Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: De Monsterse rederijkerskamer maandag 22 januari 2018 09:09

Streekhistorie: De Monsterse rederijkerskamer

Het blazoen van de Monsterse rederijkerskamer De Blauwe Wijngaertrancken heeft jarenlang in de hal van het gemeentehuis aan de Choorstraat gehangen. Na de sluiting van het gemeentehuis in 2017 is dit rederijkersbord onlangs overgebracht naar partycentrum De Noviteit. Monster heeft net als vele andere plaatsen in de zestiende en de zeventiende eeuw een rederijkerskamer gehad. Rederijkerskamers waren gezelschappen die zich bezighielden met het schrijven en voordragen van toneelstukken, gedichten en liederen. Onderling hielden de rederijkerskamers van tijd tot tijd wedstrijden. De organiserende kamer stuurde dan uitnodigingen rond, vergezeld van een vraag die in dichtvorm moest worden beantwoord. De eerste keer dat de Monsterse rederijkerskamer wordt genoemd, is in 1546. De Goudse kamer organiseerde in dat jaar een wedstrijd, waar niet minder dan 23 kamers aan deelnamen. Ook de ’s-Gravenzandse en de Naaldwijkse kamer waren daar aanwezig.De Monsterse rederijkers opereerden onder de naam De Blauwe Wijngaertrancken. Hun blazoen of wapenbord heeft de eeuwen overleefd en dateert uit 1685. Daarop staat te lezen dat zij in 1548 tijdens een feest te Dordrecht gedoopt werden. Zij werden bij die gelegenheid officieel toegelaten tot de rijen der erkende kamers. Op het blazoen is een christusfiguur afgebeeld, halfgeknield in een graf en omringd door druivenranken, een verwijzing naar de naam van de kamer. Op een lint wordt het devies van de kamer vermeld: Smaackt sdruifs soetheit.In de loop der jaren wordt de Monsterse kamer verschillende keren vermeld als deelnemer aan door andere kamers georganiseerde wedstrijden: -1546 Gouda-1548 Dordrecht-1564 Gouda-1581 ’s-Gravenhage-1581 Delft-1671 Honselersdijk-1676 Naaldwijk-1678 Schipluiden-1680 Vlaardingen-1705 Schiedam Opvallend is dat er soms jaren voorbijgaan zonder dat de Monsterse kamer in de archieven opduikt als deelnemer aan een elders georganiseerde wedstrijd. Het is onduidelijk of de frequentie van deelname aan wedstrijden inderdaad laag was of dat simpelweg de archieven zwijgen omdat er geen verslagen zijn overgeleverd. In 1589 wordt prins Maurits ingehuldigd als ambachtsheer van Monster. Bij die gelegenheid organiseert de Monsterse rederijkerskamer zelf een wedstrijd, waaraan wordt deelgenomen door rederijkerskamers uit onder meer ’s-Gravenhage, Haarlem, Gouda en Vlaardingen. Voor zover bekend zijn er geen teksten bewaard gebleven van hetgeen bij deze gelegenheid aan gedichten en toneelspelen ten gehore is gebracht. Wel zijn er in de ambachtsrekeningen diverse betalingen terug te vinden aan onder meer de schilder en de schrijnwerker in verband met de plaatsing van een groot tafereel en twee kleine taferelen. Het gaat hier waarschijnlijk om de plaatsing van de toneelopbouw ten behoeve van de voordrachten van de deelnemende kamers.In het begin van de zeventiende eeuw woonde in Monster een zekere schipper Jan Dircxzoon Camerman. Vermoedelijk houdt zijn naam een verwijzing in naar zijn activiteiten voor de Monsterse rederijkerskamer. Er is een gevelsteen bewaard gebleven die waarschijnlijk was ingemetseld in de gevel van zijn huis aan de Vaart. De steen bevat de volgende raadselachtige tekst: ‘Die mij benijden, en niet en geven, moeten mij lijde en laten leven. Kent u selven. 1613’ De tekst kan een verwijzing zijn naar de spanningen die in die tijd bestonden tussen de kerkelijke overheid en de rederijkerskamers. De steen is later in een tuinmuur van het klooster geplaatst en prijkt inmiddels in de gevel van het voormalige pensionaat aan de Havenstraat. Het ruitvormige blazoen van de Monsterse rederijkerskamer heeft vanaf 1982 in de hal van het Monsterse gemeentehuis aan de Choorstraat gehangen. Daarvoor hing het aan de muur in de voorgangers van dit gemeentehuis. Het is heel goed mogelijk dat het blazoen al vanaf 1740, toen het eerste ambachtshuis aan het Kerkplein werd gebouw, de wand van een openbaar gebouw heeft gesierd. Het gemeentehuis aan de Choorstraat is sinds de samenvoeging van vijf gemeenten tot de gemeente Westland in gebruik geweest als een van de gemeentekantoren. Het pand is eind 2017 gesloten nadat het nieuwe gemeentehuis van Westland aan de Verdilaan in Naaldwijk gereed was gekomen. De in het gemeentekantoor aanwezige kunst is overgebracht naar het depot van de gemeente in Naaldwijk, met uitzondering van het rederijkersbord en een schilderij uit 1894 van een vissersvrouw van de hand van de Franse schilder René Ravaut. Deze beide kunstwerken zijn overgebracht naar partycentrum De Noviteit aan de Havenstraat. Het schilderij van Ravaut heeft een plaatsje gekregen in de voormalige kloosterkapel, terwijl het rederijkersbord is bevestigd aan de muur van de garderobe van het partycentrum. Het is aan de ene kant goed dat beide kunstwerken in Monster zijn gebleven en niet naar Naaldwijk zijn verhuisd. Aan de andere kant verdient met name het rederijkersbord een betere en veiliger plaats. Een uiterst zeldzaam kunstvoorwerp met een aan het dorp Monster verbonden geschiedenis van bijna 500 jaar verdient een betere plek dan de garderobe van een partycentrum.Auteur: Leo van den Ende van Werkgroep Oud-MonsterBronnen:F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden, De Westlandse Rederijkerskamers in de 16e en 17e eeuw (Amsterdam 1985).L.J.M. van den Ende, De inhuldiging van Prins Maurits als ambachtsheer van Monster. In: Historisch Jaarboek Westland 1991.J.G. Endhoven, Op de Vaert, Het pensionaat St. Joseph te Monster en zijn voorgeschiedenis (1997).
Lees meer
Streekhistorie: Veel Westlanders hebben Duitse wortels maandag 15 januari 2018 11:11

Streekhistorie: Veel Westlanders hebben Duitse wortels

Veel Westlanders hebben verre voorouders van Duitse afkomst. Daarin verschilt het Westland nauwelijks van andere delen van ons land. Vooral vanaf de 18de eeuw trokken veel Duitsers naar het Westland om hier een beter leven op te bouwen. De armoede op het platteland van Westfalen, het Kleverland en het Rijnland bracht een ware volksverhuizing te weeg. Arnold Arkesteijn van de Studiegroep Genealogie Westland hield op 6 december in de Kastanjehof in Kwintsheul een lezing voor het Genootschap Oud-Westland over Westlanders van Duitse afkomst. De zaal met 150 stoelen was tot de laatste plaats bezet. Niet iedereen zal bij familienamen als Koene, Barendse, Disselkoen, Holtkamp, Grootscholten en Mulder aan Duitsland denken. Toch heeft meer dan de helft van de Westlanders van voor 1940 verre Duitse voorouders hoewel zij zich daar zelf niet van bewust zijn. In een historische terugblik schetste Arkesteijn hoe Nederland altijd een grote toestroom van immigranten heeft gehad. In de 16de eeuw kreeg het protestantisme veel aanhang in de het huidige België. Met name de omgeving van Ieper en Antwerpen telde veel aanhangers van de nieuwe leer. Om orde op zaken te stellen in de roerige Nederlanden stuurde de Spaanse koning Philips II de hertog van Alva naar ons land. Na de Spaanse verovering van Antwerpen vluchtten veel Calvinisten naar het noorden en vestigden zich in de Hollandse steden. Zij brachten veel ambachtelijke vakkennis mee naar hun nieuwe vaderland. In de 17de eeuw was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een van de meest welvarende gebieden van Europa. Ook technisch liep Nederland voorop. Het lukte de helft goedkoper dan in Engeland een schip te bouwen. Er ontstond een groot tekort aan arbeidskrachten voor de scheepsbouw, het bemannen van de schepen van de Verenigde Oost-Indische compagnie en het leger. Dit tekort werd voor een groot deel opgevuld met immigranten. Met name Duitsers wisten de weg naar ons land te vinden. "Niet vreemd als je weet dat het loon voor een seizoenarbeider in Holland in die tijd vijf keer zo hoog was als in Westfalen,’’ weet Arkesteijn. ,,In 1725 was 10 procent van de huwelijken met een Duitse partner." "Het Genootschap heeft mij gevraagd over Duitsers te spreken maar er zijn ook andere immigranten’’, zei Arkesteijn. ,,In het Westland komt ook een familie Toussaint voor en die is duidelijk van Franse afkomst. Schrijfster Nelleke Noordervliet komt oorspronkelijk uit Poeldijk maar heeft Noord-Franse roots en de familienaam Telleur is ook Frans. Ik heb ook onderzoek gedaan naar de familie Broch, die afkomstig is uit Frans Vlaanderen." "De meeste immigranten begonnen met het pachten van een stukje grond. Zij gingen bijvoorbeeld aardappelen telen en zetten hun bedrijf goed op. Zij trouwden met gevestigde families. Zo sloten de Duitse families Barendse en Mulder een huwelijk met de leden van de familie Hofstede. Die huwelijken hebben de integratie bevorderd. Het komt ook voor dat een man al jong weduwnaar werd en trouwde met een weduwe. Die huwelijken waren niet de eerste keuze maar zorgden dat de immigranten omhoog gingen op de sociale ladder. Neem het voorbeeld van de familie Zwinkels uit Son. Zij kwamen als metselaars naar Delft en later het Westland en kregen daar contact met de familie Aalsborgh en werden tuinder. Daaruit kwamen hele generaties Zwinkelsen voort." Immigranten"Het grijpt allemaal in elkaar. Het was een kleine wereld en de Westlanders hielpen elkaar. Ik heb geen moeite gedaan om de kerkelijke achtergrond van de Duitse immigranten te achterhalen maar de meesten waren katholiek. De immigranten kwamen naar heel West-Nederland om te werken als polderjongen, maaiers en hooiers, turfstekers, scheepsvolk, soldaat of tichelaar (stenenbakker). De routes naar ons land liepen over Boertange en Lingen. Vaak ging het dan via Hasselt in Overijssel over de Zuiderzee naar Amsterdam." "Ik heb de oorsprong van verschillende families getraceerd. De familie Koene komt uit Alpen ten zuiden van Xanten, Disselkoen uit Wesel, Holtkamp uit Merzen, Mulder uit Schapen en Reincke uit Ibbenbüren. Ik heb de stamboom van Holtkamp nagetrokken. Holtkamp had een boerderij en later een bakkerij in Schipluiden. De boeren, die op zondag naar de Mis gingen in de kerk op Hodenpijl, lieten hun klompen achter op de bakkerij en kleedden zich om. Na afloop van de kerkdienst kregen zij koffie met brood. Vanaf de bakkerij vond ook de postbezorging naar de familie in Duitsland plaats. De Holtkampen waren een hele grote familie. Ik heb nog een familiefoto waarop ook de priester Cor Holtkamp staat. Hij was de deken van Goes."Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud-Westland
Lees meer
Streekhistorie: Groenteveiling Naaldwijk maandag 8 januari 2018 09:09

