Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Huis ter Lucht maandag 21 augustus 2017 09:09

Streekhistorie: Huis ter Lucht

Het meest opvallend op deze locatie is de Noordvliet of Trekvliet, één van de drie vlieten tussen de Vlaardingervaart en Maassluis. Links ligt de boerderij (destijds) van de familie Buitelaar aan de Trekkade, het voormalige jaagpad. Rechts op de afbeelding uit ca. 1925 is een Maaslands industriegebiedje te zien, dat reeds in de achttiende eeuw werd ontwikkeld. In 1745 ontving Cornelis Post voor zijn zoon Pieter Post vergunning voor de bouw van een houtzaagmolen op deze locatie. In 1851 kregen de eigenaren Terlaak en Plomp toestemming van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland om de zaagmolen in te richten tot oliemolen. Uit lijnzaad werden lijnolie en lijnkoeken gefabriceerd. De lijnkoeken verkocht men als hoogwaardig veevoer aan de boeren. De lijnolie was een grondstof voor de zeep- en verfindustrie. In 1866 werd Johannes Reeser eigenaar van de molen, die in 1877 werd vervangen door een stoommachine. Bij het gebouw kwam een hoge schoorsteen en een fraai herenhuis (het hoge pand op de oude foto). Naast en tegen het herenhuis verrees nog een gebouw dat als bierbrouwerij en mouterij werd ingericht. De bierbrouwerij kreeg de naam ‘de Ree’, een verwijzing naar de naam van de eigenaar. In 1886 werd de stoomolieslagerij met een aantal aangrenzende woningen voor 11.400,- gulden verkocht aan Willem Ouweleen, namens de firma A. Speelman & Co in Overschie. De bierbrouwerij en het herenhuis veranderden in die periode enkele malen van eigenaar. In 1895 kocht Willem Ouweleen ook deze panden voor 7.125,- gulden. De gebouwen van de bierbrouwerij werden vanaf dat ogenblik voor andere doeleinden gebruikt. Huidige situatie Jaren huurde de firma Vermeer een deel van de panden voor de handel in land- en tuinbouwproducten. De lijnoliefabriek ging nog heel lang door. Pas in 1947 beëindigde Willem Ouweleen junior de handel in veevoer. De bouwvallige bedrijfsgebouwen, het herenhuis en nog enkele woningen werden door zijn familie in 1975 verkocht aan de bouw- en ontwikkelingsmaatschappij Beomij B.V. Een voorwaarde van de koper was dat hier woningen gebouwd mochten worden. De definitieve sloop van de gebouwen volgde in 1986. Kort erop begon men op deze plaats met de bouw van een aantal herenhuizen. De vestiging aan het water was vroeger aantrekkelijk vanwege de aan- en afvoer van producten en materialen. Nu nodigt een dergelijke ligging projectontwikkelaars uit tot de bouw van dure woningen. De Noordvliet en de nabij gelegen Middelvliet (Zuidvliet) werden kort voor 1334 gegraven om de waterafvoer vanuit het Westland naar de Maas te verbeteren. Omstreeks 1380 werd voor dit doel nog een derde kanaal gegraven, namelijk de Boonervliet. Bij de boerderij was het op- en afstappunt voor de trekschuit, die van 1645 tot ver in de negentiende eeuw zesmaal per dag heen en weer voer tussen Maassluis en Delft. Op donderdag ging er van Maasland nog een extra marktschuit naar Delft. Niet ver hier vandaan, op de plek van de huidige Sint Magdalenakerk, werd in 1659 een rooms-katholieke kerk gesticht. Deze schuilkerk stond bekend onder de naam ‘De Kluis’. Later werd het woord kluis verbonden met een boerderij langs de kade van de Zuidgaag. Huis ter Lucht was oorspronkelijk een herberg aan de andere kant van de Kerkweg. Het woord ‘lucht’ verwijst naar een laagte in een dijk. Vóór de komst van de windwatermolen, begin vijftiende eeuw, werd een ‘lucht’ benut voor de afvoer van overtollig water. De Trekkade leidt de fietser of wandelaar naar enkele fraaie uitzichtpunten van Midden-Delfland, namelijk de Commandeurspolder en de smalle strook vlietland tussen de Noord- en Middelvliet en vervolgens voorbij de Kwakelweg de Duifpolder en de Vlietlanden. Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Logement Overheijde in Monster maandag 14 augustus 2017 11:11

Streekhistorie: Logement Overheijde in Monster

Op de hoek van de Choorstraat en de Dr. van den Brinkstraat in Monster staat sinds jaar en dag hotel-café-restaurant Overheijde. Al dateren de voor- en zijgevel uit het begin van de 20ste eeuw, het oorspronkelijke pand is veel ouder. Niettemin zijn alleen de buitengevels aangemerkt als gemeentelijk monument. Het pand staat al jarenlang leeg, hetgeen de onderhoudstoestand uiteraard niet ten goede komt. Gelukkig is onlangs vergunning aangevraagd om Overheijde met behoud van de buitengevels te gaan verbouwen tot een viertal appartementen. Overheijde wordt in de archieven voor het eerst bij name genoemd in het jaar 1727. Het is dan nog geen herberg of logement, maar een buitenplaats. Eigenaren zijn dan Rijnburgh van Bergen, weduwe van kolonel Philip Pieter Carpenter, en haar zus Anna van Bergen. Als zij Overheijde op 5 maart 1727 laten veilen in de Cloveniersdoelen in Den Haag wordt het bezit beschreven als de buitenplaats genaamd Overheijde, bestaande uit een herenhuis, koetshuis, stalling, boerenwoning en hooibergen. De bijbehorende percelen land in de omgeving beslaan tussen de 34 en 35 morgen, inclusief 4 à 5 morgen land behorend tot de buitenplaats zelf en 1 morgen 4 hond aspergeland (een morgen is circa 0,85 ha en een hond is eenzesde morgen). Eigenaresse wordt mevrouw Theodora Schrevelius, weduwe van Abraham Keijser, in leven raad en vroedschap van de stad Delft.De familie Van Bergen kan waarschijnlijk worden aangemerkt als de stichter van de buitenplaats. Zij hebben al in 1669 bezit in Monster. Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat welgestelden uit de stad zich een buiten aanschaften in een van de omliggende dorpen om daar hun vrije tijd door te brengen of om er permanent te gaan wonen. Vaak ging het om boerenhofsteden die werden verbouwd en waar omheen een mooie tuin werd aangelegd. Zo is waarschijnlijk ook Overheijde ontstaan. Een bekend voorbeeld in Monster is de buitenplaats Geerbron aan de Herenstraat, die eind 17de eeuw is gesticht door luitenent-admiraal Pieterson.Het is overigens opvallend dat er in het begin van de 18de eeuw al op zo’n grote schaal asperges werden geteeld door de eigenaren van Overheijde of, als de eigenaren dat niet in eigen beheer deden, door de pachters van de bijbehorende landen. De zandige grond in de buurt van de duinen leende zich daar goed voor. Ook luitenant-admiraal Pieterson en latere eigenaren van de buitenplaats Geerbron teelden asperges.In 1729 verkoopt mevrouw Schrevelius Overheijde voor f. 12.750 aan de heer Otto van Cattenburgh, schepen van ’s-Hertogenbosch, raad te Veere en ontvanger. De tuinman van Otto van Cattenburgh betrapt in de herfst van 1737 een zekere Cornelis Meijvogel op het stelen van fruit uit de tuin van Overheijde. De dader weet te ontsnappen, maar wordt enkele jaren later opgepakt en in de toren van de kerk gevangen gezet. Hij wordt veroordeeld tot openbare geseling en vervolgens voor eeuwig verbannen uit Holland en Westfriesland. Een ander voorval dat de geschiedenis aan ons heeft overgeleverd, doet zich voor in 1783. Het gemeentebestuur looft dan een premie van f. 100 uit aan degene die de dader weet aan te wijzen van een inbraakpoging in de buitenplaats Overheijde. De dader heeft geprobeerd binnen te komen door aan de achterkant een raam te forceren. Overheijde werd in die jaren bewoond door oud-burgemeester Van der Crap van Brielle.Verbouwing Overheijde in 1907Wanneer Overheijde is getransformeerd tot logement en herberg is niet precies bekend, maar dat moet in het begin van de 19de eeuw zijn geweest. Op 28 juni 1824 plaatst S.A. Overgaauw, kastelein in logement Overheijde, een advertentie in de ’s-Gravenhaagsche Courant, waarin hij zijn alleszins ruim en wel gesitueerd logement aanbeveelt tot het ontvangen van alle fatsoenlijke gezelschappen. Met zijn advertentie probeert hij vooral bezoekers uit Den Haag te trekken. Hij wijst op de onlangs nieuw aangelegde straatweg tussen Loosduinen en Monster. Die heeft de ‘volmaaktste gelegenheid geopend om ook dit gedeelte vann het schoone Westland te zien, waarvan deze plaats door deszelfs vruchtbare situatie en maar slechts 10 minuten afstand van zee eene zeer aangename variatie oplevert.’ Later is jarenlang de familie Hersbach uitbater geweest. Al in 1851 zijn ze een begrip in Monster. Dat blijkt uit een lang gedicht dat Gerard Herckenrath, zoon van burgemeester Leon Herckenrath, in 1851 schreef en in Leiden liet publiceren. Het heet ‘Herinnering aan de laatste zomerdagen van 1851 te Geerbron’. Daarin komt een passage voor, waarin de kermis van Monster wordt beschreven.‘t Was kermis te Monster; en boer en boerin,De pret in het hoofd en plezierig van zin,Uit ’t Westland te zamen geloopen,Stoof dansend en springend gepaard langs de baanEn pikten een graantje, en leiden eens aan,Om koek bij de kramers te koopen;De mannen in ‘t zwart en de vrouwen in ‘t wit,Door ‘t edele vocht van God BACCHUS verhit,Drong beurtlings van STORM naar VAN PAASSEN,Of zongen bij HERSBACH van Jan Tourlejour!En ligtten de beenen daarbij van de vloer,Als poppen van Vader Jan Klaassen.In 1890 wordt Overheijde overgenomen door Piet Goemans. Zijn hoogbejaarde dochter Anna had in 1990 en in 1994 enkele gesprekken met leden van de werkgroep Oud-Monster. Ze vertelde dat er altijd hard gewerkt moest worden. Zo kwam het voor dat er ‘s ochtends een koffiemaaltijd werd gehouden in verband met een begrafenis en dat direct daarna alles weer in gereedheid moest worden gebracht voor een bruiloft. Een bekend gezegde in het gezin Goemans was: ‘opa is dood, krijgen we heerlijk krentenbrood’.In 1894 krijgt Overheijde toestemming zich ‘Bondshotel’ te noemen. De ANWB, toen nog echt een fietsersbond want auto’s waren nog in geen velden of wegen te bekennen, was in 1884 gestart met het keuren van overnachtingsmogelijkheden voor fietsers. Om het predicaat ‘Bondshotel’ te mogen voeren, moest worden voldaan aan kwaliteitseisen als een wc en een badkamer in het hotel en voorzieningen voor was- en scheerwater op elke kamer. Leden van de ANWB konden in deze hotels tegen een gereduceerde prijs logeren en kregen er vaak korting op maaltijden en wijnen. Volgens een mededeling in het bondsblad De Kampioen (ook toen al) kostte een overnachting in Overheijde met ontbijt f. 1,25, een diner zonder wijn f. 1,- en een diner met een halve fles wijn f. 1,65. Het predicaat ‘Bondshotel’ pronkt nog steeds op de zijgevel van het huidige pand. De kaaskelder van het voormalige boerderijgedeelte van Overheijde is jarenlang in gebruik geweest als opslagruimte voor de drankvoorraad. Rond 1913 wordt in Monster een elektriciteitcentrale gebouwd. De gelagkamer van Goemans was een van de eerste gelegenheden die elektrische verlichting hadden. Veel mensen, ook niet-klanten, kwamen kijken, hetgeen uiteraard een gunstige invloed op de omzet had. Meerdere keren per avond werd de knop omgedraaid om te laten zien hoe snel het dan na inschakeling van de elektriciteit weer licht werd. Deze nieuwigheid was in het begin niet zonder storingen. Daarom werden bij bruiloften uit voorzorg zes petroleumlampen in de keuken brandend gehouden.Overheijde rond 1920, voor de aanleg van de Dr. v.d. Brinkstraat.De eerste veilingen van groente en fruit in Monster zijn gehouden op het biljart in de gelagkamer van Overheijde. Er werd dan een plank over het biljart gelegd. De uitbetaling vond ter plekke plaats door de betaalmeester. Dat was volgens Anna reuze gezellig, zeker wanneer je dat met tegenwoordig vergelijkt nu alles via de bank gaat. Het sluisgeld van Delfland werd eveneens in Overheijde geïncasseerd en ook het ijken van de gewichten vond er van tijd tot tijd plaats. Voor het innen van het sluisgeld zat er een dag of een ochtend een kassier van Delfland in de gelagkamer.In 1907 wordt café Overheijde ingrijpend verbouwd door aannemer Linus Franke. Bij die gelegenheid kreeg het pand een nieuwe voorgevel en werd er een verdieping opgezet. Op de foto die tijdens de verbouwing is gemaakt, is goed te zien dat de Westlandse stoomtram vlak langs de gevel door de Choorstraat reed. Bij de verbouwing van Overheijde moesten de steigers dan ook zodanig worden aangebracht dat de tram er onderdoor kon rijden.Als het café te klein wordt om er veiling te houden laat Goemans in de tuin achter Overheijde een gebouw neerzetten waar in het vervolg geveild kon worden. Dat gebouw stond ongeveer op de plaats waar rond 1928 de Dr. van den Brinkstraat is gekomen.Na het overlijden van zijn vrouw in 1927 verkoopt Piet Goemans Overheijde aan de gemeente Monster. Goemans ging met zijn dochter Anna rentenieren. (van de verzopen centjes, volgens Anna). De gemeente gebruikte aan de zijkant een stuk van de tuin van Overheijde om de Dr. van den Brinkstraat aan te leggen. Daarna werd Overheijde min of meer als belegging gekocht door de uit Den Haag afkomstige Piet Janssen. Eind 1928 werd de uit Veur afkomstige familie Van Wissen de nieuwe exploitant van Overheijde. Ze huurden de eerste jaren het bedrijf van zwager Piet Janssen. Vader Koos van Wissen en zijn vrouw Cato Janssen hadden elf kinderen. Aanvankelijk hadden ze een boerderij in Veur, maar na een aantal jaren van tegenslag waagden ze in 1928 de overstap naar Monster. Na het overlijden van vader Van Wissen in 1949 wordt het bedrijf voortgezet door de dochters Riet en To. In 1965 verkopen ze Overheijde aan brouwerij De Drie Hoefijzers uit Breda.De speeltuin van Overheijde.In Overheijde zijn jarenlang twee sociëteiten geweest. Dat waren gezelligheidsverenigingen, waarvan de leden wekelijks bij elkaar kwamen om een kaartje te leggen of te biljarten. Op dinsdagavond was er de katholieke ‘soos’ en op donderdagavond de algemene. Van beide sociëteiten waren alleen mannen lid. Eens per jaar in de vastenavondtijd was er een feestavond, waar ook de vrouwen welkom waren. De ‘soos’ bestond volgens Anna Goemans al in de tijd dat haar familie in het bedrijf zat. Na het vertrek van de familie Van Wissen zijn beide verenigingen al snel ter ziele gegaan.Sinds 1965 is Overheijde enkele keren met uiteenlopend succes van eigenaar en van exploitant gewisseld en hebben diverse verbouwingen plaatsgevonden. De speeltuin achter het bedrijf is op een gegeven moment afzonderlijk verkocht om er enkele woningen te bouwen. Daarmee verdween een stukje groen en nostalgie uit het centrum van Monster. Het is te hopen dat de renovatie van Overheijde snel zijn beslag krijgt en het pand wat van zijn oude uitstraling terugkrijgt.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-MonsterMet dank aan Ron Oosterveer voor het aanreiken van gegevens
Lees meer
Streekhistorie: Het Warenhuis maandag 31 juli 2017 10:10

