Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Van gemengd zwemmen naar een 3D waterglijbaan maandag 19 juni 2017 08:08

Streekhistorie: Van gemengd zwemmen naar een 3D waterglijbaan

De Maassluise Courant van 6 april maakte melding van een verbouwing die zwembad Dolfijn in Maassluis te wachten staat. Er komt een 3D waterglijbaan. Want gewoon zwemmen is allang niet meer van deze tijd. In 1947 zwommen we in het troebele Maaswater van het buitenbad op het Hoofd. En de gemeenteraad debatteerde of de tijd misschien rijp was voor gemengd zwemmen. Maar zover waren we nog niet… Met de kwestie gemengd zwemmen bedoelde men in Maassluis niet gereformeerden en katholieken tegelijk toegang tot hetzelfde zwembad geven. Zover was men allang. Maar was het wel verantwoord om jongens en meisjes tegelijk te laten zwemmen? We luisteren mee bij de openbare vergadering van de gemeenteraad van Maassluis van 27 juni 1947, precies 70 jaar geleden.Hoe moet dat met moeders en zonen?Aan de orde is een initiatiefvoorstel van de heren Slagboom en Boutkan en mevrouw Hamakers. De ‘rode rakkers’ willen een herziening van het reglement voor de gemeentelijke zweminrichting. Niet zomaar een herziening, nee, de mogelijkheid om (waarschijnlijk zo nu en dan) gemengd te zwemmen. Zomaar mannen en vrouwen, meisjes en jongens door elkaar in het water en langs de kant. Dat was in die tijd nog onbestaanbaar. Mevrouw Hamakers wil dat graag toelichten. ‘Is het beslist noodzakelijk, dat zij, om de zwemprestaties van haar zoon gade te slaan, naar Hoek van Holland moet gaan? Zij hoopt dat het mogelijk gemaakt wordt dat haar man straks ook samen met zijn beide dochters kan gaan zwemmen.’ Ze meent dat een groot deel van de ingezetenen geen bezwaar heeft tegen gemengd zwemmen. Ze geeft de leden die daarvan niet overtuigd zijn in overweging om op een zomeravond eens een wandeling langs de Maas te maken.Zedelijk onverantwoordDe heer Chardon bevestigt dat er veel op particulier terrein gezwommen wordt. Hij verzoekt de voorzitter – als hoofd van de politie – daartegen maatregelen te willen nemen. Bij mooi weer komt het voor dat meer dan 300 personen op particulier terrein gaan zwemmen. Hij heeft daar persoonlijk veel nadeel van. De voorzitter bestrijdt het voorstel op formele gronden, die we maar buiten beschouwing laten. En de heer Parre ziet de noodzaak niet. Zwemmen is ‘ten eerste tot verfrissing van het lichaam en ten tweede tot redding van zichzelf of van anderen’. De voorzitter betreurt het ‘dat er blijkbaar in de gemeente dingen gebeuren die zedelijk niet verantwoord zijn’. Aan de politie heeft hij steeds opgedragen nauwlettend toe te zien wat met de openbare zedelijkheid in strijd komt. Zij die kwaad willen komen toch niet onder toezicht in de badinrichting, maar zoeken los­bandigheid buiten toezicht. De heer Van der Snoek zegt ‘dat hij geen bezwaren heeft tegen gemengd zwemmen voor gehuwden alleen, wel echter indien het wordt toegestaan voor alle groepen en alle leeftijden. Het is niet mogelijk om in een overvol bassin goed toezicht uit te oefenen.’ Het voorstel wordt verworpen.Het zwembad aan de Burg. Van der Lelykade dat in 1924 werd geopend en tot 1969 in gebruik is gebleven. De foto is genomen vanaf de watertoren. Op de voorgrond links de restanten van het sluisje naar het voormalige Prikkengat.Fris MaaswaterCurieus dat men zich in 1947 drukker maakte om de zedelijke dan om de lichamelijke gezondheid. Want de zweminrichting was aangelegd in een bassin bij de watertoren op het Hoofd. Het zwembad was gemaakt in het bassin van het voormalige Prikkengat. Hierin werden de prikken, de aasvisjes voor de visserij, levend gehouden in stromend water. Met een sluisje stond het bassin in verbinding met de rivier. Zo werd tweemaal per etmaal het water ververst door de getijdenwerking van eb en vloed. Toen het Prikkengat was opgeheven en de badinrichting was geplaatst, kon ook het zwembad zo regelmatig water verversen via het sluisje. Er kwam dan ‘fris’ Maaswater binnen. Bedenk wel: dat had dezelfde temperatuur en dezelfde helderheid als het water in de rivier. Menig ouder Maassluizer herinnert zich met enige weemoed de bemoste trappetjes, de geur van het zwembad en het klappertandend wachten bij de kleedhokjes.Ingang zwembad Dolfijn aan de Sportlaan.Zwemmen in havengebiedZoals men in 1947 constateerde werd er ook veel buiten het zwembad gezwommen, in de rivier. Het water was toch hetzelfde. De spanning van iets wat eigenlijk niet mocht en het ontbreken van direct toezicht maakten dit wel zo leuk. En die spanning zoekt elke generatie opnieuw op, want op 7 juni 2007 verscheen de volgende waarschuwing in de Maassluise Courant.‘Het wordt weer mooi weer en de vakanties komen eraan. Daarom maar weer eens aandacht voor de gevaren van zwemmen in het havengebied. In Maassluis is het verboden om te zwemmen in het havengebied. Dit zwemverbod geldt voor de buitenhaven én voor de binnenhaven (Haven, Kolk, Noordgeer en Hellinggat). Ingang zwembad Dolfijn aan de Sportlaan.Het zwemmen in havengebied is verboden, omdat het erg gevaarlijk is. Het is voorstelbaar dat het koele water er in warme tijden aanlokkelijk uitziet, maar de vooral jeugdige zwemmers onderschatten het gevaar. De Maassluise haven is een getijdenhaven. Dat betekent dat bij laag water de bodem vaak sneller is bereikt dan men denkt. Met laag water kan het dan behoorlijk vervelend uitpakken als waaghalzen van de bruggen of de keersluis springen. Niet alleen staat er maar een beperkte laag water, er kunnen ook onverwachte obstakels op de bodem liggen, zoals fietsen die in de haven worden gegooid, of andere rommel die door de vloed wordt meegenomen. Overtreders die het zwemverbod negeren en toch zwemmen in de Maassluise haven, kunnen op de bon geslingerd worden.’ De Schansbrug is op warme dagen nog altijd een geliefde springplank voor jongelui die willen zwemmen. Via het trappetje aan de Noordgeer kun je ook weer uit het water komen. Veilig is het niet; vanwege de waterkwaliteit, de vrachtschepen en de voorwerpen op de bodem. Maar wel spannend.BlootToen zwembad Dolfijn aan de Sportlaan geopend werd was dat een grote stap voor het welzijn en welbevinden van de Maassluizers. Het water was warm en schoon, de kleedruimtes en douches waren warm en schoon, er was een binnenbad en een verwarmd buitenbad en het was er veilig. Gemengd zwemmen was geen vraagstuk meer. En het bijbehorende kunstwerk was een dolfijntje dat speelde met … een heel erg bloot waternimfje.
Lees meer
Streekhistorie: De Leeuwenwoning maandag 12 juni 2017 09:09

Streekhistorie: De Leeuwenwoning

Al in de zestiende eeuw zijn er gegevens te vinden over de bewoning van de zogeheten ‘Leeuwenwoning’, aan de Oostgaag nr. 11-13. In de Leenkamerboeken (een soort pachtregisters) wordt in 1553 Cornelis Jan Harmenszoon Cassenaers genoemd. Cassenaers was ambachtsbewaarder: hij had opdracht om namens de ambachtsheer toezicht te houden op onder andere de waterstand, de molens en de visrechten van de Kralingerpolder, ook wel toentertijd ‘aghter de Gaegh’ genoemd. Vanaf 1698 kunnen we de bewoning volgen via de Verpondingsregisters (belasting op onroerend goed). Diverse families verwant aan elkaar, worden als eigenaar vermeld. Op de kaart van Kruikius uit 1712 is heel duidelijk de boerderij getekend. De boerderij is omgeven door een grote boomgaard en ligt aan het water met aan weerszijden de boerderijen ‘Duivenvlugt’ en ‘Burghoeve’. Deze situatie is , ondanks de huidige bebouwing, nog steeds herkenbaar. In de achttiende eeuw is de boerderij een tijd lang in bezit geweest van de familie Van ’s-Gravenzande, advocaten en medici te Delft. Al vanaf de zeventiende eeuw was het een gewoonte voor rijke stedelingen om te investeren in onroerend goed, onder andere in land en boerderijen. Het buitenleven kwam in trek en werd verheerlijkt. Het leven in de stad werd in de zomer als ongezond ervaren. Daarom reisden veel families per koets of schuit voor een dag of meer naar buiten om daar te genieten van de landelijke sfeer. In 1816, na de Franse Tijd, werd de familie Van der Kooij eigenaar van deze boerderij. Te beginnen met Jacob Jacobszoon (1791-1859), oorspronkelijk afkomstig uit ’t Woudt. Opeenvolgende generaties hebben er geboerd tot in de jaren negentig van de vorige eeuw. Vroeger heette de boerderij ‘Rust-Hoff’. De woning trekt aandacht vanwege zijn uitgebouwde koepel, de hoge witte muren en de dampalen met de twee leeuwen, die elk een familiewapen omklemmen. In de jaren dertig van de vorige eeuw schilderde de Rotterdamse architect J. Verheul Dzn. deze boerderij. Op de aquarel zien we voor het statige huis de boer afgebeeld. Links achter de boerderij is een klein stukje van de stal te zien, die haaks op het voorhuis ligt. Deze stal is een aantal jaren geleden gerenoveerd. Vooral de achtkantige koepel bepaalt het uiterlijk van het huis. De boerderij had oorspronkelijk, net zoals veel andere boerderijen in Midden-Delfland aan de noordzijde een opkamer en aan de zuidzijde van het voorhuis twee slaapkamertjes. Deze kamertjes werden in de achttiende eeuw vervangen door een uitbouw met koepelkamer. Waarschijnlijk diende deze koepelkamer als ‘herenkamer’ voor de eigenaar. Er wordt ook over ‘jachtkamer’ gesproken. Werd hier over de plaatselijke jacht gediscussieerd? De uitbouw is later voorzien van een extra verdieping en werd apart bewoond. Ook de verlengde opkamer werd verbouwd en zo geconstrueerd dat er een tweede huis ontstond. De ‘Leeuwenwoning’ met koepelkamer (foto MtH, winter 2016) De ‘Leeuwenwoning’ met tweede huis (foto MtH, winter 2016) In de jaren negentig van de vorige eeuw werd in het kader van de reconstructie van Midden-Delfland door de toenmalige boer W. van der Kooij bedrijfsverplaatsing aangevraagd en de woning aan de agrarische bestemming onttrokken. De oorspronkelijke naam ‘Rust-Hoff’ werd meegenomen naar het nieuwe boerenbedrijf in de Aalkeetbuitenpolder. Het monumentale pand aan de Oostgaag werd woonboerderij en draagt nu de naam ‘Leeuwenwoning’, vanwege de hekpijlers met leeuwen. Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: De eerste kerk van Ter Heijde na de Reformatie dinsdag 6 juni 2017 07:07