Streekhistorie: Groenteveiling Naaldwijk

Op het ogenblik is er nog tot en met 25 februari 2018 in het Westlands Museum een tentoonstelling te zien over de Westlandse Veilinggeschiedenis. In het kader daarvan wil ik iets vertellen over de Naaldwijkse groenteveiling en wel omdat het laatste restant van het laatste veilinggebouw binnenkort gesloopt gaat worden. De meeste groenteveilingen in het Westland zijn opgericht in 1889. Er werd een veilingvereniging voor het gehele Westland opgericht met plaatselijke afdelingen. In Naaldwijk ging de oprichting van een veiling nogal moeizaam dat kwam o.a. door het feit dat er in Naaldwijk veel tuinders waren die ook in de handel zaten. Zij waren in het begin wantrouwig omdat ze bang waren dat de oprichting van de veiling hen overbodig zou maken. De eerste veiling werd gehouden in juni 1890 in café Torenburg aan het Wilhelminaplein. Eigenaar Houniet maakte van de bovenverdieping een zaal die geheel voor de veiling bestemd was. Die zaal kreeg een eigen toegang via een trap die te bereiken was door een poort in de Herenstraat. Dit was een heel gedoe, alles naar boven dragen en weer naar beneden en dan nog 400 m van en naar de Haven (nu Havenplein), want het belangrijkste transportmiddel in die tijd was het schip. In 1900 besloot men een eigen nieuw gebouw aan de Haven te realiseren. Het veilingbestuur kocht een huis met een stuk grond waar een grote loods werd gebouwd onder leiding van meester timmerman W. Dessing.Veilinggebouw aan de Haven, 1900Veilinggebouw aan het Zuideinde, 1909Sloop van het veilinggebouw aan het Zuideinde, pas in 2017!!!Spoedig na de ingebruikname bleek de inrichting niet te voldoen. De lijnen van de aan- en afvoer waren verbeterd, maar de situering van het gebouw was een vergissing. Er was te weinig ruimte rondom het gebouw en maar één smalle toegang, die als in- én uitgang fungeerde. Vanaf 1900 begon de omzet van de veiling enorm te groeien en er was in dit nieuwe gebouw niet genoeg plek om alle producten te kunnen bergen. Al in 1907 werd er een commissie benoemd die opdracht kreeg om een oplossing te bedenken. De commissie kwam al snel tot de conclusie dat de enige oplossing was nieuwbouw aan de westzijde van het dorp bij vaarwater en aan het WSM-spoor. Dit advies werd in eerste instantie door de ledenvergadering verworpen omdat men het te duur vond. De situatie aan de Haven bleek echter onhoudbaar en daarom werd na enkele jaren besloten aan het Zuideinde een nieuwe veiling te bouwen. In juni 1909 werd het door A.G.W. Dessing ontworpen gebouw in gebruik genomen. Veilinggebouw aan de ’s-Gravenzandseweg, gebouwd in 1926Neerzethal van de veiling aan de ’s-GravenzandsewegHet veilingcomplex aan de ’s-GravenzandsewegEr rustte echter geen zegen op de Naaldwijkse veilinggebouwen want ook dit nieuwe gebouw en dan vooral het terrein er omheen bleek al snel te klein. Door de aanleg van een goede spoorverbinding, die ook aansloot op het internationale net, was in het begin van de 20ste eeuw de vraag vanuit Duitsland enorm gegroeid. Door de gestegen vraag groeide ook de aanvoer van producten die door het veilingbestuur niet goed was ingeschat. De Naaldwijkse tuinders waren blijkbaar ook voorzichtig en daardoor bouwde men wat op dat moment nodig was. De financiën waren altijd een heikel punt en men was niet bereid al te investeren voor de toekomst. Op het moment dat de veiling in 1909 in gebruik werd genomen was die al te klein. Om de ruimteproblemen op te lossen werd er in 1911 grond bijgekocht om het veilingterrein te vergroten en ook de haven kon worden uitgebreid. Dit was echter niet genoeg en men wilde verder uitbreiden. Het veilingbestuur wilde het nu goed aanpakken. Bij het zuideinde was niet genoeg ruimte voor uitbreiding en daarom werd er een plan ontwikkeld om helemaal opnieuw te beginnen aan de ’s-Gravenzandseweg. Men zou dan de tuin van het Proefstation voor de tuinbouw kopen. Dit terrein lag aan het WSM-spoor en er was ruimte om een grote haven uit te graven. Dit plan werd in eerste instantie goed ontvangen, maar was erg duur en dat schrok nogal wat leden af. De onderhandelingen met de proeftuin duurden lang en toen begon de oppositie zich te organiseren. Zij vonden dit plan een te groot financieel risico en wisten te bereiken dat een meerderheid het plan wegstemde. Men bleef doormodderen aan het Zuideinde.Sloop van de veilinggebouwen aan de ‘s-Gravenzandseweg omstreeks 1975Het kantoorgebouw van de veiling uit 1965 met het kunstwerk aan de gevelHet in 2017 beschadigde kunstwerkIn 1924 ging dat echt niet meer, de aanvoer was zo gestegen dat er iets moést gebeuren. Het oude plan op het terrein van het Proefstation werd weer uit de kast gehaald. De onderhandelingen voor aankoop verliepen vlot en ook een naastgelegen tuin kon het veilingbestuur aankopen. Er was nu een zeer geschikt terrein beschikbaar waar een modern veilinggebouw gerealiseerd kon worden, met een fustloods, ruimtes voor kooplieden en een haven. Het was wel een kostbare operatie die ruim een half miljoen gulden ging kosten, maar de vooruitzichten in die periode waren goed en op 22 juli 1926 kon het nieuwe veilingcomplex feestelijke geopend worden. Nu was er meer dan genoeg ruimte, ook voor toekomstige uitbreidingen. De veiling is hier gebleven tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw. Toen gingen alle veilingen in de verschillende Westlandse dorpen met elkaar fuseren waarna er nog drie grote veilingen overbleven. De leden van groenteveiling Naaldwijk sloten zich in 1972 aan bij veiling Westland Zuid in ’s-Gravenzande en veiling Delft-Westerlee in De Lier. Het merendeel van de veilinggebouwen werd toen gesloopt voor de bouw van de nieuwe woonwijk Opstal. Eén deel bleef gehandhaafd, dat was de hal met de veilingklok en het gedeelte met de kantoren voor de administratie. Dit deel werd in 1972 verbouwd tot politiebureau en brandweerkazerne. De politie is inmiddels vertrokken en als ook de brandweer een nieuwe behuizing heeft zal dat gebouw (gedeeltelijk) worden afgebroken. Dit deel van de veiling was overigens pas in 1965 gebouwd en bij de officiële opening werd door de gemeente Naaldwijk een kunstwerk van keramiek geschonken aan de veiling. Dit kunstwerk bevindt zich nog steeds aan de gevel van het voormalige politiebureau. Bij de sloop zou dit zorgvuldig verwijderd worden en dan naar het museum vervoerd worden. Helaas is het kunstwerk een half jaar geleden ernstig beschadigd doordat iemand het gemeentewapen van Naaldwijk er met een slijptol heeft afgehaald. We hopen dat dit nog gerestaureerd kan worden. Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Voor paal in het Westland maandag 1 januari 2018 09:09

