Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Mijn herinneringen van 10 mei 1940 maandag 24 april 2017 09:09

Streekhistorie: Mijn herinneringen van 10 mei 1940

Op 10 mei 1940 werden we opgeschrikt door het geluid van vliegtuigen. Ik was toen 18 jaar en klom met mijn twee jongere broers de schuur om dit gade te slaan. We konden een aantal Duitse jachtvliegtuigen in de lucht zien, die het gevecht aangingen met enkele Nederlandse vliegtuigen. We hoorden de kogels fluiten. Enkele kogels gingen door de kassen van mijn vader Jan Kouwenhoven heen; hij tuinde aan de Kwaklaan (het huidige nr. 40). Feitelijk hadden we dus veel geluk gehad, want we zochten geen dekking. We zochten juist een hoge plek om dit - in onze ogen - spektakel niet te missen. Later zagen we de kogelgaten in het glas van de kassen zitten. Deze ruiten hebben we niet vervangen, maar nieuwe ruiten er boven gelegd/gekit. De hele oorlog en lang daarna - tot de afbraak van de kassen - werden we herinnerd aan de eerste dag van de oorlog door deze kogelgaten in het glas en aan welk gevaar we hadden blootgestaan. Ik was wel gekeurd voor de dienstplicht, maar nog niet opgeroepen. In de opwelling van het moment had ik wel de behoefte om mee te vechten. Een uur later zagen we de Duitse vrachtvliegtuigen rond Ypenburg vliegen en parachutisten er uit springen en hoorden we ook dat zij schietend landden. Mijn vriend Arie Hendriks - ook 18 jaar en wonend op het Oosteinde - was bij ons langsgekomen. Toen zagen en hoorden we een groot Duits transportvliegtuig boven de Wateringveldse polder (ten zuiden van de Kwak, richting Den Hoorn) laag aan de horizon vliegen. We pakten snel onze fietsen en reden binnendoor naar de Middenweg (links van de Dorpskade). Daar zagen we het Duitse vliegtuig in de polder staan ‘bij de vuile vaatdoek’ (een van de laagste delen van de polder richting Zweth/Rijner Watering. We zagen uit het vliegtuig een motor met zijspan komen en zeker wel 12 Duitse soldaten. Deze soldaten dwaalden een beetje door de polder en gingen naar ‘het bosje’ in de polder (verder richting Zweth).Toen ze daar waren aangekomen, kwam er een Nederlands jachtvliegtuig - een tweedekker - overvliegen. Na een snelle mitrailleuropstelling van de Duitsers werd dit vliegtuigje zwaar geraakt. De Nederlandse piloot zette het beschadigde vliegtuigje toch nog aan de grond rechts van de Dorpskade. Wij vonden het interessanter om daar te kijken dan de Duitsers in de gaten te houden. Bij het vliegtuigje aangekomen stond de piloot naast het vliegtuig. Hij liet ons - en enkele andere nieuwsgierige Wateringers - zien wat een geluk hij had gehad. De kogels van de Duitsers waren door de benzinetank en tussen zijn benen door gevlogen. Het vliegtuig was niet in brand gevlogen. Arie Hendriks en Aad Kouwenhoven, fotograaf Atelier Lommers, Prinsegracht, Den Haag, ca. 1939 Na een korte tijd kwam er een truck met Nederlandse soldaten. De officier vroeg waar de Duitsers waren, waarop wij verteld hadden dat deze bij ‘het bosje’ zaten. De officier vroeg aan de aanwezige soldaten wie van de manschappen een mitrailleur kon bedienen. Het beschamende antwoord was: ‘wij zijn slechts keukenpersoneel’. Hierop is de truck met soldaten rechtsomkeert gegaan. De sensatie van de eerste uren van de oorlog hadden we meegemaakt en Arie en ik keerden op onze fiets terug naar de Kwak.Later hoorden we dat andere Nederlandse soldaten de gelande Duitsers toch hadden opgepakt (zie ook het boek 10 mei - 15 mei in en om Wateringen, blz. 39 t/m 46 met foto’s van de neergestorte Nederlandse tweedekker; dit was een ander vliegtuig, want de Nederlandse piloot had het vliegtuig netjes aan de grond gezet). Als trofee hadden ze de motor met zijspan - welke wij uit het vliegtuig hadden zien komen - meegenomen en wij zagen de Nederlandse militairen in de Herenstraat hierop crossen. Deze militairen waren gelegerd in de Bond (de huidige locatie van de Kringloopwinkel in de Herenstraat).Feitelijk waren wij ons op deze eerste oorlogsdag van geen gevaar bewust om zo maar de Middenweg te rijden. Later besef je pas, dat de Duitsers ook op ons hadden kunnen schieten, want het vliegtuig was slechts enkele honderden meters van de Middenweg geland. We konden alles namelijk heel goed waarnemen.Auteur: Aad Kouwenhoven van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Varen in het Westland maandag 17 april 2017 09:09