Streekhistorie: De eerste kerk van Ter Heijde na de Reformatie

Op 16 januari van dit jaar is de verbouwing gestart van het kerkgebouw van de Hervormde gemeente van Ter Heijde aan Zee. Het oostelijke deel van de kerk stamt uit 1720, het westelijke gedeelte is er in 1952 aangebouwd. Dit westelijke deel wordt bij de verbouwing afgescheiden van de huidige kerk en krijgt een nieuwe bestemming als ontmoetings- en vergaderruimte. Je zou kunnen zeggen dat hiermee wat betreft het houden van de diensten de situatie van 1720 wordt hersteld. De verbouwing is in zeer korte tijd met hulp van veel vrijwilligers afgerond. Zondag 4 juni 2017 is de eerste dienst gehouden in de geheel vernieuwde kerk. Het is niet algemeen bekend dat de huidige kerk een voorganger heeft gehad, waarvoor prins Willem van Oranje in 1667 de eerste steen heeft gelegd. Over deze kerk, die in 1720 vanwege de voortdurende kustafslag moest worden afgebroken, gaat dit artikel. Voor de Reformatie heeft in Ter Heijde een kapel gestaan. Deze is eind 16de eeuw geheel of gedeeltelijk afgebroken. Mogelijk is dat gebeurd om te voorkomen dat Spaanse soldaten zich er in zouden kunnen verschansen. Zeker is dat echter allerminst. In 1599 wordt volgens de rekening van de voogden (bestuurders) van Ter Heijde nog zand weggevoerd van de plaats van de kapel en in 1604 ontvangen ze 30 stuivers uit handen van Claes Lenertsz. Voois vanwege de verkoop van stenen die afkomstig zijn van de kapel. Na de Reformatie kerkten de inwoners van Ter Heijde jarenlang in Monster. Vooral voor de oudere inwoners viel het echter niet mee om over de zandweg naar Monster te lopen om daar ter kerke te gaan en na de kerkdienst dezelfde weg terug te moeten afleggen. Op zeker moment hebben de inwoners van Ter Heijde daarom het verzoek gedaan een eigen kerkelijke gemeente te mogen stichten. In reactie daarop gaven de Staten van Holland op 24 september 1663 toestemming voor de aanstelling van een eigen predikant. Die datum wordt dan ook algemeen aangehouden als het begin van de zelfstandige Hervormde Gemeente van Ter Heijde. Thomas Heeremans, Gezicht op Ter Heijde vanaf het strand, 1677. Het in 1668 in gebruik genomen kerkje staat gevaarlijk dicht bij het strand. Collectie RKD, Den Haag.De eerste dominee was de uit Enkhuizen afkomstige Wilhelmus Visch. Men hield aanvankelijk kerkdiensten op de zolder van het gasthuis, maar dat was vanwege de kou in de winter en de hitte in de zomer niet altijd een onverdeeld genoegen. Ook was de zolder voor sommige inwoners moeilijk toegankelijk. Begin 1667 vroeg de kerkenraad daarom, samen met het ambachtsbestuur van Monster, toestemming aan de prins van Oranje om een eigen kerk te mogen bouwen. De jonge prins verleende die toestemming binnen een paar maanden. Hij kwam vervolgens in hoogsteigen persoon op 1 november van dat jaar de eerste steen leggen. Van die plechtigheid bestaat het volgende verslag: ‘Den Heer Prinse van Orangen (als daertoe speciaelyck versocht) legde op 1 deser den eersten steen van een nieuwe Kerck aen het seedorp Ter Heijde. Zyn Hoogheyts legging waren twee witte Albastertsteenen, waer in gehouwen waren de Letteren W.H.P.O. ende was gewapent met een silvere Troffel ende Ebbenhouten Maetstock, waer in, duym voedt, en Maetstock, cierlyck in silver ghesneden stonden. En van twee Haegse Juffrouwen een seemleere Schootskleet aengebonden, treedt uyt ’t Huys van den Predicant ter plaetse daer men ghedachte Kerck soude optimmeren. Ende daer van een der voornaemste der twee Albastertsteenen ontfangende, leyde die in het Fondament, wederkeerende na ’t Huys van den gemelden predicant. Is dien gebruyckelyck, wel getracteert. Latende het Troffel en Maetstock ter gedachten aen de Kerck. Den Prins tracteerde daer na weder die Heeren welcke hem Ter Heij hadden onthaelt, tot Scheveningen op Soetenburg.’ Ten behoeve van de nieuwbouw werden van verschillende leden van het Oranjehuis geldelijke bijdragen ontvangen. Zo schonk Amalia van Solms 1000 gulden. Ook de Staten van Holland droegen 1000 gulden bij. Er werden verder speciale collectes gehouden in verschillende kerken in de regio. Hoe die eerste kerk er heeft uitgezien is niet precies bekend. Op de kaart van landmeter Kruikius uit 1712 zijn bij nauwkeurige beschouwing slechts contouren van de kerk zichtbaar. Ook op een schilderij van Thomas Heeremans uit 1677, voorstellende een strandgezicht bij Ter Heijde, is de kerk van enige afstand afgebeeld. Wel zijn er gedetailleerde bestekken en rekeningen bewaard gebleven, die een redelijke indruk geven van de gang van zaken bij de bouw en van de uiteindelijke vorm van de kerk. De totale bouwkosten hebben ongeveer 7000 gulden bedragen. Het kerkje was binnen de muren gemeten slechts 8 bij 16 meter groot. Tegen de gevels van Leidse bakstenen stonden steunberen. De hoofdingang bevond zich aan de westkant en was 2,5 meter breed. In de zes ramen ter weerszijden van de kerk waren ijzeren roosters aangebracht, waaraan de glas-in-loodramen bevestigd waren. Tegen een van de zijgevels bevond zich een consistoriekamer van ongeveer 4 bij 5 meter. Boven de consistoriekamer waren de kerkvensters wat minder hoog dan in de rest van de kerk. Het houten dak van de kerk was belegd met blauwe dakpannen en op het dak stond een houten torentje, waarin de luidklok hing. Op de kerkvloer lagen rode bakstenen plavuizen. Om de timmerman niet op te houden moest de metselaar uiterlijk half april 1668 de muren gereed hebben. Het laatste metselaarswerk moest vervolgens uiterlijk eind mei 1668 klaar zijn.P.C. la Fargue, Ter Heijde in 1752. Links de kerk van 1720. Op de achtergrond de kerk van Monster. Collectie Haags Gemeentearchief.De inwoners van Ter Heijde hadden vanaf 1668 dus een eigen kerk, maar nog geen inkomsten om de kerk te onderhouden. Het zat hen daarom dwars dat zij nog steeds financieel moesten bijdragen aan het onderhoud van de toren en de kerk van Monster. Van iedere ton schol moesten zij ten behoeve daarvan een stuiver afdragen en van iedere kabeljauw of zalm een halve stuiver. De Heijdse herbergiers moesten van iedere ton bier tien stuivers en van elke stoop wijn een halve stuiver accijns betalen. Ook vloeide er een bepaalde som per vissersschuit in de Monsterse kas. De Heijenaren richtten zich daarom tot de Staten van Holland met het verzoek een deel van die inkomsten zelf te mogen houden ten dienste van de eigen kerk en het dorp Ter Heijde. Of dit verzoek is ingewilligd blijkt helaas niet uit de archieven. Die eerst kerk is geen lang leven beschoren geweest. Door kustafslag was men al in 1720 genoodzaakt het gebouw af te breken. Ruim 350 meter landinwaarts werd een nieuwe kerk gebouwd. Zo veel mogelijk materiaal van het oude kerkje werd hergebruikt voor de nieuwbouw. De kerk van 1720 staat er heden ten dage nog steeds, al is er in de loop van drie eeuwen wel het een en ander aan verbouwd. Een deel van de kapconstructie van de kerk schijnt afkomstig te zijn van het eerste kerkje uit 1668. Het oostelijk deel van de huidige kerk stamt nog uit 1720. Het westelijke deel is er in 1952 aan toegevoegd. Dit westelijke deel is met de nu voltooide verbouwing dus weer afgezonderd van de kerkruimte en gaat de functie van verenigingsgebouw ‘Irene’ overnemen.Bronnen:P. Bos, De stichting van de kerkelijke gemeente Ter Heijde. In: Historisch Jaarboek Westland 2002.Wim Duijvestijn, De bouw van de nieuwe kerk van Ter Heijde (1667-1668). Een ongepubliceerde beschrijving van de bouw aan de hand van oude bestekken en rekeningen, circa 1980.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Familiebedrijf Valstar basis van succes Best Fresh Group maandag 29 mei 2017 09:09