Streekhistorie: Voor paal in het Westland

U bent er allemaal wel een keer langs gereden, maar waarschijnlijk zijn ze u nooit opgevallen. Deze twee paaltjes staan in het Westland. Waar? Dat leest u straks. In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van de onderzoeksresultaten van Flip Werner, die – net als ik nu – enkele jaren geleden gefascineerd raakte door de aanwezigheid van enkele ijzeren paaltjes langs de Vliet tussen Leiden en Delft. Werner ontdekte in 2009 dat er in heel Zuid-Holland nog maar twaalf gietijzeren kilometerpalen bewaard zijn gebleven. Tien palen langs de Vliet tussen Leiden en Delft en twee in het Haagse bos. En hij ontdekte dat de provincie Zuid-Holland de enige provincie is met gietijzeren kilometerpalen. De kilometerpalen in de andere provincies waren allemaal van eikenhout of basaltsteen.Maar hoe kwamen die palen daar en oud zijn ze? De palen langs de Vliet moeten er al rond 1893 zijn geplaatst in opdracht van het Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland. De palen waren gemaakt naar hetzelfde model als die langs de Rijksstraatweg van Den Haag naar Haarlem. Het eerste deel van die weg (de Leidsestraatweg) loopt dwars door het Haagse bos. De palen in het Haagse bos (geplaatst omstreeks 1861) waren in de plaats gekomen van eikenhouten palen, die kennelijk zo verrot waren dat ze moesten worden vervangen.Langs De VlietIn het bestek stond “ln 1861 de houten mijlpalen 2, 3, 4 en 5 te vervangen door gegoten ijzeren mijlpalen, ieder lang 1.80 el, van onderen voorzien van een daaraan vast gegoten plaat. Iedere paal zal de zwaarte moeten hebben van 135 pond en worden vervaardigd volgens bestaand model zoo als die geplaatst op den weg in het Westland". Van deze vier kilometerpalen in het Haagse bos zijn er twee bewaard gebleven. Die twee zijn inmiddels aangewezen als gemeentelijk monument. Die weg in het Westland waar ze het over hadden, was de rijksweg van Loosduinen naar Naaldwijk (latere Rijksweg 20). Langs deze weg moeten dus ook gietijzeren kilometerpalen hebben gestaan. Deze zouden een paar jaar eerder, in 1858, geplaatst moeten zijn. In de opdracht tot plaatsing stond dezelfde beschrijving zoals hierboven voor het Haagse Bos is genoemd. Maar nu stond er óók bij, dat deze palen vervaardigd moesten worden "volgens te geven teekening". Die tekening vond Flip Werner tussen de correspondentie die gevoerd was bij het opmaken van de onderhoudsbestekken voor de jaren 1858- 1860. Uit die correspondentie uit 1857 blijkt ook dat het besluit om de houten kilometerpalen te vervangen door gietijzeren palen niet lichtvaardig is genomen. De ingenieurs schrijven “De aanhoudende uitgaven voor vernieuwingen van de houten mijlpalen hadden het denkbeeld doen ontstaan om die van gegoten ijzer voor te stellen. Volgens bijgaande schetsen, ter nadere keus, waren zij in het bestek omschreven. Wij vinden ons echter verplicht Uw EG mede te delen dat de kosten geraamd zijn op f.25,- voor iedere paal.” En dan te denken dat een basaltstenen kilometerpaal met wit geverfde kop maar zo’n 5 gulden kost. De hoofdingenieur van Rijkswaterstaat en de Commissaris van de Koningin lijken roet in het eten te gooien. Zij kiezen voor basaltsteen. Maar de Minister laat zich overtuigen en gaat akkoord met vervanging van vergane houten palen door gietijzeren palen. Maar wie zou die kilometerpalen nou hebben gemaakt? Dat blijkt de ijzergieterij “De Prins van Oranje” in Den Haag te zijn. In het archief van het gemeentebestuur Naaldwijk vonden wij een catalogus uit 1870 van deze ijzergieterij. De ijzergieterij maakte o.a. putdeksels, urinoirs, straatverlichting. Maar dus ook kilometerpalen (zie linksonder op de foto).Westlandse kilometerpalen We hebben gelezen dat de kilometerpalen langs de weg van Loosduinen naar Naaldwijk de oudsten waren. Deze kilometerpalen hebben model gestaan voor de rest van de provincie. Dat is mooi. Maar bestaan die palen nog? En als ze nog bestaan, waar staan ze dan? Welnu, er zijn twee Westlandse kilometerpalen bewaard gebleven. Eentje, paaltje 10, staat er aan de Haagweg vlakbij het inrijden van Monster (schuin tegenover scouting Polanen).Haagweg MonsterEn de ander staat nog steeds langs de weg van Loosduinen naar Naaldwijk. Kilometerpaal nr. 13 (de afstand gerekend vanaf het centrum van Den Haag) staat in de grasstrook tussen fietspad en rijbaan aan de Dijkweg in Naaldwijk.Dijkweg NaaldwijkAlle andere palen langs de weg van Loosduinen naar Naaldwijk zijn verdwenen. Ze zijn waarschijnlijk ooit verwijderd om ruimte te maken voor wegverbreding of de bouw van huizen. Natuurlijk hebben we gezocht naar oude foto’s waarop nog palen te vinden zijn. We hebben er twee gevonden.kilometerpaal nr, 12 langs de Hofstraat in Honselersdijkkilometerpaal nr. 10 langs de Nieuweweg in Poeldijk De locatie is wat lastig te herkennen. Deze plek ziet er tegenwoordig zo uit:hoek Nieuweweg/Monsterseweg in PoeldijkMoeten we zuinig zijn op onze twee kilometerpalen? Laten we eerst eens kijken naar de motivatie van de gemeente Den Haag om haar twee kilometerpalen in het Haagse bos als gemeentelijk monument aan te wijzen: “De kilometerpalen langs de Leidsestraatweg zijn van historisch belang als tastbare herinnering aan één van de belangrijkste voormalige uitvalwegen van Den Haag. De verscheidenheid in materiaal en vorm verwijzen naar de historie van het wegbeheer. Cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen de gietijzeren kilometerpalen als bewaard gebleven industrieel product van de in Den Haag gevestigde ijzergieterij “De Prins van Oranje”. Daarnaast hebben de palen een zeldzaamheidswaarde: in Zuid-Holland staan anno 2011 nog slechts 12 gietijzeren kilometerpalen. Daarbuiten zijn ze in Nederland onbekend.” (Werner en gemeente Den Haag wisten toen nog niet dat er ook in het Westland nog twee staan)Zouden wij in het Westland die palen ook als monument moeten aanwijzen? Ik denk het wel. Toegegeven, het gaat om twee kleine gietijzeren voorwerpen die er al 158 jaar staan en nooit door iemand worden opgemerkt. De grasmaaiers van de gemeente zullen er vaak op gescholden hebben. Wie ligt er wakker van twee van die paaltjes? Maar ondertussen staan ze er 158 jaar en zijn ze een stille getuige van een tijdperk waarin er nog geen auto’s redenen en er ook nog geen veilingen waren. De paaltjes werden gepasseerd door paard en wagens, diligences, een enkele wielrijder en wandelaars. Onze twee paaltjes hebben model gestaan voor de hele provincie Zuid-Holland en zijn de oudste gietijzeren kilometerpalen van Nederland. Bewaren dus.(Wil je het hele verhaal van Flip Werner uit 2009 lezen? Meer: http://ezhlive.blob.core.windows.net/assets/a3834e21-fe70-440b-b063-fcc784fbecdf ) Auteur: Jan Buskes van het Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: De betekenis van Otto van Egmond, heer van de Keenenburg maandag 18 december 2017 09:09