Streekhistorie: Het Warenhuis

Op 18 juli 2017 is Aad Vijverberg overleden. Aad was een grote deskundige op het gebied van de historische tuinbouw in Nederland. Hij heeft talloze artikelen geschreven over de Westlandse tuinbouw die verschenen zijn in het Historisch Jaarboek Westland. Zijn proefschrift “Glastuinbouw in Ontwikkeling” verscheen in 1996. In 2008 schreef hij de “Canon van de Kassen”, waarin de vijftig belangrijkste ontwikkelingen en uitvindingen in de tuinbouw werden behandeld. Als eerbetoon aan Aad Vijverberg licht ik twee onderwerpen uit de ‘Canon van de Kassen’ over het zogenaamde warenhuis. Dit warenhuis is een Westlands/Loosduinse uitvinding en is nog steeds het basistype van de wereldwijde glastuinbouw. Het warenhuisEen tuinder was – en is – altijd op zoek naar goedkope oplossingen. Dat gold ook voor de Loosduinse tuinders anno 1906. De Loosduinse tuinbouw was toen gekenmerkt door twee dingen. Loosduinen was in die jaren een van de belangrijkste centra van de teelt onder platglas. De komst van de eenruiter hadden de Loosduiners aangegrepen om hun glasareaal flink uit te breiden. Na de omgeving van Amsterdam vormde Loosduinen het belangrijkste glastuinbouwgebied. In 1903/1904 waren hier de eerste komkommerkasjes gebouwd naar Engels voorbeeld. Deze dure bouwsels kon niet elke tuinder zich permitteren. Een inventieve tuinder kwam op het idee om het platglas omhoog te brengen. Een onderbouw van houten palen met een houten goot en een dek van eenruiters. In hetzelfde jaar was in Den Haag een groot warenhuis gebouwd in de Spuistraat. Dit warenhuis had een glazen koepel waardoor alle etages (4) voorzien werden van daglicht. De overeenkomst tussen beide bouwwerken gaf aan de nieuwe kas zijn naam: warenhuis. Het grote voordeel van het warenhuis was de hoogte. Onder platglas kon men alleen laagblijvende gewassen telen als komkommers, sla, andijvie, peen en bloemkool. Tomaten toen ‘Pomme d’Amour’ geheten waren in opkomst en die konden in dit primitieve warenhuis goed geteeld worden. Een belangrijke verbetering in het warenhuis was de ijzeren goot. Hiervoor werd het profiel gebruikt dat men kende van de dwarsliggers van het smalspoor. Het warenhuis werd meestal alleen in het voorjaar en de zomer gebruikt. In de herfst en de winter werden de ramen afgenomen om de ‘natuur’ op de grond te laten inwerken. De ramen werden dan elders op het bedrijf gebruikt als platglas. De noodzaak om ‘de natuur te laten inwerken’ op de kasgrond was bekend. Men wist ook dat de problemen op opdrachtige gronden (van nature vochtige gronden als veen en kleigrond) geringer waren dan op niet opdrachtige, droge gronden als zandgrond. Dit leidde ertoe dat tijdens de eerste wereldoorlog (1914-1918) tuinders een drainage systeem in hun kas aanlegden om vanuit de ondergrond water te infiltreren. Op die manier trachten zij het effect van de ‘opdrachtigheid’ te versterken. Een methode, zo schreef de tuinbouwconsulent Wiersma in 1918, die men op zand-, zavel- en zelfs vrij zware kleigronden meer en meer begint toe te passen en vrijwel algemeen is men er uiterst voldaan over. In 1932 ontdekte men de reden waarom ‘de natuur moest inwerken’. Het bleek de verzilting van de kasgrond te zijn. Het infiltreren was dus niet de oplossing maar het doorspoelen loste het probleem op. Doorspoelen in combinatie met drainage maakte het mogelijk de in de bovengrond aanwezige zouten af te voeren. Het warenhuis had als kas twee grote beperkingen, namelijk de geringe lichtdoorlatendheid en de vele kieren. Beide problemen zijn sterk verbeterd met de komst van het venlowarenhuis. Het VenlowarenhuisDe motoren achter de ontwikkeling van de kassenbouw zijn de lichtdoorlatendheid van het kasdek en de prijs per m2. Hoe meer licht een kas binnenkomt hoe beter. En hoe goedkoper een kas is, hoe beter. Die twee factoren hebben we al gezien bij de ontwikkeling van de eenruiter. De ontwikkeling van de Venlokas illustreert diezelfde gang van zaken. In het boek ‘Kassen en Kassenbouw’ uit 1918 schrijft Wiersma over de problemen van het warenhuis. Hij beschrijft het warmteverlies door de kieren tussen de eenruiters en de vele lekplaatsen die evenveel bronnen voor ziekten zijn. Hij schrijft ‘construeert men het model warenhuis als vaste kas, dan zal de bouw goedkooper zijn, daar men de houten lijsten nu door een roe kan vervangen en dus besparing van materiaal en arbeidsloon krijgt.’ Het idee was er dus al in 1918 maar het zou tot 1928 duren eer de lijst vervangen werd door een roede. De kas werd goedkoper en beter. Goedkoper omdat er minder hout nodig was. Illustratief is ook de eerste naam die men aan die kas gaf: crisiswarenhuis. De kas was beter omdat de lichtdoorlating groter was. Er zaten ook nadelen aan die eerste Venlokassen vast. Doordat de boven- en onderdorpel van de eenruiter verdwenen waren was de kapbreedte niet 3.20 maar 3.00 m breed. Daardoor paste er niet meer vier rijen tomaten in een kap en dat was een bezwaar. De teelt in Venlo vond plaats op hoog ontwaterde gronden. Zoutophoping in de bovengrond was hier dus een onbekend probleem. Het ‘inwerken van de natuur’ zoals we gezien hebben bij het warenhuis was in Venlo niet nodig. Vast glas op de kas betekende daardoor geen probleem. In 1950, 22 jaar na de bouw van de eerste Venlokas schrijven de medewerkers van het proefstation in Naaldwijk een boekje met als titel: ‘Groenteteelt onder glas’. Het idee van de Venlokas is in dit boekje nog niet te vinden. Kennelijk was de Venlokas in Naaldwijk toen nog onbekend. Geheel onbegrijpelijk was dit niet. Vanaf 1931 (begin van de grote crisis) tot 1950 (glas kwam weer beschikbaar voor kassenbouw) had de ontwikkeling van de glastuinbouw stil gelegen. In de jaren vijftig van de vorige eeuw is de breedte van de ruit niet veranderd maar wel de lengte. Ondanks een wat steilere glashelling werd de spantbreedte op 3.20 m gebracht. Pas in 1983 is de volgende, wezenlijke stap op weg naar de verbetering van de Venlokas gezet. Toen kwamen de eerste ruiten met een breedte van 1 m op de markt. Ook deze verbetering vond plaats op het geëigende recept: goedkoper en beter. De kas was goedkoper omdat het aantal roeden belangrijk afnam. De kas was ook beter omdat er minder schaduwgevende delen in het dak voorkwamen en er dus meer licht in de kas kwam. Daarnaast telde ook dat er minder koudebruggen in het dek voorkwamen en er dus minder warmteverlies optrad.Auteurs: Ton Immerzeel van het Westlands Museum en Aad Vijverberg
Lees meer
Streekhistorie: Een nieuw winkelcentrum in 's-Gravenzande maandag 24 juli 2017 09:09

