die nog materiaal en gegevens van hem hebben en dat maakte het moeilijk om iets over hem te weten te komen. Jaap Binnendijk tekent in de Prins Hendrikstraat te NaaldwijkGezicht op Wateringen 1951In 1920 ging Jaap Binnendijk bij de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij (WSM) werken. Zijn functie was lijnwerker met als standplaats Schipluiden waar hij ook ging wonen. Hij trok in bij een oudere collega, Adrianus Vrijland. In 1943 ging hij werken in het station van Honselersdijk als ladingmeester en trok hij in bij zijn moeder die in de Hofstraat in Honselersdijk woonde. Later werd zijn standplaats het station Naaldwijk omdat het station van Honselersdijk werd gesloten. In station Naaldwijk kreeg Jaap de functie van tweede ladingmeester. Werkzaam bij het WSM station NaaldwijkHeenweg aan de Maasdijk 1958Op het moment dat Jaap in Honselersdijk ging wonen begon hij steeds meer werk te maken van zijn tekenhobby. De eerste tekeningen van zijn hand die we kennen dateren van 1945. Al zijn vrije tijd gebruikte hij om te tekenen. Als het weer goed was dan trok hij er op uit om in het dorp of in het landschap zijn tekeningen te maken. Hij tekende in alle Westlandse plaatsen. Doordat hij zo vaak op straat zat te tekenen begon hij een bekende verschijning te worden en kreeg daardoor lokale en regionale bekendheid. Als hij ergens had plaatsgenomen op zijn krukje met het tekenbord in de aanslag, dan stond er in een mum van tijd een hele groep mensen om hem heen. Vooral kinderen waren erg geïnteresseerd in zijn manier van tekenen waarbij hij heel precies te werk ging. Hij tekende historische en monumentale gebouwen, waarbij hij elk bouwelement en zelfs alle bakstenen zó precies intekende, dat de kinderen het magisch vonden. Bejaardenhuis Bijdorp, Dijkweg, NaaldwijkStaelduinse bos 1958De mooiste tekeningen hing hij op in zijn kamer. Heel af en toe verkocht hij wel eens een tekening, maar dat was eigenlijk alleen bedoeld om de kosten van de benodigde materialen te kunnen dekken. Zijn realistische stijl van tekenen sloeg aan in het Westland en mensen lieten blijken dat zij geïnteresseerd waren in zijn tekeningen en er graag een wilden verwerven. Bij grote uitzondering nam hij wel eens een opdracht aan om voor iemand een tekening van zijn huis of dorp te maken. Hij was hier geen voorstander van omdat hij bang was dat zijn hobby te commercieel werd en hij te afhankelijk zou worden van het daarmee verdiende geld. Hij gaf zijn tekeningen dan nog liever weg aan mensen die ze mooi vonden. Binnendijk tekent in het H. GeesthofjeAchterzijde Prins Hendrikstraat, vanaf Patijnenburg, Naaldwijk 1966Als gevolg van zijn groeiende bekendheid werd er in juli 1960 een heel artikel aan hem gewijd in het blad ‘De Westlander’. Ter gelegenheid van dat interview zijn er toen diverse foto’s van Jaap Binnendijk gemaakt terwijl hij buiten aan het werk was. Zo maakte hij een tekening van het Heilige Geesthofje, die hij na voltooiing trots aan de bewoners van het hofje liet zien. In het interview vertelde Jaap ook dat hij tot voor enkele jaren graag in het Staelduinse bos ging tekenen. Hij was daar bezig met een studie naar alle verschillende bomen die in het bos stonden. In de jaren vijftig was het grootste deel van het Staelduinse bos in gebruik genomen door het ministerie van defensie, waardoor driekwart van het bos werd afgezet en niet meer toegankelijk was voor gewone bezoekers. Volgens Jaap was het mooiste deel van het bos verboden gebied geworden en daarom voor hem niet meer interessant om daar zijn tekeningen te maken. Daarna begon hij zich vooral toe te leggen op het tekenen van oude en vervallen huizen. Hier zaten ook veel gebouwen bij die al op de nominatie stonden om gesloopt te worden. Veel van de voorbeelden die hij tekende zijn ook daadwerkelijk in de jaren zestig en zeventig gesloopt. Hierdoor kregen Jaaps tekeningen niet alleen artistieke maar ook historische waarde. Zij geven een mooi beeld van het Westland hoe het ooit was, maar nooit meer terugkomt. Bewoners H. Geesthofje bewonderen Jaaps tekeningIn 1955 kreeg Jaap Binnendijk eervol ontslag bij de WSM. Hij was toen pas 60 jaar maar ging wonen in het bejaardenhuis Bijdorp aan de Dijkweg in Naaldwijk. Hij kreeg nu nog meer tijd om aan zijn tekenhobby te besteden en hij had zijn kamer in Huize Bijdorp vol hangen met zijn mooiste tekeningen. Bijdorp was het bejaardenhuis van de diakonie van de Hervormde kerk in Naaldwijk en toen Jaap in 1972 overleed op 77-jarige leeftijd zijn alle tekeningen die zich nog in zijn kamer bevonden opgenomen in het archief van de Hervormde (Oude) Kerk Naaldwijk. Dat waren er meer dan honderd en uit die verzameling is een mooie selectie gemaakt die nu te zien is in de tentoonstelling. Deze selectie is aangevuld met meerdere tekeningen die in bezit zijn bij particulieren en voor deze tentoonstelling in bruikleen zijn gegeven. Ze geven een prachtig beeld van het Westland in vroeger tijden. Bij veel tekeningen is een foto van diezelfde situatie in déze tijd gevoegd, zodat bezoekers geholpen worden in het herkennen van de plek.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Delft was bestuurlijk, economisch en medisch centrum van de regio maandag 26 maart 2018 12:12