Streekhistorie: De betekenis van Otto van Egmond, heer van de Keenenburg

Otto van Egmond is een van de belangrijkste inwoners van Midden-Delfland geweest. Hij leefde van ca. 1522-1586 en had als volledige achternaam Egmond van Meresteijn. Zijn familie was afkomstig van het huis Meresteijn in de omgeving van Beverwijk en was verwant met het geslacht van graaf Lamoraal van Egmond. Beide edelen hadden als gemeenschappelijke voorvader Kwade Wouter van Egmond. Otto van Egmond bezat op de Keenenburg een schilderij met een portret van Lamoraal van Egmond. Hij ontmoette deze verre neef regelmatig in Brussel en Den Haag, waar ze belangrijke landszaken met elkaar bespraken. Door het huwelijk van Aelbrecht van Egmond van Meresteijn met Haze de Blote kwam de Keenenburg omstreeks 1460 in handen van het geslacht Van Egmond. De bewoners van het kasteel bekleedden voorname bestuurlijke en militaire functies. Zo was de vader van Otto van Egmond luitenant-stadhouder van Holland, een van de hoogste militaire rangen in Holland. Otto van Egmond onderscheidde zich in zijn leven vooral als bestuurder. Hij had grote diplomatieke gaven en offerde zijn eigen belangen op voor de regio, het gewest en het land. Veel waarde hechtte hij aan vrijheid, ook in de godsdienst; hij bezat een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Pleiter voor vrijhedenOtto van Egmond trad in de periode 1544-1566 namens de Ridderschap en het gewest Holland in Brussel regelmatig op als afgevaardigde en onderhandelaar in de Staten-Generaal en bij de landvoogdes (eerst Maria van Hongarije en later Margaretha van Parma). Met andere gewestelijke bestuurders pleitte hij in de periode 1565-1566 voor acties tegen de Amsterdamse graanhandelaren, die hun voorraden vasthielden om de prijs nog meer te laten stijgen. Het volk leed honger. Ook zette hij zich te Brussel in voor de verzachting van de geloofsplakkaten. Aanhangers van Luther en Calvijn werden vervolgd. Ondanks zijn kritiek bevestigde Otto van Egmond in 1567 opnieuw de eed van trouw aan koning Filips II. Nadat zijn vriend en eveneens gematigde bestuurder Jacob van den Eynde in 1567 door de Spaanse Inquisitie werd opgepakt en Lamoraal van Egmond in 1568 door Alva was onthoofd, hield hij zich enkele jaren stil. Maar in 1572 koos hij volledig de zijde van de Opstand. Op dat moment was het nog volstrekt onduidelijk hoe de strijd tegen het machtige Spanje zou aflopen. Veel collega waterschapsbestuurders en leden van de Ridderschap bleven de Spaanse koning trouw en weken uit naar Spaansgezinde gebieden. Inzet voor de OpstandOtto van Egmond bleef op zijn post en raakte daardoor zijn huis aan het Noordeinde in Den Haag en zijn kasteel Keenenburg in Schipluiden tijdelijk kwijt aan de Spanjaarden. Hij woonde een aantal jaren in Delft. Grote sommen eigen kapitaal stopte hij in de oorlog. Willem van Oranje belastte hem in de moeilijke jaren met de uitbetaling van de soldaten die tegen de Spanjaarden vochten. Otto van Egmond nam met de Prins het initiatief om de polders van Delfland, Schieland en Rijnland onder water te zetten, zodat de geuzen Leiden zouden kunnen ontzetten. Dat de heer van Keenenburg hierin toestemde, was heel bijzonder, omdat hij als hoogheemraad van Delfland bij zijn aantreden had beloofd het land droog te zullen houden. Als gevolg van de klachten van boeren over de langdurige wateroverlast - het duurde een aantal jaren voor de dijken en molens hersteld waren - zorgde Otto van Egmond ervoor dat de boeren tot 1579 geen grondbelasting en andere heffingen hoefden te betalen. Hij steunde Willem van Oranje om de ergste heethoofden onder de geuzen, zoals Lumey, uit hun functies te zetten. Zijn zoon Jacob van Egmond werd een van de drie nieuwe kolonels in het Staatse leger. Portret van Otto van Egmond (ca. 1522-1586). Anoniem schilderij, zonder jaartal. Stichting slot Zuylen.Trouwe landsbestuurderDe indruk bestaat dat Otto van Egmond en zijn vrouw Agnes Croesink pas na 1572 geleidelijk naar het protestantisme zijn overgegaan. Verschillende van hun kinderen trouwden met leden van families die al eerder voor de nieuwe leer hadden gekozen. In 1578 werden Otto en Agnes belijdend lidmaat van de kerk in Delft, toen nog hun woonplaats. In die tijd werd het kasteel Keenenburg hersteld na de vernielingen in de jaren 1573-’74. De collega-hoogheemraden van Otto van Egmond schonken hem in 1578 vijf gebrandschilderde ramen voor zijn adellijke huis in Schipluiden. Als vooraanstaand lid van de Staten van Holland maakte Otto van Egmond vanaf 1572 in Het Prinsenhof in Delft en later in Den Haag veel overlegsituaties mee. Hij was een trouwe bezoeker van de vergaderingen. Hierdoor had hij zeer regelmatig contact met Willem van Oranje. Op veel staatsstukken, waaronder die van de Pacificatie van Gent, staan de namen en zegels van de Prins en de heer van Keenenburg naast elkaar. Otto van Egmond heeft zich erg ingezet om Willem van Oranje als soevereine vorst van Holland en Zeeland te benoemen, in plaats van de Spaanse koning Filips II. Toen Willem van Oranje op 10 juli 1584 in Delft werd doodgeschoten, was de heer van Keenenburg in de weken erna vrijwel dagelijks in Het Prinsenhof aanwezig om met anderen zijn uitvaart en opvolging te regelen.Betekenis voor Midden-DelflandIn 1583 kocht Otto van Egmond de ambachtsheerlijkheid Maasland (met Schipluiden), tezamen ruim 4.000 ha groot. Hierdoor werd hij de belangrijkste bestuurder van de regio. Hij zorgde voor stabiliteit. De oorlogsjaren waren in Holland voorbij en de opbouw van het platteland en de dorpen was in volle gang. Op 9 oktober 1586 stierf Otto van Egmond; hij werd begraven in de Grote Kerk te Den Haag. Zijn zoon en opvolger Jacob van Egmond liet later zijn lichaam overbrengen naar de kerk in Schipluiden. Hier ligt op het koor de grote grafzerk van Otto van Egmond en zijn echtgenote. Vanwege zijn verdiensten is zijn naam en portret verbonden aan de erepenning van de gemeente Midden-Delfland.Otto van EgmondpenningWie het volledige verhaal over zijn leven wil lezen, wordt verwezen naar het Historisch Jaarboek Schipluiden 2009, waarin een groot artikel over deze boeiende persoon is opgenomen. Het jaarboek is verkrijgbaar in Museum Het Tramstation te Schipluiden. Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Mijn vader was een Heer maandag 11 december 2017 08:08

Streekhistorie: Mijn vader was een Heer

Toen Nico Hilgerson nog gemeentebode was in Wateringen en ik nog raadslid, zei Nico een keer tegen me: “Uw vader was een Heer!” Mijn vader bleek dit niet alleen verdiend te hebben aan zijn hoffelijke manieren, maar ook aan zijn kleding, en aan een andere gewoonte: hij rookte ’s ochtends een pijp. Die pijp en zijn kleding hebben hem, behalve de eretitel van Heer, nog iets anders belangrijks opgeleverd. Op 1 januari 1956 werd de eerste pensioenregeling voor notarissen ingevoerd. Mijn vader was voor de oorlog al candidaat-notaris, zoals het toen gespeld werd. Er was maar een beperkt aantal standplaatsen voor notarissen, dus het was lang wachten. Toen de pensioenregeling erdoor kwam was mijn vader al 52! Hij solliciteerde op een paar plekken die open kwamen doordat al die oude notarissen moesten opstappen. Uiteindelijk werd het Wateringen, waar tot die tijd notaris Van Wessum zat.De eerste winter dat wij in Wateringen woonden, vanaf januari 1956, was een koude winter met heel veel sneeuw, tot in februari en zelfs maart aan toe. Mijn vader had nog geen auto; nog maar weinig mensen hadden er toen een. Hij verplaatste zich op een Solex. ’s Winters droeg hij daarbij een leren jas - in die dingen nam hij geen halve maatregelen - en een alpinopetje. Niet zo’n zwierige Baskische muts, maar een Hollands klein doppie. Het zag er niet fraai uit.Deze winter lag er te veel sneeuw om op de Solex te rijden. De aandrukrol op de voorband slipte door, en er was te veel gevaar om onderuit te gaan. Hoewel mijn vader een geweldige hekel had aan lopen - dat was maar stompzinnig de ene voet voor de andere zetten - ging hij die winter iedere dag lopend naar zijn kantoor, de hele kilometer lang. Hij droeg daarbij een zwarte winterjas - ’s winters nooit anders dan zwart - met daarin een witte zijden sjaal. Op zijn hoofd droeg hij een zwarte hoed, van het Anthony Edenmodel; een statige hoed, die zeker in zijn geval niet klein was uitgevallen. Mijn vader vond dat Nederlandse mannen altijd te kleine hoeden droegen. Al wandelend rookte hij zijn ochtendpijp. Notaris Jongmans en zijn kat druk aan het werk aan het bureau in het woonhuis Oosteinde 19, december 1956.Mijn vader had geld geleend om de inventaris van het kantoor over te nemen en de aanloopkosten te betalen, en ging aan de slag. De eerste maand kwamen er alleen maar cliënten die al een afspraak hadden gemaakt met de vorige notaris, en van wie de zaak klaar was. Alleen de akte hoefde nog gepasseerd te worden. Er kwamen geen nieuwe zaken. Nu ja, januari is altijd een slappe maand. “Geen zorgen”, zei oud-notaris Van Wessum, “ze kijken eerst een beetje de kat uit de boom, wat u er voor een bent. En als u meevalt, vertellen ze dat wel door op verjaardagen. U zult zien, dan gaat het wel lopen.” Maar ook in februari kwam er geen enkele nieuwe cliënt. Mijn vader maakte zich ernstig zorgen, het had zo’n drukke praktijk geleken. “Hebben ze dan geen nieuwe zaken?” vroeg hij zich af. “Jawel”, zei Van essum, “maar daar gaan ze nu even mee naar Naaldwijk, of naar Delft.” Het geleende geld raakte op. Er waren een candidaat-notaris, een klerk, en een aantal typistes, die allemaal hun salaris moesten hebben. Het zag er niet goed uit. Mijn vader had geen onderpand voor een nieuwe lening, wij huurden het woonhuis aan het Oosteinde en het kantoor aan de Heulweg.Toen kwam er op een ochtend een telefoontje. Het was van de huishoudster van Annetje Hoek. De Hoeken waren in vroegere tijden de regentenfamilie van Wateringen. Ze waren de eigenaren van de molen, indertijd een zeer kostbaar kapitaalgoed, van de herberg, van veel andere panden en van veel boerenland. Een aantal generaties was burgemeester. Een nazaat, Harry Hoek, was een groot man geweest bij het oprichten van het veilingwezen in het Westland, en er was een straat naar hem genoemd. De pater jezuïet die de rector was van het Stanislascollege in Delft, waar ik schoolging, was een Hoek. De familie was overigens zo goed als uitgestorven. In Wateringen restte alleen nog Annetje Hoek. Ze was een breekbaar oud dametje dat nooit was getrouwd. Ze woonde met haar huishoudster in het grote huis tegenover de St. Jan de Doperkerk aan de Herenstraat. Boven de deur van dat huis is vele jaren later een foeilelijk bord geschroefd met de naam “Het Hoge Huis”. Toen noemde niemand het zo.Oosteinde 19, ca. 1956.Annetje kwam haar huis niet meer uit. Ze was zéér katholiek maar naar de kerk ging ze niet meer. Op gezette tijden ontbood ze de pastoor, toentertijd de Zeer Eerwaarde Heer J. (Jos) Schoots, om haar de biecht af te nemen, en op de zondag daarna kwam de pastoor, na de Hoogmis, bij haar thuis om haar de communie uit te reiken. Daar keek niemand van op.De huishoudster ontbood mijn vader bij Annetje thuis. Een verzoek was het niet. Mijn vader, dolblij met eindelijk een klant, en nog volledig onkundig van de positie van Annetje Hoek in Wateringen, toog erheen. Hij werd ontvangen in de salon en kreeg een kopje thee. Tussen het kopje en het schoteltje lag een klein rond wit gehaakt kleedje. “Ach”, zei mijn vader, “dat was in mijn jeugd zo’n goede gewoonte, helaas zie je dat niet meer. Wat fijn, dat sommige mensen dat nog in ere houden.” Dat zei hij niet om haar te paaien, hij meende zulke dingen. Annetje reageerde er niet op. De klus was eenvoudig, ze wilde een minuscule wijziging in haar testament. Mijn vader nam de gegevens op, liet een akte uitschrijven op kantoor, door Nel, die het mooiste handschrift had, - testamenten werden toen nog uitsluitend met de hand geschreven - en maakte via de huishoudster een afspraak om de akte bij Annetje thuis te “verlijden”, zoals dat heet. Hij bracht zelf de verplichte twee getuigen mee. Het zou ondenkbaar zijn geweest dat Annetje naar kantoor zou zijn gekomen. Notaris Jongmans op weg naar zijn kantoor, 1974.De week na zijn eerste bezoek aan Annetje kwam er een klant. De week daarna nog een, en toen begon het te stromen. Mijn vader verbaasde zich over deze plotselinge toeloop. Hij sprak er over met mevrouw Van Wessum, die het dorp heel goed kende. Ze wist wat er gebeurd was. Annetje had mijn vader ’s ochtends zien lopen, met zijn zwarte jas, zijn witte sjaal en zijn zwarte hoed. Maar vooral met zijn pijp. “Een man die een pijp rookt”, had ze gezegd, “móét deugen. En hij kleedt zich ook heel netjes.” En dus had ze hem maar eens besteld, op proef. Dat was haar goed bevallen. Een man van de oude stempel, die nog wist hoe het hoorde (de witte kanten kleedjes!). Daarna had ze enkele vooraanstaande Wateringers laten weten dat de nieuwe notaris absoluut te vertrouwen was en zelfs aan te bevelen. Hij was een Heer.Het jaar daarna kocht mijn vader een auto. Auteur: Otto Jongmans van de Historische Werkgroep Oud Wateringen - Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Scheepswerven in het Westland maandag 4 december 2017 13:01