Streekhistorie: Varen in het Westland

De maand april vormt de start van het nieuwe vaarseizoen. In het Westland is vorig jaar fors geïnvesteerd in de ‘bevaarwijzering’, dus watersporters kunnen nu nóg makkelijker de mooiste plekjes van het Westland ontdekken. Of het nu om kano’s, motorschepen of waterfietsen gaat; het betreft in deze dagen alleen nog maar recreatievaart. Hoe anders was dat tot halverwege vorige eeuw. Het is nu nauwelijks voor te stellen, maar het transport in het Westland verliep tot 60 jaar terug hoofdzakelijk over het water. De wegen waren smal en slecht en veel tuindersbedrijven waren niet eens per openbare weg bereikbaar. Het betekende dat schepen essentieel waren voor de economische ontwikkeling in het Westland. In de 19e eeuw werd dit vooral door beroepsschippers op zogenoemde ‘westlanders’ gedaan, maar met de schaalvergroting in de tuinbouw gingen ook tuinders steeds meer hun eigen vervoer regelen, per tuindersschuit. Diverse veilingen die rond 1900 opgericht werden, kenden een klok waarbij de schuit dóór de veilingzaal werd gevaren.De toename van het aantal schuiten zorgde voor extra vraag, en daardoor ontstonden kansen voor scheepsmakers en scheeps-onderhoudsbedrijven. Het Westland kende al een aantal oude werven uit de 18e eeuw, maar medio 19e eeuw was er een groei van het aantal zichtbaar, en bestaande werven groeiden fors. Dat liep ten einde in de crisisjaren (1930-1937). En later, met de groei van het wegtransport is deze sector feitelijk ten einde gekomen. Slechts 2 van de ongeveer 15 Westlandse scheepswerven hebben zich staande gehouden: de gebroeders Bol in Monster (deze werf staat nu overigens te koop) en Van Zeijl in Honselersdijk.In dit artikel trachten we een historisch beeld te geven van de scheepvaart in de voorbije anderhalve eeuw. Het is zeker nog geen volledig verhaal en veel van de inhoud is geleend van andere schrijvers. Bedoeling is vooral om een overzicht te geven van dit historische stukje Westland. Mochten er mensen zijn die aanvullende informatie hebben, dan vernemen we dat graag (mail naar info@hvnh.nl). Ook oude foto’s van schepen en scheepswerven zijn van harte welkom.De westlanderEind 19e eeuw deed de westlander zijn intrede op de waterwegen, min of meer als opvolger van de ‘bok’. De westlander kwam voor in een groot deel van Zuid-Holland en het zuidelijk deel van Noord-Holland. Dit scheepstype is omstreeks 1880 ontstaan bij de opkomst van de Westlandse glastuinbouw. Westlanders werden veel gebruikt voor het vervoer van tuinbouwproducten, kolen, mest en zand. Men kon ze ook aantreffen bij de Harwich-boot in Hoek van Holland. Daar werd de lading overgegeven. Veel Westlandse producten werden via Hoek van Holland naar Engeland verscheept, waar door de industriële revolutie grote vraag was naar vroege aardappelen en bessen. Maar ladingen bestonden ook uit bouwmaterialen, turf en pulp van de suikerfabrieken (voor de veehouderij). foto: Westlander, collectie Westlands MuseumAanvankelijk werd de westlander van hout gebouwd. Vanaf de jaren tachtig (19e eeuw) gebeurde dat ook in ijzer en staal. Het was evenals de bok een lang, smal, laag schip met een platte bodem. Opvallend waren de flauw gebogen, sterk vallende stevens, met aan de boeg aan weerszijde van de voorsteven ‘wangen’. Dat gaf aan dit schip zijn karakteristieke uiterlijk. De westlander werd in verschillende maten gebouwd. Hij kon een lengte hebben van ca. 12 tot 18 meter en een inhoud tussen 12 en 30 ton. Het meest kwamen schepen van zo’n 17 ton voor. De grootste maat was te groot om er in het Westland goed mee te kunnen varen. Ze werden dan ook ingezet bij de vaart op ‘het Overmaas’ (de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden), West-Brabant, Noord-Limburg, enz.De westlander had geen gangboorden. De luiken rustten op ‘steekleren’, dat zijn planken die aan de zijkanten van het ruim recht overeind werden gezet. Als er met dunne mest gevaren werd en er kans was dat die bij overhellen van het schip naar buiten zou lopen, werden de luiken met zes stevige, langsscheepse ‘spalklatten’ vastgezet. Zo bleef de kostbare lading in de boot. De schepen waren op de achterplecht voorzien van een roefje, waarin meestal een kacheltje of fornuisje stond. Er was aan alle zijden een bank gemaakt. Ook was er een kooi ingebouwd waarin een of twee personen konden slapen. In het vooronder was een bergruimte voor zeilen, touwen en verf en meestal ook een kooi. Tot de uitrusting van de westlander hoorde vaak een watervaatje.De westlander was voorzien van een grootzeil en een fok. Bij windstil weer kon een westlander geweegd worden. Daartoe waren in de voor- en achterplecht weeggaten aangebracht. Een enkele maal werd de boot ook wel geroeid. De schipper van de westlander kon het roer bedienen vanuit de roef, of vanuit het stuurgat. Dat was een luik achter de roef, waardoor de schipper wat lager kon staan. En wat meer beschut tegen het weer. foto: zeilende westlander bij scheepswerf Van der Plas, hoek Gantel – Hollewatering, collectie Westlands Museum De Westlandse westlanders kwamen van een aantal verschillende werven en werfjes, maar werden soms ook wel van ver ingekocht, onder andere in Friesland. Bijna elke plaats had wel een scheepsmaker, waar boten gebouwd of hersteld werden. De belangrijkste werven in het Westland en omgeving waren Van Waveren uit Monster, Van der Plas in Kwintsheul, Van Straten in Loosduinen en Van der Aar in diezelfde plaats. Buiten het Westland waren bekende werven: Boot te Leiderdorp en Van Beveren in Zoeterwoude. Zelden werd een tekening gebruikt bij de bouw van de schepen. Meestal werd de westlander in een schuur gebouwd, die dan als levensgrote ‘mal’ werd gebruikt. Men zei dan ook dat als bij de scheepsmaker de schuur verzakt was, hij een scheve boot afleverde!In het begin van de jaren 20 (20e eeuw) werden een flink aantal westlanders gemotoriseerd. De Westlandse schippers hoorden tot de eersten die motors inbouwden. De stoommachine was niet geschikt voor dit type boot en kwam er dan ook niet in voor. De machine en de kolen zouden veel te veel laadruimte in beslag nemen. Een enkel schip werd met een van de eerste typen verbrandingsmotoren uitgerust. Maar de echte doorbraak kwam met de gloeikopmotor, die aanmerkelijk minder groot was. Deze motor werkte volgens het principe van de latere dieselmotor. Maar bij dit systeem was de compressie nog niet groot genoeg om de dieselolie te laten ontbranden. Daarom moest eerst een kop die op de cilinder zat, heet gestookt worden met een brander (vandaar de naam gloeikopmotor). Was die kop heet genoeg, dan kon de motor gestart worden. Bij veel westlanders werd een dergelijke motor ingebouwd. In de jaren dertig kwam de dieselmotor sterk op. Veel gloeikopmotoren werden toen omgebouwd tot dieselmotor. Dat was een vrij simpele ingreep.foto: Westlanders en tuindersschuiten bij veiling Westerlee, collectie Westlands Museum Het plaatsen van een motor in een westlander (zeilschip) was geen kleinigheid. Het betekende niet alleen dat het roefje van achter naar voor op het schip verhuisde om voor de motor plaats te maken. Vaak kreeg het schip een heel andere achtersteven omdat een zeilboot nu eenmaal niet voor schroefaandrijving gebouwd is. Veel schippers lieten dan ook (ijzeren) motorschepen bouwen: de Westlandse motorschuiten en ‘scherpstevens’. De overgang naar dit soort schepen ging snel; in de jaren dertig waren er nog maar enkele zeilende westlanders te vinden. Doordat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw het vervoer van de tuinbouwproducten steeds meer over de weg plaatsvond kreeg de kleine scheepsbouw het moeilijk en volgden er vele bedrijfssluitingen. Enkele blijvers richten hun activiteiten toen op de stalen kassenbouw en de bouw van kleine stalen bruggen om te overleven. In de jaren negentig kwam er langzaam maar zeker een herwaardering voor het traditionele typisch streekgebonden vrachtschip. Vele niet meer in gebruik zijnde Westlanders werden als het ware herontdekt en door enthousiaste nieuwe eigenaren van de ondergang gered en compleet gerestaureerd om weer in volle glorie in bedrijf te worden gesteld. Fraaie voorbeelden zijn te zien tijdens het Westlands bloemencorso waar vele oudgedienden fraai versierd met Westlandse producten de toon aangeven. VergunningstelselElke eigenaar van een schuit moest vergunning van Delfland hebben om zijn wateren te mogen bevaren. Bij het Hoogheemraadschap bracht dit geld in het laatje, dat onder meer gebruikt werd voor het onderhoud van zijn bezittingen. Uit het archief van Delfland blijkt dat niet iedere schipper mocht varen waar hij maar wilde. Er stond omstreeks 1900 keurig in de vergunning vermeld voor welke wateren de papieren geldig waren. Bij de intrede van de motorschuit werden nog meer regels en bepalingen van kracht. Mede ter bescherming van de oevers mocht niet in elk water met een draaiende motor gevaren worden. Zo mocht er in de ‘grote’ Gantel tussen ’s-Gravenzande en Kwintsheul overal gedraaid worden. Aangekomen bij de scheepswerf van Pieter van de Plas, aan het eind van de Gantel bij Kwintsheul, was het toegestaan rechtsaf de Holle- en Langewatering en verder enerzijds richting Delft en anderzijds richting Vlaardingen te ‘stomen’. Daarentegen was elke schipper verplicht zijn ‘kar’ uit te schakelen indien hij aan het eind van genoemde Gantel linksaf de Hollewatering in wilde gaan richting Blauwebrug, Wennetjessloot en eventueel Loosduinen. Ook in de zogenoemde ‘kromme’ Gantel, het verlengde van de ‘grote’ Gantel, was draaien taboe. Zo waren er meer (vooral smalle) wateren waar uitsluitend geschoven en/of geboomd mocht worden. Bij geconstateerd misbruik kon een schipper rekenen op een forse boete. Schippers van kleinere vaartuigen gokten het wel eens om in ‘verboden’ wateren te draaien, maar meestal hield men zich aan de regels. Om alles controleerbaar te houden was elke motorschipper verplicht het hen toegewezen Delflandnummer (DL ‘cijfer’) zichtbaar te bevestigen. Het bordje met dat nummer was het bewijs dat men gerechtigd was met een bepaalde schuit te varen. Alles betreffende de (motor)schuit stond verder keurig vermeld in een rapport van de Scheepsmetingsdienst in Rotterdam. Op de website van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk kunt u dit artikel terugvinden, aangevuld met een beschrijving van de vele scheepswerven die het Westland in het verleden gehad heeft: http://hvnh.nl/artikelen/scheepswerven-in-het-westlandAuteur: Gustaaf van Gaalen van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Herinneringen aan de internationale trein maandag 10 april 2017 13:01