Streekhistorie: Delft was bestuurlijk, economisch en medisch centrum van de regio

Delft was in de middeleeuwen in inwoneraantal de derde stad van Holland. In de 17de eeuw groeide het inwoneraantal tot 10.000, een fors aantal voor die tijd. Delft is ook een van de weinige Nederlandse steden, die bekend is in het buitenland. Denk aan de moord op Willem van het Oranje, de schilder Vermeer, het wereldberoemde Delfts blauw en de Technische Universiteit. Historicus en stadsarchivaris Gerrit Verhoeven schreef de stadsgeschiedenis van Delft. Op 13 februari hield hij een lezing voor Genootschap Oud-Westland over de stad Delft en zijn ommelanden. Tegenwoordig is er nog maar weinig groen in de omgeving van Delft. Dat was in de middeleeuwen heel anders. 1200 jaar geleden bestond onze streek uit een kwelderlandschap, waar schapen graasden. "Toen Delft in 1246 stadsrechten kreeg, was de stad nog een torentje in het groen", zei Verhoeven. Delft groeide echter snel doordat de stad het bestuurlijke en juridische centrum van de regio werd. De gevangenis bevond zich aanvankelijk in de schoolpoort maar verhuisde al snel naar de Waterslootse Poort, een van de grootste poorten van Nederland. "De baljuw had hier de privacy om gevangenen te martelen zonder dat de buurt de kreten hoorde", wist Verhoeven. De schepenen van de stad spraken ook recht in belastinggeschillen en Delft was het medisch centrum van de omgeving. Een oorkonde uit 1521 vermeldt dat het Delftse leprozenhuis ook bereid is melaatsen uit Naaldwijk en Honselersdijk op te nemen. Als tegenprestatie wordt in de kerk in Naaldwijk een collecte gehouden een vindt huis aan huis een inzameling van kaas voor de bewoners plaats. Delft wordt het economisch centrum van de omgeving. "Het was een belangrijke bierstad", zegt Verhoeven. "Nergens in Nederland werd zoveel bier geproduceerd als in Delft. De stad heeft ook een kantoor van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en een aanzienlijke lakenindustrie. Voor de handel in deze producten is de Delftse Schie naar Delfshaven belangrijk. Delft koopt op diverse plaatsen grond langs de Schie. Hendrik van Naaltwijk verkoopt bijvoorbeeld in 1480 het Ambacht van Overschie aan Delft. In deze tijd waren Dordrecht en Gouda concurrerende steden voor Delft. Gouda gaf bijvoorbeeld opdracht om de sluis bij Leidschendam te vernietigen waardoor de doorvaart voor Delft moeilijk werd." De Hoekse en Kabeljauwse twisten hielden Delft anderhalve eeuw in hun greep. Delft was Kabeljauws en wendde zich voor steun tot de Bourgondische hertog Philips de Goede (1396-1467). Hij kocht de zwakke gravin Jacoba van Beieren uit, die zich terugtrok op slot Teylingen. De machtsovername in Delft zorgde voor een aanval op de stad van honderden plattelanders waarbij onder andere de schout werd gedood. "Philips greep hard in bij deze opstand tegen het wettig gezag", zei Verhoeven. "Twaalf van de aanvallers werden onthoofd en hun hoofden werden bij de Waterslootse Poort opgesteld. De opstandelingen werden veroordeeld tot betaling van het aanzienlijke bedrag van 3600 schilden, dat zij in drie termijnen in de kerk van Naaldwijk moesten komen betalen. Van het geld werden 14.000 heilige missen voor het eeuwig zielenheil van de schout en de andere slachtoffers betaald. De plattelanders moesten met een verklaring van de priester aantonen dat de missen inderdaad gelezen waren." In 1572 koos Delft na jarenlange aarzeling de zijde van de opstand tegen het gezag van de koning van Spanje, Philips II. Het omringende platteland werd geteisterd door de rondtrekkende militairen. Geuzen en Spanjaarden deden niet voor elkaar onder in plunderingen. Het platteland zocht een veilig toevluchtsoord in de ommuurde stad. "In de zijkapellen van de Nieuwe kerk stond het vee van het platteland en de kloosters zaten vol vluchtelingen", zei Verhoeven. "Kastelen en buitenhuizen werden gesloopt om te voorkomen dat zij als huisvesting voor de Spanjaarden dienden. Aan deze situatie kwam twee jaar later een einde toen het platteland na het doorsteken van de dijken onder water kwam te staan."Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: Het Pynasplein maandag 12 maart 2018 09:09