Streekhistorie: Scheepswerven in het Westland

Tot in de jaren ’60 van de vorige eeuw was het transport van goederen over water van groot belang. Een groot deel van de tuinders gebruikte de ‘schuit’ om de producten naar de veiling te brengen en de kooplieden brachten die vervolgens met de ‘westlanders’ naar de steden in de omgeving. Voor het onderhoud van die schepen waren werven nodig. Daarvan waren er ooit ongeveer 15 in het Westland. Maar met de terugloop van het vaarverkeer, zijn die scheepswerven langzaamaan verdwenen. Recent zijn de laatste twee gestopt met hun activiteiten. Dat betreft de werven van Nico van Zeijl en van Bol, beide langs de Gantel gesitueerd. In twee artikelen krijgt u een overzicht van de scheepswerven die het Westland in de loop der tijd heeft gehad. Vandaag deel 1.Kwintsheul: Pieter van der PlasAl in de tweede helft van de 17e eeuw was er een werf op de hoek van de Gantel en de Hollewatering en daarmee lijkt het de oudste werf die het Westland heeft gehad. Huijbert van Meurs is degene die deze werf dan runt. In 1711 wordt deze ‘Timmerragie, soo van Huijsinge, timmerloods, timmerwerf en alle tgeen daer op aert en nagelvast is staande’ door zijn weduwe Anna van Meurs-van Leeuwen en haar kinderen Jan en Maria verkocht aan Jan Pieterszn Olsthoorn. Dit was een succesvol zakenman die in Rotterdam en Poeldijk logementen in bezit had. Deze Jan doet de werf in 1719 kado aan zijn zoon, Jacob Janszn, als ‘huwelijks goet’. Daar zit overigens wel een ‘schultbrief’ van f. 700 aan vast t.b.v. Ary Pieterse van Meurs. Vier jaar later verkoopt Jacob de werf aan zijn neef, Jacob Jacobszn van der Knaap, die aan de overkant van de Gantel woont. Die had het tij mogelijk niet mee, want aan het einde van datzelfde jaar ging hij failliet en kon de boel alleen in de familie worden gehouden doordat zijn vader borg stond.De scheepswerf is later in allerlei handen overgegaan, tot in 1851 het echtpaar Van der Plas – Machiele zich op de scheepswerf vestigde. Pieter van der Plas Sr. was scheepsbouwer en had in dat jaar de scheepsmakerij gekocht. Het scheepvaartverkeer was in die dagen voor het Westland erg belangrijk. Bijna alle vervoer van en naar de tuinderijen gebeurde met de schuit. Bovendien maakte Van der Plas ook de zogenaamde Westlanders, grote schuiten die voor de expediteurs de tuinbouwproducten naar de grote steden vervoerden. Pieter Sr. stierf in 1884 op 80-jarige leeftijd. Daarvoor reeds had zijn zoon Cornelis de scheepmakerij van hem overgenomen. En na Cornelis was het diens zoon Pieter Cornelis die aan de Hollewatering de scheepswerf runde. Deze Pieter, aangeduid als P.C. van der Plas, maakte zich verdienstelijk voor de protestantse school aan de Heulweg in Wateringen, die mede dankzij financiële bijdragen van zijn oom was opgericht. De crisistijd in de jaren 30 eisten zijn tol. De scheepsmakerij was niet meer lonend en in 1936 moest Pieter zijn werkzaamheden staken. Hij verhuisde naar Rijswijk om daar van zijn oude dag te genieten. Zijn bedrijf werd op 19 november 1937 verkocht aan tuinder J. Binnendijk, voor f. 4.500. Hij vermaakte de werf tot een tuinbouwbedrijf. Hoewel de scheepswerf verdwenen is, is het woonhuis wat bij de werf hoorde nog steeds aanwezig (zie kopfoto)Wateringen: Scheepswerf Van der KleijDe scheepstimmerwerf langs de Heulweg in Wateringen zou in het jaar 1750 al zijn gesticht, door een zekere Van der Spek. Uit het bevolkingsregister van 1829 blijkt dat op deze scheepstimmermanswerf de 42 jaar oude Phillipus van den Ende als scheepsmaker resideert. Als zijn knechten vinden wij vermeld: Ary Hooyer: 61 jaar oud, Hermanus Waardeloo: 31 jaar oud (eind 19e eeuw komen we deze familienaam ook tegen bij een kleine werf in Poeldijk) en Lourens van der Meer 25 jaar oud. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Joannes van den Ende, geboren 1816. Deze vertrok in april 1882 naar Naaldwijk.De nieuwe scheepsbouwer was Arnoldus Bos, die in 1896 stierf. Na hem kwam een zekere K. van Rossum, maar deze was een eigenaar en stond niet ingeschreven in de bevolking van de gemeente Wateringen.In 1909 kwam de werf weer in andere handen. Dit blijk uit een schrijven, waarin Jacoba Verbeek, weduwe van Anthonius Hersbach, verklaart dat een woonhuis, werf en timmerloodsen worden verhuurd aan Evert Cornelis van der Kleij, wiens vader al vele jaren knecht op de werf was.Op de foto met pet op: Evert. Van der Kleij, naast hem zijn zoon Joh, P. van der Kleij en met het hoofdje boven de boeg uit Evert jr. Links blootshoofds: secretariebeamte dhr. V.d. Gulik.De nieuwbakken scheepmaker huurde het geheel voor 286 gulden per jaar of f 5,50 per week. Evert vond de huurprijs blijkbaar heel schappelijk, hij ging het avontuur volgens de gegevens tenminste aan. De opmars van de tuinbouw werkte in Everts voordeel, het werd op de werf steeds drukker. Nieuwe tuindersschuitjes bouwen en het verrichten van allerlei reparaties vergden veel tijd. Dat de drukke jaren op de werf Evert van der Kleij niet hebben getrakteerd op windeieren, blijkt uit een hypotheek die in 1929 passeerde bij notaris G.F. Roosen te Monster. In dat jaar was het inzake huren voor hem gedaan. Scheepmaker Van der Kleij kocht de werf, compleet met loodsen, werkplaats en open grond voor 12.000 gulden. Alhoewel zoon Jan van der Kleij zijn vader vol goede moed opvolgde, liep het werk op de werf in de vijftiger jaren geleidelijk aan terug.Het tijdperk van de ontsluiting der bedrijven had zijn intrede gedaan, het betekende meer auto’s en minder schuiten. Toen Jan van der Kleij er lucht van kreeg dat de Wateringse Vaart zou worden gedempt, diende hij in mei 1959 een bezwaarschrift in. Het mocht niet baten, de vaart ging toch dicht en de scheepswerf ging ter ziele. Daardoor werd de tweede generatie Van der Kleij tevens de laatste die als scheepmaker in de boeken is gekomen. Evert junior (generatie drie), thans woonachtig in Zevenbergen, nam met vader Jan in de zestiger jaren de ontmanteling van de werf voor zijn rekening. Momenteel is op de bewuste locatie aannemersbedrijf Eijgermans van Graafeijland gevestigd.Poeldijk: A. WaardelooEen van de weinige scheepswerven die in het centrum van een dorp gevestigd was. Deze werf lag aan het haventje van Poeldijk, achter het toenmalige café De Zwaan van A.J. van Rest. Hier vond alleen onderhoud van schepen plaats, door A. Waardeloo, die dit beroep als bijbaan deed. Het geeft aan dat er niet zoveel activiteiten plaatsvonden. De werf heeft dan ook maar kort bestaan, van (ongeveer) 1890 tot 1917. Uitbreiding van de dorpskern zal hier mede debet aan zijn geweest.Honselersdijk: Nico van ZeijlDeze werf, gelegen aan de Pouwelslaan 10 in Honselersdijk, heeft zich altijd bezig gehouden met reparatie en onderhoud van schepen. Complete nieuwbouw vond er nooit plaats. Op de plek van de latere werf stond in de 19e eeuw een boerderij van de familie Van der Klugt. Zij verkochten de boerderij in 1875 aan de familie Kok. Omdat de gebouwen en boerenhoeve in slechte staat verkeerden, liet de nieuwe eigenaar de boerderij afbreken en de vele hectaren grond verkavelen ten behoeve van tuinderijen gelegen langs de Nieuwe Vaart (Weg). In 1890 vestigde zich, op de plaats waar vroeger de boerderij stond, de scheepsmaker Maarten Rijgersberg. Hij werd in de volksmond Maarten Blikkie genoemd, omdat hij dikwijls te dun plaatijzer voor het repareren van de tuinderschuiten gebruikte. Deze scheepswerf floreerde echter goed, vooral omdat er steeds meer schuiten nodig waren. In 1910 is zoon Gerard Rijgersberg verder gegaan met de werf. Bij het overlijden van Gerard heeft de knecht (Joop Hogervorst) de werkzaamheden doorgezet tot 1943. De vrouw van Gerard heeft de werf in dat jaar verkocht aan haar zwager, A.P. van Zeijl. In die laatste oorlogsjaren lagen de werkzaamheden echter stil.Na de Tweede Wereldoorlog, in september 1945 is zoon Martien van Zeijl de werf gaan huren van zijn vader en startte de werkzaamheden weer op. In 1957 nam hij de werf van zijn vader over en vervolgens heeft hij de werf in 1990 verkocht aan zoon Nico van Zeijl. Vanwege milieuvereisten heeft Nico de onderhoudswerkzaamheden verzet naar de overkant van de Gantel, naar Poeldijks gebied. Het bedrijf richtte zich op het onderhoud van jachtjes, maar het onderhoud van tuindersschuiten vormde ook nog steeds een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden. Dit jaar is de werf gestopt met haar werkzaamheden.Auteur: Gustaaf van Gaalen van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Duitsers komen stemmen op zee maandag 27 november 2017 09:09