Streekhistorie: Familiebedrijf Valstar basis van succes Best Fresh Group

Het Westlandse familiebedrijf is de bakermat geweest van veel succesvol ondernemerschap. Een goed voorbeeld van zo’n familiebedrijf is de Best Fresh Group, voor veel Westlanders beter bekend als Valstar op ABC Westland in Poeldijk. Het Genootschap Oud-Westland bracht op 17 mei en 31 een bezoek aan dit bedrijf met meer dan 300 medewerkers. De grootvader van de huidige directeur Mart Valstar  begon in 1928 met de handel in groenten. Drie van zijn broers werden tuinder maar Maart en andere broer Cees kregen het advies de handel in te gaan. "Wat is dat, handel ?", vroeg Maart zoals verwoord in het boek Geworteld in het Westland”. Het begin was moeilijk met de crisisjaren en de oorlog. Fa. M. Valstar & Co hield zich bewust afzijdig van handel met de Duitsers. Na de oorlog kon hij bijna van de grond af opnieuw beginnen. "Er stond nog een motor onder een baal hooi en er was 2000 gulden in kas", zei directeur Mart Valstar tegen de leden van het genootschap. Ondanks de tegenslagen van de Familie Valstar in de oorlog pakte de zaak de export naar onze oosterburen weer op en logeerde vader Ful in 1953 bij een Duitse afnemer om de taal en het vak te leren. Grootvader Valstar bleef tot zijn overlijden in 1976 in de zaak, maar na de verhuizing in 1972 naar ’s-Gravenzande werkte hij  nog halve dagen. Zijn zoon Ful, de vader van de huidige directeur Mart Valstar, was commissionair en bracht zijn meeste tijd achter de klok door. "Het einde van de klok op 29 januari 1999 werd tegelijk zijn pensioendatum," zei Mart, die in 1981 als jong broekie in de zaak kwam werken. In de periode vanaf de midden tachtiger maakte het bedrijf een sterke groei door De omzet steeg van 3 miljoen gulden naar bijna 300 miljoen vorig jaar. De komst van de Greenery in 1996  bracht een andere wijze van zaken doen met zich mee. De veiling ging zich meer met de handel bezig houden en ging ook naar onze klanten. Een enorme kanteling in de keten en een bedreiging voor het voortbestaan van ons bedrijf.  "Als jullie naar mijn klanten gaan, dan ga ik naar jullie telers", dacht en deed Mart Valstar. Samen met nog drie andere bedrijven nam Valstar een commerciële man aan, die de telers rechtstreeks ging benaderen. De vorming van de Greenery overtuigde Mart Valstar nog meer van de voordelen van het familiebedrijf. "Veel familiebedrijven verkochten zich aan de Greenery maar hun ziel ging uit het bedrijf", zei Valstar. Intussen groeide Valstar. Op 23 juni 2003 vierde het bedrijf zijn 75-jarig bestaan. Er volgde een reeks van nieuwe activiteiten waardoor de Best Fresh Group nu twaalf ondernemingen telt, die een breed pakket aan producten aanbieden van kasgroenten tot exoten. "Wij zijn één familie en ieder lid is een expert in zijn productsegment. Samen zijn wij sterker. Samen bieden wij een complete dienst aan onze toeleveranciers en klanten’’ aldus de bedrijfsbrochure uit 2016. Mart Valstar hoopt dat zijn drie dochters het familiebedrijf zullen voortzetten. Hij denkt niet aan verkoop. "Van een zak geld word ik niet gelukkig", zegt de Naaldwijker. Intussen houdt hij zich o.a. bezig met de innovatie van de bedrijfsvoering. Een van de doelstellingen is erop gericht het papierverbruik fors terug te dringen. Het sociale aspect blijft ondanks de schaalvergroting  behouden. Op het intranet verschijnen o.a. de namen van de jarige medewerkers van die dag op het beeldscherm alsook de namen van het nieuw aangenomen personeel. Regelmatig hebben gezondheidschecks plaats. Mart Valstar beloofde vorig jaar een te zware medewerker een forse beloning als hij zijn gewicht van 123 naar 100 kilogram wist terug te brengen. De man raakte extra gemotiveerd en kwam na enige tijd het geld ophalen. Inmiddels zit de medewerker op een gewicht van 93 kilogram. Auteur: Frank de Klerk van het Genootschap Oud-Westland
Lees meer
Streekhistorie: Het Begijnhof van ’s-Gravenzande maandag 22 mei 2017 08:08

Streekhistorie: Het Begijnhof van ’s-Gravenzande

Als u wel eens op bezoek bent in Zuid-Nederlandse of Belgische steden dan bent u waarschijnlijk wel eens een begijnhof tegengekomen. Deze mooie historische gebouwencomplexen zien er heel erg pittoresk uit. Een verzameling huisjes die een besloten hof vormen en toegankelijk maar ook afsluitbaar via een poort. Op het begijnhof is ook een kapel aanwezig. Als je daar tijdens een wandeling door een drukke stad bij toeval terecht komt dan overvalt je gelijk een gevoel van rust. Aquarel uit ca. 1760 van buitenplaats Vreeburg, het poortgebouw en de muur van het begijnhof zijn nog aanwezig (bron Nationaal Archief) Heerlijk om daar te zijn en te wonen. Als ik mensen vertel dat zo’n begijnhof zich ook ooit in ’s-Gravenzande heeft bevonden kijken ze mij altijd ongelovig aan. Toch is dat zo en het was zelfs een heel oud begijnhof. Het werd al in 1255 voor het eerst genoemd en daarmee is het ’s-Gravenzandse begijnhof het oudste begijnhof van de noordelijke Nederlanden. De Begijnen van 's-Gravenzande kregen toen een jaarrente van graaf Willem II van Holland. In datzelfde jaar beloofde Jan van Diest, de wijbisschop van de bisschop van Utrecht aan iedere gelovige een aflaat als die de Begijnen hielp bij de aanleg van hun hof. De grond waarop het Begijnhof werd gebouwd was ter beschikking gesteld door gravin Machteld, de moeder van graaf Willem II. Later schonk zij nog een aangrenzend stuk land met een huis. Het ’s-Gravenzandse begijnhof bevond zich op het terrein waar nu het appartementencomplex Vaarthof is, begrenst door het Vaartplein, de Vreeburghlaan en de Gasthuislaan. Het middeleeuwse poortgebouw van het begijnhof, aquarel uit ca. 1760 (bron Nationaal Archief) In een Begijnhof woonde een groep vrouwen bij elkaar die een vroom en kuis, religieus leven leidden. Zij legden echter geen kloostergeloften af en traden ook niet toe tot een (klooster)orde. Zij onderwierpen zich vrijwillig aan een strenge religieuze levenswijze. De gelofte van armoede bond hen niet, zodat ze wel privé-bezittingen mochten hebben. Daarbij bleven ze een zelfstandig leven leiden, maar wel afgescheiden van de buitenwereld. In de praktijk kwam dit er op neer dat de vrouwen een eigen huis(je) hadden op een ommuurd en afgesloten terrein. Opgraving van het fundament van de muur om het begijnhof in 1999 (collectie Westlands Museum) De Begijnhoven ontstonden in het tweede kwart van de 13de eeuw in België, Nederland, Noord-Frankrijk en het Duitse Rijnland. Waarschijnlijk omdat er te weinig vrouwenkloosters waren en er in die periode grote groepen vrouwen waren die zich wilden toeleggen op een religieus leven. Het Begijnhof was dus een half geestelijke, half wereldlijke instelling. De vrouwen voorzagen in hun eigen onderhoud door opbrengst van hun landbezit of het maken van kleding en het bereiden van voedsel. Ook hielden zij zich bezig met het verzorgen van zieken.Middeleeuwse waterputten verbonden door middel van gemetselde kokers In ’s-Gravenzande is nu behalve een straatnaam niets meer te herkennen of te zien van het begijnhof. Toch weten we er nog aardig wat vanaf. Er bestaan nog oude kaarten waarop het begijnhof staat afgebeeld en er zijn ook nog historische schilderingen waarop delen van het begijnhof te zien zijn. Verder zijn er in archieven en oude aktes ook nog gegevens van het ’s-Gravenzandse begijnhof terug te vinden. Muurwerk van de grote middeleeuwse kelder van een gebouw op het begijnhofNiet zo heel lang geleden, namelijk in 1999 zijn er bij een archeologisch onderzoek op de locatie waar het appartementencomplex Vaarthof werd gebouwd, tastbare sporen teruggevonden van het begijnhof. Bij die archeologische opgraving werden de fundamenten gevonden van de muur die het begijnhof omgaf en van een deel van het poortgebouw. Ook van het huis dat genoemd werd in de schenking van gravin Machteld zijn sporen terug gevonden, o.a. zwaar muurwerk, een grote kelder en verschillende afval- en beerputten waar heel veel aardewerkvondsten uit de 13de en 14de eeuw uitkwamen. Verder zijn er meerdere waterputten terug gevonden die aan elkaar verbonden waren door middel van gemetselde kokers. Het vermoeden bestaat dat deze waterputten gebruikt werden voor het brouwen van bier waar je schoon water voor nodig had. Het brouwen van bier was ook een van de activiteiten waar de begijnen zich mee bezig hielden. In meerdere archiefstukken die met het begijnhof te maken hebben wordt een brouwhuis genoemd.Middeleeuws gebruiksaardewerk van het begijnhof Van de begijnenhuisjes zijn geen fundamenten gevonden, waarschijnlijk omdat die niet heel erg groot waren en daarom niet beschikten over zware funderingen. De toplaag van het terrein was tot op een diepte van bijna een meter erg verstoord door bouwactiviteiten uit het verleden. Dat we ook geen funderingen terug gevonden hebben van de kapel is wel vreemd. Op oude landkaarten staat deze kapel duidelijk ingetekend en ziet er daar uit als een behoorlijk zwaar bouwwerk. Het zou kunnen dat alles wat nog restte van de kapel verdwenen is want die heeft gestaan op de plek waar in de 20ste eeuw de groenteveiling werd gebouwd. Daar heeft een behoorlijk grote veilinghal met een zware vloer gestaan waar heel wat grondwerk voor is verzet. De kapel is er zeker geweest want we hebben tijdens de opgraving meerdere profielstenen van kerkramen terug gevonden en gebrandschilderd glas met religieuze afbeeldingen.Plantbedden van de moestuin van het begijnhof tekenen zich af als verkleuring in de ondergrond Andere interessante vondsten waren die van plantbedden van de moestuinen uit het begijnhof. Deze plantbedden tekenden zich heel duidelijk af als verkleuringen in de ondergrond. Op de oude landkaart van het begijnhof zien we veel bomen van boomgaarden staan voor de productie van fruit. Door de verkoop van fruit konden de begijnen in hun levensonderhoud voorzien. Dit is een mooi gegeven omdat deze vondsten laten zien dat de Middeleeuwse Westlanders al met tuinbouw bezig waren, ver voordat het Westland een grootschalig tuinbouwgebied werd.’s-Gravenzande op een kaart uit 1566, het begijnhof is direct rechts van de kerk (bron Nationaal Archief) Het begijnhof heeft bestaan tot aan het begin van de 80-jarige oorlog. Het werd na de Reformatie als katholieke instelling door de staten van Holland in beslag genomen, waarna het in 1576 verkocht werd aan Adriaan Duyck, rekenmeester van Holland. Bij de verkoop werd bepaald dat de begijnen die nog in het hof woonden tot hun dood hun eigen huisje mochten blijven gebruiken. Middeleeuwse vingerhoedjes van het begijnhof, opgegraven in 1999 In 1615 kwam het huis aan de Vaart in handen van Dirk Gerritsz. Meerman een koopman uit Delft. Zijn zoon Francois kocht later alle voormalige bezittingen van het begijnhof op, waarna hij op die plaats een zogenaamde buitenplaats liet aanleggen. Dit is een mooi landhuis met een siertuincomplex. Na de vrede van Munster, waarmee de 80-jarige oorlog ten einde kwam, kreeg de buitenplaats de naam Vreeburg.Auteur: Ton Immerzeel, conservator Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Historisch Archief Westland gaat verhuizen dinsdag 16 mei 2017 12:12