Streekhistorie: Herinneringen aan de internationale trein

Sinds zaterdag 1 april is het stil op het spoor en de perrons van Hoek van Holland. Dat was vroeger wel anders, met de internationale treinen.  Onderstaand is een dag beschreven op het station Hoek van Holland ergens rond 1978. Daar zaten ze dan in het kamertje bij de achterste perrons van het Hoekse station. Een paar rangeerders, een storingsmonteur en een machinist.    Met een sigaretje in de mond zaten ze aan een oude tafel te wachten tot de internationale treinen binnenkwamen. In de ruimte ernaast, een zelfde tafereel. In spanning keken een paar mannen naar buiten. Het verschil met de wachtruimte van de rangeerders was de geur. Het rook hier niet naar olie en smeer maar naar schoonmaakmiddelen. In de hoeken van de ruimte stonden dweilen en emmers, buiten was een wasbak. Om een uur of half elf in de morgen was het zover. De internationale treinen kwamen binnen. Hoek van Holland Haven is bij het stationsgebouw een kopstation. Dat wil zeggen dat treinen kop moeten maken. Een normaal treinstel heeft een cabine aan de voorkant en achterkant. Gaat de trein terug dan loopt de machinist gewoon naar een andere cabine aan de achterkant van de trein. Zo niet de internationale treinen. Het einde van de rails wordt gemarkeerd door een stootblok, je kan niet verder. De locomotief moest naar de achterkant van de trein verplaatst worden. Dat noemde men kop maken. De internationale treinen werden allemaal getrokken door een elektrische locomotief. Op het moment dat de trein tot stilstand kwam hadden de rangeerders, de storingsmonteur en de machinist al hun posities ingenomen. De mannen uit het lokaal met de schoonmaakgeur stonden ook reeds met emmers en sop klaar om hun werk te beginnen. Op het spoor wat het dichtst bij de Stoomvaart Maatschappij Zeeland lag, zo heette de Stena toen nog, stond een kleine diesel elektrische locomotief te pruttelen. Dit locje kon niet zo hard, maar was behoorlijk betrouwbaar en sterk. De machinist hing vaak uit zijn zijraampje en kon zo de voor en achterkant overzien. De bijnaam van dit locje was de sik. De machinist zat op de bok op de sik... Pruttelend reed het ding naar het eind van het perron over een aanzienlijk aantal wissels en positioneerde zich aan de achterkant van de binnengekomen internationale trein. Op het station was het inmiddels een georganiseerde chaos. Mannen met witte jassen en houten karren baanden zich een weg tussen de reizigers. Het waren de zogenaamde kruiers die voor een behoorlijk bedrag de koffers van de passagiers op de kar zetten en met de koffers naar de terminal van de boot reden. Op het perron reed ook nog een elektrisch karretje van het merk Spijkstaal. De stations-assistent was te herkennen aan zijn spoorwegpet en zijn blauwe stofjas. Hij spoedde zich zo snel mogelijk naar de postwagon om de post te verzamelen. Het was een drukte van belang, alles reed of liep dwars door elkaar heen. De boot lag klaar om naar Harwich te varen en iedereen probeerde zo snel mogelijk naar de terminal te gaan. Ondertussen kwam de volgende internationale trein binnen. De drukte nam zienderogen toe. Het waren treinen uit Denemarken, Duitsland, Polen en Moskou, Zwitserland of Oostenrijk. Ze hadden dus al een aardig tripje onder de wielen. Elk rijtuig had zijn eigen logo op de zijkant. Het logo gaf aan bij welke spoorwegmaatschappij de rijtuigen hoorden. Met de ogen dicht was het mogelijk om rijtuigen te herkennen. De geur gaf aan waar ze vandaan kwamen. Duits rook anders dan Pools, Russisch was makkelijk te herkennen. En het waren niet allemaal aangename geuren. Was je in het rijtuig dan raakte je er wel aan gewend. Ondertussen koppelde het locje aan het eind van de trein aan. Dus bij het laatste rijtuig. De rangeerders sprongen na het koppelen op de trein en alle schoonmakers verdwenen met hun emmertje en bezems achter de klapdeurtjes van de rijtuigen. De komende 2 uur kwamen ze er niet meer uit. Met een zachte ruk begon het sikje vaart te maken en kwam de boel in beweging. De sik pruttelde naar de polder. De polder was het emplacement van Hoek van Holland. Op dat emplacement woonden toen ook de eerste Turkse gastarbeiders, in twee oude wagon-lits rijtuigen. Een allang vergeten situatie. op de achtergrond het rijtuig voor gastarbeiders in de Hoek In de polder begon de puzzel met de rijtuigen van de internationale trein. Ze moesten weer op volgorde worden gezet met de locomotief aan de andere kant. Dat heuvelen, zo werd dat genoemd, was heel apart. De locomotief duwde een ruituig op en liet het rijtuig door flink te remmen zijn eigen weg zoeken. Dan kwam het zachtjes tegen een ander rijtuig tot stilstand. Zo werd de hele trein behandeld en stond alles weer in de goede volgorde. De schoonmakers waren dan nog druk met het inwendige van de rijtuigen bezig. Het kwam weleens voor dat een botsing te hard was en een schoonmaker met zijn dweil in een keer van achter in de gang naar voren vloog. Wanneer de boel op volgorde stond was het tijd om het uitwendige van de trein schoon te maken. Aan het eind van de polder vlakbij het huidige DSM was een spoor waar een wasstraat stond. Het leek veel op een wasstraat voor auto's alleen nu met rails er tussen. De trein kon daar met een slakkengangetje doorheen rijden. Eerst werden er waterstralen op de zijkant van de trein gespoten en daarna gingen een aantal borstels met donderend geraas langs de trein. De rijtuigen blonken dan weer als nieuw. Wanneer de hele trein door de wasstraat was gegaan werd alles weer opgeduwd naar het perron. Echter er was een moeilijkheid. De sik zat nu achter en de machinist kon met geen mogelijkheid zien of hij met de eerste wagon al bij het stootblok was. Daar had hij de rangeerder voor die in het voorste rijtuig zat en een sein naar de machinist gaf wanneer deze moest remmen. Stond de trein eenmaal stil dan werd het rangeerlocomotiefje afgekoppeld en kon hij met de volgende trein beginnen. De storingsmonteur spoedde zich dan naar de elektrische locomotief en maakte hem vertrek gereed. 1129 locomotief met Duitse rijtuigen waaronder in Rheingold kleuren 1979 Op het perron was het nog steeds druk. De restauratiewagen moest bijvoorbeeld bevoorraad worden met verse etenswaar en kolen maar ook met grote blokken ijs. Immers men had nog echte ijskasten aan boord. De ijsblokken werden met het Spijkstaal perronkarretje aangevoerd. De blokken waren een meter lang en een centimeter of 20 hoog en breed. Ze werden via het raam naar binnen gebracht. Die restauratie wagons konden ook nog eens behoorlijk roken. De kolenwalm hing over het hele perron. Van luchtverontreiniging had met nog nooit gehoord. Ach ondertussen lag de Prinses Beatrix ook behoorlijk te roken. Van wal stroom had men ook nog nooit gehoord. Er hing dus vaak een penetrante lucht over het Hoekse station. Ondertussen werden door mannen van het schoonmaakbedrijf 'de Cemsto', de rijtuigen met water gevuld voor de toiletten. Een riskant werkje want de wateraansluitingen zaten in putten tussen de sporen. Daar moest een zware slang aan worden gekoppeld die dan weer aan de onderkant van het rijtuig werd vastgemaakt. Aan de zijkant van het rijtuig zat onderop een rond kijkglaasje waar je het waterniveau kon controleren. En zo moesten alle rijtuigen worden gevuld met water terwijl af en toe een trein langs je heen reed. De schoonmakers hadden een arbeidsintensieve baan. Alle ramen van de rijtuigen werden gezeemd en gewassen aan de binnenkant, ook de tussendeuren. Ondertussen werden alle vuilbakken geleegd in grote vuilniszakken. Onder de banken lag ook een behoorlijke zooi. Zo kon het gebeuren dat een schoonmaker een keer tijdens het pijpen, zo heette het schoonvegen onder de banken, een yoghurt beker vond ,die al vier dagen onder de bank had gelegen. De spanning stond er al op. Toen de schoonmaker het ding onbewust onder de bank vandaan veegde klapte het blikje open precies onder zijn gezicht. De lucht was niet te harden. Maar gelachen werd er wel. Het was een wereldje op zichzelf op het grote Hoekse station. Toch was er ook iets vreemds. Er kwam ook een trein binnen uit Warschau. Aan die trein zat een Russisch rijtuig gekoppeld. De Russen in het rijtuig waren vaak van ambassades afkomstig en gingen met de trein en boot van Moskou naar Londen. Het Russische rijtuig was altijd hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Sterker nog je kon er niet eens in kijken door de gordijntjes voor de ramen. Er was nog sprake van de Koude Oorlog. De Russische rijtuigen hadden hun eigen bemanning. De bemanning was conducteur, barman en schoonmaker tegelijk. In hun vrije uren gingen ze soms met de stoptrein naar Rotterdam om inkopen te doen. De Russen vielen in de stoptrein naar Rotterdam wel op door hun taal. De Russische rijtuigen waren makkelijk te herkennen aan de ribbels aan de zijkant. Het leek ook of de verhoudingen van deze rijtuigen anders waren. In Rusland rijdt men op breedspoor en in Europa hebben we normaal spoor dat is wat smaller, aan de Russische grens werden de wagons op bredere wielstellen gezet.Het Russische rijtuig Het Russische rijtuig tussen andere rijtuigen Aan het begin van de middag waren alle internationale treinen weer in de juiste volgorde gezet. Klaar voor vertrek. De controle van de treinen werd door de perronopzichter gedaan. Hij controleerde of de treinen schoon waren en of alle nummers en reserveringen klopten. Wanneer de trein werd vrijgegeven kon hij vertrekken.   Er vonden ook autotransporten plaats. Hier een Mini autotransport en toekijkende kruier 1979 Peter Lammers was stationsassistent bij de NS in de zomervakantie van 1980 als vakantiewerker, en maakte tevens internationale treinen schoon voor de Cemsto in de zomervakantie van 1979.   Auteur: Peter Lammers, hij schreef deze bijdrage namens het Historisch Genootschap Hoek van Holland
Lees meer
Streekhistorie: Het laatste postkantoor maandag 3 april 2017 09:09

Streekhistorie: Het laatste postkantoor

In februari 2017 is het voormalige postkantoor aan de Koningshoek in Maassluis gesloopt. Het was al enige jaren buiten gebruik, want zelfstandige (hoofd)postkantoren zijn niet meer rendabel voor PostNL. Het teruglopen van het aantal handelingen dat alleen aan de balie verricht kan worden is daar wellicht de oorzaak van. We zijn nu aangewezen op enkele zogenaamde ‘servicepunten’ die nog postzegels verkopen. Een overzicht van de postgeschiedenis van Maassluis. De postkoets van MaassluisIn 1665 had Jacob Quack, postmeester van Rotterdam, een postdienst tussen de Maasmond en Rotterdam. Met een bootje zeilde hij naar de diverse voor anker liggende schepen in de Maasmond, die op gunstig tij wachtten om over de zandbanken naar Rotterdam te kunnen varen. Quack nam de documenten van de lading mee en bracht die naar het posthuis in de Oranjepolder. Een postiljon vertrok dan met de papieren over de oude Maasdijk via Maassluis, Vlaardingen en Schiedam naar Rotterdam. Op de Rotterdamse beurs overhandigde hij de papieren aan de eigenaren van de schepen die de lading alvast konden verhandelen. In de 18e eeuw maakte ook de postkoets gebruik van deze verbinding via de oude Maasdijk naar Rotterdam. De postdienst had in Maassluis een halte bij herberg ‘Orangien Boom’, later café ‘De Zon’ op de Noorddijk bij de Wedde. Daar wisselde de postkoets de paarden. Inwoners van Maassluis konden hier hun post meegeven en afhalen. Ze konden ook zelf op de koets stappen voor een rit naar Rotterdam.De eerste postkantorenOmstreeks 1850 was er een postkantoor op de Markt nr. 11. Het was nogal primitief, want er was één ‘loket’ aan de straat. Hier kon men brieven afgeven ter verzending en postzegels kopen. In 1851 was de eerste postzegel in Nederland uitgegeven, dat was een nieuwe manier om voor brievenpost te betalen. In 1867 werd er een telegraafkantoor gevestigd in een pand aan de Wip. Dat heette toen nog Oude Kerkstraat. Het telegraafkantoor lag tegenover het Zeemanshuis. Postkantoor en telegraafkantoor waren toen nog gescheiden. In 1881 werden postkantoor en telegraafkantoor in Maassluis samengevoegd en gevestigd in het Patriciërshuis op de Markt nr. 18. Het voorname huis uit 1753 was door het Rijk gekocht voor 5.000 gulden. De postdienst groeide en er kwamen steeds meer ‘postbestellers’. Wie weet nog dat er tweemaal per dag post werd rondgebracht? Voor die fietsen was stallingsruimte nodig en ook voor het postsorteren was ruimte nodig. Het ‘Hooge Huys’ aan de Noordvliet nr. 39 was zeer geschikt. Na verbouwing opende daar op 17 december 1907 het nieuwe postkantoor. Het postkantoor Veerstraat 13. In 1915 was inmiddels ook de telefoondienst bij de postdienst gevoegd. Een telefooncentrale en verschillende telefonistes vonden een plaats in het nieuwe postkantoor dat een achteruitgang had aan de Lange Boonestraat. In de ‘Passage’ tegenover de huidige supermarkt ligt nu nog altijd de zware fundering van de telefooncentrale. Bellen kon alleen wanneer er telefonistes aan het werk waren en op zondag was er dus maar zeer beperkt telefoonverkeer mogelijk in Maassluis. In 1918 werd de postgiro opgericht en ook deze ging onderdeel uitmaken van de postdienst, de PTT. Telefoneren was een plechtige gebeurtenisTot 1962 bleef het postkantoor aan de Noordvliet gevestigd. Een bezoek aan de wachtruimte en de loketten was vaak een plechtige bezigheid. Voor een telefoongesprek naar het buitenland deed je een aanvraag bij de telefoondienst. De telefoniste ging aan de slag en het kon zomaar enkele uren duren voor ze een telefoniste in een ver land had gevonden die de gevraagde verbinding tot stand kon brengen. Geld overmaken of een cheque innen was een hele papierwinkel voor de ernstige loketbediende. De rente op een spaarbankboekje laten uitrekenen en bijschrijven was voor menig kind een jaarlijkse gedenkwaardige gebeurtenis. En herinnert u zich nog de gluton voor de postzegels, voordat ze een eigen lijmlaagje kregen? Het postkantoor Noordvliet 39. Aan de pui zijn de postzegelautomaten te zien.   Door zowel de uitbreiding van de dienstverlening als door de bevolkingstoename in Maassluis werden er meerdere hulppostkantoren en hulptelegraaf- en -telefoonkantoren geopend. Die waren te vinden in de Generaal de Wetstraat op het Hoofd, in de Nieuwstraat en een postagentschap in de Reigerstraat. In 1962 verhuisde het hoofdpostkantoor naar de Veerstraat nr. 13. Het laatste postkantoorMet de bouw van winkelcentrum Koningshoek werd besloten om daar een nieuw postkantoor te bouwen. In 1972 was het postkantoor met het aangrenzende postsorteercentrum in de Koningshoek gereed. Er was ruim voldoende parkeergelegenheid voor de fietsen, maar ook voor de auto’s en bestelbussen waarmee de post inmiddels vervoerd werd.   Het postkantoor Koningshoek. Daarna begon het aantal diensten dat een postkantoor moest leveren terug te lopen. Het bankwezen nam de postgiro over, de telefoon was volautomatisch en de telegraaf was een verouderd medium. Automatisering van de overblijvende diensten deed de rest. Tegenwoordig kan iedereen de meeste zaken zelf regelen via het ‘wereld wijde web’ en hebben we de loketdiensten niet meer nodig. In 2011 sloot het hoofdpostkantoor in de Koningshoek. Het gebouw bleef leeg achter zonder herbestemming. In februari 2017 is het gebouw als onderdeel van de renovaties van de Koningshoek ‘neergehaald’. Het niet erg plechtige einde van een belangrijk instituut.   Auteur: Dick van Wassenaar van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Boerderij Westgaag 100 maandag 27 maart 2017 09:09