Streekhistorie: Duitsers komen stemmen op zee

Na het winnen van de Duitse verkiezingen in november 1932 werd Hitler op 30 januari 1933 door de rijkspresident, Paul von Hindenburg, benoemd tot rijkskanselier. Von Hindenburg was op dat moment 85 jaar en ziek en hij kwam op 2 augustus 1934 te overlijden. De dag erna voegde Hitler de bevoegdheden van het ambt van rijkspresident bij die van zijn eigen ambt als rijkskanselier. Kennelijk durfden de nazi’s het niet aan om dit zonder enige volksraadpleging te doen en daarom werd er op zondag 19 augustus 1934 een verkiezing, eigenlijk een referendum, georganiseerd over de vraag of Hitler tegelijkertijd rijkspresident en rijkskanselier kon zijn. De Duitsers die in Nederland woonden mochten ook stemmen en uit de omgeving van Amsterdam konden ze met speciale treinen naar Wesel, net over de grens bij Emmerich. Duitsers uit de omgeving van Rotterdam en Den Haag konden stemmen aan boord van het motorschip CORDILLERA dat speciaal hiervoor Hoek van Holland zou aanlopen. Overigens was er voor andere landen in Europa een soortgelijke oplossing bedacht. Inscheping op de CORDILLERA. Ondanks dat de gangway (loopplank) nogal steil ligt komt men toch met vaandels omhoog aan boord. Diverse mensen brengen de Hitlergroet. Foto uit ‘Ons Zuiden’; collectie Henk van der LugtDe CORDILLERA en het zusterschip CARIBIA waren in 1933 in de vaart gebracht door de Hamburg-America Line (HAPAG) en voeren in een lijndienst tussen West-Europa en het Caribisch gebied waarbij Rotterdam toen niet werd aangelopen. Op 19 augustus 1934 om 13:50 kwam de CORDILLERA uit Hamburg in Hoek van Holland aan en meerde aan de Fruitsteiger. Een kleine tweeduizend Duitsers, die met speciale treinen waren aangevoerd, stonden toen al te wachten want het schip arriveerde een paar uur later dan verwacht. De stemmers hadden van tevoren een plaats moeten bespreken waarna zij van het consulaat een reisbiljet en een stembewijs hadden ontvangen. Bovendien moesten zij hun paspoort meebrengen. De CORDILLERA aan de Fruitsteiger in Hoek van Holland. Krantenfoto uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 20 augustus 1934Om de voorkomen dat er ‘vreemdelingen’, bijvoorbeeld pers, aan boord gingen werd er streng gecontroleerd bij de inscheping. Dit nam daardoor nogal wat tijd in beslag en pas om 16:35 vertrok het schip naar zee. Eenmaal buiten de Nederlandse territoriale wateren konden de Duitsers hun stemplicht vervullen en ook dit duurde langer dan men had verwacht want pas om 20:25 kwam de CORDILLERA weer in Hoek van Holland aan waar de ‘passagiers’ weer werden ontscheept. Het schip vertrok hierna om 23:15 naar Antwerpen, de volgende reguliere aanloophaven. Mede door de aanwezigheid van enige muziekkorpsen was de stemming aan boord zeer vrolijk en er werd geregeld lustig gezongen. Na afloop van de stemming werden het Horst Wessellied en het Duitse volkslied gezongen en werd er een telegram van hulde naar Hitler gestuurd. Van de 1.901 uitgebrachte stemmen waren er 1.790 (94,2%) voor, 88 (4,6%) tegen en 23 (1,2%) ongeldig. De totale Duitse einduitslag was 89% voor, 9% tegen en 2% ongeldig. De CORDILLERA op volle zee. Foto; collectie Henk van der Lugt, fotograaf onbekendMen kan zich afvragen of het veel zin heeft gehad om op deze manier Duitsers die in het buitenland woonden de gelegenheid te geven om te stemmen. Op een totaal van ruim 43 miljoen uitgebrachte stemmen maakten die 1.901 immers niet veel uit en in het Duitsland van toen zorgden de nazi’s er door intimidatie toch wel voor dat een ruime meerderheid voor stemde. Mogelijk kwam er ook een propaganda element om de hoek kijken en wilden de Duitsers laten zien waartoe ze op korte termijn organisatorisch in staat waren? Zo speelde Hoek van Holland een bescheiden rol bij deze Duitse verkiezingen waarbij Hitler de absolute macht in Duitsland kreeg.Bronvermelding: Diverse kranten Boek ‘Great Passenger Ships of the World’ deel 3, door Arnold Kludas Archief Henk van der Lugt   Auteur: Henk van der Lugt van het Historisch Genootschap Hoek van Holland
Lees meer
Streekhistorie: Canon van Maassluis maandag 20 november 2017 09:09

