Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: De Bloemenveiling(en) in het Westland maandag 16 oktober 2017 09:09

Streekhistorie: De Bloemenveiling(en) in het Westland

In het Westlands Museum is nu een tijdelijke tentoonstelling te zien over de geschiedenis van de Westlandse tuinbouwveilingen. In het kader van deze tentoonstelling dit uitgebreide verhaal over de Westlandse bloemenveilingen. De bloemenveiling in het Westland is op 2 maart 1923 opgericht in Poeldijk, met als officiële naam “Centrale Westlandsche Snijbloemenveiling”. Het initiatief tot oprichting van de veiling werd genomen door enkele leden van de “Vereeniging van Westlandsche Bloembollenkweekers”. De toenmalige voorzitter van de vereniging van bloembollenkwekers, Jac. Van den Berg uit Maasdijk, werd de eerste voorzitter van de “Centrale Westlandsche Snijbloemenveiling”.Bloemenveiling in de Hofstraat te Honselersdijk, 1927De eerste veilingen werden gehouden in de “Fruit- en Groentenveiling Poeldijk”. De bloemenveiling kon hier voorlopig terecht op maandag, woensdag en vrijdag. Het bestuur van de groenteveiling had echter wel als voorwaarde gesteld dat men zo snel mogelijk moest proberen een eigen ruimte te zoeken. Als de aanvoer van groenten en fruit in de zomermaanden zou toenemen dan was het niet meer mogelijk om de bloemen nog te veilen. In mei van 1923 was het al zo ver en kon men de bloemen niet meer in de veilinghal uitstallen, noodgedwongen gebeurde dat toen buiten onder de luifel van de aanvoerhal van de groenteveiling. Nog diezelfde maand vertrok de bloemenveiling naar de naast de groenteveiling gelegen conservenfabriek Coverin. Deze fabriek was al kort na de oprichting in 1918 failliet gegaan en de gebouwen stonden leeg. Men had nu wel een eigen gebouw maar verder waren er geen voorzieningen die een goede manier van veilen mogelijk maakte. Zo was er geen afmijntoestel, een zogenaamde veilingklok, en waren er ook geen roltafels om de producten uit te stallen en te transporteren. Door de aanschaf van een tweedehands afmijntoestel en roltafels werd hier een voorlopige voorziening voor getroffen.Bloemenveiling aan de Dijkweg te Honselersdijk, 1931Ideaal was deze situatie niet en toen men in 1927 de oude groenteveiling van Honselersdijk kon aankopen verhuisde de bloemenveiling naar Honselersdijk. Dit gebouw, dat gelegen was aan de Hofstraat in Honselersdijk, was al snel te klein en er werden plannen ontwikkeld om een nieuwe veiling te bouwen. De gemeenten Monster en Naaldwijk hadden beide belangstelling om de nieuwe veiling binnen hun grenzen te krijgen en stelden hiervoor grond en faciliteiten beschikbaar. Het aanbod van de gemeente Naaldwijk was financieel gezien het meest aantrekkelijk, bovendien wilde Naaldwijk bij het terrein aan de Dijkweg in Honselersdijk ook nog een gebied reserveren, direct grenzend aan het veilingterrein, voor eventuele uitbreiding in de toekomst. Die uitbreidingsmogelijkheid was er niet voor het gebied dat de gemeente Monster aanbood, namelijk het terrein bij de Leuningjes in Poeldijk. Bloemenveiling Het Westland te Poeldijk, 1932Op de ledenvergadering van de bloemenveiling werd dan ook besloten om te kiezen voor het aanbod van de gemeente Naaldwijk. Op 3 november 1931 werd het nieuwe veilinggebouw aan de Dijkweg te Honselersdijk in gebruik genomen. Niet iedereen was het hiermee eens want een grote groep kwekers wilde een bloemenveiling in Poeldijk. Zij splitsten zich af en in 1932 werd in Poeldijk ‘Bloemenveiling Het Westland’ geopend. Deze veiling is echter niet tot ontwikkeling gekomen en in 1970 opgeheven. De afmijnzaal van de bloemenveiling aan de Dijkweg te Honselersdijk, 1931De veilinghal is blijven staan en later verbouwd tot sociaal-cultureel centrum de Leuningjes. Over dit sociaal-cultureel centrum de Leuningjes is de laatste tijd nogal wat commotie ontstaan. Door aanwezigheid van asbest kan het gebouw nu niet meer gebruikt worden en de vraag is nu gaan we het gebouw afbreken en een nieuw sociaal-cultureel centrum bouwen, of gaan we het asbest saneren en de Leuningjes verbouwen en moderniseren naar de eisen van de huidige tijd. Met enige fantasie is de bloemenveiling nog in het huidige gebouw te herkennen. De grote zaal van de Leuningjes bestaat in de kern nog uit de veilinghal van Bloemenveiling Het Westland.De uitdeelhal van de Bloemenveiling aan de Dijkweg te Honselersdijk, 1975Door de enorme uitbreiding van de bloementeelt in het Westland maakte de bloemenveiling C.C.W.S een grote groei door. Na de afschaffing van de teeltvergunningen voor de bloementeelt in 1967 gingen steeds meer Westlandse tuinders bloemen telen en dat was te merken in de aanvoer en omzet van de bloemenveiling. Om die groei van de bloemenaanvoer te verwerken werd het gebouwencomplex steeds verder uitgebreid. De tuinbouwgebieden bij de Strijplaan en de Hertenlaan, de ijsbaan en het gemeentelijk zwembad werden aangekocht en door de veiling bebouwd. Het water de Strijp moest zelfs worden omgelegd om een zo economisch mogelijk bouwterrein te verkrijgen. In 1990 fuseerde men met bloemenveiling Berkel e.o. en werd de naam van de veiling veranderd in Bloemenveiling Holland. Het gebouwencomplex werd verrijkt met een zilverkleurige kantoortoren van 12 verdiepingen, het “Fleurcenter”. In 2002 fuseerde de Bloemenveiling Holland met veiling Flora in Rijnsburg en werd de naam Flora Holland. In 2008 ging Flora Holland samen met de bloemenveiling in Aalsmeer (VBA) en zo ontstond door deze fusie de grootste bloemenveiling ter wereld met als naam Royal FloraHolland. Deze veiling heeft diverse vestigingen in Nederland waarvan die in Naaldwijk (Honselersdijk) en Aalsmeer de grootste zijn.Royal FloraHolland, vestiging Naaldwijk (Honselersdijk) aan de Middel Broekweg, 2010Door de uitbreiding sinds het jaar 2000 met het ‘Trade Parc Westland’ aan de overkant van de Middel Broekweg in Honselersdijk is er een gigantisch veilingcomplex ontstaan. Door de aanleg van de veilingroute in 1998 heeft het complex een goede aansluiting op het internationale wegennet gekregen. Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: De Dorpspomp van 's-Gravenzande maandag 9 oktober 2017 09:09