Streekhistorie: Boerderij Westgaag 100

‘Eeuwenoude boerderij wordt met sloop bedreigd! Het voortbestaan van de boerderij aan de Westgaag 100 in Maasland wordt bedreigd!’ Deze kop stond zo’n twintig jaar geleden in een aantal regionale kranten en zorgde voor bekendheid en commotie rond de historische boerderij. In 1994 werd bekend dat de boerderij verkocht zou gaan worden, zonder het bijbehorende land. De consequentie daarvan was dat bij verkoop de agrarische bestemming zou veranderen en er van een boerenbedrijf geen sprake meer zou zijn. Sloop van de woning lag op de loer en de Historische Vereniging Maasland sprong in de bres om de boerderij te redden. In deze periode bestonden er tevens plannen om de Oude Campspolder tot tuinbouwgebied te maken en zoals we nu kunnen zien is inmiddels al het land volgebouwd met moderne kassen en bedrijven die aan de tuinbouw verwant zijn. Het boerenland verdween! De Historische Vereniging Maasland was van mening dat de oudheidkundige en landschappelijke waarden zo groot waren dat er van alles gedaan moest worden om deze boerderij als rijksmonument te beschermen. De boerderij had die status reeds eerder verworven, maar in 1974 werd vanwege bezwaar van de toenmalige eigenaar de bescherming opgeheven. De oude boerderij stond een goede economische bedrijfsvoering in de weg; het was de bedoeling om er een nieuw boerenbedrijf te vestigen. Dit is er echter nooit van gekomen en in 1994 besloot de familie Moerman de boerderij te verkopen. Ook de plannen voor het nieuw in te richten tuinbouwgebied waren inmiddels ver gevorderd! De nieuwe eigenaar J. Doelman was op de hoogte van de aanvraag tot rijksmonument en was blij dat, hoewel het bijna een jaar duurde, de aanvraag gehonoreerd werd en het pand gerestaureerd kon worden in de oorspronkelijke stijl, nu als woonboerderij. Wat is er nu zo bijzonder aan deze boerderij? De L-vormige boerderij stamt al uit de Middeleeuwen. Het water langs de Westgaag, ook wel Spartelvaart genoemd, is een restant van een oude kreek van vóór de ontginning van het gebied. In de Middeleeuwen is door het aanleggen van dijken en het graven van sloten het typische landschap ontstaan, zoals we nu nog zien in de polders van Midden-Delfland. De boerderijen werden in die tijd gebouwd op een terpje, zo ook Westgaag 100. Het oudste deel is de opkamer. Hierin bevinden zich nog moerbinten met kinderbintjes. Onder twee moerbinten zijn sleutelstukken met profiel aanwezig die dateren van omstreeks 1600. In het kaartboek dat Jan Potter in 1570 voor de Duitsche Orde maakte wordt deze boerderij afgebeeld. Ook weten we uit diverse archiefstukken dat er land door de bewoners gepacht werd van bijvoorbeeld: ‘De Heilige Geest te Delft’. Dirck Simonsz., bewoner in 1555, betaalde zijn pacht niet alleen in geld, maar ook in natura. Zo rekende hij een deel af in hoenders, maar ook een vaatje boter of hammen waren zijn gebruikelijke betalingen. De woning heeft gedurende de eeuwen diverse veranderingen ondergaan. Zo werd de boerderij, oorspronkelijk bestemd voor gemengd bedrijf, steeds meer een zuivelbedrijf. We zien op de foto uit 1925 nog een karnmolen en een melkhuisje, waarin de melkbussen een tijdje gekoeld bewaard konden staan. Op het pad werden de melkbussen klaargezet om opgehaald te worden door de melkrijder. In die tijd woonde er de familie Moerman. Deze familie heeft hier enige generaties geboerd. Gelukkig is de boerderij bewaard gebleven en daarmee het historische beeld van dat deel van de Westgaag. Boerderij Westgaag 100 (foto: Henk Groenendaal 2005) Auteur: Martin ’t Hart van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Het verhaal achter het Monsterse oorlogsmonument. maandag 20 maart 2017 09:09

Streekhistorie: Het verhaal achter het Monsterse oorlogsmonument.