Streekhistorie: Het Pynasplein

De oude dorpskern van Maasland was eeuwenlang maar heel klein. De bebouwing beperkte zich tot een ring rondom de dorpskerk en verder uitwaaierend naar twee zijden langs de vliet, die officieel Zuidgaag heet. Ook waren er nog enkele zijstraatjes. Achter verschillende dorpshuizen kwamen diepe tuinen en zelfs enkele boerenerven voor. Zo had Johan van den Berg achter zijn winkelpand (thans Museum De Schilpen) aan de ’s Herenstraat een tuin van wel zeventig à tachtig meter diep eindigend bij een sloot. Achter de sloot vond men de weilanden van de Dijkpolder, die doorliepen tot aan de Maasdijk. In het begin van de twintigste eeuw had Jan van den Berg, die er toen woonde, groenten en fruitbomen, een druivenkas en een bijenstal. In 1905 liet hij in zijn tuin een vergader- en feestzaal bouwen met de naam TAVENU (Ter Aangename Verpozing En Nuttige Uitspanning). Het gebouw was bereikbaar vanaf de ’s Herenstraat via een bestraat paadje tussen zijn winkelpand en herberg De Pynas. De Pynas in de ’s Herenstraat te Maasland. Op de foto v.l.n.r. Klaas Vollebregt, caféhouder, Jan Gordijn, Alida Vollebregt-Wendel en dienstbode (?). (foto 1935) Rond 1950 begon de dorpsuitbreiding op gang te komen en werden er nieuwe straten aangelegd zoals de Slot de Houvelaan en de Diepenburchstraat. De grote achtertuinen vielen ten prooi aan de dorpsuitleg. Het overgebleven terrein tussen de Diepenburchstraat en de achterzijde van de huizen aan de ’s Herenstraat bleef onverhard. Het Tavenu werd in 1954 opslagruimte van de Coöperatieve Aan- en Verkoopvereniging (CAV) en verviel later tot opslagplaats van de gemeente Maasland; onderhoud werd niet gepleegd. De omgeving verpauperde in snel tempo. De kentering kwam in 1994 met de bouw van het Heelhuis, waar de huis- en tandartsen hun praktijk gingen uitoefenen. Toen er ook nog een advocatenkantoor en een kapperszaak kwamen, ontstond er een pleintje. Het gemeentehuis werd verbouwd en kreeg een moderne ingangspartij recht voor het pleintje. Café De Pynas legde een gezellig terras aan met uitzicht op Museum De Schilpen en het in 1989 gerestaureerde tentoonstellingsgebouw Tavenu.Het Pynasplein. (foto 2004) Toen een passende bestrating rondom een gespaarde eikenboom werd aangelegd, volgde in 1995 de officiële opening met de naam Pynasplein, naar de eeuwenoude herberg grenzend aan het pleintje. Het plein heeft inmiddels een echte dorpsfunctie: buurt- en kinderfeesten, dorpsfeesten en Koningsdag worden er gevierd. In de zomer geeft de Harmonie er een concert en op Hemelvaartsdag wordt er boelhuis gehouden. Auteur: K. Boschma Ϯ van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Een boerderijverplaatsing in 1564 donderdag 8 maart 2018 10:10

Streekhistorie: Een boerderijverplaatsing in 1564

In een vorig artikel van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden stond kasteelheer Otto van Egmond centraal. Als hoogheemraad van Delfland was hij gedurende lange tijd betrokken bij waterstaatkundige zaken. Eén zaak waarbij de directe bemiddeling van Otto van Egmond goed zichtbaar is, betreft de boerderijverplaatsing van een bewoner in Schipluiden. In 1563 was er een conflict ontstaan tussen Rochus Claesz. en de overige ingelanden van de Kerkpolder. De eerste woonde vlak bij de watermolen van de genoemde polder en wilde zijn oude huis vervangen door een woning die langer, breder en 6,5 voet hoger was. In de afgelopen vijftien jaar waren de bomen in zijn boomgaard en op zijn erf sterk uitgegroeid, bovendien had hij een hooiberg met zes roeden laten oprichten. Omdat de molen hierdoor dikwijls onvoldoende wind ontving, kon het overtollige water niet meer op behoorlijke wijze uit de polder worden afgevoerd. Toen de nieuwbouwplannen van Rochus Claesz. bekend werden, riepen de andere grondgebruikers van de Kerkpolder de hulp in van het waterschapsbestuur van Delfland. Om het probleem van de beperkte windvang op te lossen, waren er twee mogelijkheden: de verplaatsing van de molen of de sloop van de boerderij. De boerderij stond op het eerste perceel direct ten zuidoosten van de watermolen, dus duidelijk binnen de afstand waar het windrecht van kracht was. De boerderij moet er dus eerder geweest zijn dan de molen. De Kerkpoldermolen zelf behoorde tot de oudste windwatermolens van Holland. Een akte uit 1413 vermeldt reeds deze molen, die kort daarvoor door Philips de Blote was opgericht. Deze bouwheer van kasteel Keenenburg trad ook op als dijkgraaf en baljuw van Delfland. Een archeologisch onderzoek op de locatie van de boerderij van Rochus Claesz. in 2009 heeft bevestigd dat dit boerenerf al heel lang werd bewoond. Detail van de kaart van Kruikius (1712) met de Keenenburg en de Kerkpoldermolen. Tussen het kasteelterrein en de molen stond de eerste boerderij van Rochus Claesz.De hoogheemraden probeerden op 19 en 27 mei 1563 beide partijen rond een voorstel te verenigen. Wanneer de ingelanden van de Kerkpolder 400 ‘Rynsgulden’ (200 ineens, gevolgd door 100 in 1564 en 100 in 1565) voor Rochus Claesz. bij elkaar brachten, zou hij ‘zijn huys, bargen, schuyeren ende boemen’ laten afbreken. Op 1 juni kwamen zeven vertegenwoordigers van ‘de gemeen brukers’ (grondgebruikers) van de Kerkpolder bijeen op de Keenenburg. Ze verzochten Otto van Egmond, als belangrijkste ingeland, het vermelde bedrag voor te schieten, omdat de boeren vanwege ‘die quade jaer’ niet in staat waren te betalen. Ze beloofden de kasteelheer ‘den penninck zestien’ (een rente van 6,25%) te betalen, tot de tijd dat de lening was afgelost. Otto van Egmond stemde hiermee in, waarna deze zaak op 12 juni 1563 door de hoogheemraden werd afgesloten. Op 26 maart 1567 gaf Delfland Rochus Claesz. vergunning om in de Gaag voor zijn woning ‘een huijsken te maecken omme daer onder zijn schuytken te moegen leggen’. Hij woonde toen op de Zouteveense kade, in de uiterste noordpunt van de Zouteveense polder, nabij de huidige Valbrug in het centrum van Schipluiden. Zijn nieuwe boerderij stond zo'n 300 meter van de oorspronkelijke plaats. Woonde Rochus Claesz. eerst op een stuk land enkele percelen ten noorden van het tuincomplex van de Keenenburg; nu vinden we hem op een perceel grond, dat slechts door de Zouteveenseweg en de Veensloot gescheiden werd van de kasteeltuin. Zijn kinderen noemden zich dan ook niet zonder reden ‘Hofhouck’. Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat Otto van Egmond betrokken is geweest bij de keuze van deze boerderijplaats. Voor Rochus Claesz. was de nieuwe locatie naast het kasteelterrein, mede door de goede ontsluitingsmogelijkheden, in ieder geval zeer aantrekkelijk. Op de locatie van zijn eerste boerderij staat nu het nieuwe raadhuis van de gemeente Midden-Delfland. Het pad ernaast heet Rochus Claeszpad.Op de plaats van het grote pand rechts van de Valbrug werd in 1564 de nieuwe boerderij van Rochus Claesz. gebouwd. Voor zijn woning kwam in de Gaag een schuitenhuisje. Foto ca. 1915, Historische Vereniging Oud-Schipluiden.Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Ik zocht een kruidenierswinkel en vond een bejaardentehuis maandag 26 februari 2018 11:11