Streekhistorie: De Dorpspomp van 's-Gravenzande

Begin volgend jaar zal het marktplein van ‘s-Gravenzande worden omgevormd tot een multifunctioneel plein. Volgens de plannen zal de wekelijkse warenmarkt er een plaatsje houden en zullen er op dit plein nieuwe bomen worden geplant. Binnenkort beginnen de voorbereidende werkzaamheden voor deze reconstructie. Op het marktplein staat al meer dan 3 eeuwen een waterpomp. Het schijnt de bedoeling te zijn dat deze pomp bij de herinrichting wordt verplaatst. Vroeger was de pomp een belangrijke plek in het dorp, het was de plaats waar de ‘s-Gravenzanders elkaar geregeld tegenkwamen als zij een emmertje water kwamen halen. Iedereen had op zijn erf meestal wel een eigen waterton of waterput waarin het regenwater van het dak opgevangen werd, maar dat was meestal geen goed drinkwater. Er waren veel inwoners die een eigen waterpomp hadden. Zij pompten hun water door een houten pijp, die in de grond geslagen was, uit een “wel” (een waterbron), maar niet iedereen had het geluk boven goed drinkwater te zitten. Als je naar de dorpspomp liep had je goed water en nog een praatje ook. Wanneer onze dorpspomp werd gebouwd is niet precies bekend. Zeker is dat de pomp er nog niet stond in 1566. Op de stadsplattegrond uit het kaartboek van de landerijen van het Regulierenklooster, dat dateert uit die tijd, staat nog geen pomp op het marktveld afgebeeld. Dat wil nog niet zeggen dat er toen nog geen centrale drinkwatervoorziening was. Op grond van de middeleeuwse stadskeuren kunnen we aannemen dat er in het centrum altijd wel een waterput geweest is. Detail van het centrum van ’s-Gravenzande van de stadsplattegrond van Blaeu. Op de stadsplattegrond van ’s-Gravenzande, in 1652 getekend door Joan Blaeu, is op de hoek van het marktveld één van de stadswaterputten te zien waaruit met een emmer, die met een touw aan een beweegbare balk bevestigd was, water geput kon worden. De andere en waarschijnlijk oudere stadswaterput ligt dan op de Kerkelaan. In de middeleeuwse stadskeuren staan met betrekking tot de drinkwatervoorziening een aantal voorschriften. Het was bijvoorbeeld verboden om binnen een roe (een kleine 4 meter) afstand van de stadsput, kleding, wol, vlees of ”ongerechtigheid” te wassen, of uit te slaan. Op overtreding stond een flinke geldboete. Niemand kon zeggen dat hij niet wist dat dit niet mocht want dit voorschrift was in de kerk afgekondigd ! Door voorschriften probeerde men in die tijd de hygiëne in de hand te houden. Detail van een aquarel van Aart Schouman van het lommerrijke marktplein gezien vanaf het stadhuis met daarop links de visbank en rechts de dorpspomp.De dorpspomp verschijnt voor het eerst op een aquarel vervaardigd in 1745 door A. Schouman. Aangenomen kan worden dat de waterpomp dus wellicht rond het jaar 1680 is gebouwd. Op de lijst van Rijksmonumenten van ’s-Gravenzande vastgesteld in 1968 staat hij vermeld als 17e eeuws met als vermelding: Object van belang uit oogpunt van oudheidkunde en kunsthistorische waarde. Aan de voorkant is onze pomp zowel links als rechts versierd met het wapen van ’s-Gravenzande, een klimmende gouden leeuw op een blauw veld. Bovenop de pomp staat een stenen fruitschaal. Deze schaal stond vroeger op een voetstukje maar dat is in het begin van deze eeuw door vuurwerkvandalisme weggeblazen waardoor de schaal nu op de bovenkant van de pomp rust. Ook al eerder vond vandalisme plaats, in 1958 had de dorpsjeugd de punten van de spijlen van het hekwerk rond de pomp omgebogen, maar de plaatselijke politie greep toen de daders en maakte proces-verbaal op wegens baldadigheid.Het marktplein rond 1890 gezien vanaf het stadhuis met links de dorpspomp en rechts de zogenaamde “poelsloot” en op de achtergrond de openbare school.De pomp werd tot in de 20e eeuw intensief gebruikt. In de zomer van 1911 heerste er een grote droogte waardoor de pompen leeg raakten. De burgemeester bepaalde toen dat de dorpspomp op het marktplein alleen tussen 9 uur en 9.30 uur gebruikt mocht worden en het verboden was water te tappen om de stoepen mee te schobben. In die tijd stonden er naast de stenen pomp op het marktplein ook nog ijzeren pompen aan de Gasthuislaan en aan de Zuidwind. Alle pompen moesten geregeld nagekeken worden en eens per jaar moest de zuiger worden vernieuwd. Verder moesten de gemeentearbeiders bij vorst het water er uit laten lopen zodat het niet bevriezen zou en moest de pomp bij dooi weer gebruiksklaar worden gemaakt. Na de invoering van de waterleiding werd er natuurlijk veel minder gebruik van deze pompen gemaakt. Toch is het in 1936 rond 1 oktober nog een poosje erg druk geweest bij de pomp op het marktplein. Dat kwam omdat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland per die datum de concessie aan de gemeente voor het exploiteren van een eigen (primitieve) drinkwaterleiding voor de bewoners van de nieuwe wijk “De Boerenwoning” hadden ingetrokken. Aanleiding hiervoor was dat het water was afgekeurd, de bewoners beweerden dat het water naar “carboleum“ smaakte en bruine vlekken op het linnengoed maakte. Door persoonlijk ingrijpen van burgemeester Brunt werd de waterlevering per 1 oktober direct stopgezet. Deze kordate actie werd hem niet in dank afgenomen. Hierdoor hadden de bewoners van 200 huizen op de Boerenwoning namelijk geen drinkwater meer en moesten zij met emmers naar de pomp in het dorp om daar water te tappen en daarmee honderden meters naar hun huizen terug te lopen. Na luide protesten werd door de provincie toegestaan dat de gemeentelijke waterlevering nog enige tijd voortgezet mocht worden onder voorwaarde dat de gemeente zich zo spoedig mogelijk bij een erkend waterleidingbedrijf aan moest sluiten.De huidige pomp is gebouwd van Bentheimer zandsteen en werd in 1934 geheel gerestaureerd. Dat was wel nodig ook, de pomp was namelijk om onverklaarbare reden bedekt met een ontsierende laag grauwe-grijze verf waardoor veel van de historische waarde verloren was gegaan. Bij de restauratie werd de verflaag afgeklopt en kwam de mooie gele steen tevoorschijn. In de krant stond dat de pomp na de restauratie weer bijdroeg tot de dorpsverfraaiing. Dorpspomp met ijzeren hekwerk, rechts de muziektent.In het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw lag er op het marktplein grind. Dat gaf een rustieke uitstraling maar dat was, met de warenmarkt op vrijdag, niet zo praktisch omdat het bij regen vaak erg modderig was. In 1971 werd het marktplein met klinkers bestraat en voorzien van bloemperken en zitbanken. Daarbij verdween het plantsoentje midden op het plein, waar vroeger de muziektent stond. De pomp die in de loop der tijd vuil geworden was gaf geen water meer en het hekwerk er omheen was erg vervallen. Besloten werd de pomp in volle glorie te herstellen. Steenhouwer J.Cordes en Zonen uit Den Haag kreeg de opdracht voor een bedrag van f 12.975,-. Omdat het om een rijksmonument ging verleende het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk een subsidie van 40% van de kosten. Na de restauratie stond de pomp er weer bij als nieuw met bovenop een fruitschaal met druiven. Het oude monumentale hekwerk was vervangen door een plateau van gele ijsselsteentjes met rondom de pomp 12 sierstenen paaltjes. De pomp was ook aangesloten op de waterleiding en als men ging zwengelen kwam er water uit. Deze aansluiting op de waterleiding was niet zo’n succes, vanwege de flinke waterverspilling door de dorpsjeugd en door het autowassen van de inwoners, waardoor de pomp weer van de waterleiding afgekoppeld werd. De paaltjes rond de pomp zijn bij een latere herinrichting van het marktplein weer verdwenen en in de jaren 90 werd de huidige bestrating van natuursteen op het plein aangelegd. We zijn benieuwd hoe het marktplein er straks uit gaat zien.Auteur: Jan Dahmeijer van de Historische werkgroep Oud ’s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Unieke ontmoeting trekvaart - railverkeer in Schipluiden maandag 2 oktober 2017 09:09