Streekhistorie: Historisch Archief Westland gaat verhuizen

Het Historisch Archief Westland verhuist medio augustus dit jaar met haar archief naar de nieuwe gemeentelijke archiefbewaarplaats in het nieuwe publiekscentrum aan de Verdilaan in Naaldwijk. Meer dan 3 kilometer archieven en collecties, die nu nog staan opgeslagen in de archiefbewaarplaats in het gemeentehuis Naaldwijk èn in de archief-ruimten in de voormalige gemeentehuizen van ’s-Gravenzande, Monster en Wateringen. Alles moet worden verpakt, herverpakt, vernummerd, bestickerd om het straks te kunnen verhuizen en onder optimale condities en in de juiste orde een plek te kunnen geven in de nieuwe archiefkluis. Een enorme logistieke operatie waarvoor Marian Hanzens (archief-inspecteur) en Lars Steenbeek (depotbeheerder) de komende maanden álle ruimte nodig hebben die we kunnen krijgen. "Alles gaat op de schop", aldus gemeentearchivaris Peter Smit, die verantwoordelijk is voor deze operatie. Het Historisch Archief Westland verhuist medio augustus dit jaar met haar archief naar de nieuwe gemeentelijke archiefbewaarplaats in het nieuwe publiekscentrum aan de Verdilaan in Naaldwijk. Meer dan 3 kilometer archieven en collecties, die nu nog staan opgeslagen in de archiefbewaarplaats in het gemeentehuis Naaldwijk èn in de archief-ruimten in de voormalige gemeentehuizen van ’s-Gravenzande, Monster en Wateringen. Alles moet worden verpakt, herverpakt, vernummerd, bestickerd om het straks te kunnen verhuizen en onder optimale condities en in de juiste orde een plek te kunnen geven in de nieuwe archiefkluis. Een enorme logistieke operatie waarvoor Marian Hanzens (archief-inspecteur) en Lars Steenbeek (depotbeheerder) de komende maanden álle ruimte nodig hebben die we kunnen krijgen. "Alles gaat op de schop", aldus gemeentearchivaris Peter Smit, die verantwoordelijk is voor deze operatie.Archief sluit vanaf 1 juni Om de voorbereidingen van de verhuizing verantwoord en ongestoord te kunnen uitvoeren, is besloten om het archief en de leeszaal voor een periode van zeker drie maanden, te rekenen vanaf 1 juni a.s., voor het publiek te sluiten. En ook de maandelijkse avondopenstelling zal drie maanden worden opgeschort.Ruim 3.000 meter archief, hoeveel is dat eigenlijk?Stel je eens voor dat alle archiefdozen van het Historisch Archief Westland achter elkaar op straat zouden worden gezet. Te beginnen bij de oude watertoren aan de Haagweg, hoek Orberlaan. Hoe ver zou je richting Monster moeten doorrijden tot je aan het eind van het archiefdozenlint bent gekomen? Je passeert het Schelpenpad, de Rijnstraat, de molen en nog steeds staan er archiefdozen langs de weg. Je zult tot de kerk in het centrum van Monster moeten doorrijden om de laatste doos te zien.Zeven eeuwen Westlandse geschiedenis De historie van de Westlandse buitenplaatsen, de rol van de Oranje’s, de Westlandse stoomtram, de veilingen, de tuinbouw….honderden archieven, collecties, perkamenten charters, kaarten, tekeningen, schilderijen, films, foto’s, kunstvoorwerpen vertellen het verhaal van de rijke Westlandse geschiedenis. Het oudste stuk is uit 1255.Erkende verhuizerHet merendeel van het Westlands archief staat nu opgeslagen in de archiefkluis op de tweede etage van het gemeentehuis in Naaldwijk. Daar wordt het archief momenteel voorbereid voor de verhuizing. En hoewel de afstand van deze archiefkluis naar de nieuwe archiefbewaarplaats in het publiekscentrum aan de Verdilaan hemelsbreed nog geen 100 meter is, zal het transport van de duizenden dozen en kunstvoorwerpen niet in eigen beheer worden uitgevoerd (zoals dat in Brabant gebeurde in de jaren ’60. foto van www.bhic.nl ). Een erkend verhuizer zal het transport van de archieven en collecties voor zijn rekening nemen. Burgerlijke Stand online raadpleegbaarTegelijk met de verhuizing wordt op dit moment bij het archief hard gewerkt aan het digitaliseren van de openbare registers met akten van de burgerlijke stand. Na de verhuizing kunt u de akten van geboorte (tot 1917), de akten van huwelijk (tot 1940) en de akten van overlijden (tot 1967) online raadplegen.Archief geslotenVan 1 juni tot half september zal het Historisch Archief Westland dus gesloten zijn. Zie hier de nieuwe archiefbewaarplaats met verrijdbare stellingen. Het Historisch Archief Westland begroet u na de verhuizing graag op haar nieuwe plek in het nieuwe gemeentehuis op de Verdilaan in Naaldwijk.Auteur: Jan Buskes van het Historische Archief WestlandWegens een technische storing is deze rubriek een dag later verschenen dan gebruikelijk
Lees meer
Streekhistorie: Aert Schouman schildert 's-Gravenzande maandag 8 mei 2017 09:09