Streekhistorie: Ik zocht een kruidenierswinkel en vond een bejaardentehuis

Soms ben je naar iets op zoek en dan kom je iets heel anders tegen dan waar je naar zocht. Ik wilde uitzoeken hoeveel kruideniers er vroeger in Wateringen waren. Nu is de keus tussen Jumbo en Albert Heijn, meer keus is er niet. Tot in de jaren vijftig waren er echter overal in het dorp kleine kruidenierswinkeltjes. Zo ging ik op zoek naar de kinderen van Siem van Lier die op Noordweg 2, tussen De Rusthoek en de garage van Van Ooijen, een kruidenierswinkel had. Maar bij hun zoektocht naar familiefoto’s stuitten ze op een contract van hun oudoom Koos Bes en ze vroegen of wij daarin ook geïnteresseerd zijn? Uiteraard, het voegt iets toe aan onze kennis over de geschiedenis van Wateringen. Het leek mij interessant genoeg om daar eerst onderzoek naar te doen. In 1928 werd in de Herenstraat in Wateringen een tehuis voor ouden van dagen gebouwd genaamd Huize Sint Jan. Men sprak ook wel van gesticht voor bejaarden. Oudoom Koos Bes werd in 1865 geboren in Berkel en Rodenrijs waar hij later boerenknecht was. Toen hij in 1935 zeventig jaar oud was, kocht hij zich voor 4.500 gulden in, in Huize St. Jan. Daar kreeg hij voeding, kleding en zoals dat genoemd werd bewassing voor. Hij kwam voor dat geld op zaal. Niks eigen kamer. In die zaal stond een grote tafel met rondom stoelen, daar zaten de mannen overdag. Er was geen enkele moeite gedaan om er iets gezelligs van te maken. Aan het eind van de gang was een slaapzaal, daar had men een bed met een dun houten schot tussen de bedden en aan het voeteneind een gordijn. De mensen hadden dus enkel een bed met een nachtkastje ernaast en een stoel om hun kleren op te leggen.Huize Sint Jan aan de Herenstraat in Wateringen.De zaal was aan de zijkant van het gebouw met uitzicht op kassen. De slaapzaal voor mannen was boven (in de aanbouw met plat dak links op de foto van het gebouw), er was geen lift. Voor de vrouwen was beneden een zelfde zaal. Het eten voor de zaal verschilde ook met dat voor de kamerbewoners. Het was vaak eenvoudiger of stamppot van het overschot van de vorige dag.Voor de welgestelden waren de kamers aan de straatkant. Die hadden een zit- en slaapkamer. De luxe ging toen nog niet zover dat ze een eigen wc hadden. Deze was op de gang en die moest door velen gebruikt worden. Dat gaf wel eens problemen, zo waren er regelmatig klachten omdat niet iedereen doortrok na zijn grote boodschap.Onduidelijk was of dat uit zuinigheid was of omdat ze dat niet gewend waren omdat ze in hun eigen woning nog een poepdoos gehad hadden. De mensen die op zaal kwamen mochten behalve kleding niets meenemen. Dekamerbewoners konden alles wat ze hadden meebrengen. Wat niet in hun kamer paste werd op zolder opgeslagen, tot het moment dat er houtworm werd geconstateerd, toen moest daar toch geruimd worden! Ook aan de kant van de Laan van St. Jan waren kamers maar die waren kleiner en hadden geen aparte slaapkamer.Koos (Jacobus Jr.) Bes was in Wateringen terechtgekomen doordat de dochter van zijn halfzus met de Wateringse Siem van Lier getrouwd was en daar ook woonde. Jacobus Bes sr.Koos had een moeilijke jeugd gehad. Hij was op 3 september 1865 geboren in Berkel. Hij was het zesde kind van Jacobus (Koos) Bes sr. en Alida (Alie) van Zwet. Zijn vader was in Stompwijk geboren en zijn moeder in Berkel en Rodenrijs. Daar gingen Koos sr. en Alie na hun huwelijk ook wonen en werden hun acht kinderen geboren. Twee daarvan overleden al kort na de geboorte, Nicolaas werd twee maanden en Adriaan vier weken, en twee anderen kwamen levenloos ter wereld. Alida overleed evenals de baby bij de bevalling van haar achtste kind.Vader Koos bleef daardoor in 1872 achter met vier kleine kinderen, zoon Cor (11), Johannes (9), Koos (7) en dochter Maria was nog maar 3 jaar oud. Twee jaar eerder, in 1870, was Johannes Stigt overleden. Hij was gehuwd met Catharina (Kee) van der Helm en was pas 42 jaar oud. In dit gezin waren negen kinderen geboren, waarvan er vier kort na de geboorten overleden. Drie maanden voordat Jan Stigt overleed was zijn jongste zoon Cornelis op de leeftijd van slechts 1 jaar overleden.Toen Johannes overleed bleef zijn vrouw achter met vijf jonge kinderen. De oudste was een zoon van 13 jaar en dan nog vier dochters van 11, 10, 5 en 4 jaar oud. Het gezin kreeg financiële steun van de armenzorg. In 1878 wilde Koos Bes wel met de weduwe trouwen, hij zou dan weer een moeder voor zijn kinderen hebben. Maar Kee had haar bedenkingen. Ze weet dat Koos een harde werker is, maar in het dorp is ook bekend dat hij niet vies was van een borrel en dan wel eens agressief kon worden. Maar ze kon niet anders dan in dit huwelijktoestemmen, misschien omdat het armbestuur de uitkering stopte?Kee Bes-van der HelmHet huwelijk tussen Jacobus Bes en Kee van der Helm vond plaats op 2 maart 1878 in Schiebroek. De eerste zaterdag is het al raak. Koos wordt stomdronken thuisgebracht. Kee bekijkt de situatie en zegt: "Leg hem maar in de snuif" (schuur). Als Koos op zondagochtend weer wat ontnuchterd uit de schuur tevoorschijn komt vraagt zijn vrouw: "En hoe heb je dit gesmaakt?" Het antwoord van Koos luidde: "Ik wist dat je heel wat mans was maar dit had ik niet verwacht!" Waarop zijn vrouw zei: "Ik zorg dat er altijd een borrel in huis is maar als je nóg eens dronken thuis komt dan kom je er niet meer in!!" Koos heeft zich daar waarschijnlijk aan gehouden.Koos jr. hield heel veel van zijn stiefmoeder. Hij zei later altijd: "Door moeder Kee kwam ik van de hel in de hemel!" In 1957 heeft Willem Drees er voor gezorgd dat er AOW kwam voor de mensen van 65 jaar en ouder. Maar eind 1946 heeft hij aan een voorlopige regeling gewerkt om de (oude) mensen die in acute geldnood verkeerden te helpen. In oktober 1947 ging deze Noodwet Ouderdomsvoorziening in. Er is een aanvraag van Koos Bes bij de Raad van Arbeid voor een uitkering uit de Noodwet bewaard gebleven. Hij kwam niet in aanmerking voor een uitkering.contract tussen Jacobus Bes jr. en het R.K. Armbestuur van Wateringen voor inwoningin Huize Sint Jan (29 januari 1935)Koos Bes jr. stierf op 14 april 1948 in Huize St. Jan. Door de invoering van de AOW is er gelukkig een eind gekomen aan de grote standsverschillen in de verzorging en zijn die uit de wereld. Maar nu zijn er weer andere problemen en kom je niet zo gemakkelijk meer in een verzorgingshuis.Toen Koos Bes overleed was de kleindochter van Kee, Anna van Lier-Paalvast zijn erfgenaam. Zij kocht daarvan een koelkast voor in hun kruidenierswinkel aan de Lange Noordweg nr. 2. Zo ben ik toch weer teruggekeerd bij mijn kruidenierswinkelonderzoek!Auteur: C.M.G. van Leeuwen de Vette van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen en Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Hoe is het Wilhelminaplein van Naaldwijk ontstaan? maandag 19 februari 2018 10:10