Streekhistorie: Unieke ontmoeting trekvaart - railverkeer in Schipluiden

In Schipluiden ligt over de Vlaardingervaart de trambrug, een schakel in het vervoer van de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij. De WSM werd in 1881 opgericht met als doel een net van tramlijnen aan te leggen tussen Den Haag en een aantal Westlandse plaatsen. Het zou vooral om personenvervoer gaan, naast enig transport van goederen, post en bagage. De WSM besloot om qua breedte op normaal spoor te gaan rijden en niet zoals veel andere trammaatschappijen op smalspoor. Dat bleek een goede beslissing, want zo kon al vroeg op het nationale spoorwegnet worden aangesloten zonder goederen te hoeven overladen. De eerste lijn - Den Haag - Loosduinen - was in 1882 gereed. In oktober 1912 werd het laatste onderdeel van het tramnetwerk in het Westland in gebruik genomen. Het ging om het tracé van de Maaslandse Dam naar Delft via Schipluiden. De WSM profiteerde van de opkomst van de tuinbouw in het Westland en Midden-Delfland (Maasland en Den Hoorn). De veilingen kwamen aan de tramlijn te liggen, zodat de afvoer van de kwetsbare producten snel kon plaatsvinden. Vanwege dit belang betaalden het Rijk, de provincie en de gemeente mee aan de totstandkoming van het railnetwerk. Aanvankelijk - tot ca. 1926 - was er nog sprake van personenvervoer. Dit verdween na de opkomst van regionale busmaatschappijen. De afvoer van de tuinbouwproducten werd het belangrijkst. Terug werd onder andere leeg fust, stro en steenkool, bestemd voor de tuinbouw, vervoerd. De WSM ontwikkelde zich tot een winstgevend bedrijf. In 1968 kwam er een eind aan het railvervoer in de streek. Vrachtauto’s hadden inmiddels de afvoer van tuinbouwproducten overgenomen. In Schipluiden herinneren het WSM-tramstation (nu Museum Het Tramstation) en de tramburg aan de periode van het railvervoer. TrambrugDe ijzeren trambrug over de Vlaardingervaart is van het type boogbrug met trekband en is in 1911-1912 door Werkspoor in Amsterdam gebouwd in opdracht van de WSM. De brug is in de fabriek reeds in elkaar gezet, zodat de opdrachtgever vooraf kennis kon nemen van de constructie. Het lijkt of er twee bruggen in elkaar zijn geschoven, maar het is een typisch voorbeeld van een zogenoemde ‘boogligger’. De belasting van de vloer van de brug is op de boog overgebracht door de hangers (verticale balken). De voetpunten van de boog zijn door trekbanden verbonden, waarmee de zijdruk wordt opgevangen. De portalen vormen de verbinding van alle horizontale delen van deze 60 meter lange brug. In het midden is de totale hoogte bijna 10 meter, de binnenboog is 8 meter hoog en de portalen bijna 6 meter. De onderkant van de brug ligt minimaal 2.05 meter boven Delflands peil. Voor de gehele constructie werd 173.150 kg ijzer en 4.620 kg staal gebruikt. Omdat metaal bij warmte uitzet en bij kou krimpt kan zo’n brug niet aan beide kanten worden vastgelegd. Aan de westelijke kant - de zijde van de Duifpolder - is de brug op de onderbouw bevestigd. Aan de oostelijke kant - de zijde van de Vlaardingsekade - rust die op een paar grote rollen van gesmeed gietstaal. Ze maken het mogelijk dat de brug kan ‘werken’. Deze constructie is heel goed vanaf het jaagpad en vanaf het water waar te nemen. De aannemingssom voor het betonwerk bedroeg destijds f 16.830,- en voor de brug f 35.880,-. Tot 1 januari 1968 werd de brug gebruikt als trambrug. Er lag één spoor op met aan beide zijden een voetstrook. Sinds 1974 doet de brug dienst als fietsbrug in de route van het provinciale hoofdnet fietsverbindingen, die in de richting van Maasland over de voormalige trambaan loopt.De trambrug over de Vlaardingervaart. Foto: Jacques MoermanDe trambrug is van algemeen belang vanwege de stedenbouwkundige en de historisch-functionele waarde. De brug herinnert aan de groei van de tuinbouw in het Westland. Daarnaast is de trambrug een belangrijk beeldbepalend element in het landschap, zowel vanaf het land als vanaf het water. Sinds 2001 is de brug een rijksmonument. Het onderhoud berust bij de gemeente Midden-Delfland en vraagt, vooral gezien de toestand van het verfwerk, om snelle actie. JaagpadDe brug overspande het jaagpad van de historische vaarroute Delft - Maassluis-Vlaardingen. De trekschuitroutes tussen deze plaatsen waren respectievelijk in 1645 en 1654 in gebruik genomen. Tot 1871 maakten per dag ten minste zes trekschuiten met jaagpaarden vanuit Maassluis en twee vanuit Vlaardingen gebruik van deze vaarroute. De stad Delft onderhield de jaagroute. De opkomst van het landelijke spoorwegnet was voor Delft op 1 januari 1871 een reden om met deze financiering te stoppen. Drie schippersfamilies in Maassluis (Van der Lee, Van der Wel en De Jong), één in Vlaardingen (De Willigen) en één in Maasland (Verkade) gingen tot ver in de twintigste eeuw door met deze beurtdienst (Van der Lee zelfs tot na de oorlog). Daarnaast waren er ook andere schippers die van de route over de Vlaardingervaart en het trekpad ernaast gebruik maakten, bijvoorbeeld voor het vervoer van melk, mest, turf, groente en bouwmaterialen. Er werd gejaagd, geboomd of gezeild. De trekvaart, vooral van goederen, was in deze regio in 1912 dus nog erg actueel. Het personenvervoer werd in 1912 voor een groot deel overgenomen door de WSM-tram, en later door de busdiensten. Een trekpaard passeert via het paardenpad de trambrug. Foto: Jacques MoermanDe provincie Zuid-Holland koppelde de vergunning voor de bouw van de trambrug in Schipluiden aan een aantal voorwaarden die van belang waren voor de scheepvaart. Het verkeer over het water en het trekpad mocht niet teveel hinder van de brug ondervinden. Zo moest het jaagpad worden verlegd naar het ‘binnenbeloop’ van de kade, een breedte krijgen van 1,5 meter en onder de brug een ‘waterpasgedeelte’ van 5 meter en een vrije hoogte van 2.5 meter. Het pad moest worden bestraat met waalklinkers en voorzien van een afscheiding. De aansluitingen met het jaagpad mochten niet te steil zijn (‘minstens 10 op 1’ volgens de vergunning). In het bestek waren ook bepalingen te vinden die de hinder moesten beperken bij de bouw. Zo staat in paragraaf 23 bijvoorbeeld dat ‘de passage voor jaagpaden onder de brug niet mag worden belemmerd’. En verder: ‘De steigers moeten bij nacht verlicht worden, zowel ten behoeve van het verkeer over het jaagpad onder de brug als ten behoeve van de scheepvaart’. Het aan de voet van de dijk gelegen jaagpad met waalklinkers bestaat nog steeds. Er is aandacht nodig voor het onderhoud. Gezien het unieke karakter van deze locatie is het ook een geschikte plaats voor een eventuele informatiezuil. Het trekvaartvervoer en het railvervoer hebben elkaar hier lange tijd ontmoet. Het is een belangrijke passageplaats voor fietsers, wandelaars en vaarverkeer! Auteur: Jacques Moerman, Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: De geschiedenis van het Kwak-complex maandag 25 september 2017 09:09