‘Vlaggend Westland vierde een vrolijk Koninginnefeest. In Monster werd een bevrijdingsbeeld onthuld. Een vrolijk, vlaggend Westland heeft maandag een gezellig Oranjefeest gevierd. De verscheidene Oranjecomités hadden zich beijverd, vooral de Westlandse kinderen deze dag aan hun trekken te doen komen. En dat is hen wel gelukt ook. In de morgenuren aubades, waarbij muziekverenigingen voor een vrolijke noot zorgden, ’s middags wedstrijden, kinderspelen, filmvoorstellingen, optochten enz. Vaak kwam de zon eens om een hoekje van een wolk kijken. Dan kreeg het Westland een extra vrolijk tintje’. Uit: De Westlander van vrijdag 5 mei 1961.InleidingIn de eerste maanden na de bevrijding werden overal in Nederland initiatieven ontwikkeld om de gevallenen in de strijd tegen de Duitse bezetter blijvend te herdenken. Talloze gedenkstenen, kruisen en beelden werden in 1945 en 1946 daarvoor opgericht. Ook in Monster was dit het geval. Toch zou het maar liefst zestien jaar duren voordat Monster een oorlogsmonument van allure kreeg. Maar in 1961 was het eindelijk zo ver. De jaarlijkse aubade van de schooljeugd op het Burg. Woutersplein ter gelegenheid van Koninginnedag moest toen even wachten op de onthulling van het oorlogsmonument. Twee gedenkstenenRuim anderhalve maand na de bevrijding circuleerden in Monster de eerste plannen om een gedenkteken op te richten voor de korpschef van politie M. van Bemmel sr. Hij was op 2 juli 1942 vanwege verzetsactiviteiten op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Maar voorlopig kwam het er niet van. De beëindiging van de oorlogshandelingen was nog te kort geleden. Voor het oprichten van oorlogsmonumenten was het nog te vroeg. Herdenken gebeurde wel. Op 8 augustus 1945 belegden oud-verzetsstrijders een propagandabijeenkomst om te komen tot een Monsterse afdeling van de Bond van Oud-Illegalen. Staande herdachten de aanwezigen wijlen Van Bemmel sr. en luisterden zij naar een gedicht. Een maand, later tijdens de Bevrijdingsfeesten van 5, 6 en 7 september 1945, werd er wel plaats ingeruimd om stil te staan bij de slachtoffers van het Duitse oorlogsgeweld. Zo hield de Monsterse korfbalvereniging De Zeemeeuwen voorafgaande aan de wedstrijd met de Haagse IJsvogels een minuut stilte. Zij herdachten hierbij hun korfballid M. van Bemmel jr. Hij was evenals zijn vader actief geweest in het verzet en in het concentratiekamp Dachau ‘door de overweldigers vermoord’. Inmiddels was er een ‘Comité herdenking van de nagedachtenis van M. van Bemmel’ opgericht. De gemeente Monster gaf toestemming tot het houden van een collecte. Op 13 juli 1945 stond de teller al op 9.915,20 gulden. Het idee was om twee gedenkstenen te plaatsen aan weerszijden van de ingang van het politiebureau. Waarnemend burgemeester A.J. van Rest had wel zijn bedenkingen: ‘Daargelaten de vraag of het gewenscht moet worden geacht om voor één inwoner der Gemeente een herdenkingsteeken te doen aanbrengen’. Bij de stichting ‘Het Nationaal Instituut, de Centrale organisatie tot verdieping van het nationaal bewustzijn en tot versterking van de nationale saamhorigheid’ te Amsterdam vroeg hij advies. De stichting had geen bezwaren, waarna het comité de realisatie van de twee gedenkstenen aanbesteedde. Het monument 1940-1945 in het plantsoen aan de Dr. Van den Brinkstraat. (Collectie L. van den Ende).Toen bekend werd dat het stoffelijk overschot van Van Bemmel op de Algemene Begraafplaats zou worden herbegraven, werd dit moment gekozen om ook de twee gedenkstenen te onthullen. Op dinsdag 26 februari 1946 om 11.00 uur was het zo ver. Voorafgaande aan de onthulling hield dominee P.M. Veldhuijzen van de Monsterse Gereformeerde Kerk een toespraak bij het graf. Veldhuijzen typeerde Van Bemmel als een actieve en impulsieve man die een verbeten strijd had gevoerde tegen de onderdrukkers. Rond 11.30 uur verzamelde zich een groot aantal mensen bij het politiebureau, waaronder de waarnemend burgemeester, de wethouders, de gemeentesecretaris en het gemeente- en politiepersoneel. Nu in zijn hoedanigheid als lid van het Comité sprak Veldhuijzen opnieuw. Na zijn toespraak bood hij de gemeente Monster twee gedenkstenen – ingemetseld aan weerszijde van de ingang van het politiebureau - aan. Veldhuijzen gaf wel aan ‘dat men in de herdenking van dhr. Van Bemmel alle andere gevallenen wilde eeren’. Na het zingen van twee coupletten uit het Wilhelmus verwijderde de waarnemend burgervader de vlaggen die de gedenkstenen bedekten. Op de ene steen stonden gegevens over Van Bemmel sr. Op de andere steen, in de vorm van een leeuw, was het verzet gesymboliseerd. Opmaat naar een nieuw monumentLater werd vlakbij het Politiebureau in het plantsoen aan de Dr. van den Brinkstraat het monument 1940-1945 opgericht. Het bestond uit een gemetselde opbouw met een kruis van berkenhout en een houten wapenschild, waarop de namen van de oorlogsslachtoffers stonden. In 1955 verkeerde het monument in een zeer slechte staat. Door verrotting was het kruis gebroken en de namen waren onleesbaar geworden. Directeur van Openbare Werken, H.J.J. Dimmers, stelde een globale opknapbeurt voor. De kosten begrootte hij op 371,80 gulden. De Monsterse bestuurders gingen met zijn voorstel akkoord. Wel startte toen de discussie om tot oprichting van een nieuw oorlogsgedenkteken te komen. Bij de Provinciale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens vroegen Burgemeester en Wethouders in 1958 naar een geschikte beeldhouwer. De Nederlandse Kring van Beeldhouwers kwam uiteindelijk met twee kandidaten; Carel Kneulman en Hubert C.M. van Lith, beiden uit Amsterdam. Uiteindelijk koos Monster voor Van Lith. RealisatieBeeldhouwer Van Lith (1908-1977) volgde zijn opleidingen aan het Rijksinstituut voor Tekenleraren en de Rijksacademie voor beeldende kunsten in Amsterdam. Hij maakte hoofdzakelijk figuratief werk. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij veel opdrachten voor oorlogsmonumenten. Zo staan er werken van hem in Wijk bij Duurstede (1947), Brielle (1949), Nieuw-Beerta (1951), Eindhoven (1957) en Rotterdam (1965). In 1959 stuurden Burgemeester en Wethouders zijn eerste ontwerp naar de Provinciale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens. Het ontwerp en de uitvoering raamden zij op 10.000 gulden. De commissie ging akkoord. Slechts de voorgestelde zuil van rode handgevormde metselsteen vond geen genade in de ogen van de toetsende instantie. Een betonnen zuil zou meer passend zijn. Uiteindelijk werd het een bronzen beeld van een wuivende vrouwenfiguur, geplaatst op een zuil van gewapend beton. Het beeld is 2,10 meter en de zuil is 3,15 meter hoog. In het straatwerk voor de zuil zou een natuurstenen plaquette aangebracht worden met daarop de tekst ‘De vrijheid herkregen 5 mei 1945’. Het oorlogsmonument symboliseert de herkregen vrijheid. De vrouwenfiguur strekt verlangend haar arm uit naar de zee, waar de bevrijders vandaan kwamen. De rechterhand is opgeheven om hen te verwelkomen. De totale realisatiekosten waren inmiddels gestegen tot 16.060 gulden. Begroting voor het plaatsen van het monumentHonorarium beeldhouwer 10.000Fundatie voetplaat en zuil 3.000Vervoer van het beeld 250Plaatsingskosten van het beeld 600Onthullingskosten 250Onvoorziene werken 500Beheersomslag 1.460Op 21 april 1961 was men op het Burg. Woutersplein nog bezig met de laatste grondwerkzaamheden. Het was toen nog onduidelijk of de onthulling op Koninginnedag (toen 1 mei) of op 4 mei zou plaats vinden. De onthulling werd ingepast in de viering van Koninginnedag. Het was al zo lang geleden dat Nederland zijn vrijheid herkreeg, dat het gemeentebestuur koos voor een kleinschalig gebeuren met een officieus karakter.  De bronzen vrouwenfiguur. (Collectie auteur).OnthullingOp 1 mei was het eindelijk zo ver. Om 8.00 uur kondigden de kerkklokken de viering van Koninginnedag aan. De vlaggen gingen uit. Veel inwoners van Monster, met op hun kleding oranjestrikken en –sjerpen, trokken naar het Burg. Woutersplein. Ook de scholen waren aanwezig in verband met de te brengen aubade. Tegen 10.00 uur was het al een drukte van belang. Op het plein stond het nog ingepakte monument. Even over tienen namen burgemeester A.J. Berendse met zijn echtgenote, de bijna voltallige gemeenteraad, de leden van het Kinder-Oranje-Comité en van het Comité Nationale Feestdag plaats op het podium. De voorzitter van het Kinder-Oranje-Comité, de heer D. Flinterman, heette iedereen welkom, waarna burgemeester Berendse een korte toespraak hield. De schooljeugd vertelde hij waarom het ‘nieuwe’ monument zo belangrijk was. In de oorlogsjaren 1940-1945 hebben velen veel geleden en zijn er talloze mensen omgekomen. En daarom is het goed om voortaan jaarlijks bij dit monument even stil te staan bij het verdriet van toen en bij onze vrijheid. Na de speech van Berendse onthulden Irene Flinterman en beeldhouwer Hubert van Lith het monument. Irene mocht dit doen, omdat zij het eerste kind was dat na de Bevrijding in Monster was geboren. Vervolgens nam de burgemeester de aubade van de schoolkinderen in ontvangst. Daarna konden – onder het toeziend oog van de net onthulde vrouwenfiguur - de festiviteiten van beide Comités beginnen die tot ver in de avond duurden. Enkele jaren later werd het monument verplaatst naar de Larixlaan/Van Bemmellaan. Op 17 april 1996 volgde een ‘uitbreiding’. In het straatwerk kwam nog een gedenksteen ‘Ter herinnering aan hen die vielen waar ook ter wereld na 1945’. Het monument van beeldhouwer Van Lith is nog steeds de plaats waar op 4 mei met respect de oorlogsslachtoffers worden herdacht. De gedenksteen uit het politiebureau voor Van Bemmel sr. is inmiddels in Naaldwijk terechtgekomen. Toen het Monsterse bureau aan de Dr. van den Brinkstraat werd afgestoten, werd de gedenkplaat geplaatst in de hal van het nieuwe politiebureau aan de Verdilaan. Dit gebouw is als politiebureau inmiddels ook gesloten, waarna de gedenkplaat van Monster naar Naaldwijk verhuisde. Bronnen en literatuurHistorisch Archief Westland te Naaldwijk, Gemeentebestuur Monster 1930-1979, inv.nr. 2023.De Westlander, 29 juni 1945, 10 en 24 augustus 1945, 14 september 1945, 1 maart 1946, 9 mei 1947, 21 april 1961, 5 mei 1961.=Bert Moor, Verleden voor toekomst. Verhalen uit de historie van Monster en Ter Heijde (Naaldwijk 1999).www.4en5mei.nl/herdenken-en-vieren/oorlogsmonumenten (Geraadpleegd 14 maart 2017).
Lees meer
Streekhistorie: Wind en water geven Westland nog steeds vorm maandag 13 maart 2017 12:12

Streekhistorie: Wind en water geven Westland nog steeds vorm

Het landschap van West Nederland geldt als relatief jong. Toch gaat de vorming van het landschap in het Westland duizenden jaren terug. Factoren als water en wind, die destijds het landschap vorm gaven, laten nog steeds hun krachten gelden. Zij vormden het onderwerp van een lezing van geoloog dr. Bert van der Valk voor het genootschap Oud-Westland in de Noviteit in Monster. Van der Valk weet waarover hij spreekt. Hij studeerde geologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en promoveerde 25 jaar geleden op het Nederlandse strandwallenlandschap. Hij maakt in de geologie van het Westland onderscheid tussen tenminste drie oude landschappen waarvan de vorming teruggaat tot meer dan 6000 jaar gelden: een oud getijdenlandschap met lage, al bewoonde strandwallen, het landschap van de pre-romeinse inbraken van de zee in een veenlandschap en het landschap van de huidige kust. Die eerste twee landschappen zijn nog maar beperkt zichtbaar, je moet echt weten waar je bent. Aan de hand van theorie en praktijk gaf van der Valk een “guided tour” met behulp van platte gronden en foto’s. Hij doorkruiste de gemeente Westland van oud naar jong landschap en van oost naar west over het hedendaagse autowegennet. WatersnoodBepalend voor het landschap zijn een aantal doorbraken in de zandwallen vanuit de zee. De zee is lang een grote bedreiging geweest voor het achterliggende gebied. Het Hoogheemraadschap van Delfland zag zich gedwongen om strandhoofden te bouwen. Dat was nodig omdat op sommige plekken de duinen slechts vijf meter breed en acht meter hoog waren. ,,Tijdens de watersnood van 1953 is er bij Ter Heijde bijna een doorbraak van de zee geweest’’, zei Van der Valk. De stijging van de zeespiegel is volgens de geoloog een punt van aanhoudende zorg. ,,Daar moeten wij echt over nadenken’’, zei van der Valk. ,,De afgelopen duizend jaar is de zeespiegel nauwelijks gestegen. Nu dreigt de zee in 100 jaar tijd 20 centimeter te stijgen. Het probleem wordt nog versterkt door de daling van de bodem ten gevolge van het onttrekken van grondwater. De bodem kan daardoor vele meters inklinken. Tokyo is een voorbeeld van wat er kan gebeuren. Daar daalde de bodem door de onttrekking van grondwater 6 meter in 100 jaar tijd.’’ ZandmotorIn zijn werk houdt Van der Valk zich professioneel bezig met de kustverdediging. De vijand is in dit geval het water. Duinen en strandwallen hebben naast bescherming nog twee andere belangrijke functies: waterwinning en toerisme. ,,Die waterwinning heeft ervoor gezorgd dat de duinen grotendeels behouden zijn gebleven en niet zijn volgebouwd’’, zei Van der Valk. ,,Sinds 1995 zijn wij in Nederland bezig met uitbouw van de duinen door zandaanvoer aan de zeekant. Dat werkt veel beter dan versterking van de duinen door ophoging. Die oplossing is 2 à 3 keer zo duur dan aanvulling van zand op de stranden. Een kuub zand voor de zandmotor kostte slechts € 2,50. Dat zand is 10 kilometer uit de kust op 20 meter diepte opgepompt. In Singapore moeten zij het 100 kilometer verder van 100 meter diep halen. Er zijn weinig landen die zoveel land zo dicht voor de deur hebben liggen. Wij weten niet hoe rijk wij zijn.’’Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: De Oranjesluis maandag 6 maart 2017 08:08