Streekhistorie: Een nieuw winkelcentrum in 's-Gravenzande

Al in de vorige eeuw werd er gesproken over een nieuw winkelcentrum in ’s-Gravenzande ter vervanging van het oude winkelcentrum “De Koningswerf” dat verouderd was en kampte met leegstand. De eerste plannen bleken niet haalbaar en uiteindelijk is er een eenvoudiger plan opgesteld. Dit plan is ontworpen door de ontwikkelingscombinatie “Hart van ’s-Gravenzande”, een onderneming van gebiedsontwikkelaar BPD Ontwikkeling. Het nieuwe winkelcentrum ligt tussen de Langestraat, de Pompe van Meerdervoortstraat en het Marktplein. In de nieuwbouw is een nieuwe winkelstraat opgenomen waaraan twee supermarkten liggen en een groot aantal winkels waarvan er al enkele een bestemming hebben gekregen. Voor winkelend publiek en bewoners is er een groot parkeerdak voor 300 auto’s. Boven een deel van de winkels is een groot aantal appartementen gebouwd. Het totale project beslaat ongeveer 9.000 m2 aan nieuwe en gerenoveerde winkelruimten. De nieuwbouw bestaat voor een groot deel uit hoogbouw, ook aan de kant van het Marktplein, hierdoor is het aanzien van het centrum van ‘s-Gravenzande ingrijpend veranderd. Voor de nieuwe Graaf Willem II-straat werd het grootste deel van de Rabo-bank afgebrokenHet nieuwe winkelgebied Hart van ‘s-Gravenzande werd op vrijdag 9 juni 2017 om 16.00 uur officieel geopend door wethouder Duijvestijn van de gemeente Westland. Hij gaf samen met de winkeliers het startsein voor een feestelijke openingsweek in de nieuwe Graaf Willem II-straat. Deze straat loopt vanaf het Marktplein met aan het eind een afslag naar de Langestraat. ’s-Avonds bleven de winkels tot 10 uur open zodat het publiek kennis kon maken met de reeds gevestigde nieuwe en bestaande winkeliers van het nieuwe winkelgebied. Tijdens deze avondopenstelling was er live muziek en waren er artiesten actief om de belangstellenden te vermaken. Daarna begon een week vol feestelijke activiteiten en aantrekkelijke acties van de winkeliers om de opening van het nieuwe winkelcentrum met het winkelend publiek te vieren. Deze feestweek werd op zaterdag 17 juni afgesloten met een dag in Italiaanse sfeer. Het grootste deel van de nieuwbouw is daarmee afgerond net als de renovatie van bestaande panden aan de Langestraat. Na de sloop van het oude Lidl-pand in de Langestraat wordt gestart met de laatste fase van Hart van ’s-Gravenzande, die volgens de plannen ook zal bestaan uit winkels en appartementen en in september 2018 klaar zal komen. Daarna is het hele plan gerealiseerd. Met de realisatie van dit nieuwe winkelgebied zijn het oude overdekte winkelcentrum “De Koningswerf “ en de winkelgalerij “De Gravenhof” verleden tijd. ’s-Gravenzande opende dus al eens eerder een nieuw winkelcentrum. Na enige jaren intensief overleg met het gemeentebestuur werden door het bouwbedrijf MAB in 1975 plannen gepresenteerd om in het hartje van ’s-Gravenzande een winkelcentrum te bouwen. Volgens de plannen zou de dorpskom verrijkt worden met een prachtige overdekte winkelgalerij, die niet alleen het centrum van de gemeente een voornamer en aantrekkelijker aanzien zou geven, maar die bovendien als trekpleister zou kunnen gaan fungeren voor de hele plaatselijke middenstand. Dit centrum dat de naam “ De Koningswerf” zou dragen zou gebouwd worden op de grote open plek in het dorp die ontstaan was toen het tuinbouwtoeleveringsbedrijf van Brinkman verplaatst was van het Marktplein naar de het oude veilingterrein aan de Woutersweg. Met het nieuwe winkelcentrum zou het versnipperde winkelgebeuren in ’s-Gravenzande meer gecentraliseerd worden tot gemak van de winkelende consument. Ook zou de aantrekkelijkheid van het plaatselijke winkelgebeuren hierdoor op een hoger plan worden gebracht. De zuidzijde van het Markplein met het pakhuis van Brinkman (foto: J.P.A. van Staalduinen)Op 31 oktober 1975 werd de eerste paal voor de nieuwe zogenaamde Moduul-Bazaar “De Koningswerf” geslagen door burgemeester Van Prooijen. In zijn toespraak memoreerde hij dat het van groot belang is dat de aanwezige koopkracht voor de plaatselijke middenstand behouden blijft. Daarvoor is echter een aantrekkelijk winkelbestand met gevarieerde branches en een goed assortiment noodzakelijk. Om dat te kunnen bereiken wordt er door het NIPO een enquête gehouden onder 500 huisvrouwen naar wat zij menen dat er in ’s-Gravenzande nog aan winkels ontbreekt. Hij besluit zijn toespraak met de wens dat hij volgend jaar om deze tijd, wanneer het winkelcentrum klaar is, kan zeggen “hier is iets groots verricht”.Tijdens een voorlichtingsbijeenkomst voor de middenstand in november 1975 deelde burgemeester Van Prooijen mee dat het gemeentebestuur direct besloten had het bestemmingsplan te wijzigen toen het terrein van Brinkman in het centrum vrij kwam. Voorkomen moest worden dat zich op het terrein een kolossaal bouwwerk gevestigd zou worden of grondspeculanten er beslag op zouden leggen. De visie van het gemeentebestuur was dat er hier een aantrekkelijk winkelcentrum moest komen dat trekkracht zal uitoefenen op het kopende publiek. Volgens de plannen zal het koopgebeuren in het nieuwe winkelcentrum zich afspelen onder een glazen overkapping, in een soort passage gebouwd in een y-vorm met drie in/uitgangen. Er zal een ingang komen aan de Langestraat en aan de kant van het Graaf Florisplein en een derde aan het parkeerterrein aan de Pompe van Meerdervoortstraat dat grenst aan drukkerij Sonneveld. Ingangen Langestraat en Graaf Florisplein Er komt in ieder geval een grote supermarkt die vanuit het winkelcentrum te bereiken is. In het centrale punt van het winkelcentrum komt een ruimte waar allerlei culturele en sociale aangelegen kunnen plaatsvinden. Met het bouwbedrijf is afgesproken dat ’s-Gravenzandse middenstanders een voorkeurspositie hebben bij het huren van de nieuwe panden. De huurprijs gaat per m2 f 152,50 per jaar bedragen, exclusief servicekosten. Blijkens een onderzoek is er al een ruime belangstelling voor het nieuwe winkelcentrum, zowel uit deze gemeente als uit Naaldwijk, Maassluis, Den Haag enz. Als het geheel nu verhuurd zou moeten worden zou het al overtekend zijn. Vanuit de middenstand wordt gedacht aan zaken als een goede notenbar, een poelier en een zaak waar de vrouwelijke doe- het-zelver lappen stof kan kopen, knopen en naai- en borduurmaterialen. De in de plannen genoemde vestiging van nog een drogisterij, een bloemenzaak en een doe het zelf-zaak zien de middenstanders niet zitten, deze branches zijn in ’s-Gravenzande al voldoende vertegenwoordigd. Aan het eind van deze bijeenkomst werd ter geruststelling van de middenstanders meegedeeld dat de branchebezetting van de te bouwen winkels nauwlettend zal worden bezien om overbodige concurrentie te voorkomen.Voorlopige plattegrond van het nieuwe winkelcentrum waarop de gegadigden voor het huren van een winkel staan ingetekend enige tijd voor de opening.Een jaar later, op 28 oktober 1976 wordt het nieuwe winkelcentrum “ De Koningswerf” officieel geopend en er wordt 10 dagen lang feest gevierd. ‘s-Gravenzande werd omgetoverd in oosterse sferen, onder de naam “1000 en één nacht in het Westland”. Aan de toegangswegen van het dorp werden grote 5 meter hoge oosterse torens gebouwd. In de belangrijkste winkelstraten werd feestverlichting opgehangen en vlaggen van Nederland, de provincie en de gemeente. Het winkelcentrum werd versierd met bloemen en groen en in de winkels was oosterse muziek te horen en er werden oosterse geuren geventileerd. In het dorp werden mobiles in oosterse stijl opgehangen. Op het Marktplein werd een groot podium opgesteld waarop allerlei muziek en dansoptredens plaats zouden vinden, waaronder een optreden van een Marokkaanse dans- en muziekgroep met een buikdanseres. Ook zou er een oosterse markt gehouden worden waarbij de inwoners onder andere Marokkaanse en Turkse hapjes zouden kunnen proeven en de verrichtingen van een fakir en vuurvreter konden bewonderen. Een baby-kameel met een oosterse begeleider zou door het Westland trekken om overal feestprogramma’s uit te reiken. De kosten van dit alles zouden ruim f 85.000,- bedragen. De gemeenteraad verleende hierin een bijdrage van f 20.000,-. Bij de opening waren alle winkels verhuurd en had ’s-Gravenzande een prachtig overdekt winkelcentrum, uniek in het Westland. Auteur: Jan Dahmeijer, Historische Werkgroep Oud ‘s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: De vaas van ‘s-Gravenzande maandag 17 juli 2017 08:08