Streekhistorie: Aert Schouman schildert 's-Gravenzande

Het Dordrechts Museum bestaat dit jaar 175 jaar en is daarmee één van de oudste stedelijke musea van ons land. Dit jubileum wordt gevierd met een groot en feestelijk overzicht van het mooiste werk van de schilder Aert Schouman (1710 – 1792). Deze Dordtse kunstschilder heeft onder andere een groot aantal prachtige aquarellen gemaakt die een uniek beeld geven van de ’s-Gravenzandse buitenplaats Zuidwind en van de stad ’s-Gravenzande. Ook schilderde hij andere plekjes in het Westland. Aert Schouman werd op 4 maart 1710 geboren in Dordrecht als zoon van een beurtschipper. Op jonge leeftijd toonde hij al aanleg voor tekenen. Na zijn schooltijd ging hij in de leer bij de Dordtse kunstschilder Adriaan van der Burg. Later vestigde hij zich zelf als kunstschilder en na enige tijd begonnen zijn werken aftrek te vinden bij verzamelaars. Vanaf 1748 woonde Schouman niet meer het hele jaar in Dordrecht maar woonde hij ook geregeld in Den Haag, waarschijnlijk om zijn afzetmarkt te verbreden. Daar had hij een grote kring van relaties en opdrachtgevers opgebouwd waaronder nogal wat Dordtenaren die er werkzaam waren. In 1753 vestigde hij zich definitief in Den Haag. Hij genoot er aanzien, was lid van de Vrije Haagsche Tekenacademie, een aantal jaren voorzitter van de Haagse schildersbroederschap Pictura en erelid van een Haags dichtersgenootschap. Naast schilderen hield hij zich ook bezig met het maken van etsen en glasgravures Schoumans werk bestaat vooral uit portretten en grote behangselschilderingen. Ook schilderde hij mythologische en Bijbelse thema’s. Later ook meer decoratieve afbeeldingen met vogels en zeldzame dieren o.a. uit de menagerie van Willem V, en plantenstudies. In 1786 begon de hoogbejaarde Schouman voor stadhouder Willem V aan de decoratie van een vertrek van het Stadhouderlijk Kwartier op het Binnenhof in Den Haag. De vijf voorstellingen met inheemse en exotische vogels in dit zogenaamde “Vogel Cabinet” zijn het hoogtepunt van de decoratieve natuurafbeeldingen die Schouman heeft vervaardigd. Op dit wandvullende sierbehang met een Hollands landschap zijn onder andere afgebeeld een ijsvogel, een ekster, een krakeend, een bergeend en een nijlgans en verder ook papagaaien, een flamingo, een kraanvogel en een zilverfazant. Veel later werd dit sierbehang in paleis Huis ten Bosch geplaatst. De kamer van dit vogelkabinet, met de complete kamerbeschildering uit Huis ten Bosch, is nagebouwd in de tentoonstellingsruimte van het museum. Voor het eerst zijn deze fraai gerestaureerde stukken nu te zien voor het publiek. Een unieke kans om deze behangsels te bewonderen voordat ze weer binnen de muren van het toekomstige woonpaleis van koning Willem-Alexander en koningin Maxima verdwijnen.Eén van de indrukwekkende lanen op Zuidwind in de tuinen achter het grote landhuis met daarop de heer en mevrouw Van Slingelandt.Schouman is de beste dierenschilder van zijn tijd. Naast vogels maakte hij ook afbeeldingen van een giraffe, een nijlpaard, herten en apen. Zijn aquarellen van vogels behoren tot de mooiste die er ooit gemaakt zijn. In de eeuw van de Verlichting ontstond grote belangstelling voor de natuur. Men verwonderde zich over de kleurrijke vogels uit alle windstreken die Schouman tekende. Nog steeds is zijn werk een waar paradijs voor zowel kunst- als natuurliefhebbers.Schouman werd beroemd als schilder van aquarellen van stadsgezichten en de parkachtige landschappen met exotische vogels. Hiervan vereeuwigde hij er honderden, zowel in- en uitheemse soorten, zoals bijvoorbeeld papagaaien, toekans en gieren. Schouman was tussen 1735 en 1785 een toonaangevend kunstenaar in Zeeland en het zuiden van Holland, de huidige provincie Zuid-Holland. In die periode woonde en werkte hij in Dordrecht, Den Haag en Middelburg en gaf les aan leerlingen in Dordrecht en Den Haag. Hij bezat zelf een belangrijke collectie schilderijen. Later gaf hij als docent les aan de Haagse tekenacademie. Schouman is tot op hoge leeftijd actief gebleven en overleed op 5 juli 1792 op 82-jarige leeftijd in Den Haag. Zijn leven is goed gedocumenteerd, omdat hij dagboeken bijhield.Tot Schoumans belangrijkste Haagse opdrachtgevers behoorde Hendrik van Slingelandt, burgemeester van Den Haag, met wie hij een vriendschappelijke band had opgebouwd. Van Slingelandt behoorde tot een zeer vooraanstaand Dordts geslacht en was een zeer vermogend man. Ook zijn zoon Barthout van Slingelandt stond op goede voet met de kunstenaar. De Van Slingelandts lieten hem voor hun buitenplaats Zuidwind bij ’s-Gravenzande twee series met vogelbehangsels schilderen. Ook Hendriks neef Govert van Slingelandt, die de buitenplaats Patijnenburg in Naaldwijk bezat, heeft Schouman waarschijnlijk opdracht gegeven voor behangsels. De Kolfbaan van ZuidwindSchouman vervaardigde verder een groot aantal topografische tekeningen van de Westlandse bezittingen van de familie Van Slingelandt, waaronder veel van Zuidwind en de stad ’s-Gravenzande en verder een aantal van de buitenplaats Patijnenburg in Naaldwijk. Op veel aquarellen staan dieren en werkende tuinlieden afgebeeld. Op een aantal prenten van Zuidwind staan een deftige heer en een dame in een roze jurk afgebeeld, dat zijn ongetwijfeld eigenaar Hendrik van Slingelandt en zijn echtgenote. De prachtig gekleurde prenten van Zuidwind geven een mooi beeld van de opbouw en inrichting van de 18e eeuwse buitenplaats. Uit het zogenaamde “Kunstboek” van Van Slingelandt hangen in de expositie 23 aquarellen van deze buitenplaats. Daarop zijn te zien het grote landhuis ten zuiden van ‘s-Gravenzande met de fraai aangelegde tuinen, vijvers, oranjerie, menagerie, de kolfbaan, het vinkenhuis en allerlei beelden en tuinvazen. Van ‘s-Gravenzande zelf zijn er 8 aquarellen, waaronder de kerk, de pastorie, de korenmolen, de visbank, het gasthuis, de school en de haven. Ook van de buitenplaats Patijnenburg hangen er een aantal. Deze unieke prenten staan ook op groot formaat in kleur afgebeeld in het bij de expositie behorende boek genaamd “Een koninklijk paradijs”.De kat van mevrouw Van Slingelandt met een roze strik,op Zuidwind getekend in 1744. Op de achtergrond de kerk van ’s-Gravenzande.De meeste prenten zijn uit particulier bezit en zullen na afloop van deze expositie waarschijnlijk niet meer voor het publiek te zien zijn. Als u wilt bekijken hoe de buitenplaatsen Zuidwind en Patijnenburg en de stad ’s-Gravenzande er rond 1750 uitzagen moet u zeker een bezoek aan deze expositie brengen. Dat kan nog tot en met 17 september 2017. Zie voor openingstijden e.d. de website van het museum: www.dordrechtsmuseum.nl.Auteur: Jan Dahmeijer van de Historische werkgroep Oud ‘s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Een aanranding in het Westland dinsdag 2 mei 2017 09:09

Streekhistorie: Een aanranding in het Westland

Enige jaren geleden kwam de auteur via een Haarlems antiquariaat in het bezit van een tweetal ‘Publicaties van het Hof van Holland’. Ze bevatten een bijzonder Westlands verhaal. Het eerste stuk dateert van 22 oktober 1771 en maakt melding van een niet ondertekende brief, die op 12 oktober onder de deur werd geschoven van het huis van Mr. Wigbold Slicher, president van het Hof van Holland. De brief bevatte een waarschuwing en dreigementen voor zijn zoon Mr. Jan Slicher, schepen van ’s-Gravenhage, ingeval deze niet van zijn voorgenomen huwelijk met Louise van Kretschmar wilde afzien. De ‘Publicatie’ vermeldt verder dat Jan Slicher op vrijdag 18 oktober 1771 overdag op bezoek was geweest bij zijn aanstaande schoonfamilie Van Kretschmar op de buitenplaats Hofzicht aan de Zweth. In de vooravond keerde hij te paard terug naar het landgoed Zeerust in Monster, een bezitting van zijn vader. Tussen zes en zeven uur verliet hij stapvoets de Poeldijkseweg om de Zwarte Dijk in te slaan richting de Monsterse korenmolen. Hier stuitte hij op twee vermomde personen met polsstok, die hun gezicht verborgen hielden onder een muts of kap. Onder dreiging van een pistool dwongen zij Slicher van zijn paard af te komen en mee te lopen naar een weiland. Hier werden hem met een scherp voorwerp enkele sneden in het gezicht aangebracht. De mannen dreigden hem een volgende keer te zullen vermoorden, wanneer hij niet afzag van zijn huwelijk met Louise van Kretschmar. Hierna liepen ze weg en verdwenen uit het zicht. Jan Slicher keerde gewond terug op de buitenplaats Zeerust. De ‘Publicatie’ geeft een signalement van beide verklede aanranders en doet een oproep aan een ieder om de daders te vinden, zodat ze ‘rigoureuselyck’ gestraft konden worden. Het Hof van Holland loofde een bedrag van duizend gouden dukaten uit voor degene die de daders zou kunnen aanwijzen. Kaft van het boek ‘De Geheimzinnige Aanranding’ van H. Hardenberg. De tweede ‘Publicatie’ heeft als datum 6 november 1771. Inmiddels was er een extra bedrag van 3000 gulden vrijgemaakt voor degene, die zodanige aanwijzingen zou kunnen verstrekken dat de daders van de aanslag bekend raakten. Dergelijke publicaties werden door de baljuws verspreid in de omgeving. In dit geval in Wateringen, Naaldwijk en Monster. De tweede oproep richtte zich vooral op personen die iets zouden kunnen vertellen over de kleding van de daders. De ene dader was lang en was gekleed als matroos met een korte pijen (grof wollen) rok en een schippersmuts diep over het hoofd. Hij droeg een gebreide sajetten (wollen) pruik en had zijn gezicht zwart gemaakt. De andere dader was korter en gezet. Hij had een lange pijen rok aan en op zijn hoofd droeg hij een soort bruine schoorsteenvegers kap. Beide mannen hadden laarzen aan. Het door het Hof van Holland ingestelde onderzoek naar de daders liep uiteindelijk dood, maar zal in de twintigste eeuw toch nog worden opgelost! Mr. H. Hardenberg, algemeen rijksarchivaris van 1953-1966, wist na uitvoerige bestudering van alle processtukken alsnog de hoofddader aan te wijzen. Hij schreef er een boek over: De Geheimzinnige Aanranding. Een opzienbarende strafzaak uit 1771. Amsterdam z.j. De hoofdschuldige was volgens Hardenberg een zekere luitenant Bax, een vroegere aanbidder van Louise van Kretschmar. Wie hem bij de aanranding heeft geholpen, is onbekend gebleven. De polsstok was ontvreemd bij een watermolenaar aan de Zweth, waar beide aanranders zich ook verkleed hadden. De buitenplaats Hofzicht volgens Kruikius in 1712. Jan Slicher liet zich door het gebeuren niet van de wijs brengen. Hij huwde op 10 november 1771, ruim drie weken na de aanslag, met Louise van Kretschmar. Later werd hij burgemeester van ’s-Gravenhage. Slicher had een positief aandeel in het herstel van onze onafhankelijkheid in november 1813, dit jaar 200 jaar geleden! In zijn woonplaats is nabij het Oranjeplein een straat naar hem genoemd. Hij stierf in 1815, kort nadat hij in de adelstand was verheven. Zijn echtgenote overleefde hem twee maanden. Hofzicht bleef tot in de negentiende eeuw bezit van de familie Van Kretschmar. Meer over deze buitenplaats is te lezen in mijn artikel: ‘Hofzicht en de Zeven Gaten’. In: Historisch Jaarboek Westland 2010, p. 151-177. Auteur: Jacques Moerman, Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Mijn herinneringen van 10 mei 1940 maandag 24 april 2017 09:09