Streekhistorie: De geschiedenis van het Kwak-complex

Afgelopen week werd het twintigjarig bestaan van Wateringse Veld gevierd. In 1997 werden de eerste huizen opgeleverd. Drie jaar eerder werd het gebied door Den Haag geannexeerd en kwam de nieuwe gemeentegrens vlak langs de Kwaklaan en het wijkje aan het begin van de laan te lopen. Op 13 september 2009 werd in De Ark een grote reünie georganiseerd voor oud-bewoners van het Kwak-complex (Kwaklaan, Vlietlaan, Vlotlaan). De Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul was gevraagd om een historisch overzicht te geven van deze (gedeeltelijk al verdwenen) woonwijk. Op grond van de officiële stukken van de gemeenteraad uit het voormalige archief van de gemeente Wateringen stelde Maxim van Ooijen de onderstaande bijdrage samen. Het verhaal begint bij de eerste aankoop van gronden door de gemeente in 1933 en eindigt bij de overdracht van de huizen door de gemeente aan de Wateringsche Bouwvereeniging in 1974. De foto's zijn afkomstig van bezoekers aan de reünie. De Kwak bestaat oorspronkelijk alleen als voetpad. Het liep van de Noordweg tot ongeveer de kerk. Daar kon de wandelaar achter de kerk langs en via de Julialaan het dorp bereiken. Er was bij het gemeentebestuur wel de wens om het pad te verbreden en door te trekken naar het Oosteinde. Daar lag wel nog een tuin tussen en er stonden huizen. In 1933 kreeg de gemeente de kans om van tuinder H.A. Ammerlaan het hele bezit aan te kopen. Voor ƒ 22.000,-- werd de gemeente eigenaar van "een Westlandschen tuin met schuren, waarvan één stenen, 5 muurkassen, 5 serres (waarvan 2 verwarmd) en 4 warenhuizen", 3 burgerwoonhuizen en 5 arbeiderswoningen. De druiven worden in massa verkocht bij publieke inschrijving en 1500 eenruiters worden op dinsdag 17 oktober 1933 in een boelhuis verkocht. Van andere tuinders langs de Kwak wordt grond aangekocht voor de verbreding en slootdemping. Alleen Van Holsteijn moet worden onteigend, omdat hij er geen zin in heeft. Hij krijgt een vergoeding van ƒ 0,50 per m².De jaren daarna wordt er gewerkt aan een nieuw uitbreidingsplan. Tegenwoordig noemen wij dat een bestemmingsplan. Architect Oosthoek werkt er druk aan, maar op een gegeven moment wil de Provincie dat er een echte stedenbouwkundige aan te pas komt. De destijds beroemde architect Van den Kloot Meijburg wordt eind 1939 ingehuurd.Op 11 september 1940 kan dan eindelijk het plan voor de Kwak worden vastgesteld. Maar inmiddels is het wel oorlog en tijdens de oorlog gebeurt er weinig op het gebied van woningbouw. De enige beslissing die we nog tegenkomen is dat op 2 december 1942 burgemeester Bocxe officieel de straatnaam Kwaklaan vaststelt.Na de bevrijding is het gemeentebestuur eerst bezig met alle zaken weer aan de gang te krijgen. De organisatie moet weer op orde komen, voldoende mensen om het werk te doen, er komt een nieuwe burgemeester, Meissen en het Rijk moet de woningbouw weer ter hand nemen.Hiervoor worden allerlei financieringsregelingen ingesteld en in 1948 wordt het plan van 1940 definitief goedgekeurd. Het betreft de bouw van 22 woningen. Dit zijn de duplexwoningen.Een jaar later krijgt de gemeenteraad te horen dat zo rond 1 november 1949 de eerste panden kunnen worden betrokken. Dan hebben al 16 mensen een vergunning gekregen om in een Kwakwoning te gaan wonen. De raad stelt de eerste huurprijs vast. Dat is per maand 31,50 en 32,50 voor de benedenwoningen en 27,50 en 28,50 voor de bovenwoningen.Ook worden er "enkele voorwaarden omtrent de bewoning" gesteld, maar wat die precies zijn wordt niet vermeld. Tijdens het uitzoeken van de huurders hadden twee mensen bezwaren tegen de huurprijs en die trokken zich dan ook terug.Een hele tijd gebeurt er niets, totdat er begin 1950 bekend wordt dat er 6000 woningen in Nederland worden gebouwd. Wateringen krijgt er 56. In een extra raadsvergadering op 14 april 1950 besluit de raad deze 56 goedkope woningen te bouwen voor ƒ 6800,-- per woning en ƒ 180,-- per schuurtje. Het worden uiteindelijk huizen aan de Julianastraat, Dr. Schaepmanstraat, de oneven nummers van de Irenestraat en Vlietlaan 1 t/m 15 en Vlotlaan 1 t/m 8 en 10. Het worden echte eengezinswoningen. Burgemeester Meissen zegt hier nog over: "Bij de bouw van deze goedkope woningen is uitgegaan van de mogelijkheid van het onderbrengen van een gezin met tenminste 6 kinderen, doch zelfs voor 8 kinderen wordt de ruimte verantwoord geacht."In december 1950 besluit de raad de laatste huizen van het Kwakplan te bouwen. Het worden 16 middenstandswoningen voor ƒ 173.892,--. De huur wordt ƒ 8,45 per week. Dit worden de huizen Kwaklaan 12 t/m 38 en Vlietlaan 16 en 17. Nog voor de jaarwisseling wordt de bouw gegund en de burgemeester zegt tegen de raad dat hiermee "getuigd wordt, dat het gemeentebestuur paraat is in de bestrijding van de woningnood." Na al dit gebouw blijft er nog een stukje