Streekhistorie: De vaas van ‘s-Gravenzande

In 1913 werd feestelijk herdacht dat Nederland 100 jaar geleden onafhankelijk werd. Vlaggen, erepoorten, versierde straten en optochten. Ook in 's-Gravenzande is groots feest gevierd. En de mensen waren zo enthousiast dat ze na afloop van het feest besloten een "gedenkteken" op te richten ter herinnering aan 100 jaar onafhankelijkheid. Het Comité onafhankelijkheidsfeest had nog wat geld over en stelde het College van B&W van 's-Gravenzande voor om bij de muziektent op het marktplein een gedenkteken te plaatsen. Het College zag dat wel zitten, maar had toestemming van de gemeenteraad nodig om geld beschik-baar te kunnen stellen voor het ombouwen van het hekwerk rond de muziektent (kosten f 170,-). De gemeenteraad was verdeeld. Wat moest zo'n klein dorp met zo'n potsierlijk monument? Waarom werd dat niet in Scheveningen neergezet? Daar was de prins van Oranje toch aan land gekomen. En was het niet zonde van het geld? Enfin, de Raad besliste uiteindelijk positief. Het Comité, dat er op gerekend had zelf de kosten voor het ombouwen van het hekwerk te moeten dragen besloot in te gaan op het voorstel van het College van B&W. Besloten werd geen vaas in gegoten zink maar een hardstenen vaas te laten maken. De gemeente stelde geld beschikbaar om bovenin de vaas verse planten te zetten. Op 17 november 1913 werd de vaas onthuld en overgedragen aan het gemeentebestuur. De heer B. Boers hield namens de feestcommissie een toespraak waarin hij meldde dat men van mening was dat er iets gedaan moest worden "opdat bij het nageslacht in herinnering zou blijven de feestvreugde, welke hier geheerscht heeft over de vrijheid die wij thans genieten". Hij voegde daar nog aan toe dat hij hoopte dat de vaas ook door het nageslacht in ere zou worden gehouden (wat helaas een ijdele hoop bleek). Burgemeester Brunt van ’s-Gravenzande nam de vaas in ontvangst. “Ik verblijd mij in de oprichting van dit stuk omdat het ons en volgende geslachten niet alleen zal bepalen bij hetgeen in dit jaar is geschied , maar meer nog in het bijzonder wat er nu 100 jaar geleden is voorgevallen.” Brunt had geen hoge pet op van het historisch besef van de Westlanders. Zo zei hij: “Helaas wordt de schoone geschiedenis des vaderlands nog onvoldoende verstaan en daardoor te weinig begrepen, op wat wondere wijze Nederland eenmaal in de rij der volken is teruggebracht. Alleen door de kennis van het verleden zal ons volk de verworven vrijheid leeren waarderen en zich deze waardig maken, en tegelijk ook, immer klaar staan om die vrijheid te bewaren, waar deze ook bedreigd of aan banden gelegd wordt.” En hij heeft gelijk gekregen. Lang heeft de "vaas" niet op het Marktplein gestaan. Toen, kort na de Tweede Wereldoorlog, de muziektent op het plein gesloopt werd, werd de vaas verplaatst naar de westmuur van het postkantoor, vlak voor het urinoir (!). En toen ook het postkantoor gesloopt werd, moest hij worden verplaatst naar achter de dorpskerk. Inmiddels staat hij, in goed gezelschap van het oorlogsmonument, in het plantsoen achter de dorpskerk op de hoek van de Gasthuislaan en de Vreeburghlaan. Auteur: Jan Buskes van Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: Kwintsheul zestig jaar grenzenloos maandag 10 juli 2017 12:12

Streekhistorie: Kwintsheul zestig jaar grenzenloos

Twee weken geleden werd herdacht en gevierd dat de gemeentegrenzen die Kwintsheul verdeelden werden gewijzigd. Tijdens de bijeenkomst in het centrum van het dorp nam de voorzitter van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul de toehoorders mee door de rijke geschiedenis van Kwintsheul. Hier is zijn verhaal. Beste Heulenaars, Vandaag, 1 juli 2017, is het zestig jaar geleden dat Kwintsheul als dorp binnen één gemeente is komen te liggen. Voor die tijd was Kwintsheul één gemeenschap. Als voorbeeld de Harmonie van Gregorius, die ons vandaag voorging. Deze bestaat dit jaar al negentig jaar. Kwintsheul was voor 1600 nog geen dorp. Er waren enkele boerderijen. Grenzen werden gevormd door eigendommen van kloosters en landheren. Zo liep in de veertiende eeuw het land van de Abdij van Loosduinen tot aan de Kerkstraat, waar toen een Uithof - een boerderij van de Abdij - lag. Pas in de zeventiende, de Gouden Eeuw, ontwikkelde zich een buurtschap op het kruispunt van de weg Wateringen-Naaldwijk en de Holle en Lange Watering onder andere doordat ook veel weideland werd omgezet in boomgaarden. Kwintsheul wilde wel één zijn, maar tot de Franse revolutie had het volk niet veel te vertellen. Maar in 1798 en 1812 werd al over het 'grenzenprobleem' van Kwintsheul gesproken. In 1828 werd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland al gevraagd of het niet zinvol was Kwintsheul 'te verenigen met een gemeente' om te komen tot vermindering van administratieve kosten voor de ingezetenen. Men had problemen met de lange afstand naar Monster, de armenzorg en armenkassen, het onderwijs, de diverse belastingen, het kerkbezoek, de begraafplaatsen, de veldwachters, de brandweer etc. In het jaar 1825 werden zes lantaarnpalen in Kwintsheul geplaatst, waarvan Wateringen en Monster ieder de helft betaalden. In 1843 deed de gemeente Wateringen een voorstel aan gemeente Monster om het gedeelte van Monster ten oosten van de Hollewatering tegen een billijke schadevergoeding burgerlijk onder Wateringen te brengen. Dat viel niet in goede aarde bij Monster. In 1850 diende de gemeenteraad van Wateringen mede met steun van grote grondeigenaren een rekest in om het Monsterse deel van Kwintsheul naar gemeente Wateringen te halen, wat ook toen niet lukte. In 1914 werd door 64 ingezetenen van Monster, behorende bij het kerkdorp Kwintsheul, aan het college van Wateringen gevraagd te zorgen dat het Monsterse deel door een annexatie bij gemeente Wateringen gevoegd werd. Een voorstel met tekening ging in 1915 naar Gedeputeerde Staten met de uitnodiging een grenswijziging te ontwerpen. Maar Monster wilde hier weer niet aan meewerken. Grenspaal op de grens van de gemeenten Naaldwijk en Wateringen (foto: Historisch Archief Westland) In de jaren twintig richtte Kwintsheul een eigen, soort dubbele, gemeenteraad op i.v.m. de totstandkoming van een ongedeeld Kwintsheul. In 1939 kwamen bij de Provincie de Westlandse burgemeesters van de gemeenten Monster, Naaldwijk en Wateringen op bezoek om de ideeën over de annexaties voor één Kwintsheul toe te lichten. Burgemeester A.J. Verhoeven (Wateringen) hield daar een pleidooi voor: de strijd van 150 jaar moet nu geregeld worden. Naaldwijk had geen echte bezwaren tegen annexatie. Burgemeester G.W. Kampschöer van Monster wenste geen afstand te doen van gronden en verzette zich met kracht, ook financieel. Latere aanjagers voor één Kwintsheul waren met name Piet Vis, burgemeester M.P.A. Meissen en Jan van Vree.In de nieuwjaarsredes in 1956 en bij vergaderingen van Gedeputeerde Staten ging men al in op de komende grenswijziging in het Westland. De raad van Wateringen stelde dat één bestuurlijke gemeente voor Kwintsheul noodzaak is: 95% van de Monsterse Heulenaars is voor overgang. En de Heulse tuinders zeiden: "tijd is geld”. Maar de raad van Monster verzette zich tegen 'eigendomsoverdracht' en stelde dat 'een sportvereniging in zo’n kleine gemeenschap toch niet levensvatbaar is' (we weten nu wel beter met Quintus). De Monsterse raad verwierp het voorstel met 2 leden voor en 13 tegen. De Naaldwijkse burgemeester Hoogenboom wilde wel meewerken om die vreemde toestand in Kwintsheul te beëindigen, maar Wateringen moest niet te veel grond vragen.De Tweede Kamer nam in februari 1957 uiteindelijk de beslissing over een aantal grenswijzigingen waaronder begrepen dat Kwintsheul per 1 juli 1957 onder één gemeente (Wateringen) zou vallen. Burgemeester Hoogenboom sprak de legendarische woorden: "De Heulenaars waren te vergelijken met dorstige woestijnreizigers, die in een fata morgana het zo begeerde drinkwater menen te zullen vinden, doch in werkelijkheid deze lafenis niet krijgen". 2017-07-01 kwintsheul 60 jaar grenzenloos (foto: Historische Werkgroep OWK)Monster nam met deemoed afscheid van zijn gronden en inwoners. En de Wateringse (en nu ook Heulse) burgemeester Meissen heette de nieuwe inwoners van harte welkom binnen de gemeente. Een strijd van anderhalve eeuw was geëindigd in de eenheid van Kwintsheul. Op 1 juli 1957 werd 125 hectare grond met 372 inwoners uit Naaldwijk en 928 inwoners uit Monster toegevoegd aan de gemeente Wateringen. Daar hadden de Heulenaars zo’n 150 jaar voor gevochten. En dat werd in 1957 gevierd met het Oranjecomité en Harmonie voorop! Hoera!De Heulenaars waren toen al één in de organisatie van een aantal zaken, zoals1870 de bouw van een houten Hulpkerk 1906 vergunning voor bouw Heulse groenteveiling 1910 eerstesteenlegging katholieke jongensschool (Andreasschool in Wateringen)1916 bouw van het Mariagesticht voor ouderen (in Monster)1925 eerstesteenlegging katholieke meisjesschool (Theresia van Avilaschool in Monster)Rede van Chris Batist uitgesproken bij het zestigjarige "één zijn" van Kwintsheul. De herdenking is mogelijk gemaakt door Fonds Westland in het kader van De Glazen Pluim.
Lees meer
Streekhistorie: Jan Emmens wint cultuurprijs maandag 3 juli 2017 12:12