Streekhistorie: Mijn herinneringen van 10 mei 1940

Op 10 mei 1940 werden we opgeschrikt door het geluid van vliegtuigen. Ik was toen 18 jaar en klom met mijn twee jongere broers de schuur om dit gade te slaan. We konden een aantal Duitse jachtvliegtuigen in de lucht zien, die het gevecht aangingen met enkele Nederlandse vliegtuigen. We hoorden de kogels fluiten. Enkele kogels gingen door de kassen van mijn vader Jan Kouwenhoven heen; hij tuinde aan de Kwaklaan (het huidige nr. 40). Feitelijk hadden we dus veel geluk gehad, want we zochten geen dekking. We zochten juist een hoge plek om dit - in onze ogen - spektakel niet te missen. Later zagen we de kogelgaten in het glas van de kassen zitten. Deze ruiten hebben we niet vervangen, maar nieuwe ruiten er boven gelegd/gekit. De hele oorlog en lang daarna - tot de afbraak van de kassen - werden we herinnerd aan de eerste dag van de oorlog door deze kogelgaten in het glas en aan welk gevaar we hadden blootgestaan. Ik was wel gekeurd voor de dienstplicht, maar nog niet opgeroepen. In de opwelling van het moment had ik wel de behoefte om mee te vechten. Een uur later zagen we de Duitse vrachtvliegtuigen rond Ypenburg vliegen en parachutisten er uit springen en hoorden we ook dat zij schietend landden. Mijn vriend Arie Hendriks - ook 18 jaar en wonend op het Oosteinde - was bij ons langsgekomen. Toen zagen en hoorden we een groot Duits transportvliegtuig boven de Wateringveldse polder (ten zuiden van de Kwak, richting Den Hoorn) laag aan de horizon vliegen. We pakten snel onze fietsen en reden binnendoor naar de Middenweg (links van de Dorpskade). Daar zagen we het Duitse vliegtuig in de polder staan ‘bij de vuile vaatdoek’ (een van de laagste delen van de polder richting Zweth/Rijner Watering. We zagen uit het vliegtuig een motor met zijspan komen en zeker wel 12 Duitse soldaten. Deze soldaten dwaalden een beetje door de polder en gingen naar ‘het bosje’ in de polder (verder richting Zweth).Toen ze daar waren aangekomen, kwam er een Nederlands jachtvliegtuig - een tweedekker - overvliegen. Na een snelle mitrailleuropstelling van de Duitsers werd dit vliegtuigje zwaar geraakt. De Nederlandse piloot zette het beschadigde vliegtuigje toch nog aan de grond rechts van de Dorpskade. Wij vonden het interessanter om daar te kijken dan de Duitsers in de gaten te houden. Bij het vliegtuigje aangekomen stond de piloot naast het vliegtuig. Hij liet ons - en enkele andere nieuwsgierige Wateringers - zien wat een geluk hij had gehad. De kogels van de Duitsers waren door de benzinetank en tussen zijn benen door gevlogen. Het vliegtuig was niet in brand gevlogen. Arie Hendriks en Aad Kouwenhoven, fotograaf Atelier Lommers, Prinsegracht, Den Haag, ca. 1939 Na een korte tijd kwam er een truck met Nederlandse soldaten. De officier vroeg waar de Duitsers waren, waarop wij verteld hadden dat deze bij ‘het bosje’ zaten. De officier vroeg aan de aanwezige soldaten wie van de manschappen een mitrailleur kon bedienen. Het beschamende antwoord was: ‘wij zijn slechts keukenpersoneel’. Hierop is de truck met soldaten rechtsomkeert gegaan. De sensatie van de eerste uren van de oorlog hadden we meegemaakt en Arie en ik keerden op onze fiets terug naar de Kwak.Later hoorden we dat andere Nederlandse soldaten de gelande Duitsers toch hadden opgepakt (zie ook het boek 10 mei - 15 mei in en om Wateringen, blz. 39 t/m 46 met foto’s van de neergestorte Nederlandse tweedekker; dit was een ander vliegtuig, want de Nederlandse piloot had het vliegtuig netjes aan de grond gezet). Als trofee hadden ze de motor met zijspan - welke wij uit het vliegtuig hadden zien komen - meegenomen en wij zagen de Nederlandse militairen in de Herenstraat hierop crossen. Deze militairen waren gelegerd in de Bond (de huidige locatie van de Kringloopwinkel in de Herenstraat).Feitelijk waren wij ons op deze eerste oorlogsdag van geen gevaar bewust om zo maar de Middenweg te rijden. Later besef je pas, dat de Duitsers ook op ons hadden kunnen schieten, want het vliegtuig was slechts enkele honderden meters van de Middenweg geland. We konden alles namelijk heel goed waarnemen.Auteur: Aad Kouwenhoven van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Varen in het Westland maandag 17 april 2017 09:09