Streekhistorie: Hoe is het Wilhelminaplein van Naaldwijk ontstaan?

Het Wilhelminaplein in Naaldwijk vervult al eeuwenlang een centrale rol in het dorp. Maar over het ontstaan van het plein weten we weinig. Recent archeologisch onderzoek heeft hier meer duidelijkheid in gebracht. Zo leren we dat het plein als marktveld aan het einde van de 13e eeuw is aangelegd. Vóór die tijd stonden hier huizen met erven en moestuinen. Dit nieuwe gegeven roept vragen op: Hoe zag het dorp er zonder het plein uit? Wat was de aanleiding om een marktveld aan te leggen? En waarom op deze plek?Locaties van de opgravingen in 2017. Afbeelding: Archeologie Delft.Wat is er gevonden?De opgravingen in het Wilhelminaplein waren mogelijk doordat het plein opnieuw ingericht werd. De sporen en voorwerpen zijn in verschillende grondlagen gevonden. Voor dit artikel zijn de vondsten op ca 1,5 meter onder het huidige maaiveld interessant. Hier liepen en woonden de Naaldwijkers rond het jaar 1300. Het is een dunne laag grijze zand op een halve meter opgestoven duinzand.Doorsnede met verschillende grondlagen, afbeelding: Archeologie DelftOnder deze laag zijn paalkuilen gevonden van de houten draagconstructies van huizen. Ook zijn hier sporen van gedempte greppels en sloten met daarin diverse soorten aardewerk: Kogelpot-aardewerk, Andenne-aardewerk en Pingsdorf-aardewerk met rode versiering. Deze laatste is belangrijk voor de datering van het loopniveau omdat de bakovens in de 13 e eeuw verbeterd werden, waardoor het aardewerk van betere kwaliteit werd.In de donkere grondlaag erboven zien we de ophogingen die tussen 1300 en 1400 gedaan zijn. Deze laag is ongeveer een halve meter dik. Hierin zijn afvalkuilen aangetroffen met scherven van hardgebakken drinkkannen, botten van varkens en vogels en wat visgraten.Afval uit de 14 e en 15 e eeuw, foto: Archeologie DelftWelk verhaal vertellen de vondsten?De sporen van paalkuilen en greppels vertellen ons dat er tot de helft van de 13 e eeuw op het huidige plein gewoond werd. De Naaldwijkers van toen groeven greppels en sloten rondom hun huizen, hun erven, en hun landbouwgronden. De greppels zijn geregeld weer dichtgelegd, waardoor er een druk patroon van lijnen gevonden is.Greppels uit de 12 e en 13 e eeuw. Foto: Archeologie DelftKlopt dit met andere bronnen over het ontstaan van het Westland? In het jaar 1134 is er een grote stormvloed geweest die een deel van de duinen ten westen van Naaldwijk weggeslagen heeft. De overstroming heeft plaatselijk een dik pakket aan klei achtergelaten, waarop geen nederzettingen gebouwd zijn. Naaldwijk lag op een duinstrook en was daarmee een veiligere plek. De ondergrond van zand maakte het geschikt voor bewoning. Of er al een nederzetting op de locatie van het plein lag, heb ik niet kunnen achterhalen.Na deze ramp werd de aanleg van dijken georganiseerd vanuit het grafelijk hof, waarbij op een zeker moment Unarch van Nadelwich een deel van de taak toegewezen kreeg. Via een uitgebreid netwerk van sloten en bestaande watertjes werd het overtollig water afgevoerd naar de Maas. In Naaldwijk had nog lang last van overtollig water, daarop wijzen de vele greppels. Na de aanleg van de Maasdijk rond het jaar 1250 was het Westland beter beschermd tegen de zee. Hierdoor kon het gebied zich verder ontwikkelen. Dit is ook de periode waarin begonnen is met de aanleg van het marktveld.Halverwege de 13 e eeuw zijn de huizen op het plein gesloopt en de greppels en sloten dichtgegooid. Er zijn karrensporen gevonden in de dunne grijze zandlaag die op het plein aangebracht was. Deze open ruimte centraal in het dorp was geschikt voor markten en dorpsfeesten. Het afval werd in kuilen in het plein gegooid en afgedekt.Karrensporen. Foto: Gemeente Westland, Cluster RuimteHoe is het dorp ontstaan?Het eerste kerkgebouw op de plek van de Oude kerk is eind 12 e of begin 13 e eeuw gebouwd. De Atlas van het Westland vermeldt dat deze kerk de plaatsvervanger is van de kerk van Holtsele, omdat deze bij de stormvloed van 1134 verdwenen is. Dat daarvóór al een gebouw op de locatie van de Oude kerk stond, is aannemelijk omdat het (nog steeds) iets hoger ligt dan haar omgeving. In het boek 800 jaar Naeltwick wordt verwezen naar archeologisch onderzoek van Jan Emmens in de jaren vijftig en later onderzoek op het terrein van de voormalige Moddermanschool. Hieruit is geconcludeerd dat er van de 10 e tot en met de 12 e eeuw een ronde waterloop achter de Kerkstraat gelegen heeft. Dit wijst mogelijk naar een ringwalburg met daarbinnen een