grond over op de hoek van de Kwak en het Oosteinde. Ook heeft de gemeente nog wat grond van de erven Bom gekocht. In mei 1951 verkopen ze deze 700 m² aan Alboma uit Leiden voor de bouw van 7 eengezinswoningen. De prijs is ƒ 12,-- per m². De gemeente houdt zelf nog wat voor de bouw van een transformatorhuisje. Twee maanden later verhuurt de gemeente nog een stukje grond aan het Boekhoudbureau LTB voor de bouw van een werkruimte. Eind 1951 zijn alle gemeentewoningen bewoond.Nu lijkt het rustig te worden, maar in april 1952 duikt er een nieuw probleem op: de straatnaamgeving. Tot dan toe worden de woningen aangeduid met Kwak en een huisnummer. Er komt een voorstel. De straat rondom het hele complex moet Singel gaan heten en het kleine straatje rechts de Singeldwarsstraat. Het levert een hoop discussie op in de raad en uiteindelijk wordt besloten een enquête te houden onder de bewoners voor een nieuwe straatnaam.Welke voorstellen de bewoners allemaal doen, is niet bewaard gebleven, maar twee maanden later worden Vlietlaan en Vlotlaan vastgesteld. De straatnaam Kwaklaan wordt doorgetrokken tot het Oosteinde.De Alboma uit Leiden die nog grond kocht voor 7 woningen komt intussen in moeilijkheden en kan niet gaan bouwen. Het besluit wordt in augustus 1952 ingetrokken en een deel van de grond wordt gelijk verkocht aan de Boerenleenbank voor de bouw van een bank met kassierswoning. Ruim tien jaar later werkte bij die bank een Haags meisje en een van haar klanten was de jongste zoon van de plaatselijke garagehouder. De rest is geschiedenis.Op 23 maart 1954 stuurt een aantal bewoners een brief naar het college. Ze willen een hek tussen de straat en de sloten rondom het complex. Er zijn namelijk nogal wat kinderen in de sloot terecht gekomen. Raadslid Donck ziet niet veel in een laag hek. Het zal kleine kinderen wel tegenhouden, maar de grote kinderen zullen het ongetwijfeld vernielen. Van der Kruit zegt vervolgens: "De ouders moeten naar hun kinderen kijken. De kinderen moeten aan een touw worden gelegd." Besloten wordt een proef te nemen met een lugustrumheg, afgezet met draad. Later dat jaar wordt het Kwakcomplex afgerond met de bouw van twee woningen op de hoek van de Kwaklaan door Van Meurs en Zwinkels van de Strijpkade. Ze betalen ƒ 3,-- per m².In 1955 is het al zo druk op de Kwak dat er overal auto's en vrachtwagens geparkeerd staan. Daarom komt er een stopverbod op de Vlotlaan en een parkeerverbod op de Vlietlaan.Een groot probleem is de uitgang van de wijk op het Oosteinde. Waar nu de parkeerplaats naast de voormalige supermarkt van Brabander is, staat het nog vol met huisjes. De gemeente weet er een aantal te kopen, maar vooral de onderhandelingen met Van den Ende lopen heel stroef. Uiteindelijk weet Van den Ende er nog ƒ 13.500,-- uit te slepen. Ook wordt er voor hem een nieuwe woning gezocht.De afbraak van al deze panden en de demping van de vaart in 1957-1958 geven de kruising Oosteinde-Kwaklaan het huidige uiterlijk.In 1958 worden de schuurtjes vergroot omdat de bewoners hun fietsen en kolen niet meer kwijt kunnen. En ook de wasmachines zijn tegenwoordig nogal omvangrijk, zegt de burgemeester. Er komt 1,50 tot 2 meter bij. Hiervoor moet wel meer huur worden betaald: ƒ 0,25 per week.Het gebeurt vrij vaak dat, wanneer een huurder vertrekt, er van alles aan de woning moet worden gerepareerd om het huis weer bewoonbaar te maken. Deze kosten zouden eigenlijk door de vorige huurder moeten worden betaald. Vanaf eind 1958 moet elke nieuwe huurder van de Kwak daarom een waarborgsom van ƒ 100,-- betalen. Hiervan moet een preventieve werking uitgaan, zodat de schade aan de woningen zal worden beperkt. De jaren daarna gebeurt er weinig, behalve schilderwerk en huurverhogingen. Dan wordt het 1972. Het college vindt het niet meer verstandig dat de gemeente eigenaar is van huurwoningen. Deze worden overgedragen aan de Bouwvereeniging. Het onderhoud en beheer van de duplexwoningen en de woningwetwoningen gaat al per 1 april 1972 over. De 16 middenstandswoningen worden verkocht aan de eigenaren, de meeste voor ƒ 15.000,--. Een uitschieter is Kwaklaan 28, dat ƒ 23.000,-- opbrengt. Wel wordt er bepaald dat als iemand zijn huis binnen 5 jaar doorverkoopt, de gemeente ƒ 5.000,-- van de opbrengst krijgt.Het uitrekenen van de waarde van de overige woningen duurt even, maar op 1 januari 1974 worden ze definitief eigendom van de Bouwvereeniging. Er is nog even een probleem omdat 18 huurders hun woning willen kopen. Het college vindt echter dat deze huizen beschikbaar moeten blijven voor minder draagkrachtige gezinnen en wijst het verzoek af.Hiermee eindigt de gemeentelijke bemoeienis met het Kwakcomplex en hiermee eindigt dan ook mijn verhaal.   Auteur: Maxim van Ooijen van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: De struikelstenen van het Wilhelminaplein maandag 18 september 2017 15:03