Streekhistorie: Jan Emmens wint cultuurprijs

Veertig jaar geleden werd de prijs van de Culturele Raad van Zuid-Holland toegekend aan Jan Emmens. Hij was toen 80 jaar. Emmens was geen Westlander van geboorte, maar wel een echte Westland-kenner die veel voor de streek en met name voor Honselersdijk en Naaldwijk betekend heeft. “Niemand in deze streek is zo op de hoogte van de wordingsgeschiedenis, de geschiedenis van de bedijking en drooglegging, van de buitenplaatsen, de fruitteelt, de tuinbouw en de sociale en economische ontwikkeling van het Westland als de heer Emmens. Zijn fabelachtige topografische kennis heeft hij zich niet alleen verworven door literatuurstudie, maar vooral ook door eigen onderzoek, door heldere observatie van wat hij zag, zwervend langs oude dijken en wegen, en door kritisch en nuchter verstand.” Aldus het jury-rapport van de Culturele Raad.Wie was Jan Emmens?Jan Emmens (1897-1988) werd geboren in het Drentse Rolde als zoon van Willem Emmens, hoofdonderwijzer en leraar aan de Rijkslandbouwwinterschool, en zijn vrouw Hendrikje Mulder. Na de u.l.o. en de Rijkslandbouwwinterschool te Zutphen ging hij 18-jarige werken op de tuinen van Velders op Klein-Zwitserland in Den Haag. De frisse lucht aan de kust zou beter zijn voor zijn gezondheid. Vier jaar laten vestigde hij zich in Naaldwijk waar hij in 1925 zelfstandig tuinder werd. Emmens trouwde in 1930 in Naaldwijk met Geertje Klinkenberg, met wie hij een zoon en een dochter zou krijgen.PoliticusIn Naaldwijk startte ook zijn carrière bij de S.D.A.P. (de voorloper van de PvdA.) Tot 1970 is hij voor deze partij actief geweest. In de niet bepaald socialistische gemeente Naaldwijk was hij lange tijd raadslid voor de sociaaldemocraten en invloedrijk wethouder na de oorlog. Hij was van 1927 tot 1941 raadslid, en na de oorlog ook lid van de tijdelijke gemeenteraad. Op 9 november 1945 werd hij benoemd tot wethouder van onder andere Onderwijs en Huisvesting, wat hij acht jaar zou blijven. Ondertussen was hij gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Hier hield hij zich van 1948 tot 1952 bezig met landbouw, visserij en waterstaat. Na vier jaar werd Emmens niet herkozen, maar hij was intussen wel lid geworden van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Na een onderbreking tussen 1953 en 1962 keerde hij ook weer terug als wethouder van Naaldwijk, nu voor financiën en sport. Hij zou dat blijven tot 1970, toen hij op 72-jarige leeftijd de politiek uiteindelijk vaarwel zei.Amateur-archeoloogEmmens was een veelzijdige en ambitieuze man met daarnaast een passie voor de historie. “Reeds in zijn jonge jeugd in Drenthe wekten de bodemvondsten, die zijn grootvader tijdens zijn agrarische werkzaamheden deed, zijn belangstelling. De verwondering over en nieuwsgierigheid naar zijn medemens en diens strijd om het bestaan heeft hem nooit meer losgelaten. Archeologie werd voor hem, zoals hij dat uitdrukt: “het lezen van het Boek van Moeder Aarde; een bezigheid, die met uiterste voorzichtigheid dient te geschieden, want elke bladzijde wordt na lezing vernietigd.” Deze eerbied en zorg legde hij aan de dag in eigen archeologisch onderzoek. In het Westland vervulde hij pioniersarbeid op dit terrein. Aankomende amateur-archeologen en -historici van thans kunnen terugvallen op vele boeken, gidsen en handleidingen en kunnen deelnemen aan werkgroepen en excursies. In de tijd dat de Jan Emmens zijn arbeid verrichtte, lag dat minder eenvoudig. Ook in dit licht dient zijn arbeid te worden beoordeeld. Volharding, liefde voor zijn grond en eerbied voor het verleden hebben hem gesteund op de weg van zelfstudie, bij het leggen van de noodzakelijke contacten en in het pionieren in een mentaal niemandsland.” aldus het jury-rapport.Deze volhardende instelling kwam ook tot uiting in zijn activiteiten als correspondent van het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort. Jarenlang doorkruiste hij wekelijks op de fiets en later per scooter het Westland om overal waar hij bouwactiviteiten signaleerde poolshoogte te nemen, deze aan het ROB te melden, en bij de architect en uitvoerders tot voorzichtigheid en begrip te manen. BeschermerVanaf 1935 als bestuurslid van de Historische Vereniging Oud-Naaldwijk en later als voorzitter van Genootschap Oud-Westland, maar ook als Wethouder van Naaldwijk, heeft hij zich zeer ingespannen voor het behoud van historisch dorpsschoon, voor monumentenrestauraties en landschapsbescherming.Daarmee heeft hij het, volgens de jury, niet eenvoudig gehad: “De – historisch wellicht begrijpelijke- naar materialisme neigende instelling van de Westlanders vormde niet de meest vruchtbare bodem, die men zich wensen kan. Dat hij er juist in deze omstandigheid in is geslaagd een grote bijdrage te leveren aan onder meer het behoud en restauratie van historische monumenten in het Westland maakt zijn verdiensten des te lofwaardiger.”Voor Honselersdijk heeft hij middels een heftig betoog de gemeenteraad zover gekregen dat zij de ontbrekende gelden voor de restauratie van de Nederhof vrijgemaakt hebben, zodat dit laatste restant van het ooit befaamde paleis Honselaarsdijk tot op de dag van vandaag de herinnering aan de oude allure levend houdt.“Het werk van een historische genootschap naar buiten heeft geen enkele zin als het niet mede dienstbaar gemaakt kan worden aan, of liever, ingepast kan worden in een actieve cultuurpolitiek” aldus de voorzitter van het Genootschap Oud-Westland, Jan Emmens, in het jaarverslag 1965-67.Inspirator voor de jeugdIn woord en schrift was Emmens een inspirerende verteller. Hij gaf rondleidingen in het Gemeentemuseum Naaldwijk, gaf lezingen aan zeer uiteenlopende groepen: scholieren, huisvrouwen, padvinders, tuinbouwkundige ingenieurs, onderwijzers, voor volksuniversiteiten, bejaardenbonden, historische verenigingen en historische werkgroepen. Ook hielp hij scholieren bij het maken van werkstukken en scripties over het Westland.In samenwerking met de VVV en de gemeente organiseerde hij een jeugdquiz, “Ken je Naaldwijk”, wat vervolgens ook in het programmaboekje van de toeristische Oogstfeesten opgenomen werd. PR-manAl deze voorlichtende activiteiten deed hij in een taal, die “de gewone man” aansprak, helder en eenvoudig. In deze taal schreef hij ook vele artikelen in de streekpers. Emmens was tevens handig in het inbedden van activiteiten van het Genootschap Oud-Westland in andere evenementen, die veel publiek trokken. Zo leverden de jaarlijkse Oogstfeesten duizenden bezoekers voor de tentoonstellingen en het museum. Samen met zijn zoon, die voorzitter was van de Westlandse Amateurfotografenvereniging, organiseerde hij in 1963 een fototentoonstelling waarin oude en nieuwe dorpsgezichten tegenover elkaar geplaatst werden.VerzamelaarEmmens heeft in de loop der jaren enorm veel historische gegevens en voorwerpen verzameld. De voorwerpen vonden een plaats in het Westlands Streekmuseum, waarvoor hij zich altijd enorm heeft ingezet. Hij was beheerder van het museum dat indertijd in de kapel van het Heilige Geesthofje gehuisvest was en later naar de Middel Broekweg verhuisde.De grote verzameling historische gegevens, oude ansichten en foto’s over de gemeente Naaldwijk die Emmens aangelegd had, zijn opgenomen in het historisch archief. Alleen al op basis van deze verzameling zou hij postuum geëerd moeten worden. Auteur: Jolanda Faber, Historische vereniging Naaldwijk-HonselersdijkBronvermelding:- Juryrapport Culturele Raad Zuid-Holland- Gemeente Naaldwijk 120 jaar in beeld, 1994, G. Beijer en G.J.M. de Vreede - Archief Jan Emmens in Historisch Archief Westland- Foto’s: Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: Dr. Salomon Diamant, huisarts te Hoek van Holland maandag 26 juni 2017 09:09