Streekhistorie: De Oranjesluis

De waterhuishouding in het Westland was nogal ingewikkeld. In het zuiden grensde de streek aan de Maas die bij de hoek van Holland in de Noordzee uitmondde. De bescherming tegen hoge waterstand in de Maas werd geboden door de (Nieuwe) Maasdijk, die omstreeks 1240 werd voltooid. Bij stormvloeden kon het water in de Maas extra hoog opgestuwd worden door het vloedwater van de Noordzee. Voor de veiligheid was het daarom raadzaam dat er geen uitwateringsmogelijkheid was in de Maasdijk dicht bij zee. Het overtollige water uit het gebied van het Hoogheemraadschap Delfland werd daarom geloosd via sluizen bij Vlaardingen en Maassluis. De duinen beschermden de streek tegen het Noordzeewater en ook hier was het gevaarlijk om in de duinen een afwateringssluis aan te brengen, zeker ook omdat de duinen aan de Westlandse kust zeer smal waren. Het uit het Westland te lozen water moest een enorme omweg maken, vooral vanuit ’s-Gravenzande, Monster en Naaldwijjk, omdat dat eerst via allerlei vaarten naar Schipluiden moest stromen alwaar het via de Vlaardingse Vaart naar Vlaardingen en Maassluis ging. In de eerste helft van de 17de eeuw liet Frederik Hendrik het door hem in 1612 gekochte kasteel van de Van Naaldwijks in Honselersdijk verbouwen tot een prachtig paleis, omgeven door fraaie tuinen. Voor een sneller vervoer van Honselersdijk naar het centrum van Den Haag liet hij een nieuwe trekvaart graven en langs deze vaart werd een weg aangelegd, respectievelijk de Nieuwe Vaart en de Nieuwe Weg. De reistijd vanuit het Westland naar Den Haag werd hierdoor een enorm stuk korter, die werd namelijk meer dan gehalveerd. Vanuit Honselersdijk duurde de reis nog maar 2,5 tot 3 uur en daarvoor was men minimaal 7 uur onderweg, omdat men een grote omweg moest maken via Wateringen, Delft en Rijswijk. Door deze kortere reistijd was het nu mogelijk om op de dag dat tuinbouwproducten werden geoogst ze nog dezelfde dag op de markt in Den Haag te kunnen aanbieden. Voor de kwetsbare tuinbouwproducten die je niet lang kon bewaren was dat een groot voordeel. Door deze kortere reistijd was het mogelijk om tuinderijen aan te leggen op een grotere afstand van de stad Den Haag met haar grote bevolking. Hierdoor groeide de tuinbouw in het centrum van het Westland. Het werd voor veel grootgrondbezitters nu interessant om landbouwgrond in tuinbouwgrond en percelen met boomgaarden om te zetten. Tuinbouwgrond leverde namelijk tot wel bijna drie keer zo veel pachtgeld op als landbouwgrond. De tuinbouw in het Westland groeide dus door de aanleg van de Nieuwe Vaart en Nieuwe Weg. Vooral het gebied rondom Poeldijk profiteerde hier van, omdat het nu op een kruispunt van vaar- en landwegen lag. Er waren echter ook nog wat nadelen aan de nieuwe vaarroute. Het belangrijkste probleem was dat de Nieuwe Vaart de waterhuishouding van het Westland verstoorde op een manier die men van te voren niet had voorzien. De stad Den Haag is gebouwd op het zand, op de restanten van een oude duinwal en ligt daarom een stuk hoger dan het centrum van het Westland. Het overtollige water vanuit Den Haag liep door de nieuw aangelegde vaart nu zonder belemmeringen naar het hart van het Westland, waar het zich bij grote wateroverlast door langdurige regen begon op te hopen. Dit effect werd nog versterkt door het feit dat de Nieuwe Vaart doodliep vlak buiten het centrum van het dorp Honselersdijk. Het stond niet in directe verbinding met ander boezemwater, waardoor het water geen kant op kon. Ook hoopte zo het slechte water zich op in en om Honselersdijk en ook al het afval wat in de boezemwateren terecht kwam begon zich in Honselersdijk op te hopen. Vooral de watervoorziening van de siertuinen rondom het paleis Huis Honselersdijk kwam hierdoor in gevaar. Er ontstond een gebrek aan vers water. Deze problemen die ontstaan waren door de aanleg van de Nieuwe Vaart, die plaatsvond tussen 1644 en 1650, werden snel onderkend. Al in 1650 werden er door Delfland plannen gemaakt om dit probleem op te lossen, o.a. door het aanleggen van nieuwe sluizen in het westelijk deel van Delfland, maar er was ook een variant van het aanleggen van nieuwe of het verbreden van bestaande kanalen richting Maassluis. Deze plannen werden echter allemaal afgewezen omdat zij te duur waren, of omdat ze niet werkbaar werden bevonden. Er ontstond toen een impasse. Er is zelfs nog geopperd om de Loosduinse Vaart te dempen en zo de wateroverlast van Den Haag naar het Westland te onderbreken. De Prinsen van Oranje waren hier echter fel op tegen en de bestuurders van Delfland durfden deze oplossing dan ook niet door te drukken. Pas onder het bestuur van Stadhouder Prins Willem III van Oranje werd er uiteindelijk een beslissing genomen. Hij verbleef vaak in het paleis in Honselersdijk en de problemen met betrekking tot de aanvoer van vers water voor zijn geliefde tuinen gingen hem na aan het hart. Er werden plannen gemaakt om nieuwe kanalen aan te leggen van Maassluis naar Honselersdijk via de kortste weg, binnendijks langs de Maasdijk, of buitendijks door de Oranjepolder. Een andere variant was het aanleggen van een sluis in de Maasdijk ten noorden van de Oranjepolder die dan via een kanaal zou aansluiten op het Amersgat. Dit Amersgat was een kreek die liep door het buitendijkse gebied van de Nieuwlandse Polder en de Oranjepolder. Even ten westen van Maassluis mondde deze kreek uit in de Maas. Deze oplossing had de voorkeur, maar men was nog wel enigszins beducht voor het feit dat het water dat via het Amersgat binnen gelaten zou worden te zout zou zijn. Bij opstuwend vloedwater vanuit de Noordzee bestond zo een gevaar voor verzilting van het Westland. Dit moest eerst goed gecontroleerd worden voordat men een beslissing nam. In 1674 heeft men twee keer een test uitgevoerd. Dat ging heel eenvoudig, men voer met een klein bootje het Amersgat op en nam op verschillende plaatsen een watermonster. Die watermonsters werden in de boot door enkele mensen geproefd en dan werd op basis van de smaak bepaald of het water zoet of zout was. In het Amersgat werd het water overal zoet genoeg bevonden. Alleen op de plaats waar het Amersgat in de Maas uitkwam, was het watermonster uit het midden van de Maas bij de eerste proef enigszins zout, onder de wal was het zoet. Bij een tweede proef bleek het water overal zoet genoeg te zijn en besloot men te kiezen voor het plan om in de Maasdijk een sluis aan te leggen, de Oranjesluis, die via een nieuw te graven kanaal, het Oranjekanaal, in verbinding stond met het Amersgat. Het werk werd direct na het uitvoeren van de smaakproeven ter hand genomen en in 1676 was het werk klaar en kon de Oranjesluis in gebruik genomen worden. Het ‘verse’ Maaswater ging vanaf de Oranjesluis via een parallel aan de Maasdijk lopend water naar het Nieuwe Water. Vanaf het Nieuwe Water werd een nieuw kanaal gegraven, de Naaldwijkse Vaart, waardoor het ‘verse’ water via Naaldwijk, de Stokdijkkade en de Dijkweg naar Honselersdijk gevoerd werd en zo in de sloten en grachten van de tuinen rondom het Huis Honselersdijk terechtkwam. Om de doorstroming van het water nog verder te verbeteren werd de doodlopende Nieuwe Vaart doorgetrokken tot aan de Strijp. Hiervoor werd op het eind van de 17de eeuw de Prinsegracht in Honselersdijk uitgegraven en ontstond er een mooi symmetrisch patroon van grachten rondom het paleiscomplex van Honselersdijk. De waterstaatproblemen waren opgelost, alleen kwam er een nieuw probleem voor in de plaats, namelijk de verzilting. De smaakproeven van het water van het Amersgat waren niet zorgvuldig genoeg geweest want in de jaren na 1676 gingen op de lange duur met name de exotische planten die in de Oranjerie overwinterden, dood, waarschijnlijk door het te zoute water. Auteur: Ton Immerzeel, Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Gravin Machteld maandag 27 februari 2017 08:08