Streekhistorie: Canon van Maassluis

De Canon van Maassluis is op 16 november officieel gelanceerd door burgemeester Haan tijdens de Historische Avond van de Historische Vereniging Maassluis. Vrijwilligers van de Vereniging hebben er jarenlang aan gewerkt en presenteerden op deze avond het resultaat. Wat is een canon?De (geschiedenis)canon is, om te beginnen, een website die is ondergebracht bij de regiocanons van de landelijke canon entoen.nu. In maart 2018 zal de HVM ook een boek publiceren. Er zijn geen lesbrieven of lespakketten voor de scholen ontwikkeld. Maar het staat iedereen vrij om dat, met de informatie van de Canon, zelf op te pakken.De Vlietlanden met de Noordvliet, Zuidvliet en Boonervliet geven een beeld hoe het land eruitzag kort na het graven van de Vlieten in de 14e eeuw. Vooral omdat de horizon zorgvuldig ‘schoon’ gepoetst is voor deze gelegenheid. Een canon is ‘het minimum’ wat iedereen zou moeten weten over de geschiedenis van Maassluis. In 25 kort beschreven onderwerpen, vensters genoemd, krijgt men zicht op gebeurtenissen die Maassluis hebben gemaakt tot wat het nu is. De keuze van de onderwerpen van een canon is altijd arbitrair. Want een canon mag maar een beperkt aantal onderwerpen bevatten en ook nog eens per onderwerp maximaal één bladzijde tekst. Dat is niet veel om belangrijke ontwikkelingen en hun impact op de geschiedenis van Maassluis te beschrijven. Daarom heten het ‘vensters’. Men kan zijn hoofd door het venster steken om meer van het onderwerp te zien en zelf op zoek te gaan naar meer informatie.Leuke weetjesToch denkt de werkgroep van de HVM dat ze erin geslaagd is een boeiend geheel van verhalen en foto’s samen te stellen die een beeld geven van alle mijlpalen en momenten die bepalend zijn geweest voor de geschiedenis van Maassluis. Er zijn aardige, interessante, grappige, bijzondere details toegevoegd die de geschiedenis levendig maken. Wist u bijvoorbeeld dat er in de loop van eeuwen meer dan 50 manieren gebruikt zijn om Maeslantsluys, Sluijs, Maessluys te schrijven. Wij houden het in de Canon voor de duidelijkheid maar op de moderne schrijfwijze van Maassluis, voor alle eeuwen.Op het hoogtepunt van de visserij, omstreeks 1900, lagen er meer dan 100 vissersschepen in de haven. Op de voorgrond een zalmschouw.TouwtrekkenMaassluis leefde vanaf het ontstaan rond 1330 tot circa 1930 van de visserij. Dat was vooral de zeevisserij op de Doggersbank, onder IJsland en Groenland. Maar ook in de rivier de Maas werd gevist. Daar vingen de Maassluizers vooral zalm, waarvoor het water tot ongeveer 1940 nog schoon genoeg was. Met kleine bootjes konden zij de netten bereiken om te controleren op zalm. Ook in de polder ving men vis. Aal of paling was rijkelijk aanwezig in de sloten en vlieten. Het was het makkelijkst om netten te spannen in de sluizen. Als deze open gingen om het Westland te spuien zwom de paling er zo in. Dat leverde wel eens problemen en getouwtrek op. De vissers zetten bij elk laagwater de sluizen open, terwijl de boeren dat water hard nodig hadden voor de landbouw.Het valse wapen van Maassluis aan de Wagenbrug. Het wapen van Maassluis vanaf 1959.Toen Maassluis zelfstandig werd in 1614 kreeg het een wapen. In 1814 kreeg het dorp de titel ‘stad’, van koning Willem I, tegelijk met een aangepast wapen. Daarin zaten echter fouten die volgens de heraldiek (wapenkunde) nooit hadden gemogen. Het aantal kepers (winkelhaken in rood/goud), dat verwees naar de zes ridderlijk deugden, veranderde in zeven. En aan de kleuren van de golvende banen van de Maas werd ook gesleuteld. Een ‘vals’ wapen is nog te zien aan de Wagenbrug. Pas in 1959 kreeg Maassluis zijn originele wapen terug, aangevuld met een kroon. Op een foto uit 1870 van de Noordvliet is het verschil in bestrating goed te zien. Het middendeel was Rijksstraatweg. De Rijksweg nr. 4 liep ook over de Goudsteen. De Rijksweg liep door MaassluisRond 1800 zijn er door Napoleon door heel Europa rijkswegen aangelegd om zijn troepen snel en efficiënt te kunnen verplaatsen. Rijksweg nr. 4 liep dwars door Maassluis. Dat had een reden. Delft was de garnizoensplaats en daar was veel materieel opgeslagen in het Arsenaal. Hellevoetsluis was de marinehaven. Tussen deze twee plaatsen was veel verkeer en de route liep over de veerdienst tussen Maassluis en Brielle. De Rijksweg kwam langs de Noordvliet Maassluis binnen, liep over de Goudsteen, ging bij de Wedde de Dijk op en via de Fenacoliuslaan kwam de weg uit bij de veersteiger. De Rijksweg was 2,50 of 4 m breed, al naar gelang de verwachte hoeveelheid verkeer. Dat betekende dat op de Noordvliet en Goudsteen een middenstrook van 4 m straatstenen door het Rijk werd onderhouden. De resterende breedte van de weg had een andere steensoort en onderhoud was voor rekening van de gemeente. Het Weeshuis aan de Noordvliet is in 1675 gebouwd.Vetdag in het WeeshuisHet Weeshuis is een van de monumenten die Maassluis kreeg nadat het zelfstandig was geworden in 1614. Het is gebouwd in 1675 door de diaconie, de liefdadigheidsinstelling van de kerk. Deze had natuurlijk niet veel geld. Om aan geld voor de bouw te komen hield men een grote loterij. Tot in Haarlem was die loterij uitgezet, en er verschenen berichtjes in de Haarlemse Courant over het Maassluise Weeshuis.De rijke reder en weldoener Govert van Wijn maakte in 1732, 90 jaar oud en ongehuwd, zijn testament. Hij bedacht het Weeshuis ‘genereuselijk’ met een rente van vijfhonderd gulden per jaar. Op 21 januari, de sterfdag van Govert van Wijn, was het feest. Dan kreeg elk kind een cadeautje van het bestuur en werd er extra lekker gekookt. Tot aan de sluiting van het Weeshuis in 1946 vierden de kinderen deze zogenoemde ‘vetdag’. Een van de laatste weesmeisjes herinnert zich de jaarlijkse feestdag nog goed; er moest ’s avonds verplicht samen met het bestuur gesjoeld worden.Bijzondere foto’sEr zijn nog veel meer verhalen te vertellen. Op de website staat er een bij elk venster. In het boek kunt u er te zijner tijd meer lezen. In dat boek zijn voor elk hoofdstuk hele bijzondere foto’s opgenomen. Speciaal voor de Canon maakte fotograaf Edwin Sonneveld een combinatie van een oude foto en de huidige situatie op precies dezelfde plek. Hij mengde oud en nieuw op verschillende plaatsen op de foto door elkaar. Zo zien we bijvoorbeeld op de foto van de Veerstraat een aantal hobbyvissers naast elkaar staan, geconcentreerd op hun hengel kijkend. Maar in de tijd zijn zij een eeuw van elkaar verwijderd. Kijkt u maar eens aandachtig, u ontdekt steeds meer ‘verschillen’ in de werkelijkheid. Het boek, met alle 25 vensters, toen/nu foto’s en bijzondere verhalen uit de Maassluise geschiedenis, is te koop vanaf april 2018 bij de Historische Vereniging Maassluis. U krijgt het in april als jubileumgeschenk cadeau als u lid bent van de Historische Vereniging Maassluis.Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Boerderij Arendshoeve maandag 13 november 2017 09:09

Streekhistorie: Boerderij Arendshoeve

In het jaar 2000 werd de boerderij, genaamd Arendshoeve, aan de Commandeurskade 46 aangewezen tot rijksmonument. De boerderij is jarenlang familiebezit geweest van de familie Van der Lely. De hoeve ligt vlak bij de Maaslandse Dam in de Commandeurspolder en heeft een oude geschiedenis. Op de kaart uit 1570 van Jan Jansz. Potter, gezworen landmeter van Delfland, is reeds op deze plaats een boerderij te zien. Het boerenbedrijf was toen in handen van een boer, genaamd Dirck Heijn. Op de kaart is een eenvoudige boerderij met hooiberg getekend. In 1754 was de boerderij in bezit van Cornelis Hendriksz. Hogendam, geboren in de Zuidbuurt. Na zijn overlijden namen zijn zoons Hendrik en Abraham de boerderij over. Beide broers bleven ongetrouwd. Op 5 februari 1813 kwam de boerderij te koop op een publieke veiling, die gehouden werd in herberg/café De Pynas aan de ’s-Herenstraat in Maasland. De koper was de 41-jarige Dirk van der Lely. Als hoogste bieder betaalde hij 10.921 francs (het was immers nog de Franse Tijd) ofwel ƒ 5.200,-. Dirk ging niet zelf op de boerderij wonen, maar verpachtte deze onder andere aan de familie De Waal. Dirk van der Lely, molenaar van beroep, was een vermogend man geworden. Door hard te werken en een drietal erfenissen afkomstig uit de familie had hij voldoende geld verworven om het zware molenaars vak te verlaten en de graanhandel in te gaan. Door zijn grote vermogen kon hij tevens de financier voor diverse mensen en instellingen worden; hij fungeerde als een soort bank van lening. In de koopakte van 1813 wordt de boerderij omschreven als : “Huisingen, stallingen, schuren, bargen, boomgaard en geboomte, omheind en betimmerd met twee partijen weij- en hooiland vanuit het Gaagwater oostwaarts tot de Middelwatering groot 17 ha En daarnaast een partij uit de Gaag oostwaarts tot het land van wed. Willem Moerman groot 4 ha”. In 1846 erfde zijn dochter Maartje Noordam-van der Lely de boerderij. De woning kreeg toen de naam ‘Arendshoeve’. De naam is afkomstig van Arend Noordam, de man van Maartje van der Lely. Arend Noordam, afkomstig uit een arbeidersgezin in Rozenburg, wist door zijn lucratieve handel in onroerend goed veel geld te verdienen en kon daardoor de rijke weduwe Maartje huwen. Hij werd een invloedrijk man en in 1850 tot burgemeester van Maasland benoemd. Ondertussen bleef de Arendshoeve verhuurd tot 1 mei 1853. Vanaf die datum (de maand mei was bij de boeren de eerste huurmaand ofwel eindigt een huurcontract) begon Arend Jacobsz. van der Lely, die met de dochter uit het eerste huwelijk van Noordam getrouwd was, met boeren op de Arendshoeve. Hij leende ƒ 5.000,- om levende have en gereedschappen te kunnen kopen. Hij was de eerste Van der Lely die zelf dit bedrijf ging runnen met zo’n 25 koeien en 27 ha land. Het land lag nogal verspreid: 16 ha achter de woning, bij de molen ‘De drie Lelies’ lag 3 ha, bij het Bommeer 1 ha Vlietland, in de Foppenpolder 5 ha en in de Sluispolder 2 ha. Het ging hem goed; het waren economisch zeer goede jaren voor boeren. De prijzen van kaas en boter waren hoog. Ook door erfenissen van zijn vader Jacob van der Lely en schoonvader, de oud-burgemeester Arend Noordam, ontstond een mooi familiekapitaal, waaronder veel onroerend goed. In 1869 vertegenoordigde de Arendshoeve met 16 ha land een waarde van ƒ 16.000,- In 1880 werd de boerderij verbouwd toen zoon Arend het boerenbedrijf overnam. De boerderij bleef tot 1968 in handen van de familie Van der Lely en is dus ruim 150 jaar familiebezit geweest! Bij gebrek aan een opvolger moest het bedrijf verkocht worden. De woning was in de loop der jaren nauwelijks veranderd. Het was een typisch negentiende-eeuwse Midden-Delflandse boerderij met een losse waterbak(pet), een fornuis, een rookschorsteen, tussen de voor-en achterkamer twee bedsteden. De opkamer lag boven de koelkelder en een grote onbetimmerde zolder. Rond 1850 was een dwarsstuk op de koestal aangebouwd voor paarden, de stier en de kalveren. Hierdoor werd het erf als een carré omsloten. Kortom een mooie bouwmanswoning. Ook na de verkoop in 1968 is het niet tot een drastische verbouwing gekomen. ‘Arendshoeve’ in 2017 (foto: Door: Michiel1972 op Wikimedia CC) In het jaar 2000 werd de boerderij rijksmonument, juist vanwege deze typische kenmerken die zo goed bewaard zijn gebleven. Helaas heeft het pand zijn oorspronkelijke functie moeten verliezen. De toenmalige eigenaar wilde modernisering van het huis en stallen en werd door toekenning van de monumentale waarde genoodzaakt zijn bedrijf op een naburige boerderij voort te zetten. De volgende bewoner heeft het pand mooi gerestaureerd. Bijkomstig voordeel is dat het negentiende-eeuwse gebouwencomplex van de familie Van der Lely aan de Commandeurskade behouden is: de Arendshoeve, de Lelyhoff (het renteniershuis) uit 1880 en de Bij-Arendshoeve. Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Vliegtuig bij Ter Heijde in beslag genomen woensdag 8 november 2017 10:10