Streekhistorie: Dr. Salomon Diamant, huisarts te Hoek van Holland

Dit is het verhaal van een markante Hoekse inwoner, een huisarts die, ondanks het feit dat hij maar kort in het dorp werkzaam was, toch een onuitwisbare indruk heeft achter gelaten. In de nieuwe wijk L’Avenue wordt hij herdacht met een laan die naar hem is vernoemd. Aanvankelijk werd de huisartsen praktijk in het kleine en armlastige buurtschap Hoek van Holland, gemeente ’s-Gravenzande, uitgeoefend door de ‘s-Gravenzandse huisartsen Van Arkel en Ten Cate. Zij kwamen met hun koetsje uit ’s-Gravenzande. Dr. Ten Cate was ook arts voor de militairen in het fort. Indien men daar een arts nodig had was er aan het hek een blauw vlaggetje bevestigd. Had men de arts plotseling nodig dan stuurde men een ordonnans naar zijn woning.De eerste arts die zich in het groeiende buurtschap Hoek van Holland, gemeente ’s-Gravenzande als huisarts vestigde was dokter Wolterson. Hij begon als jonge, net afgestudeerde arts op 30 juni 1904 zijn praktijk. De ’s-Gravenzandse artsen hielden echter ook hun praktijken aan te Hoek van Holland. Waarschijnlijk hierdoor vertrok Wolterson eind 1906 alweer uit de Hoek. Hij werd opgevolgd door dokter C.A.L. Quant die zich op 6 februari 1906 vestigde. Ook dit was geen succes want hij ging al op 21 februari 1906 weg. Diezelfde dag arriveerde de 24 jaar oude dokter Salomon Diamant te Hoek van Holland. Ook hij was net afgestudeerd en wel aan de Universiteit van Amsterdam. Hij betrok een woning aan de Rietdijkstraat 76. Kort na zijn vestiging, op 19 november 1906, trouwde hij te Amsterdam met Maartje Pauline de Vries (Martha) Op 7 februari 1908 werd hun dochter Cato Paulina Martha geboren. Hij zou vier jaar in Hoek van Holland blijven wonen en werken en richtte een bloeiende huisartsenpraktijk op. Hij werd bekend door zijn grote inzet en hulp aan de weinige overlevende van de ramp met het ss. Berlin op 21 februari 1907.De woning van dokter Diamant lag in hetzelfde rijtje als Hotel Amerika. Het was een dubbel pand waarin woning, praktijk en apotheek waren gevestigd. Naast het pand bevond zich een lange open gang, tussen twee woningen, waar zich achterin de apotheek bevond. Die gang kon worden gesloten met een dubbele deur. Voor, in die tussengang, stond het koetsje van de dokter gestald. Men betrad de woning door een grote vestibule waarna men via een brede trap op de eerste verdieping in de woonkamer kwam. Via een brede overloop kwam men vervolgens aan de achterzijde bij een slaapkamer met balkon. Verder was er een lange zijgang die naar de keuken leidde. In die gang was een diepe kast. Op de tweede etage waren aan de achterzijde twee slaapkamers, een grote overloop en aan de voorzijde een heel grote slaapkamer. Het huis had een plat dak.Rietdijkstraat, collectie H. v.d.Lugt.Kort nadat de dokter met zijn werkzaamheden was begonnen waarschuwde een aantal patiënten hem dat er met regelmaat scheepsstrandingen plaats vonden bij Hoek van Holland. Hoe waar deze waarschuwingen waren bleek al na één jaar. In de nacht van 21 februari 1907 te 06.00 uur, tijdens hevige noordwester storm en sneeuwjacht, liep de veerboot uit Harwich het ss. Berlin op de kop van de Noorderpier. Van de 144 opvarenden overleefde 129 personen de scheepsramp niet. Aan boord waren veel passagiers met de Duitse nationaliteit, onder andere een bekend operagezelschap. Dokter Diamant was die ochtend al vroeg op pad. Hij was om vijf uur bij een patiënt geweest en was onderweg naar huis, toen hij hoorde dat de Harwichboot nog niet binnen was. Dat was ongewoon want de veerboot was altijd op tijd. Kort daarna hoorde hij dat de Berlin op de pier zat en kon de dokter direct aan de slag. De eerste lijken spoelde al snel aan. De grote loods van de Holland Amerika Lijn werd ingericht als mortuarium. Hier werden de lichamen van de omgekomen opvarenden opgebaard.Wrak van de Berlin, collectie H. v.d.LugtDokter Diamant richtte onmiddellijk een noodhospitaal in, in hotel America. Hier werden de overlevenden naar toe gebracht en werden zij met grote inzet door hem, samen met zijn vrouw en andere bewoners van de Hoek opgevangen en medisch verzorgd. Ook werd onder zijn leiding kleding en dekens ingezameld onder de bewoners van Hoek van Holland. De zeven mannen en zes vrouwen werden ondergebracht in vier grote kamers op de eerste verdieping van het hotel. Hier werden zij verpleegd door dokter Diamant samen met artsen en verpleegsters uit ’s-Gravenzande, Rotterdam en hospitaalsoldaten uit het pantserfort te Hoek van Holland. Mevrouw Diamant waakte als een moederkloek over de patiënten en op advies van Z.K.H. Prins Hendrik werden de vele journalisten door haar geweerd uit die kamers. Op zijn gezag werden er soldaten van de pantserfortartillerie voor het hotel op wacht gezet.In juli 1907 werd dokter Diamant voor zijn inzet tijdens de ramp met het ss. Berlin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1908 ontving hij voor zijn inzet tijdens de ramp van de Duitse Regering een hoge Duitse onderscheiding. Salomon Diamant had uit de chaotische en ongestructureerde toestand rond de grote scheepsramp zijn lessen getrokken. Een der eerste maatregelen welke hij nam, was de oprichting van de Vereniging voor Eerste Hulp bij Ongelukken bij Scheepsrampen. Deze vereniging bestond onder andere de dames Stolze, IJdo, mejuffrouw Tuijn en de heer C. van Mastrigt. Zij hadden zich ook verdienstelijk hadden gemaakt bij de opvang en verzorging van de drenkelingen van de Berlin. Dokter Diamant werd de voorzitter en tevens de oprichter van de E.H.B.O. te Hoek van Holland. Onder zijn leiding oefende men een aantal uren per week en indien nodig verleende men terplaatse hulp bij ongevallen en de opvang van drenkelingen. Op vrijdag 19 februari 1909 bezocht Z.K.H. Prins Hendrik de nieuwe gebouwen van de Zuid-Hollandsche Redding Mij. te Hoek van Holland. Omstreeks 2 uur ging de Prins naar de Berghaven waar dr. Diamant de leden van de commissie voor eerste Hulp bij Ongelukken bij Scheepsrampen aan hem voorstelde. Hierna begon men, in het bijzijn van de prins, met oefeningen van de reddingsbrigade. Men behandelde vijf gewonde schipbreukelingen met uiteenlopende verwondingen. Na afloop betuigde Z.K.H. aan dr. Diamant zijn hoogste tevredenheid.Echtpaar Diamant, Historisch Archief Westland.Toen Diamant met zijn echtgenote en dochter Cato in 1910 uit Hoek van Holland naar ’s-Hertogenbosch vertrok werd hij opgevolgd door dokter J.F.A. Rijken uit Borselen. Deze nam zijn intrek in de dokterswoning. Door het vertrek van de geliefde huisarts viel het E.H.B.O. groepje uiteen. Het zou tot juli 1916 duren voordat de huidige Hoekse E.H.B.O. werd opgericht. Dat dokter Diamant inmiddels geliefd was in Hoek van Holland bleek uit het volgende stukje in de Westlandsche Courant: “Tot groot leedwezen van vele ingezetenen zal dr. S. Diamant, geneesheer alhier, ons binnenkort gaan verlaten en zich te ’s-Hertogenbosch vestigen”.In ’s-Hertogenbosch bouwde dokter Diamant weer een bloeiende huisartsenpraktijk op. Tussen de bedrijven door was hij ook nog schoolarts en voorzitter van de Bossche reddingsbrigade. Op 30 november 1913 werd het gezin uitgebreid met een tweeling, de meisjes Paulina Bernardina Diamant en Bernardina Paulina Diamant. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak werd Salomon Diamant tijdens de mobilisatie als commandant ingedeeld bij de Transporttroepen. Op 18 juli 1928 is hij gescheiden van Maartje Pauline de Vries. Zij vertrok met hun drie dochters naar Utrecht. De dochters Paulina en Bernardina zouden later naar Israël emigreren en daar een gezin stichten. Op 14 mei 1940 werd de voormalige woning van dokter Diamant te Hoek van Holland tijdens een Duitse luchtaanval gebombardeerd en brandde volledig uit. De Duitsers hadden het namelijk voorzien op Hotel America waar de Britse soldaten hun hoofdkwartier hadden. Het hotel bleef gespaard maar 22 woningen werden in de as gelegd. De Duitse bezetting van ons land had ook gevolgen voor het leven van dokter Diamant en zijn gezin. Als Joodse arts moest hij in 1941 afstand doen van de bevoegdheid tot uitoefenen van zijn beroep. De burgemeester van ’s-Hertogenbosch dacht daar anders over en verplichtte dokter Diamant om overal waar hij kon medische bijstand te verlenen. Hij kreeg in juli 1942 een Ausweis waarmee hij ’s-avonds na spertijd over straat mocht. Echter datzelfde jaar werd hij naar Westerbork gedeporteerd. Vanwege zijn hoge Duitse onderscheiding mocht hij enige tijd later weer naar huis. In maart 1943 werd hij opnieuw geïnterneerd. Hij kwam in het kamp op kasteel de Scheffelaer te Barneveld terecht. Dit was een kamp voor joden die vanwege hun verdienste voor de Nederlandse samenleving een ‘bijzondere bescherming’ genoten. Zij zouden niet gedeporteerd worden. Maar deze belofte werd niet nagekomen en in september 1943 ging de dokter op transport via Westerbork naar Theresienstadt, het model concentratiekamp in Tsjechië. Ook in dit kamp verzaakte hij zijn roeping als arts niet en verrichtte hij veel werk onder de gevangenen. Zo liet hij, nadat er een tyfus epidemie was uitgebroken een oproep uit gaan om medische hulp, medicijnen en verbandmiddelen. Dokter Diamant werd in 1945 door het Russische leger bevrijd. Na de oorlog vestigde dokter Salomon Diamant zich weer als huisarts in ’s-Hertogenbosch. Hij had daar een drukke praktijk en een bloeiend sociaal leven in diverse Joodse organisaties. Salomon Diamant overleed op 18 maart 1958 te ’s-Hertogenbosch en werd begraven op de Joodse begraafplaats te Vught. Hij werd 76 jaar oud.Auteur: Dick Ruis van het Historisch Genootschap Hoek v Holland. Bronnen: - Van niet tot Iet, H.J. Nijland en L. van Ooijen, uitg. Drukkerij Pranger/van der Graaf. Hoek v Holland 1989.- De schipbreuk van de Berlin, verslag van L. Louis Pisuisse (26-02-1907), verslaggever- Algemeen Handelsblad, uitg. Reddingsmuseum Jan Lels Hoek van Holland 1997.- Scheepsramp S.S. Berlin, J. Dahmeijer, P. Smit e.a. uitg. Historisch Archief Westland 2007.- Westlandsche Courant 16 april 1910 en Nieuwe Westlandsche Courant 24 februari 1909.- S.O.S. voor de Hoek. Hans Beukema, uitg. Maritext vof, Delfzijl. 2005.- De laatste zeven maanden, vrouwen in het spoor van Anne Frank, (pag. 209) Willy Lindwer, Hilversum 1988.- Joods leven in het Westland, artikel over Salomon Diamant door D. Ruis. Uitgave Genootschap Oud Westland, oktober 2015.- thuisinbrabant.nl biografie Salomon Diamant. Auteur Patrick Timmermans.- Nederlandse overlevenden Theresienstadt- dutchjewry.org Kopfoto: Koetsje, archief St. Fort a/d Hoek v Holland.
Lees meer
Streekhistorie: Van gemengd zwemmen naar een 3D waterglijbaan maandag 19 juni 2017 08:08