Streekhistorie: Gravin Machteld

Bij de herinrichting van het Marktplein van 's-Gravenzande zal het beeld, dat gravin Machteld voor moet stellen, verplaatst worden. Over deze verplaatsing is de laatste tijd het een en ander in de pers verschenen. Dit is aanleiding voor de volgende toelichting op het leven van Machteld van Brabant, gravin van Holland. Rond 1980 heeft één van de leden van de historische werkgroep Oud ‘s-Gravenzande, mevr. M.M. Dahmeijer-Fousert, na bestudering van archiefgegevens en publicaties, een uitvoerige beschrijving van het leven van gravin Machteld samengesteld. Aan de hand hiervan werden foto-exposities gehouden op diverse plaatsen in het Westland en in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag (nu Nationaal Archief) waarvoor veel belangstelling was. Machtelds levensbeschrijving werd in 1988 in het eerste Historisch Jaarboek van het Genootschap Oud Westland gepubliceerd (zie: www.oudwestland.nl, Publicaties). Een korte beschrijving van haar leven werd opgenomen in het in 1981 door de gemeente bij de opening van het nieuwe gemeentehuis uitgegeven boek ” ’s-Gravenzande in heden en verleden”. Over haar is met betrekking tot ‘s- Gravenzande in grote lijnen het volgende bekend. De exacte geboortedatum van Machteld van Brabant is niet bekend, zij werd omstreeks 1198 geboren als vierde dochter van hertog Hendrik I van Brabant ( 1165-1235) en Mathilde van Boulogne. Zij werd door haar vader om politieke redenen in 1212 uitgehuwelijkt aan een 17-jarige neef van de Duitse keizer Otto IV, namelijk Hendrik II, keurvorst van de Palts die echter al in mei 1214 stierf. De 16-jarige Machteld was toen dus weduwe en keerde terug naar het ouderlijk slot in Brabant. Gravure van het slot in Leuven, één van de kastelen van de hertogen van BrabantVervolgens werd zij al in november 1214 door haar vader opnieuw uitgehuwelijkt, nu aan Floris IV van Holland die toen 4 jaar oud was! Zij verhuisde naar het grafelijke hof in Holland en verbleef daar 10 jaar totdat Floris oud genoeg geacht werd om met haar te trouwen. Bij hun huwelijk in 1224 was Floris 14 jaar oud en Machteld 26 jaar. In 1234 werd graaf Floris vermoord na afloop van een riddertoernooi in Noord Frankrijk, toen was Machteld dus op 36-jarige leeftijd na 10 jaar huwelijk voor de tweede keer weduwe. Zij bleef achter met haar kinderen, Willem II, die graaf van Holland zou worden en later tot Rooms Koning (koning van het oude rijk van Karel de Grote) gekozen zou worden, en verder Floris bijgenaamd “De Voogd”, Aleida, Margaretha en Machteld die jong gestorven is.We kunnen aannemen dat Machteld na 1234 (de dood van graaf Floris IV) met haar jonge kinderen hoofdzakelijk op haar kasteeltje in ’s-Gravenzande woonde, dat naar mag worden aangenomen buiten ’s-Gravenzande op een zandrug aan de rand van de latere Poelpolder lag. Nadat haar kinderen hun eigen weg hadden gevonden leefde zij daar rustig en teruggetrokken. Volgens historische bronnen heeft Willem II samen met zijn moeder, rond 1242 nieuw land bedijkt. Waarschijnlijk heeft Machteld financieel bijgedragen aan de aanleg van een deel van het dijkje langs de Maas, dat later de grote Maasdijk zou worden. Daar had zij met haar kasteeltje aan de rand van de Poelpolder groot belang bij omdat er in die tijd nogal eens wat landerijen verloren gingen door grote overstromingen. Kennelijk onderhield zij goede betrekkingen met de dorpsoudsten van ’s-Gravenzande. Uit een charter (een perkamenten brief) uit 1246 blijkt dat het dorpje ’s-Gravenzande op aanraden van Machteld stadsrechten krijgt van haar zoon graaf Willem II. Verder heeft zij in de periode van ongeveer 30 jaar dat zij voor een groot deel in ’s-Gravenzande woonde o.a. de ’s-Gravenzandse Bagijnen, zoals in de schenkingsakte staat “wegens haar godsvrucht en vroomheid” , begiftigd met het land waarop het Bagijnhof was gebouwd. Hiervan is een charter uit 1263 bewaard gebleven, gedateerd op de dag van de zalige Lucia (13 december). Deze brief wordt in het Historisch Archief Westland bewaard. Deze oorkonde is afgegeven te ’s-Gravenzande dat betekent dat zij toen hier op haar hof verbleef. Charter van de schenking van land aan de BagijnenOok is het aannemelijk dat zij de kerk van ’s-Gravenzande heeft gesticht en het Gasthuis. Als gravin-weduwe van Holland schonk zij deze kerk belastinginkomsten en het recht om de pastoors te benoemen. Verder had Machteld een bijzondere verering voor Maria, daarom werd één van haar Mariabeelden in de kerk van ’s-Gravenzande geplaatst. Dit beeld had zij van haar vrome Brabantse schoonzuster Sophie gekregen. Deze had het weer gekregen van haar moeder de in 1235 heilig verklaarde Elisabeth van Thüringen. Dit beeld, dat volgens overleveringen door Machteld met kostbare sierraden was getooid, kreeg de faam grote wonderen te kunnen bewerkstelligen waardoor ’s-Gravenzande later een bedevaartsoord werd. Ook andere kerken, abdijen en kloosters in Holland en Brabant werden royaal door haar begiftigd. Half oktober 1266 woonde Machteld nog op haar kasteeltje in ’s-Gravenzande. Ruim een jaar later overleed zij op ongeveer 69-jarige leeftijd op 22 december 1267, eind dit jaar dus 750 jaar geleden. Zij werd begraven voor het hoogaltaar in de kapel van de door haar en Floris IV gestichte cisterciënzerinnen abdij van Loosduinen. Wellicht verbleef zij al enige tijd in deze abdij in verband met ziekte of gebrek, het leven in een koud en vochtig kasteel was in de winter namelijk niet erg goed voor de gezondheid. Haar graf is in de loop der eeuwen helaas verdwenen maar er ligt nu in de abdijkerk van Loosduinen naast de preekstoel voor haar een gedenksteen.De abdijkerk van Loosduinen Zoals gezegd was Machteld in haar leven niet alleen twee keer weduwe geworden maar verloor ook nog eens twee van haar zonen, namelijk graaf Willem II op gewelddadige wijze in West-Friesland in 1256 en Floris bij een riddertoernooi in 1258. Haar dochter Machteld overleed al op jonge leeftijd. Machteld heeft dus veel verdriet in haar leven gekend, dat zal haar leven ongetwijfeld getekend hebben. Uit de over haar bekende gegevens uit charters en giftbrieven komt een beeld van Machteld naar voren van een sociaal bewogen en diep gelovige vrouw. De laat middeleeuwse geschiedschrijver Jan van Naaldwijck vermeldt rond 1518 in zijn kroniek dat Machteld op haar grafzerk, in koperen letters (in het latijn), uitbundig werd geprezen als: De hoop van getrouwde vrouwen en weduwen,De roem van het vaderland,Het licht van het nageslacht,De toevlucht van de ellendigen enEen sieraad van de kerk. Ondergetekende heeft deze deugden de laatste 20 jaar niet kunnen ontdekken in het beeld op het Marktplein dat deze ingetogen en diep religieuze gravin, zoals zij uit de archieven op ons overkomt, voor zou moeten stellen. De uitstraling van dit beeld van een wat uitdagende vrouw, juist het tegenovergestelde van gravin Machteld, doet meer denken aan de uitbeelding van een allegorische voorstelling van het stadje ’s-Gravenzande veroverd op de zee. Een oude afbeelding van een voorname dame, zo zal Machteld er destijds ongeveer uitgezien hebben. Op grond van de hierboven gegeven beschrijving van het veelbewogen leven van gravin Machteld lijkt een wat minder prominente plek voor het beeld op het Markplein op zijn plaats. Een geschikte plaats zou kunnen zijn aan de rand van het Zandeveltpark of op het Gravin Machteldplantsoen. Auteur: Jan Dahmeijer van de Historische werkgroep Oud ’s-Gravenzande
Lees meer
Video Streekhistorie: In de duinen van Westland maandag 20 februari 2017 09:09