vluchtburcht. Het is niet duidelijk of er bij deze burcht woningen stonden, maar door verhoogde ligging is dit wel mogelijk geweest.We kunnen vrijwel zeker aannemen dat bij de bouw van de kerk woonruimte nodig was voor ambachtslieden: timmerlieden, metselaars, steenhouwers en beeldhouders. Hoewel het een kleiner gebouw was dan de huidige kerk, zal het een aantal decennia geduurd hebben om het te maken. Nog vóór de bouw voltooid was, zal begonnen zijn met het onderhoud en - in rijke tijden - de uitbreiding met kappelen en een toren.Een kerk leverde geregeld werk voor de bouwlieden, maar zal ook een aantrekkingskracht hebben gehad op andere beroepsgroepen. De timmermannen hebben gereedschap en spijkers nodig, wat aanleiding kan zijn geweest voor een smederij in het dorp, als deze er nog niet was. Daarnaast was er een geestelijke om de missen te leiden en een koster die tevens grafdelver was. Een herberg was ook zeer gebruikelijk in die tijd. Daarnaast moesten al deze mensen eten en drinken, waardoor er een afzetmarkt was voor de boeren.1643. Kerk met linksboven het marktveld en linksonder de Kerklaan. Kaartboek van Simon vanCatshuijsen. HAWDe Herenstraat maakt onderdeel uit van een oud wegennetwerk van het Westland. Om de kerk vanaf deze verbindingsweg te bereiken zal een pad aangelegd zijn. Het was misschien al vanaf het begin ‘verhard’ omdat men wat omhoog moest lopen naar de kerk. Het hoogteverschil zal zeker twee meter zijn geweest en dat wordt al snel een beekje als je het niet van stenen of keitjes voorziet. De plek van het kerkenpaadje kan de huidige Kerklaan geweest zijn. Deze ‘laan’ wordt voor het eerst genoemd in een akte uit 1504. Het is een kort recht straatje dat begint in een knik van de huidige Koningstraat (het verlengde van de Herenstraat) en eindigt bij een toegangshek in de tuinmuur. Vandaar leidt een grindpad naar de zijdeur van de kerk. In vroegere eeuwen kwammen meestal niet via de toren maar via de zijgevels de kerk binnen.Kerklaan met toegang naar de zijdeur van de Oude kerk. Foto: Jolanda FaberHoe is het marktveld aangelegd?Stel het dorp Naaldwijk bestond rond 1250 uit een kerk, een verbindingsweg met (ambachts)huizen, een kerklaantje en boerderijen. Wat was dan de reden om een deel van de huizen te verwijderen en een marktveld aan te leggen? Groeide de welvaart, waardoor de status van het dorp verhoogd kon worden met de aanleg van een marktlocatie?Was er een brand geweest en kwam daardoor ruimte vrij voor een nieuwe inrichting van het dorp? Stadsbranden waren een veel voorkomend probleem in die tijd. Van Utrecht is bekend dat ze in de 11e tot 13 e eeuw zeven grote branden heeft gekend. In Naaldwijk is in 1472 de kerk grotendeels verwoest door een brand. Zijn er in de 12 e eeuw ook grote branden geweest?Misschien was het de kerk - die belangrijker werd in de regio - waardoor het dorp een plein nodig had. De kerk ligt in een hoekje van het Wilhelminaplein, wat vanuit het oogpunt van stedenbouw een B-locatie is. Maar als je oude kaarten bekijkt, dan lijkt het er meer dat het marktveld een uitbreiding van het ronde plein is, waar de kerk en een herberg op stonden. Dan is het logischer dat de markt vanaf dit kerkplein langzaam aan gegroeid is, waarbij uiteindelijk ook de bebouwing aan de Herenstraat plaats heeft moeten maken. Werden de huizen daarbij zorgvuldig afgebroken en verplaatst?1623. Kaart van Naaldwijk. HAWHoe nu verder…Naar het ontstaan van het plein blijft het nog even gissen, maar zonder hypothese kan je geen verder onderzoek verrichten. Iedereen die mee wil denken in het ontstaan van Naaldwijk is van harte welkom om zich te melden bij de historische vereniging. Hiervoor heb je geen historische kennis nodig; nieuwsgierigheid en kritisch denken is al genoeg. Als we alle beschikbare bronnen bij elkaar leggen, komen we misschien tot nieuwe inzichten.Paardenschedel in de vitrine van de tentoonstelling. Foto: HAWEen deel van de archeologische vondsten van het Wilhelminaplein is tot 16 maart te zien in de hal van het Bestuurs- en publieksgebouw aan de Verdilaan. Voor kinderen is er bij de balie van het historisch archief een quiz verkrijgbaar. Zij kunnen ook meedoen aan een verhalenwedstrijd over het paard dat gevonden is in de Herenstraat. Meer informatie staat op de website van Historisch Archief Westland.    www.historischarchiefwestland.nlAuteur: Jolanda Faber, Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijkwww.hvnh.nlinfo@hvnh.nl
Lees meer
Streekhistorie: De brand in hotel Harwich maandag 12 februari 2018 12:12