Streekhistorie: De struikelstenen van het Wilhelminaplein

Vandaag zijn de werkzaamheden voor de herinrichting van het Wilhelminaplein van start. Daarbij zijn de vijf struikelstenen die voor de SNS bank liggen, verwijderd door wethouder Duivesteijn en leerlingen van groep 7 en 8 van de Openbare Daltonschool. Ze zijn tot de herplaatsing te zien in de hal van het nieuwe bestuurs- en publieksgebouw van de gemeente aan de Verdilaan. Ook het verhaal achter de steentjes wordt daar getoond. Voor wie zijn deze bedoeld en waarom liggen ze juist daar? Struikelsteen is de Nederlandse vertaling van de ‘Stolpersteine’ die de Duitse kunstenaar Günter Demnig maakt. Hij brengt deze gedenktekens aan op het trottoir voor de huizen van mensen die door de nazi's verdreven, gedeporteerd, vermoord of tot zelfmoord gedreven zijn. Het zijn dus persoonlijke gedenksteentjes en je vindt ze in vele Nederlandse straten, maar ook Duitsland en in 18 andere landen in Europa. Demnig heeft in 25 jaar tijd meer dan 50 duizend Stolpersteinen in de bestrating aangebracht. Op het kleine messing plaatje staat de naam, geboortejaar, deportatiedatum, sterfdatum en plaats vermeld. Je moet je hoofd buigen om de tekst te kunnen lezen. En als je het leest dan struikel je met je hoofd en je hart. In Naaldwijk zijn op initiatief van de historische vereniging vijf struikelstenen aangebracht. Dit gebeurde op 25 februari 2016. Op dezelfde dag zijn ook vijf struikelstenen in de Zeestraat in Monster gelegd. Aanleiding was de deportatie van twee Westlandse joodse gezinnen. In Naaldwijk woonde vlak vóór de oorlog nog maar weinig joden. Iedereen kende het gezin van Gabie van Tijn. Gerard Wolf, die Gabie genoemd werd, had zijn eigen slagerij aan het Wilhelminaplein. Hij woonde met zijn vrouw Naatje en hun drie kinderen: Levie, Roza en Ida achter de slagerij. Levie was handelaar, Roza kon heel mooi zingen en Ida wilde coupeuse worden. Zijn vader was ook slager geweest en Gabie had de winkel van hem overgenomen. Naatje was een dochter van Levi van Leeuwen, die een slagerij aan de Prins Hendrikstraat had. Haar broer Mozes had een eigen slagerij in Monster opgebouwd, op de hoek van de Zeestraat. Hij was getrouwd met Eva van Dijk uit Zuidland. Zij hadden twee kinderen: Levie Andries en Louise Roosje, die Wiesje werd genoemd. Mozes van Leeuwen was in 1938 gestorven en Levie Andries had de slagerij van zijn vader overgenomen. Tot de oorlog uitbrak waren het gewone gezinnen, waarvan de kinderen op gewone scholen hadden gezeten en die vrienden en vriendinnen hadden in hun dorp. Zodra de Duitsers Nederland bezet hadden, veranderde er veel voor hen. Vanaf oktober 1940 mochten joden geen eigen bedrijf meer hebben. Dat betekende dat de slagerij van Gabie in Naaldwijk en die van Levie Andries in Monster gesloten moesten worden. Ze bleven er wel wonen. In augustus 1942 kregen Levie van Tijn en Levie Andries van Leeuwen een oproep om zich te melden voor een werkkamp. Wiesje van Leeuwen was verloofd met Israël (Ies) Mesritz uit Oude Tonge. Ook hij had een oproep gekregen. De drie jonge mannen moesten zich gaan melden in Amsterdam. Wiesje trouwde nog snel met Ies en Levie Andries trouwde met zijn vriendin Dina Sanders uit Den Haag. Zij gingen mee naar Amsterdam. Levie van Tijn nam zijn zusje Ida mee naar Amsterdam. Daar woonde hun zus Roza, die getrouwd was met Levie Izaak de Jong. Ze hadden een dochtertje, Katja Anna, van een paar maanden oud. Waarschijnlijk hadden Levie en Ida hun nichtje nog niet gezien, want door alle verboden voor Joden was het moeilijk om te reizen. We weten niet of het ze gelukt is om Roza te ontmoeten.  Wat we wel weten is dat ze alle zes – Levie, Ida, Levie Andries, Dina, Ies en Wiesje - vanuit Amsterdam naar kamp Westerbork in Drenthe zijn gebracht. Vanuit dit kamp zijn ze op 17 augustus in goederenwagons naar het concentratiekamp Auschwitz in Polen zijn gestuurd. De lijsten met hun namen zijn te raadplegen in het herdenkingsmuseum in Westerbork. Het is niet bekend wanneer ze in Auschwitz gestorven zijn. Daarom is er na de oorlog, voor iedereen die op 17 augustus naar Auschwitz werd gedeporteerd, één sterfdatum vastgesteld: 30 september 1942. Levie van Tijn was 23 jaar oud, Ida van Tijn is 17 jaar oud geworden. Levie Andries van Leeuwen was in september jarig, hij was toen waarschijnlijk in concentratiekamp Auschwitz. Hij werd 25 jaar. Zijn vrouw Dina van Leeuwen-Sanders was 28 jaar. Louise Roosje Mesritz-van Leeuwen was 23 jaar oud en Israël Mesritz 26 jaar.  Eva van Leeuwen-van Dijk, die nog in Monster woonde, werd in oktober opgehaald van huis en door een politieman met de trein naar Amsterdam gebracht. Op 16 oktober is zij vanuit Westerbork naar Auschwitz gestuurd. Direct na aankomst op 19 oktober 1942 is zij vermoord.  Gabie en Naatje van Tijn zijn op 8 oktober gearresteerd en naar het politiebureau op het Wilhelminaplein gebracht, dat maar een klein stukje lopen van hun huis lag. Gabie van Tijn was 68 jaar oud en hij was ziek. Naatje was in paniek. Daarna zijn ze in een taxi gezet en naar Amsterdam gebracht, waar ze nog een paar dagen gevangen gezeten hebben. Op 14 oktober kwamen ze aan in Westerbork en op 23 oktober zijn ze naar Auschwitz gedeporteerd. Daar zijn ze op 26 oktober 1942 vermoord. Roza van Tijn en haar man Levie Izaak de Jong zijn op 20 juni 1943 in Amsterdam opgepakt, samen met meer dan vijfduizend andere Joden. Zij zijn met de trein naar kamp Westerbork gebracht en van daaruit gedeporteerd naar concentratiekamp Sobibor, op de grens van Polen en Rusland. Daar zijn ze op 2 juli aangekomen en dezelfde dag vermoord. Hun dochtertje hebben ze net op tijd in Amsterdam kunnen laten onderduiken. Zij heeft de oorlog overleefd.  Vanaf 22 september is de tentoonstelling over de struikelstenen van het Wilhelminaplein te zien in de hal van het nieuwe bestuurs- en publieksgebouw van de gemeente aan de Verdilaan. Na terugplaatsing in november liggen ze weer voor de deur van de SNS bank op het Wilhelminaplein in Naaldwijk. Auteur: Jolanda Faber van de Historische vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: De Huydecoperstraat te Hoek van Holland maandag 11 september 2017 09:09