Streekhistorie: Varen in het Westland

De maand april vormt de start van het nieuwe vaarseizoen. In het Westland is vorig jaar fors geïnvesteerd in de ‘bevaarwijzering’, dus watersporters kunnen nu nóg makkelijker de mooiste plekjes van het Westland ontdekken. Of het nu om kano’s, motorschepen of waterfietsen gaat; het betreft in deze dagen alleen nog maar recreatievaart. Hoe anders was dat tot halverwege vorige eeuw. Het is nu nauwelijks voor te stellen, maar het transport in het Westland verliep tot 60 jaar terug hoofdzakelijk over het water. De wegen waren smal en slecht en veel tuindersbedrijven waren niet eens per openbare weg bereikbaar. Het betekende dat schepen essentieel waren voor de economische ontwikkeling in het Westland. In de 19e eeuw werd dit vooral door beroepsschippers op zogenoemde ‘westlanders’ gedaan, maar met de schaalvergroting in de tuinbouw gingen ook tuinders steeds meer hun eigen vervoer regelen, per tuindersschuit. Diverse veilingen die rond 1900 opgericht werden, kenden een klok waarbij de schuit dóór de veilingzaal werd gevaren.De toename van het aantal schuiten zorgde voor extra vraag, en daardoor ontstonden kansen voor scheepsmakers en scheeps-onderhoudsbedrijven. Het Westland kende al een aantal oude werven uit de 18e eeuw, maar medio 19e eeuw was er een groei van het aantal zichtbaar, en bestaande werven groeiden fors. Dat liep ten einde in de crisisjaren (1930-1937). En later, met de groei van het wegtransport is deze sector feitelijk ten einde gekomen. Slechts 2 van de ongeveer 15 Westlandse scheepswerven hebben zich staande gehouden: de gebroeders Bol in Monster (deze werf staat nu overigens te koop) en Van Zeijl in Honselersdijk.In dit artikel trachten we een historisch beeld te geven van de scheepvaart in de voorbije anderhalve eeuw. Het is zeker nog geen volledig verhaal en veel van de inhoud is geleend van andere schrijvers. Bedoeling is vooral om een overzicht te geven van dit historische stukje Westland. Mochten er mensen zijn die aanvullende informatie hebben, dan vernemen we dat graag (mail naar info@hvnh.nl). Ook oude foto’s van schepen en scheepswerven zijn van harte welkom.De westlanderEind 19e eeuw deed de westlander zijn intrede op de waterwegen, min of meer als opvolger van de ‘bok’. De westlander kwam voor in een groot deel van Zuid-Holland en het zuidelijk deel van Noord-Holland. Dit scheepstype is omstreeks 1880 ontstaan bij de opkomst van de Westlandse glastuinbouw. Westlanders werden veel gebruikt voor het vervoer van tuinbouwproducten, kolen, mest en zand. Men kon ze ook aantreffen bij de Harwich-boot in Hoek van Holland. Daar werd de lading overgegeven. Veel Westlandse producten werden via Hoek van Holland naar Engeland verscheept, waar door de industriële revolutie grote vraag was naar vroege aardappelen en bessen. Maar ladingen bestonden ook uit bouwmaterialen, turf en pulp van de suikerfabrieken (voor de veehouderij). foto: Westlander, collectie Westlands MuseumAanvankelijk werd de westlander van hout gebouwd. Vanaf de jaren tachtig (19e eeuw) gebeurde dat ook in ijzer en staal. Het was evenals de bok een lang, smal, laag schip met een platte bodem. Opvallend waren de flauw gebogen, sterk vallende stevens, met aan de boeg aan weerszijde van de voorsteven ‘wangen’. Dat gaf aan dit schip zijn karakteristieke uiterlijk. De westlander werd in verschillende maten gebouwd. Hij kon een lengte hebben van ca. 12 tot 18 meter en een inhoud tussen 12 en 30 ton. Het meest kwamen schepen van zo’n 17 ton voor. De grootste maat was te groot om er in het Westland goed mee te kunnen varen. Ze werden dan ook ingezet bij de vaart op ‘het Overmaas’ (de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden), West-Brabant, Noord-Limburg, enz.De westlander had geen gangboorden. De luiken rustten op ‘steekleren’, dat zijn planken die aan de zijkanten van het ruim recht overeind werden gezet. Als er met dunne mest gevaren werd en er kans was dat die bij overhellen van het schip naar buiten zou lopen, werden de luiken met zes stevige, langsscheepse ‘spalklatten’ vastgezet. Zo bleef de kostbare lading in de boot. De schepen waren op de achterplecht voorzien van een roefje, waarin meestal een kacheltje of fornuisje stond. Er was aan alle zijden een bank gemaakt. Ook was er een kooi ingebouwd waarin een of twee personen konden slapen. In het vooronder was een bergruimte voor zeilen, touwen en verf en meestal ook een kooi. Tot de uitrusting van de westlander hoorde vaak een watervaatje.De westlander was voorzien van een grootzeil en een fok. Bij windstil weer kon een westlander geweegd worden. Daartoe waren in de voor- en achterplecht weeggaten aangebracht. Een enkele maal werd de boot ook wel geroeid. De schipper van de westlander kon het roer bedienen vanuit de roef, of vanuit het stuurgat. Dat was een luik achter de roef, waardoor de schipper wat lager kon staan. En wat meer beschut tegen het weer. foto: zeilende westlander bij scheepswerf Van der Plas, hoek Gantel – Hollewatering, collectie Westlands Museum De Westlandse westlanders kwamen van een aantal verschillende werven en werfjes, maar werden soms ook wel van ver ingekocht, onder andere in Friesland. Bijna elke plaats had wel een scheepsmaker, waar boten gebouwd of hersteld werden. De belangrijkste werven in het Westland en omgeving waren Van Waveren uit Monster, Van der Plas in Kwintsheul, Van Straten in Loosduinen en Van der Aar in diezelfde plaats. Buiten het Westland waren bekende werven: Boot te Leiderdorp en Van Beveren in Zoeterwoude. Zelden werd een tekening gebruikt bij de bouw van de schepen. Meestal werd de westlander in een schuur gebouwd, die dan als levensgrote ‘mal’ werd gebruikt. Men zei dan ook dat als bij de scheepsmaker de schuur verzakt was, hij een scheve boot afleverde!In het begin van de jaren 20 (20e eeuw) werden een flink aantal westlanders gemotoriseerd. De Westlandse schippers hoorden tot de eersten die motors inbouwden. De stoommachine was niet geschikt voor dit type boot en kwam er dan ook niet in voor. De machine en de kolen zouden veel te veel laadruimte in beslag nemen. Een enkel schip werd met een van de eerste typen verbrandingsmotoren uitgerust. Maar de echte doorbraak kwam met de gloeikopmotor, die aanmerkelijk minder groot was. Deze motor werkte volgens het principe van de latere dieselmotor. Maar bij dit systeem was de compressie nog niet groot genoeg om de dieselolie te laten ontbranden. Daarom moest eerst een kop die op de cilinder zat, heet gestookt worden met een brander (vandaar de naam gloeikopmotor). Was die kop heet genoeg, dan kon de motor gestart worden. Bij veel westlanders werd een dergelijke motor ingebouwd. In de jaren dertig kwam de dieselmotor sterk op. Veel gloeikopmotoren werden toen omgebouwd tot dieselmotor. Dat was een vrij simpele ingreep.foto: Westlanders en tuindersschuiten bij veiling Westerlee, collectie Westlands Museum Het plaatsen van een motor in een westlander (zeilschip) was geen kleinigheid. Het betekende niet alleen dat het roefje van achter naar voor op het schip verhuisde om voor de motor plaats te maken. Vaak kreeg het schip een heel andere achtersteven omdat een zeilboot nu eenmaal niet voor schroefaandrijving gebouwd is. Veel schippers lieten dan ook (ijzeren) motorschepen bouwen: de Westlandse motorschuiten en ‘scherpstevens’. De overgang naar dit soort schepen ging snel; in de jaren dertig waren er nog maar enkele zeilende westlanders te vinden. Doordat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw het vervoer van de tuinbouwproducten steeds meer over de weg plaatsvond kreeg de kleine scheepsbouw het moeilijk en volgden er vele bedrijfssluitingen. Enkele blijvers richten hun activiteiten toen op de stalen kassenbouw en de bouw van kleine stalen bruggen om te overleven. In de jaren negentig kwam er langzaam maar zeker een herwaardering voor het traditionele typisch streekgebonden vrachtschip. Vele niet meer in gebruik zijnde Westlanders werden als het ware herontdekt en door enthousiaste nieuwe eigenaren van de ondergang gered en compleet gerestaureerd om weer in volle glorie in bedrijf te worden gesteld. Fraaie voorbeelden zijn te zien tijdens het Westlands bloemencorso waar vele oudgedienden fraai versierd met Westlandse producten de toon aangeven. VergunningstelselElke eigenaar van een schuit moest vergunning van Delfland hebben om zijn wateren te mogen bevaren. Bij het Hoogheemraadschap bracht dit geld in het laatje, dat onder meer gebruikt werd voor het onderhoud van zijn bezittingen. Uit het archief van Delfland blijkt dat niet iedere schipper mocht varen waar hij maar wilde. Er stond omstreeks 1900 keurig in de vergunning vermeld voor welke wateren de papieren geldig waren. Bij de intrede van de motorschuit werden nog meer regels en bepalingen van kracht. Mede ter bescherming van de oevers mocht niet in elk water met een draaiende motor gevaren worden. Zo mocht er in de ‘grote’ Gantel tussen ’s-Gravenzande en Kwintsheul overal gedraaid worden. Aangekomen bij de scheepswerf van Pieter van de Plas, aan het eind van de Gantel bij Kwintsheul, was het toegestaan rechtsaf de Holle- en Langewatering en verder enerzijds richting Delft en anderzijds richting Vlaardingen te ‘stomen’. Daarentegen was elke schipper verplicht zijn ‘kar’ uit te schakelen indien hij aan het eind van genoemde Gantel linksaf de Hollewatering in wilde gaan richting Blauwebrug, Wennetjessloot en eventueel Loosduinen. Ook in de zogenoemde ‘kromme’ Gantel, het verlengde van de ‘grote’ Gantel, was draaien taboe. Zo waren er meer (vooral smalle) wateren waar uitsluitend geschoven en/of geboomd mocht worden. Bij geconstateerd misbruik kon een schipper rekenen op een forse boete. Schippers van kleinere vaartuigen gokten het wel eens om in ‘verboden’ wateren te draaien, maar meestal hield men zich aan de regels. Om alles controleerbaar te houden was elke motorschipper verplicht het hen toegewezen Delflandnummer (DL ‘cijfer’) zichtbaar te bevestigen. Het bordje met dat nummer was het bewijs dat men gerechtigd was met een bepaalde schuit te varen. Alles betreffende de (motor)schuit stond verder keurig vermeld in een rapport van de Scheepsmetingsdienst in Rotterdam. Op de website van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk kunt u dit artikel terugvinden, aangevuld met een beschrijving van de vele scheepswerven die het Westland in het verleden gehad heeft: http://hvnh.nl/artikelen/scheepswerven-in-het-westlandAuteur: Gustaaf van Gaalen van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Herinneringen aan de internationale trein maandag 10 april 2017 13:01