Streekhistorie: De brand in hotel Harwich

Nadat op 1 juni 1893 de spoorlijn naar Hoek van Holland in gebruik was genomen en ook de Harwichboten Hoek van Holland gingen aanlopen ontstond het zogenaamde ‘nieuwe gedeelte’, de huidige dorpskern. In dit nieuwe gedeelte verrezen drie hotels; Hotel Caland, Hotel Amerika en Hotel Harwich. Hotel Caland is tijdens de 2e wereldoorlog is afgebroken net als het hele ‘2e Zandwerk’, de wijk achteraan de Prins Hendrikstraat waarin het stond. Hotel Amerika (na de 2e wereldoorlog Hotel America) staat er nog steeds, het heette een aantal jaren Grand Hotel Hoek van Holland, maar heeft nu weer de oorspronkelijke naam Hotel Amerika (met een k). Hotel Harwich stond aan de Rietdijkstraat op nr. 54. Dit hotel was eigendom van de weduwe G. van Hees-Peeters, maar werd vanaf omstreeks 1930 geëxploiteerd door de heer en mevrouw de Wijs. Brand!Op zaterdag 1 oktober 1932 omstreeks 07:30 ontdekten voorbijgangers dat er brand woedde in Hotel Harwich op de eerste etage aan de straatkant. Ze waarschuwden onmiddellijk mevrouw de Wijs, die zojuist haar vier gasten had weggeholpen. Met haar man zocht ze snel een goed heenkomen, want het vuur greep met grote snelheid om zich heen. Het einde van de Rietdijkstraat omstreeks 1930. Rechts Hotel Harwich. Nadat de houten Rooms Katholieke kerk in 1905 was verplaatst waren er in 1923 stenen zijbeuken aan gebouwd waardoor het aantal plaatsen steeg van zo'n 100 naar zo'n 250. Op de plaats waar de kerk stond bevindt zich nu de parkeerplaats tussen de Planciushof en de Jozefschool. Ansichtkaart, collectie Henk van der Lugt.Kort nadat de brand was ontdekt, was de vrijwillige brandweer van Hoek van Holland met haar twee handspuiten ter plaatse. Probleem was echter het verkrijgen van bluswater. De toenmalige drinkwaterleiding had onvoldoende capaciteit omdat het water werd aangevoerd per boot en werd opgeslagen in een buffertank. Daarom was men aangewezen op de sloot bij de Watertoren aan de Langeweg. Een handspuit werd bij de sloot geplaatst en halverwege de slang de tweede spuit. Omdat er weinig water in de sloot stond kwam er slechts een armzalig straaltje water uit de slang terwijl de brandweerlieden op ±1 meter afstand van het brandende hotel moesten staan om enig effect te bereiken.Het nablussen van de brand in hotel Harwich op 1 oktober 1932. Krantenfoto uit de Westlandsche Courant van 12 oktober 1932.Ernstig gevaarOok voor de belendende gebouwen, onder meer de Rooms Katholieke kerk, dreigde ernstig gevaar.Daarom vroeg de commissaris van Hoek van Holland, de heer C.F. Jas, om assistentie van de Rotterdamse brandweer. Advertentie uit de Gids voor de badplaats Hoek van Holland 1925Om half 10 arriveerde de Rotterdamse brandweer met een motorspuit en een manschappenwagen. Om aan voldoende bluswater te komen werd de motorspuit bij de Berghaven geplaatst. Niet minder dan 23 slangen van elk 20 meter werden aan elkaar gekoppeld, een totale lengte dus van 460 meter. Hierdoor kon men gaan blussen met water uit de Berghaven. Veel viel er op dat moment niet meer te redden. Slechts een paar muren stonden nog overeind, waarin het houtwerk nog brandde. De oorzaak van de brand is nooit achterhaald en het hotel is nooit meer herbouwd. Enige jaren later bouwde aannemer P. Spuybroek een pand met zes woningen op de plek waar het hotel stond.Pand met zes woonhuizen op de plek waar ooit Hotel Harwich stond. Foto: Henk van der LugtOpmerkingenHotel Harwich moet niet worden verward met Café Harwich (‘de Aardappel’). Het pand van Café Harwich is in 1930 gebouwd maar het café heette voor de oorlog Het Kruispunt. De Watertoren aan de Langeweg maakte geen deel uit van de drinkwaterleiding maar was van de spoorwegen en diende voor de watervoorziening van de stoomlocomotieven.Bronvermelding: · Diverse kranten· Archief Henk van der Lugt
Lees meer
Streekhistorie: Geschiedenis van het politiebureau in Maassluis maandag 5 februari 2018 09:09