Streekhistorie: Vliegtuig bij Ter Heijde in beslag genomen

Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië en enkele dagen later op 1 augustus 1914 Duitsland aan Rusland. Daarna volgden de oorlogsverklaringen van Duitsland aan Frankrijk, van Oostenrijk-Hongarije aan Rusland, van Servië en Groot-Brittannië aan Duitsland en van Frankrijk en Groot-Brittannië aan Oostenrijk-Hongarije. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was toen een feit. De Nederlandse regering trachtte zich in dit conflict afzijdig te houden en handhaafde een strikte neutraliteit. Zo sloot zij de Schelde voor Britse en andere oorlogsschepen. Wel werd een algehele mobilisatie afgekondigd om de neutraliteit te verdedigen. Deze mobilisatie bleef tot het einde van de oorlog (november 1918) van kracht. Het veldleger telde 95.000 man. In totaal bracht Nederland 200.000 man onder de wapenen. Een deel van deze troepen werd in Monster en Ter Heijde gelegerd. Ook in andere Westlandse dorpen vormden gemobiliseerde militairen vier jaar lang een ‘gewoon’ onderdeel van het dorpsleven. Iedereen kent wel een foto van poserende militairen uit die tijd.Een jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was in Soesterberg op 1 juli 1913 de Luchtvaartafdeling (LVA), een Nederlandse militaire vliegdienst opgericht. De LVA zou worden uitgerust met enkele les- en verkenningsvliegtuigen. Zowel in Nederland als in Frankrijk werden toestellen aangekocht. Zo leverde Frankrijk een aantal anderhalfdekkers van het type Farman. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog doorkruiste de opbouw van de LVA. De ons omringende landen waren met elkaar in oorlog, waardoor de LVA slechts sporadisch in het buitenland nog nieuwe vliegtuigen kon bestellen. Een ‘creatieve’ oplossing vormde het in beslag nemen (interneren) van vliegtuigen van de oorlogvoerende landen. Ruim honderd Belgische, Duitse, Engelse of Franse vliegtuigen landden als gevolg van motorstoring, brandstoftekort of navigatiefouten op het neutrale Nederlandse grondgebied. Vliegtuig en bemanning werden dan geïnterneerd. Indien mogelijk transporteerde de LVA de gestrande toestellen naar Soesterberg. Na een opknapbeurt werden deze vliegtuigen in de luchtvloot van de LVA opgenomen. Wel zorgde het Ministerie van Buitenlandse Zaken ervoor dat de landen van herkomst een financiële vergoeding ontvingen. Dankzij deze geïnterneerde vliegtuigen kon de Nederlandse luchtvloot toch worden uitgebreid met de modernste toestellen.Vliegtuig bij Ter HeijdeHet was groot nieuws in de Westlandsche Courant en andere dagbladen van 15 november 1916. Vlakbij strandpaal 112 bij Ter Heijde had een Belgisch vliegtuig op vrijdag 10 november een noodlanding gemaakt. Een dreigend benzinetekort als gevolg een navigatiefout was de oorzaak van dit onverwachte bezoek. De twee bemanningsleden, onderluitenant-vlieger René Vertongen en onderluitenant René Jonas werden direct door bewakingstroepen geïnterneerd en naar Den Haag overgebracht. Het vliegtuig namen de Nederlandse troepen in beslag. Het was een toestel van Franse makelij. Het ging om een Farman HF.40, een dubbeldekker die vooral voor verkenningstaken kon worden ingezet. Rond 1915 liepen de eerste exemplaren van deze tweezitter van stapel. Er werden er meer dan 1.000 stuks van gebouwd. VertongenOp zondag 12 november liep het Heijdse strand vol met ramptoeristen die allemaal de Belgische ongeluksvogel wilden bekijken. Militairen hielden de nieuwsgierigen op gepaste afstand. ’s Maandags arriveerden twee vrachtauto’s. Het vliegtuig werd in delen ingeladen en eerst naar Den Haag en later naar vliegkamp Soesterberg vervoerd. Nederlandse technici maakten het toestel weer vliegklaar. De motor vervingen zij door een exemplaar dat afkomstig was uit een Franse Farman die bij Ritthem op Walcheren een noodlanding had gemaakt. Op 27 november 1916 was de HF.40 vlieggereed en opgenomen in luchtvloot van de LVA. Het toestel kreeg het registratienummer LA37. Zelfs in Nederlands-Indië was Ter Heijde even in het nieuws. Onder het kopje ‘Uit het Moederland’, publiceerde op 9 januari 1917 De Preanger-Bode het verhaal van de Belgische aviateurs bij Ter Heijde. Waarom een noodlanding?De Belgische vlieger Vertongen vertelde aan de autoriteiten dat zij vanuit Le Havre waren vertrokken naar Engeland om militaire telegrammen en berichten over te brengen. Op vrijdagmiddag om 15.00 uur hadden zij vanuit Folkstone de terugreis aanvaard. Direct na het opstijgen werden zij overvallen door zeer dichte mist. Alle oriëntatie was onmogelijk. Zij vlogen toen op 1.500 meter hoogte. Vertongen besloot te dalen. Toen hij door het wolkendek dook, zag hij dat zij boven de Noordzee vlogen. Onder hen bevonden zich twee vlekken, die al naderend vijandelijke onderzeeboten bleken te zijn. De Farman was onbewapend en Vertongen vond het raadzaam om toch weer te stijgen. Uiteindelijk bemerkte hij dat zij niet boven de Franse maar boven de Nederlandse kust vlogen. De benzinemeter was bedenkelijk gedaald en terugkeer naar het materieeldepot te Beaumarais bij Calais was niet meer mogelijk. Een noodlanding op het Heijdse strand was de enige oplossing. GeïnterneerdVanwege de neutraliteit hield de regering zich strikt aan alle internationale neutraliteitsbeginsels. Dit had nogal wat voeten in de aarde. Militaire vluchtelingen die over de Nederlandse grens kwamen werden ontwapend en vervolgens geïnterneerd. Interneren betekende niet dat ze als krijgsgevangenen werden beschouwd. Ze werden slechts ‘geneutraliseerd’, dat wil zeggen afgehouden van verdere oorlogvoering. Hetzelfde gold voor zeelieden en vliegers. De geïnterneerden kwamen voornamelijk uit België, Duitsland, Engeland en Frankrijk. Officieren werden gescheiden van manschappen. Als officieren de belofte gedaan hadden dat ze niet zouden ontsnappen uit Nederland, werden ze ondergebracht in hotels en pensions met een beperkte bewegingsvrijheid in een straal van tien kilometer. Officieren die deze belofte weigerden af te leggen, werden ondergebracht in zogenaamde interneringskampen, zoals te Urk en Amersfoort/Zeist. Zowel Vertongen als Jonas gaven bij hun landing op het Heijdse strand hun ‘erewoord’ dat zij vooralsnog geen poging tot ontsnapping zouden ondernemen. Uiteindelijk weigerden zij de gebruikelijke verklaring te ondertekenen. Beide officieren werden daarop overgebracht naar het interneringskamp op het toenmalige eiland Urk. Een vreemde handelwijze van deze Belgische aviateurs, omdat hun regering enkele maanden eerder ten strengste alle militairen verbood uit zo’n kamp te vluchten. Bij aankomst in geallieerd gebied stond hen arrestatie te wachten. In 1917 werden de meeste geïnterneerde militairen vanuit Urk overgebracht naar een kamp te Zeist. Op 4 november 1917 ontsnapte Vertongen. Elf dagen later meldde hij zich in Beaumarais. Hoe hij vanuit Zeist zo snel Calais wist te bereiken blijft onduidelijk. Conform de gemaakte afspraken werd hij daar gestraft voor zijn ontsnapping. Zijn collega René Jonas bleef waarschijnlijk tot aan de wapenstilstand van 1918 in Nederland. Voor de laatste keer in het nieuwsOp 9 februari 1918 meldde een correspondent uit Le Havre aan diverse Nederlandse couranten dat de Belgische vlieger-luitenant René Vertongen werd vermist. Vanuit Calais was hij met zijn Hanriot HD1 opgestegen om dit nieuwe vliegtuig naar het front te brengen. Waarschijnlijk was hij door dichte mist met zijn vliegtuig in zee gestort. Een visser zag het toestel vallen. Pas op 14 april werd zijn lichaam geborgen en vier dagen later begraven in Calais. Op 2 februari 1923 is hij herbegraven op Schoonselhof te Antwerpen. Op het strand van Ter Heijde kwamen geen andere vliegtuigen meer naar beneden. Slechts aangespoelde en ontploffende mijnen en de aanwezigheid van gemobiliseerde soldaten waren in Ter Heijde stille getuigen van de ‘Groote Oorlog’. Meer lezenNederland en Oranje. Anti-Revolutionair Weekblad voor het Westland en omgeving, 11 (1916) nr. 567, 18 november 1916Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18 november 1916Nieuwe Tilburgsche Courant, 9 februari 1918Westlandsche Courant, 15, 25 november 1916, 28 april 1917F. Gerdessen en N. Geldhof, De internering van vliegtuigen tijdens de Groote Oorlog (Maarssen 2016).R. de Winter, Bakermat Soesterberg. Een eeuw militaire luchtvaart in Nederland 1913-2013 (Amsterdam 2013).http://www.wardeadregister.be/nl/content/vertongen-8Illustraties1. Gemobiliseerde militairen voor de Monsterse veiling.(Collectie Thomas van Straalen, Monster)2. Jager Willem Kappe uit Staphorst naast de gelande Farman F.40.(Foto van kleinzoon Willem Kappe, Nijkerk) 3. Portret van R.E.A.M. Vertongen (1877-1918).(http://www.wardeadregister.be/nl/content/vertongen-8)4. De Farman F.40 klaar voor de start van Soesterberg.(Nederlands Instituut voor Militaire Historie, LVA, inv.nr. 2157_006788)Auteur: Adri van Vliet van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer

Meer Streekhistorie