Streekhistorie: Van gemengd zwemmen naar een 3D waterglijbaan

De Maassluise Courant van 6 april maakte melding van een verbouwing die zwembad Dolfijn in Maassluis te wachten staat. Er komt een 3D waterglijbaan. Want gewoon zwemmen is allang niet meer van deze tijd. In 1947 zwommen we in het troebele Maaswater van het buitenbad op het Hoofd. En de gemeenteraad debatteerde of de tijd misschien rijp was voor gemengd zwemmen. Maar zover waren we nog niet… Met de kwestie gemengd zwemmen bedoelde men in Maassluis niet gereformeerden en katholieken tegelijk toegang tot hetzelfde zwembad geven. Zover was men allang. Maar was het wel verantwoord om jongens en meisjes tegelijk te laten zwemmen? We luisteren mee bij de openbare vergadering van de gemeenteraad van Maassluis van 27 juni 1947, precies 70 jaar geleden.Hoe moet dat met moeders en zonen?Aan de orde is een initiatiefvoorstel van de heren Slagboom en Boutkan en mevrouw Hamakers. De ‘rode rakkers’ willen een herziening van het reglement voor de gemeentelijke zweminrichting. Niet zomaar een herziening, nee, de mogelijkheid om (waarschijnlijk zo nu en dan) gemengd te zwemmen. Zomaar mannen en vrouwen, meisjes en jongens door elkaar in het water en langs de kant. Dat was in die tijd nog onbestaanbaar. Mevrouw Hamakers wil dat graag toelichten. ‘Is het beslist noodzakelijk, dat zij, om de zwemprestaties van haar zoon gade te slaan, naar Hoek van Holland moet gaan? Zij hoopt dat het mogelijk gemaakt wordt dat haar man straks ook samen met zijn beide dochters kan gaan zwemmen.’ Ze meent dat een groot deel van de ingezetenen geen bezwaar heeft tegen gemengd zwemmen. Ze geeft de leden die daarvan niet overtuigd zijn in overweging om op een zomeravond eens een wandeling langs de Maas te maken.Zedelijk onverantwoordDe heer Chardon bevestigt dat er veel op particulier terrein gezwommen wordt. Hij verzoekt de voorzitter – als hoofd van de politie – daartegen maatregelen te willen nemen. Bij mooi weer komt het voor dat meer dan 300 personen op particulier terrein gaan zwemmen. Hij heeft daar persoonlijk veel nadeel van. De voorzitter bestrijdt het voorstel op formele gronden, die we maar buiten beschouwing laten. En de heer Parre ziet de noodzaak niet. Zwemmen is ‘ten eerste tot verfrissing van het lichaam en ten tweede tot redding van zichzelf of van anderen’. De voorzitter betreurt het ‘dat er blijkbaar in de gemeente dingen gebeuren die zedelijk niet verantwoord zijn’. Aan de politie heeft hij steeds opgedragen nauwlettend toe te zien wat met de openbare zedelijkheid in strijd komt. Zij die kwaad willen komen toch niet onder toezicht in de badinrichting, maar zoeken los­bandigheid buiten toezicht. De heer Van der Snoek zegt ‘dat hij geen bezwaren heeft tegen gemengd zwemmen voor gehuwden alleen, wel echter indien het wordt toegestaan voor alle groepen en alle leeftijden. Het is niet mogelijk om in een overvol bassin goed toezicht uit te oefenen.’ Het voorstel wordt verworpen.Het zwembad aan de Burg. Van der Lelykade dat in 1924 werd geopend en tot 1969 in gebruik is gebleven. De foto is genomen vanaf de watertoren. Op de voorgrond links de restanten van het sluisje naar het voormalige Prikkengat.Fris MaaswaterCurieus dat men zich in 1947 drukker maakte om de zedelijke dan om de lichamelijke gezondheid. Want de zweminrichting was aangelegd in een bassin bij de watertoren op het Hoofd. Het zwembad was gemaakt in het bassin van het voormalige Prikkengat. Hierin werden de prikken, de aasvisjes voor de visserij, levend gehouden in stromend water. Met een sluisje stond het bassin in verbinding met de rivier. Zo werd tweemaal per etmaal het water ververst door de getijdenwerking van eb en vloed. Toen het Prikkengat was opgeheven en de badinrichting was geplaatst, kon ook het zwembad zo regelmatig water verversen via het sluisje. Er kwam dan ‘fris’ Maaswater binnen. Bedenk wel: dat had dezelfde temperatuur en dezelfde helderheid als het water in de rivier. Menig ouder Maassluizer herinnert zich met enige weemoed de bemoste trappetjes, de geur van het zwembad en het klappertandend wachten bij de kleedhokjes.Ingang zwembad Dolfijn aan de Sportlaan.Zwemmen in havengebiedZoals men in 1947 constateerde werd er ook veel buiten het zwembad gezwommen, in de rivier. Het water was toch hetzelfde. De spanning van iets wat eigenlijk niet mocht en het ontbreken van direct toezicht maakten dit wel zo leuk. En die spanning zoekt elke generatie opnieuw op, want op 7 juni 2007 verscheen de volgende waarschuwing in de Maassluise Courant.‘Het wordt weer mooi weer en de vakanties komen eraan. Daarom maar weer eens aandacht voor de gevaren van zwemmen in het havengebied. In Maassluis is het verboden om te zwemmen in het havengebied. Dit zwemverbod geldt voor de buitenhaven én voor de binnenhaven (Haven, Kolk, Noordgeer en Hellinggat). Ingang zwembad Dolfijn aan de Sportlaan.Het zwemmen in havengebied is verboden, omdat het erg gevaarlijk is. Het is voorstelbaar dat het koele water er in warme tijden aanlokkelijk uitziet, maar de vooral jeugdige zwemmers onderschatten het gevaar. De Maassluise haven is een getijdenhaven. Dat betekent dat bij laag water de bodem vaak sneller is bereikt dan men denkt. Met laag water kan het dan behoorlijk vervelend uitpakken als waaghalzen van de bruggen of de keersluis springen. Niet alleen staat er maar een beperkte laag water, er kunnen ook onverwachte obstakels op de bodem liggen, zoals fietsen die in de haven worden gegooid, of andere rommel die door de vloed wordt meegenomen. Overtreders die het zwemverbod negeren en toch zwemmen in de Maassluise haven, kunnen op de bon geslingerd worden.’ De Schansbrug is op warme dagen nog altijd een geliefde springplank voor jongelui die willen zwemmen. Via het trappetje aan de Noordgeer kun je ook weer uit het water komen. Veilig is het niet; vanwege de waterkwaliteit, de vrachtschepen en de voorwerpen op de bodem. Maar wel spannend.BlootToen zwembad Dolfijn aan de Sportlaan geopend werd was dat een grote stap voor het welzijn en welbevinden van de Maassluizers. Het water was warm en schoon, de kleedruimtes en douches waren warm en schoon, er was een binnenbad en een verwarmd buitenbad en het was er veilig. Gemengd zwemmen was geen vraagstuk meer. En het bijbehorende kunstwerk was een dolfijntje dat speelde met … een heel erg bloot waternimfje.
Lees meer
Streekhistorie: De Leeuwenwoning maandag 12 juni 2017 09:09

Streekhistorie: De Leeuwenwoning

Al in de zestiende eeuw zijn er gegevens te vinden over de bewoning van de zogeheten ‘Leeuwenwoning’, aan de Oostgaag nr. 11-13. In de Leenkamerboeken (een soort pachtregisters) wordt in 1553 Cornelis Jan Harmenszoon Cassenaers genoemd. Cassenaers was ambachtsbewaarder: hij had opdracht om namens de ambachtsheer toezicht te houden op onder andere de waterstand, de molens en de visrechten van de Kralingerpolder, ook wel toentertijd ‘aghter de Gaegh’ genoemd. Vanaf 1698 kunnen we de bewoning volgen via de Verpondingsregisters (belasting op onroerend goed). Diverse families verwant aan elkaar, worden als eigenaar vermeld. Op de kaart van Kruikius uit 1712 is heel duidelijk de boerderij getekend. De boerderij is omgeven door een grote boomgaard en ligt aan het water met aan weerszijden de boerderijen ‘Duivenvlugt’ en ‘Burghoeve’. Deze situatie is , ondanks de huidige bebouwing, nog steeds herkenbaar. In de achttiende eeuw is de boerderij een tijd lang in bezit geweest van de familie Van ’s-Gravenzande, advocaten en medici te Delft. Al vanaf de zeventiende eeuw was het een gewoonte voor rijke stedelingen om te investeren in onroerend goed, onder andere in land en boerderijen. Het buitenleven kwam in trek en werd verheerlijkt. Het leven in de stad werd in de zomer als ongezond ervaren. Daarom reisden veel families per koets of schuit voor een dag of meer naar buiten om daar te genieten van de landelijke sfeer. In 1816, na de Franse Tijd, werd de familie Van der Kooij eigenaar van deze boerderij. Te beginnen met Jacob Jacobszoon (1791-1859), oorspronkelijk afkomstig uit ’t Woudt. Opeenvolgende generaties hebben er geboerd tot in de jaren negentig van de vorige eeuw. Vroeger heette de boerderij ‘Rust-Hoff’. De woning trekt aandacht vanwege zijn uitgebouwde koepel, de hoge witte muren en de dampalen met de twee leeuwen, die elk een familiewapen omklemmen. In de jaren dertig van de vorige eeuw schilderde de Rotterdamse architect J. Verheul Dzn. deze boerderij. Op de aquarel zien we voor het statige huis de boer afgebeeld. Links achter de boerderij is een klein stukje van de stal te zien, die haaks op het voorhuis ligt. Deze stal is een aantal jaren geleden gerenoveerd. Vooral de achtkantige koepel bepaalt het uiterlijk van het huis. De boerderij had oorspronkelijk, net zoals veel andere boerderijen in Midden-Delfland aan de noordzijde een opkamer en aan de zuidzijde van het voorhuis twee slaapkamertjes. Deze kamertjes werden in de achttiende eeuw vervangen door een uitbouw met koepelkamer. Waarschijnlijk diende deze koepelkamer als ‘herenkamer’ voor de eigenaar. Er wordt ook over ‘jachtkamer’ gesproken. Werd hier over de plaatselijke jacht gediscussieerd? De uitbouw is later voorzien van een extra verdieping en werd apart bewoond. Ook de verlengde opkamer werd verbouwd en zo geconstrueerd dat er een tweede huis ontstond. De ‘Leeuwenwoning’ met koepelkamer (foto MtH, winter 2016) De ‘Leeuwenwoning’ met tweede huis (foto MtH, winter 2016) In de jaren negentig van de vorige eeuw werd in het kader van de reconstructie van Midden-Delfland door de toenmalige boer W. van der Kooij bedrijfsverplaatsing aangevraagd en de woning aan de agrarische bestemming onttrokken. De oorspronkelijke naam ‘Rust-Hoff’ werd meegenomen naar het nieuwe boerenbedrijf in de Aalkeetbuitenpolder. Het monumentale pand aan de Oostgaag werd woonboerderij en draagt nu de naam ‘Leeuwenwoning’, vanwege de hekpijlers met leeuwen. Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: De eerste kerk van Ter Heijde na de Reformatie dinsdag 6 juni 2017 07:07