Streekhistorie: Geschiedenis van het politiebureau in Maassluis

Op de plek waar voorheen de sociale dienst van de gemeente Maassluis gehuisvest was, is eind januari 2018 de nieuwe politiepost geopend. Deze post vervangt het bureau aan de Westlandseweg. Hiermee is de politie in Maassluis weer terug waar ze ooit begon: in het stadhuis. Politiebureau links boven aan de Wip. Er bleef maar een smal steegje over om op de Dijk bij het stadhuis te komen. (foto Historische Vereniging Maassluis) Toen Maassluis in 1614 zelfstandig werd, kreeg het een eigen dorpsbestuur van schout en burgemeesters. En ook een eigen politiedienst. De schout was de hoogste ambtenaar in het dorp en hoofd van de politie. De politie in Maassluis zetelde vanaf 1676 in het Raadhuis aan de Hoogstraat, nu Nationaal Sleepvaart Museum. Want het was de zetel van schout en burgemeesters. Er was onder de trap een cel gemaakt om raddraaiers tijdelijk te huisvesten. Dit is nog te zien aan het metselwerk.Het stadhuis aan de Hoogstraat. In 1676 beschikte de schout, tevens hoofd van politie, over een cel onder de trap.Omstreeks 1882 werd het oude stadhuis te klein voor alle diensten en verhuisde de politie naar een pand aan de linkerkant van de Wip, naast het telegraafkantoor. Dat is al lang verdwenen. Ansichtkaart van de Wip. Aan de kant van de Wateringse Sluis stonden tot 1912 het politiebureau en telegraafkantoor. In 1906 huurde de gemeenteraad het leeggekomen postkantoor op de Markt van het Rijk om het als politiebureau in te richten. Wij kennen dit pand als het Patriciërshuis Markt 18, maar oudere Maassluizers zeggen nog steeds ‘het politiebureau aan de Markt’. Bij de overeenkomst werd bepaald dat het Rijk de uitwendige en de gemeente de inwendige restauratie van het verwaarloosde pand zou bekostigen. Gemeentearchitect Brand paste de inrichting aan voor gebruik als politiebureau. Cornelis Poortman, de achterbuurman, maakte in 1908 nog bezwaar tegen de voorgenomen verbouwing tot politiebureau omdat hij waardevermindering van zijn woning verwachtte, evenals overlast vanwege het feit dat de woningen zo dicht bij elkaar gelegen waren. Politiebureau op de Markt.Patriciërshuis, voormalig politiebureau, aan de Markt omstreeks 2000.De bovenverdieping was in gebruik door het gezin van de hoofdcommissaris (dat was J.D. Bloemen in 1920 en H.W. Alberti in 1929). Ook de gemeenteontvanger kreeg in het pand zijn kantoor. Bovendien werd er het kantoor van de Nederlandsche Bell Telefoonmaatschappij in ondergebracht. In voorkomende gevallen gebruikte de patholoog-anatoom de kleine keuken om sectie te verrichten. Onder de trap was een cel ingericht voor arrestanten. In 1950 kocht de gemeente Maassluis het pand voor f 7.000 en het bleef tot 1970 in gebruik bij de politie. Het politiebureau aan de Westlandseweg dateert uit 1970.Het verbouwde politiebureau aan de Westlandseweg omstreeks 2010.In 1971 betrok de politie het nieuwe bureau aan de Westlandseweg. De politie is inmiddels een zelfstandige organisatie en het bureau is dus niet van de gemeente. Door bezuiniging is het politiebureau leeg komen te staan. Nu verhuizen de wijkagenten naar de nieuwe politiepost in het stadhuis, de voormalige balie van de sociale dienst. Zo blijft een bemande politiepost voor Maassluis behouden. En is de politie weer terug in het stadhuis.
Lees meer

Meer Streekhistorie