Streekhistorie: In de duinen van Westland

In Monster, op de grens met Den Haag, staat een bijzondere toren. Komend vanaf het strand bij het Schelpenpad zie je hem liggen, maar ook vanaf strandopgang Molenslag is het een markant herkenningspunt. Het is de watertoren van Monster. Het is lang geleden dat dit rijksmonument toegankelijk was voor publiek, maar zaterdag 25 februari is het zover. Op deze dag stelt Dunea de watertoren tussen 10.00 en 16.00 uur open. Daarnaast worden er wandelingen georganiseerd over Solleveld. Dit natuurgebied maakt deel uit van het Oude Duinlandschap tussen Ter Heijde en Loosduinen, dat al 25 eeuwen door mensen bewoond en bewerkt wordt. Eerst door boeren, daarna door landgoedeigenaren en vanaf 1887 voor de winning van schoon drinkwater.  De Westlandsche Drinkwater Maatschappij (WDM) had het gebied ten noorden van het Schelpenpad sinds 1922 in gebruik. Het terrein ten zuiden ervan was eigendom van de gemeente Monster en zou vanaf de jaren 30 een transformatie ondergaan. Boschplan MonsterHoe krijg ik ruim 80 werkloze inwoners van Monster weer aan het werk? Met die zorg in het achterhoofd kwam de Monsterse burgemeester Kampschoër in 1934 op het idee om op 55 ha. kaal duingebied tussen Ter Heijde en het Schelpenpad een enorm duinbos aan te laten leggen, uit te voeren door werkeloze Monstenaren. Kampschoër kreeg het voor elkaar om subsidie los te krijgen van Provinciale Staten en de Rijkscommissie van advies voor werkverschaffing en werkverruiming in Zuid-Holland. Er werd een duinbebossingsplan gemaakt en in overleg met de Nederlandsche Heidemaat-schappij, onder wiens supervisie het plan zou worden uitgevoerd, werd een lijst van te planten bomen en struiken opgesteld. Op die lijst stonden o.a. 98.000 dennenbomen, 29.000 Acers en vele tienduizenden andere bomen en struiken. Zoals we kunnen zien op de tekening die het gemeentebestuur in 1938 liet maken, had men het plan om midden in het duinbos een uitkijkpost in de vorm van een berg te maken en rechts daarvan een vijver van ca. 2.000 vierkante meter.Fragment van boschplan Monster, 1938Bekijk de hele tekening op http://bit.ly/2m1EnyMOp 8 juni 1938 ging de eerste spade de grond in. En die eerste schep werd verricht door de heer Th. Heukels, voorzitter van de Rijkscommissie van advies voor werkverschaffing, in aanwezigheid van een groot aantal hoogwaardigheidsbekleders, waaronder burgemeester Kampschoër.   (Westlandsche Courant 9 juni 1938) Aanvankelijk zo’n vijftig en eind 1939 bijna honderd werkelozen vonden werk bij dit bijzondere werkverschaffingsproject. Zij kregen gemiddeld 14 gulden per week uitbetaald. Het werk verliep voorspoedig. (Monsterse werkelozen aan het werk voor het boschplan, 1938)   Het College van B&W van Monster kwam met het voorstel om bij het duinbos ook een hertenkamp te maken (de vergunning van het Hoogheemraadschap stond “grazend gedierte” toe). Kampschoër had bij de dierentuin in Den Haag en bij Artis al enkele herten in bestelling. Maar toen in november 1940 bleek dat het gehele terrein nog onvoldoende omheind was, is toch afgezien van het hertenkamp. En ook de geplande vijver is er niet gekomen. Het Hoogheemraadschap, dat bang was dat de toeristen zouden gaan pootjebaden in de vijver, vreesde voor de waterkwaliteit.Inmiddels waren de vele tienduizenden jonge boompjes en struikjes geplant en waren er wandelpaden aangelegd. Vervolgens bleek echter dat het terrein werd geteisterd door enorme aantallen konijnen, die de jonge aanplant kapot vraten. Er werden vergunningen verleend aan enkele omwonenden die er voor moesten zorgen dat, zoals de vergunning het stelde, “het konijn” bestreden werd.Hoewel de boompjes en struikjes, een jaar na aanleg, nog niet tot de knie reikten en het “duinbos” dus nog leek op een kale vlakte, wilde de gemeente Monster het duinbos al per 1 juni 1939 openstellen voor het publiek. Ze schreef “Wij denken er hierbij allerminst aan dat het loover al direct veel schaduw zal geven, doch het feit alleen, dat in dit natuurlijke, echt ongestoorde duinoord, vertoeft kan worden en een rustige wandeling, verwijderd van het gewoel der wegen, kan worden genoten, heeft voor deze streek en in het bijzonder voor deze gemeente groote betekenis”. Maar het Hoogheemraadschap was bang dat het publiek de jonge aanplant zou vertrappen en adviseerde het duinbos pas volgend jaar open te stellen. In april 1940 liet de gemeente Monster bordjes maken met het opschrift “Uitsluitend toegankelijk voor houders van wandelkaarten”. Een wandelkaart kostte 50 cent per jaar (kinderen gratis).Lang hebben de bezoekers er niet van kunnen genieten. De Duitse Weermacht nam het bos in gebruik als oefenterrein. Er werd met voertuigen door het aanstaande bos gereden, jonge aanplant werd vertrapt en de jonge struikjes werden door de soldaten uit de grond getrokken om te worden gebruikt als camouflage. Uit een rapport van maart 1941 bleek dat de Duitsers voor 7.500 gulden schade hadden aangericht. En alsof dat nog niet genoeg was, zorgden de strenge winter, een warme zomer en een brand er voor dat veel van de nog resterende jonge aanplant dood ging. Het bos maakte aan het eind van de oorlog dan ook een “deplorabelen” indruk. Met de inzet van tientallen werkelozen is halverwege de oorlog nog getracht de schade te herstellen en zijn nog eens tienduizenden bomen geplant, maar het mocht niet baten. Van al die honderdduizenden boompjes en struikjes zijn er nog maar enkele honderden in het huidige landschap terug te vinden. Vergelijk maar eens de foto van 2017 met het boschplan 1938:   De bloedbergVan alle oorspronkelijke plannen is eigenlijk alleen de uitkijkpost bewaard gebleven. Deze 11 meter hoge uitkijkpost is in 1938 tot stand gekomen door het, kruiwagen voor kruiwagen, verplaatsen van meer dan 5.000 kubieke meter zand. Daar zijn 15 werkelozen een paar maanden mee bezig geweest.   (aanleg bloedberg, 1938)“Dit uitkijkplateau is eenig in zijn soort, daar men er van een prachtig uitzicht kan genieten over het nieuwe bosch, de duinen, het strand, de zee en het Westland” zo schreef de Westlandsche Courant in mei 1939. (Google Maps)   (bloedberg, 2016)   En om het de bezoekers mogelijk te maken om de uitkijkpost te beklimmen werd er een spiraalpad op de berg aangelegd. Op het fotootje hierboven links zien we de uitkijkpost van bovenaf.Eenmaal boven op de uitkijkpost heb je inderdaad een prachtig uitzicht op de omliggende omgeving. De uitkijkpost wordt de laatste tijd vaak bezocht door vogelspotters. Richting het noorden zie je de watertoren en het duingebied van Solleveld liggen. Het is een beschermd broedgebied dat van 1 maart tot 15 september gesloten is. (bovenop de bloedberg, 2016)   De uitkijkpost heeft de wat pathetische naam “bloedberg” gekregen. Het schijnt dat deze naam is gegeven omdat de berg met bloed, zweet en tranen zou zijn aangelegd door de werkelozen. Wie dat bedacht heeft weet ik niet. Uit de archieven en kranten blijkt dat de werkelozen het niet zo slecht hadden. Ze werden redelijk betaald en de gemeente Monster had gezorgd voor werkketen (met verwarming in de winter) en toiletvoorzieningen. Er zijn maar twee bedrijfsongevallen gemeld, waarvan een een man betrof die in elkaar zakte wegens “algehele zwakte”.   (bloedberg, 12 feb. 2017) Tegenwoordig is de bloedberg en het omringende duingebied in beheer bij Dunea Duin en Water, die ook eigenaar is van Solleveld en de watertoren.Wij, Historisch Archief Westland, zijn op zoek naar verhalen over de (aanleg van) de bloedberg en oude foto’s.Wil je natuurgebied Solleveld en de watertoren op 25 februari bezichtigen? Kom dan op de fiets! Vanuit Monster is het een aanrader om bij de molen richting het strand te fietsen tot aan de Slapersdijk. Hier begint het drinkwatergebied van Dunea. Het dijkje kan je onderlangs volgen naar het Schelpenpad. Je ziet de watertoren al liggen, maar stop ook even bij de bloedberg en geniet van het uitzicht vanaf de top. Probeer je onderweg eens voor te stellen hoe het er hier uit had gezien wanneer het duinbos intact zou zijn gebleven. Kom je met de auto? Zet deze dan op de parkeerplaats van Molenslag. In de watertoren is de tentoonstelling over de opgravingen op het tegenoverliggende terrein te zien. Even teruglopen naar het dijkje en je wandelt in 10 minuten naar de bloedberg. Daarvandaan kan je doorlopen tot aan het Schelpenpad waar je rechtsaf na 200 meter op de Haagweg komt. De watertoren is uitsluitend te bereiken vanaf de Haagweg. De oprijlaan ligt links, vlak voor de Oorberlaan. Kijk voor het programma van 25 februari op www.monumentaalwestland.nl
Lees meer
Streekhistorie: Stoomoliemolen Mercurius in Den Hoorn maandag 13 februari 2017 12:12

Streekhistorie: Stoomoliemolen Mercurius in Den Hoorn

In Museum Het Tramstation te Schipluiden vindt tot eind april 2017 de tentoonstelling ‘Wonen in een monument’ plaats. Maar liefst elf monumenten worden er belicht. Naast fraai beeldmateriaal zijn er bouwfragmenten en attributen te zien die verband houden met de getoonde panden. Een opvallend monument is de voormalige stoomoliemolen Mercurius in Den Hoorn. Het is een prachtig voorbeeld van een pand dat door een andere functie een nieuwe toekomst heeft gekregen. De komst van oliemolen MercuriusAan de Hoornseweg, de weg van Den Hoorn naar Delft, stonden in de negentiende eeuw verschillende industrieën. Eén gebouw uit die eeuw is bewaard gebleven, namelijk de voormalige stoomoliemolen Mercurius. Aanvankelijk stond hier een oliemolen, die door windkracht werd voortgedreven, zie de reconstructietekening. De sluitsteen boven de deur van het hoofdpand vermeldt het jaartal 1829 en de initialen M.J.B., die herinneren aan Mattheus Johannes Blank, de man die hier een oliemolen liet bouwen. Bewaard is gebleven de vierkante onderbouw van de molen, die 12,80 bij 12,80 meter meet. Hierop bevond zich een achtkante molen. Molendeskundigen hebben berekend dat de Mercurius waarschijnlijk de grootste oliemolen van Nederland is geweest. De wieken hadden een vlucht van 29 meter. In totaal was de hoogte veertig meter! De ligging in het open landschap en aan het water van de Hoornsevaart was ideaal voor respectievelijk de toevoer van wind en de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van olie en veekoeken.De voormalige oliemolen Mercurius in Den Hoorn. Reconstructietekening van Bas Koster, ca. 2004.Productie van lijnolie en veekoekenOmstreeks 1860 werd Hendrik Pietersz. Lambert, burgemeester van Kralingen, eigenaar van Mercurius. In het begin van de jaren zeventig kwam bij de molen een apart gebouw met een hoge schoorsteen voor een stoommachine. Dit gebouw (met enige ronde raampjes) is achter de onderbouw van de molen nog aanwezig. Zowel wind- als stoomkracht konden hier als aandrijfmiddel worden gebruikt. Een dergelijke combinatie kwam op meerdere plaatsen voor, maar gewoonlijk werd na enige tijd toch de windmolen gesloopt. Dit is in Den Hoorn ook gebeurd; de zware onderbouw van de molen bleef echter in gebruik. Uit lijn- en raapzaad werd op deze plaats heel lang olie gewonnen. De olie was vooral bestemd voor de verlichting in huishoudens. Van het restafval werden veekoeken gemaakt. Een opgave uit 1847, de tijd van de oliemolen, vermeldt een jaarproductie van 600 vaten olie (1 vat was 100 liter) en 170.000 koeken. In 1897 werkten in de stoomolieslagerij 25 personeelsleden. Foto van de stoomoliemolen Mercurius, ca. 1900. De schoorsteen rechts is van de stoommachine.Nieuwe functiesRond 1900 kwam in een van de gebouwen de suikerbakkerij van de familie Van Woerden. De bruidssuikers van deze firma waren vanwege de voortreffelijke kwaliteit beroemd in wijde omgeving. Na de oorlog was er een autoplaatwerkerij en -spuiterij in het pand gevestigd. Daarna maakte het gebouw enige decennia deel uit van Dijco BV, die de ruimte verhuurde aan Ega Giftware, een bedrijf in relatiegeschenken. Het pand - feitelijk een industrieel monument - liep in 2002 gevaar om gesloopt te worden ten behoeve van woningbouw. Dit stukje Den Hoorn zou namelijk voor de bouw van huizen naar Delft gaan. Vlak voor de gemeentelijke herindeling op 1 januari 2004 bevestigde de Monumentencommissie van Schipluiden het belang van een gemeentelijke monumentenstatus van dit gebouw. De stad Delft erkende de waarde en gaf Mercurius een definitief beschermde status. Mercurius na de restauratie. Foto Henk Groenendaal 2008.De ontwikkelaar en het bureau Hulshof Architecten namen vervolgens de uitdaging aan om de bestaande gebouwen voor een woningcorporatie om te vormen tot woningen. In de voormalige oliemolen en het aangrenzende deel van een loods kwam in 2008 een Thomashuis. Hier krijgen acht mensen met een verstandelijke handicap begeleiding van een inwonend echtpaar. In het pand ernaast, een voormalig pakhuis, zijn enkele woningen gerealiseerd. Het wooncomplex is vooral bijzonder, omdat het dak en de spantconstructie van de voormalige loods het pakhuis met de oliemolen verbindt. Hierdoor is een poort ontstaan. De weg er onder leidt van de Hoornseweg naar een nieuwe Delftse woonwijk en vormt nu het markantste onderdeel van het fraai gerestaureerde complex. Een grote molensteen aan de Hoornseweg herinnert aan het oorspronkelijk gebruik van het pand erachter. Auteur: Jacques Moerman, Historische Vereniging Oud-Schipluiden Museum Het Tramstation, Otto van Zevenderstraat 2 te Schipluiden is geopend op woensdag (vanaf 1 april), zaterdag en de eerste zondag van de maand van 14.00-16.00 uur.
Lees meer

Meer Streekhistorie