Streekhistorie: De Huydecoperstraat te Hoek van Holland

De Huydecoperstraat ligt in het gedeelte van het dorp welk men de “Nieuwe Hoek” noemt. Dit in tegenstelling tot het gedeelte bij station Strand welk men de “Oude Hoek” noemt. Het gedeelte waar nu de Huydecoperstraat ligt was voor de oorlog gedeeltelijk bebouwd en vormde het einde van de bebouwde kom. Men noemde dat gedeelte het tweede zandwerk. Dit, omdat er tijdens het graven van de Nieuwe Waterweg een deel van het vrijgekomen zand werd gestort. De bebouwing werd hier gevormd door de Nijverheidstraat, de Scheepvaartdwarsstraat, de Bonnenstraat, de 2e Scheepvaartstraat en een deel van de Prins Hendrikstraat.Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel woningen en gebouwen in Hoek van Holland op last van de bezetter gesloopt. Men had ruimte nodig ten behoeve van de bunkerbouw en als schootsveld voor het geschut. De evacuatie van een groot deel der bevolking van de “Nieuwe Hoek” nam een aanvang. De politie te Hoek van Holland kreeg van het “Centraal Evacuatie Bureau” te Rotterdam opdracht om de evacuatie te begeleiden en hiervan regelmatig rapport uit te brengen. Veel Hoekse inwoners zouden in deze periode in Tuindorp Vreewijk te Rotterdam-Zuid worden gehuisvest. Op 9 januari 1943 begon men met de ontruiming van de woningen op het 2e zandwerk, waarna de panden werden gesloopt. De bezetter bouwde daar een groot bunkercomplex met anti-tank geschut. Dit complex kreeg de aanduiding St VII H = Stutzpunkt VII Heeres De taak van dit steunpunt was de verdediging van het landfront van de Festung Hoek van Holland. Het complex bestond uit 33 bouwwerken waarvan de kern gevormd werd door 4 geschutbunkers voor veldgeschut (type 669) en 3 munitiebunkers (type 674). Op de kaart aangeduid als RR 1-2-3-4 en RR 5-6-7. De overige bouwwerken waren gemetselde stenen gebouwen als woonschuilplaatsen, bergplaatsen, voedselbergplaatsen en dergelijke. Het steunpunt bestond uit totaal 33 bouwwerken.Plattegrond Bunkercomplex St. VII H op 2e Zandwerk.Na de oorlog werd dit bunkercomplex ontmanteld en gesloopt. Er werd een bouwverbod voor Hoek van Holland uitgevaardigd omdat er eerst uitbreidingsplannen moesten worden gemaakt. Op de vrijgekomen vlakte werd als een der eerste nieuwbouw plannen na de oorlog een project van 313 woningen gebouwd. Het project werd gebouwd in opdracht van de woningbouwvereniging “Rotterdam aan Zee” en uitgevoerd door het bouwbedrijf “Duinker en Verruijt”, een betonfabriek uit Alphen aan de Rijn. In de volksmond staat dit complex bekend als de ‘Duinker en Verruijt” woningen. De straten in het project kregen nieuwe namen. De voormalige Nijverheidstraat kreeg bij gemeentebesluit, op 24-2-1950 de naam Huydecoperstraat. De naam komt van Jan Jacobszn. Huydecoper, omstreeks 1599 zeevaarder. De naam Nijverheidstraat werd bij gemeentebesluit van 16-6-1950 ingetrokken.De namen van de andere straten luiden: De Mareesstraat, Van Ilpendamstraat, Van Caerdenstraat, Van Warwijckstraat, Brunelstraat en Houtmanstraat. Zij zijn ontleend aan zeevaarders/ontdekkingsreizigers.Huydecoperstraat omstreeks 1959/1960.De eerste huizen werden in 1950 opgeleverd en liggen aan de zuidoostelijke zijde van de Huydecoperstraat. De families Ahrens en Stam waren de eerste bewoners en betrokken op 8 september 1950 hun woningen. Zij betaalde toen een huur van f 8,30 per week. Aan de noordwestelijke zijde van de straat werd een rij winkels gebouwd met daarboven woningen. De winkels werden in 1956 in gebruik genomen. Toen kwamen de volgende middenstanders in de winkels: Van links naar rechts: bakker N. Droog (gedeeltelijk zichtbaar), drogist Van Haaster, electrische artikelen A. Koppenol, kapsalon J.B.M. van Leent, kruidenier VéGé, A.L. Cornelissens en groentewinkel H. de Man.Bronnen: Van Niet tot Iet (2). Historische beschrijving van het ontstaan en de ontwikkeling van Hoek van Holland door H.J. Nijland bewerkt en van 1964 aangevuld door L. van Ooijen.Uitgever Drukkerij Pranger/van der Graaf, juli 1989.Festung Hoek van Holland. Een parel van de Atlantikwall aan de Nieuwe Waterweg 1942-1945. Hans Sakkers. Uitgever Hans Sakkers Middelburg 1992.Het verhaal achter uw straatnaam, uitgever J.J. Jonker, Hoek v Holland, september 1989.Woningbouw Vereniging Hoek v Holland, www.wvhwonen.nl Foto’s:Prins Hendrikstraat, collectie H. v.d.LugtPlattegrond bunkercomplex RR, bureau Registratie Verdedigingswerken, tekening 602, d.d. 26-1-48. Bunkerarchief.Huydecoperstraat, collectie D. Ruis.Auteur: Dick Ruis van het Historisch Genootschap Hoek van Holland.
Lees meer
Streekhistorie: Zeeslepers herdacht maandag 4 september 2017 12:12