Streekhistorie: De eerste kerk van Ter Heijde na de Reformatie

Op 16 januari van dit jaar is de verbouwing gestart van het kerkgebouw van de Hervormde gemeente van Ter Heijde aan Zee. Het oostelijke deel van de kerk stamt uit 1720, het westelijke gedeelte is er in 1952 aangebouwd. Dit westelijke deel wordt bij de verbouwing afgescheiden van de huidige kerk en krijgt een nieuwe bestemming als ontmoetings- en vergaderruimte. Je zou kunnen zeggen dat hiermee wat betreft het houden van de diensten de situatie van 1720 wordt hersteld. De verbouwing is in zeer korte tijd met hulp van veel vrijwilligers afgerond. Zondag 4 juni 2017 is de eerste dienst gehouden in de geheel vernieuwde kerk. Het is niet algemeen bekend dat de huidige kerk een voorganger heeft gehad, waarvoor prins Willem van Oranje in 1667 de eerste steen heeft gelegd. Over deze kerk, die in 1720 vanwege de voortdurende kustafslag moest worden afgebroken, gaat dit artikel. Voor de Reformatie heeft in Ter Heijde een kapel gestaan. Deze is eind 16de eeuw geheel of gedeeltelijk afgebroken. Mogelijk is dat gebeurd om te voorkomen dat Spaanse soldaten zich er in zouden kunnen verschansen. Zeker is dat echter allerminst. In 1599 wordt volgens de rekening van de voogden (bestuurders) van Ter Heijde nog zand weggevoerd van de plaats van de kapel en in 1604 ontvangen ze 30 stuivers uit handen van Claes Lenertsz. Voois vanwege de verkoop van stenen die afkomstig zijn van de kapel. Na de Reformatie kerkten de inwoners van Ter Heijde jarenlang in Monster. Vooral voor de oudere inwoners viel het echter niet mee om over de zandweg naar Monster te lopen om daar ter kerke te gaan en na de kerkdienst dezelfde weg terug te moeten afleggen. Op zeker moment hebben de inwoners van Ter Heijde daarom het verzoek gedaan een eigen kerkelijke gemeente te mogen stichten. In reactie daarop gaven de Staten van Holland op 24 september 1663 toestemming voor de aanstelling van een eigen predikant. Die datum wordt dan ook algemeen aangehouden als het begin van de zelfstandige Hervormde Gemeente van Ter Heijde. Thomas Heeremans, Gezicht op Ter Heijde vanaf het strand, 1677. Het in 1668 in gebruik genomen kerkje staat gevaarlijk dicht bij het strand. Collectie RKD, Den Haag.De eerste dominee was de uit Enkhuizen afkomstige Wilhelmus Visch. Men hield aanvankelijk kerkdiensten op de zolder van het gasthuis, maar dat was vanwege de kou in de winter en de hitte in de zomer niet altijd een onverdeeld genoegen. Ook was de zolder voor sommige inwoners moeilijk toegankelijk. Begin 1667 vroeg de kerkenraad daarom, samen met het ambachtsbestuur van Monster, toestemming aan de prins van Oranje om een eigen kerk te mogen bouwen. De jonge prins verleende die toestemming binnen een paar maanden. Hij kwam vervolgens in hoogsteigen persoon op 1 november van dat jaar de eerste steen leggen. Van die plechtigheid bestaat het volgende verslag: ‘Den Heer Prinse van Orangen (als daertoe speciaelyck versocht) legde op 1 deser den eersten steen van een nieuwe Kerck aen het seedorp Ter Heijde. Zyn Hoogheyts legging waren twee witte Albastertsteenen, waer in gehouwen waren de Letteren W.H.P.O. ende was gewapent met een silvere Troffel ende Ebbenhouten Maetstock, waer in, duym voedt, en Maetstock, cierlyck in silver ghesneden stonden. En van twee Haegse Juffrouwen een seemleere Schootskleet aengebonden, treedt uyt ’t Huys van den Predicant ter plaetse daer men ghedachte Kerck soude optimmeren. Ende daer van een der voornaemste der twee Albastertsteenen ontfangende, leyde die in het Fondament, wederkeerende na ’t Huys van den gemelden predicant. Is dien gebruyckelyck, wel getracteert. Latende het Troffel en Maetstock ter gedachten aen de Kerck. Den Prins tracteerde daer na weder die Heeren welcke hem Ter Heij hadden onthaelt, tot Scheveningen op Soetenburg.’ Ten behoeve van de nieuwbouw werden van verschillende leden van het Oranjehuis geldelijke bijdragen ontvangen. Zo schonk Amalia van Solms 1000 gulden. Ook de Staten van Holland droegen 1000 gulden bij. Er werden verder speciale collectes gehouden in verschillende kerken in de regio. Hoe die eerste kerk er heeft uitgezien is niet precies bekend. Op de kaart van landmeter Kruikius uit 1712 zijn bij nauwkeurige beschouwing slechts contouren van de kerk zichtbaar. Ook op een schilderij van Thomas Heeremans uit 1677, voorstellende een strandgezicht bij Ter Heijde, is de kerk van enige afstand afgebeeld. Wel zijn er gedetailleerde bestekken en rekeningen bewaard gebleven, die een redelijke indruk geven van de gang van zaken bij de bouw en van de uiteindelijke vorm van de kerk. De totale bouwkosten hebben ongeveer 7000 gulden bedragen. Het kerkje was binnen de muren gemeten slechts 8 bij 16 meter groot. Tegen de gevels van Leidse bakstenen stonden steunberen. De hoofdingang bevond zich aan de westkant en was 2,5 meter breed. In de zes ramen ter weerszijden van de kerk waren ijzeren roosters aangebracht, waaraan de glas-in-loodramen bevestigd waren. Tegen een van de zijgevels bevond zich een consistoriekamer van ongeveer 4 bij 5 meter. Boven de consistoriekamer waren de kerkvensters wat minder hoog dan in de rest van de kerk. Het houten dak van de kerk was belegd met blauwe dakpannen en op het dak stond een houten torentje, waarin de luidklok hing. Op de kerkvloer lagen rode bakstenen plavuizen. Om de timmerman niet op te houden moest de metselaar uiterlijk half april 1668 de muren gereed hebben. Het laatste metselaarswerk moest vervolgens uiterlijk eind mei 1668 klaar zijn.P.C. la Fargue, Ter Heijde in 1752. Links de kerk van 1720. Op de achtergrond de kerk van Monster. Collectie Haags Gemeentearchief.De inwoners van Ter Heijde hadden vanaf 1668 dus een eigen kerk, maar nog geen inkomsten om de kerk te onderhouden. Het zat hen daarom dwars dat zij nog steeds financieel moesten bijdragen aan het onderhoud van de toren en de kerk van Monster. Van iedere ton schol moesten zij ten behoeve daarvan een stuiver afdragen en van iedere kabeljauw of zalm een halve stuiver. De Heijdse herbergiers moesten van iedere ton bier tien stuivers en van elke stoop wijn een halve stuiver accijns betalen. Ook vloeide er een bepaalde som per vissersschuit in de Monsterse kas. De Heijenaren richtten zich daarom tot de Staten van Holland met het verzoek een deel van die inkomsten zelf te mogen houden ten dienste van de eigen kerk en het dorp Ter Heijde. Of dit verzoek is ingewilligd blijkt helaas niet uit de archieven. Die eerst kerk is geen lang leven beschoren geweest. Door kustafslag was men al in 1720 genoodzaakt het gebouw af te breken. Ruim 350 meter landinwaarts werd een nieuwe kerk gebouwd. Zo veel mogelijk materiaal van het oude kerkje werd hergebruikt voor de nieuwbouw. De kerk van 1720 staat er heden ten dage nog steeds, al is er in de loop van drie eeuwen wel het een en ander aan verbouwd. Een deel van de kapconstructie van de kerk schijnt afkomstig te zijn van het eerste kerkje uit 1668. Het oostelijk deel van de huidige kerk stamt nog uit 1720. Het westelijke deel is er in 1952 aan toegevoegd. Dit westelijke deel is met de nu voltooide verbouwing dus weer afgezonderd van de kerkruimte en gaat de functie van verenigingsgebouw ‘Irene’ overnemen.Bronnen:P. Bos, De stichting van de kerkelijke gemeente Ter Heijde. In: Historisch Jaarboek Westland 2002.Wim Duijvestijn, De bouw van de nieuwe kerk van Ter Heijde (1667-1668). Een ongepubliceerde beschrijving van de bouw aan de hand van oude bestekken en rekeningen, circa 1980.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer

Meer Streekhistorie