Streekhistorie: Herinneringen aan de internationale trein

Sinds zaterdag 1 april is het stil op het spoor en de perrons van Hoek van Holland. Dat was vroeger wel anders, met de internationale treinen.  Onderstaand is een dag beschreven op het station Hoek van Holland ergens rond 1978. Daar zaten ze dan in het kamertje bij de achterste perrons van het Hoekse station. Een paar rangeerders, een storingsmonteur en een machinist.    Met een sigaretje in de mond zaten ze aan een oude tafel te wachten tot de internationale treinen binnenkwamen. In de ruimte ernaast, een zelfde tafereel. In spanning keken een paar mannen naar buiten. Het verschil met de wachtruimte van de rangeerders was de geur. Het rook hier niet naar olie en smeer maar naar schoonmaakmiddelen. In de hoeken van de ruimte stonden dweilen en emmers, buiten was een wasbak. Om een uur of half elf in de morgen was het zover. De internationale treinen kwamen binnen. Hoek van Holland Haven is bij het stationsgebouw een kopstation. Dat wil zeggen dat treinen kop moeten maken. Een normaal treinstel heeft een cabine aan de voorkant en achterkant. Gaat de trein terug dan loopt de machinist gewoon naar een andere cabine aan de achterkant van de trein. Zo niet de internationale treinen. Het einde van de rails wordt gemarkeerd door een stootblok, je kan niet verder. De locomotief moest naar de achterkant van de trein verplaatst worden. Dat noemde men kop maken. De internationale treinen werden allemaal getrokken door een elektrische locomotief. Op het moment dat de trein tot stilstand kwam hadden de rangeerders, de storingsmonteur en de machinist al hun posities ingenomen. De mannen uit het lokaal met de schoonmaakgeur stonden ook reeds met emmers en sop klaar om hun werk te beginnen. Op het spoor wat het dichtst bij de Stoomvaart Maatschappij Zeeland lag, zo heette de Stena toen nog, stond een kleine diesel elektrische locomotief te pruttelen. Dit locje kon niet zo hard, maar was behoorlijk betrouwbaar en sterk. De machinist hing vaak uit zijn zijraampje en kon zo de voor en achterkant overzien. De bijnaam van dit locje was de sik. De machinist zat op de bok op de sik... Pruttelend reed het ding naar het eind van het perron over een aanzienlijk aantal wissels en positioneerde zich aan de achterkant van de binnengekomen internationale trein. Op het station was het inmiddels een georganiseerde chaos. Mannen met witte jassen en houten karren baanden zich een weg tussen de reizigers. Het waren de zogenaamde kruiers die voor een behoorlijk bedrag de koffers van de passagiers op de kar zetten en met de koffers naar de terminal van de boot reden. Op het perron reed ook nog een elektrisch karretje van het merk Spijkstaal. De stations-assistent was te herkennen aan zijn spoorwegpet en zijn blauwe stofjas. Hij spoedde zich zo snel mogelijk naar de postwagon om de post te verzamelen. Het was een drukte van belang, alles reed of liep dwars door elkaar heen. De boot lag klaar om naar Harwich te varen en iedereen probeerde zo snel mogelijk naar de terminal te gaan. Ondertussen kwam de volgende internationale trein binnen. De drukte nam zienderogen toe. Het waren treinen uit Denemarken, Duitsland, Polen en Moskou, Zwitserland of Oostenrijk. Ze hadden dus al een aardig tripje onder de wielen. Elk rijtuig had zijn eigen logo op de zijkant. Het logo gaf aan bij welke spoorwegmaatschappij de rijtuigen hoorden. Met de ogen dicht was het mogelijk om rijtuigen te herkennen. De geur gaf aan waar ze vandaan kwamen. Duits rook anders dan Pools, Russisch was makkelijk te herkennen. En het waren niet allemaal aangename geuren. Was je in het rijtuig dan raakte je er wel aan gewend. Ondertussen koppelde het locje aan het eind van de trein aan. Dus bij het laatste rijtuig. De rangeerders sprongen na het koppelen op de trein en alle schoonmakers verdwenen met hun emmertje en bezems achter de klapdeurtjes van de rijtuigen. De komende 2 uur kwamen ze er niet meer uit. Met een zachte ruk begon het sikje vaart te maken en kwam de boel in beweging. De sik pruttelde naar de polder. De polder was het emplacement van Hoek van Holland. Op dat emplacement woonden toen ook de eerste Turkse gastarbeiders, in twee oude wagon-lits rijtuigen. Een allang vergeten situatie. op de achtergrond het rijtuig voor gastarbeiders in de Hoek In de polder begon de puzzel met de rijtuigen van de internationale trein. Ze moesten weer op volgorde worden gezet met de locomotief aan de andere kant. Dat heuvelen, zo werd dat genoemd, was heel apart. De locomotief duwde een ruituig op en liet het rijtuig door flink te remmen zijn eigen weg zoeken. Dan kwam het zachtjes tegen een ander rijtuig tot stilstand. Zo werd de hele trein behandeld en stond alles weer in de goede volgorde. De schoonmakers waren dan nog druk met het inwendige van de rijtuigen bezig. Het kwam weleens voor dat een botsing te hard was en een schoonmaker met zijn dweil in een keer van achter in de gang naar voren vloog. Wanneer de boel op volgorde stond was het tijd om het uitwendige van de trein schoon te maken. Aan het eind van de polder vlakbij het huidige DSM was een spoor waar een wasstraat stond. Het leek veel op een wasstraat voor auto's alleen nu met rails er tussen. De trein kon daar met een slakkengangetje doorheen rijden. Eerst werden er waterstralen op de zijkant van de trein gespoten en daarna gingen een aantal borstels met donderend geraas langs de trein. De rijtuigen blonken dan weer als nieuw. Wanneer de hele trein door de wasstraat was gegaan werd alles weer opgeduwd naar het perron. Echter er was een moeilijkheid. De sik zat nu achter en de machinist kon met geen mogelijkheid zien of hij met de eerste wagon al bij het stootblok was. Daar had hij de rangeerder voor die in het voorste rijtuig zat en een sein naar de machinist gaf wanneer deze moest remmen. Stond de trein eenmaal stil dan werd het rangeerlocomotiefje afgekoppeld en kon hij met de volgende trein beginnen. De storingsmonteur spoedde zich dan naar de elektrische locomotief en maakte hem vertrek gereed. 1129 locomotief met Duitse rijtuigen waaronder in Rheingold kleuren 1979 Op het perron was het nog steeds druk. De restauratiewagen moest bijvoorbeeld bevoorraad worden met verse etenswaar en kolen maar ook met grote blokken ijs. Immers men had nog echte ijskasten aan boord. De ijsblokken werden met het Spijkstaal perronkarretje aangevoerd. De blokken waren een meter lang en een centimeter of 20 hoog en breed. Ze werden via het raam naar binnen gebracht. Die restauratie wagons konden ook nog eens behoorlijk roken. De kolenwalm hing over het hele perron. Van luchtverontreiniging had met nog nooit gehoord. Ach ondertussen lag de Prinses Beatrix ook behoorlijk te roken. Van wal stroom had men ook nog nooit gehoord. Er hing dus vaak een penetrante lucht over het Hoekse station. Ondertussen werden door mannen van het schoonmaakbedrijf 'de Cemsto', de rijtuigen met water gevuld voor de toiletten. Een riskant werkje want de wateraansluitingen zaten in putten tussen de sporen. Daar moest een zware slang aan worden gekoppeld die dan weer aan de onderkant van het rijtuig werd vastgemaakt. Aan de zijkant van het rijtuig zat onderop een rond kijkglaasje waar je het waterniveau kon controleren. En zo moesten alle rijtuigen worden gevuld met water terwijl af en toe een trein langs je heen reed. De schoonmakers hadden een arbeidsintensieve baan. Alle ramen van de rijtuigen werden gezeemd en gewassen aan de binnenkant, ook de tussendeuren. Ondertussen werden alle vuilbakken geleegd in grote vuilniszakken. Onder de banken lag ook een behoorlijke zooi. Zo kon het gebeuren dat een schoonmaker een keer tijdens het pijpen, zo heette het schoonvegen onder de banken, een yoghurt beker vond ,die al vier dagen onder de bank had gelegen. De spanning stond er al op. Toen de schoonmaker het ding onbewust onder de bank vandaan veegde klapte het blikje open precies onder zijn gezicht. De lucht was niet te harden. Maar gelachen werd er wel. Het was een wereldje op zichzelf op het grote Hoekse station. Toch was er ook iets vreemds. Er kwam ook een trein binnen uit Warschau. Aan die trein zat een Russisch rijtuig gekoppeld. De Russen in het rijtuig waren vaak van ambassades afkomstig en gingen met de trein en boot van Moskou naar Londen. Het Russische rijtuig was altijd hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Sterker nog je kon er niet eens in kijken door de gordijntjes voor de ramen. Er was nog sprake van de Koude Oorlog. De Russische rijtuigen hadden hun eigen bemanning. De bemanning was conducteur, barman en schoonmaker tegelijk. In hun vrije uren gingen ze soms met de stoptrein naar Rotterdam om inkopen te doen. De Russen vielen in de stoptrein naar Rotterdam wel op door hun taal. De Russische rijtuigen waren makkelijk te herkennen aan de ribbels aan de zijkant. Het leek ook of de verhoudingen van deze rijtuigen anders waren. In Rusland rijdt men op breedspoor en in Europa hebben we normaal spoor dat is wat smaller, aan de Russische grens werden de wagons op bredere wielstellen gezet.Het Russische rijtuig Het Russische rijtuig tussen andere rijtuigen Aan het begin van de middag waren alle internationale treinen weer in de juiste volgorde gezet. Klaar voor vertrek. De controle van de treinen werd door de perronopzichter gedaan. Hij controleerde of de treinen schoon waren en of alle nummers en reserveringen klopten. Wanneer de trein werd vrijgegeven kon hij vertrekken.   Er vonden ook autotransporten plaats. Hier een Mini autotransport en toekijkende kruier 1979 Peter Lammers was stationsassistent bij de NS in de zomervakantie van 1980 als vakantiewerker, en maakte tevens internationale treinen schoon voor de Cemsto in de zomervakantie van 1979.   Auteur: Peter Lammers, hij schreef deze bijdrage namens het Historisch Genootschap Hoek van Holland
Lees meer

Meer Streekhistorie