Streekhistorie: Zeeslepers herdacht

Het industrieterrein Nieuwe Waterweg ligt achter het ‘hotel in ontwikkeling’, het voormalige gebouw van L. Smit & Co’s Internationale Sleepdienst aan de Govert van Wijnkade. In de straatnamen zijn Maassluise sleepboten van Smit herdacht. Namen zoals Roode Zee, Noordzee, Zwarte Zee verwijzen dus niet naar de genoemde oceanen, maar naar scheepsnamen. Drie van de zeeslepers van Smit vergingen in 1940-1945 door oorlogsgeweld. De zeeslepers waren in actieve dienst voor de geallieerden. De Noordzee, die onder nr. BV 37 in Zeeland voer, kreeg opdracht op te stomen naar Engeland. Op de Westerschelde bij Zoutelande liep het schip op 14 mei 1940 op een mijn en zonk. Daarbij kwamen elf opvarenden om. Sleepboot de Roode Zee in de buitenhaven langs de Burg. de Jonghkade. Gebouwd in 1938 bij L. Smit & Zoon in Kinderdijk.De Roode Zee (in de oude schrijfwijze, met twee o’s) had een caisson op sleep voor de noodhaven bij Arromanches tijdens de invasie. Op 24 april 1944 sloeg het lot toe. Ter hoogte van Dungeness, in het Kanaal, werd het schip door de Duitse motortorpedoboot S 100 getorpedeerd. Hierbij kwam de gehele bemanning om het leven. Gedurende de oorlog lagen er regelmatig enkele motortorpedoboten, door de Duitsers Schnellboote genoemd, in de haven van Maassluis. Dikwijls hebben we tegen elkaar gezegd dat wellicht op deze boten de luchtaanvallen waren gericht. De Lauwerzee (door een speling van het lot zonder de verwachte s in de naam) voer onder nr. BV 39. Op 3 oktober 1940 was de sleper met het Engelse kabelschip ‘Lady of the Isle’ vertrokken van Falmouth. Een uur buitengaats was er een zware ontploffing op het kabelschip. Het vloog in stukken en zonk. De Lauwerzee haalde de sleeptros in en wilde koers zetten naar Plymouth. Plots was er een zware ontploffing op het voorschip en begon de sleepboot zwaar te hellen. Het schip zonk waarbij 12 opvarenden, waaronder 10 Maassluizers, om het leven kwamen. Eén opvarende werd gered. Ansichtkaart van de Buitenhaven in 1928 met een aantal stoomsleepboten. Langs de Govert van Wijkade liggen de Witte Zee en de Lauwerzee.Toen de straten van het industriegebied Nieuwe Waterweg namen van sleepboten kregen, heeft de Historische Vereniging Maassluis ervoor gepleit om de straatnaamborden van de Roode Zee en Noordzee te voorzien van een extra bord. Daarop staat dat de sleepboot door oorlogsgeweld is gebleven. Met de bouw van de woonwijk Het Balkon kreeg ook de Lauwerzee (zonder s) een straatnaam, naast de school. Men vond het logisch, dat onderbord, maar het duurde jaren voordat het er kwam. De Noordzee en de Roode waren al van een extra vermelding voorzien. En opeens, in juli 2017, was daar het onderbord van de Lauwerzee. We weten niet waarom het zo lang heeft geduurd, maar de Historische Vereniging Maassluis is er blij mee. Zo blijft de herinnering bewaard aan de twee schepen die op een mijn liepen en het derde dat werd getorpedeerd. Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Vrouwelijke politici in het Westland maandag 28 augustus 2017 09:09

Streekhistorie: Vrouwelijke politici in het Westland

Vrouwen zijn nu niet meer weg te denken uit de politiek maar er is een tijd geweest dat zij hun positie moesten bevechten. In het Historisch Jaarboek Westland van het Genootschap Oud-Westland geeft Martha Vollering in haar bijdrage een schets van de vrouwelijke pioniers in de Westlandse politiek. Het jaarboek verschijnt dit jaar voor de dertigste keer. Het jubileumnummer wordt op 16 september overhandigd aan een vrouwelijke politica, de voormalige Naaldwijkse wethouder Riet Barendse-Vijverberg. De eerste vrouw in een Westlandse gemeenteraad trad aan in 1939. Het was de legendarische mr. Marcus, die kantoor hield aan de Dijkweg in Honselersdijk. Zij trad vaak op als curator bij faillissementen in de tuinbouw. Mr. Marcus was raadslid voor de Christelijk Historische Unie. De Anti Revolutionaire Partij wilde niet met haar samenwerken. Voor de mannenbroeders was een vrouw in de politiek een stap te ver. Van mr. Marcus werd gezegd dat zij ‘ten onrechte de plek van een man bezet hield’.Op voorpagina van het jaarboek staat een van de drie klokken van de RK Adrianuskerk in Naaldwijk. De vier oude klokken van de kerk zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog onder vergeefs protest van de toenmalige pastoor afgevoerd naar Duitsland als grondstof voor de wapenindustrie. Personeel van de NSB-aannemer P.J. Meulenberg haalde de klokken uit de kerktoren. Meulenberg roofde in het hele land duizend klokken. De aannemer uit Heerlen werd daarvoor persoonlijk door Herman Göring onderscheiden. Na de oorlog zat Meulenberg jarenlang in de gevangenis. Het duurde tot 1948 voordat er weer nieuwe klokken in de toren van de Adrianuskerk hingen. Veertig jaar geleden schreef Leo Duifhuizen een doctoraalscriptie over de Reformatie in het Westland. Ter gelegenheid van het Lutherjaar 2017 is hij op verzoek van de redactie opnieuw in het onderwerp gedoken. Wij lezen over de periode tussen het moment dat Luther in 1517 zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel in Wittenberg spijkerde tot de inval van de Watergeuzen in het Westland in 1572. Het Lutheranisme kreeg in onze streek slechts zeer geringe aanhang. Wel vond er in 1535 een heftig oproer van wederdopers in Poeldijk plaats. Daarna bleef het jarenlang rustig totdat het Calvinisme aanhang kreeg. Pastoor Arent Vos uit De Lier ging over tot de nieuwe leer. Zijn leven eindigde in 1570 op de brandstapel in Den Haag. Na de komst van de geuzen waren de katholieken aan de beurt. Kapelaan Jacobus Lacops en pastoor A. van Hilvarenbeek werden opgehangen in een turfschuur in Den Brielle. Zij werden later heilig verklaard als de martelaren van Gorcum.Het jaarboek is na 16 september verkrijgbaar in het Westlands Museum en de Westlandse boekhandels.   Auteur: Frank de Klerk van Historisch Genootschap Oud-Westland
Lees meer
Streekhistorie: Huis ter Lucht maandag 21 augustus 2017 09:09

Streekhistorie: Huis ter Lucht

Het meest opvallend op deze locatie is de Noordvliet of Trekvliet, één van de drie vlieten tussen de Vlaardingervaart en Maassluis. Links ligt de boerderij (destijds) van de familie Buitelaar aan de Trekkade, het voormalige jaagpad. Rechts op de afbeelding uit ca. 1925 is een Maaslands industriegebiedje te zien, dat reeds in de achttiende eeuw werd ontwikkeld. In 1745 ontving Cornelis Post voor zijn zoon Pieter Post vergunning voor de bouw van een houtzaagmolen op deze locatie. In 1851 kregen de eigenaren Terlaak en Plomp toestemming van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland om de zaagmolen in te richten tot oliemolen. Uit lijnzaad werden lijnolie en lijnkoeken gefabriceerd. De lijnkoeken verkocht men als hoogwaardig veevoer aan de boeren. De lijnolie was een grondstof voor de zeep- en verfindustrie. In 1866 werd Johannes Reeser eigenaar van de molen, die in 1877 werd vervangen door een stoommachine. Bij het gebouw kwam een hoge schoorsteen en een fraai herenhuis (het hoge pand op de oude foto). Naast en tegen het herenhuis verrees nog een gebouw dat als bierbrouwerij en mouterij werd ingericht. De bierbrouwerij kreeg de naam ‘de Ree’, een verwijzing naar de naam van de eigenaar. In 1886 werd de stoomolieslagerij met een aantal aangrenzende woningen voor 11.400,- gulden verkocht aan Willem Ouweleen, namens de firma A. Speelman & Co in Overschie. De bierbrouwerij en het herenhuis veranderden in die periode enkele malen van eigenaar. In 1895 kocht Willem Ouweleen ook deze panden voor 7.125,- gulden. De gebouwen van de bierbrouwerij werden vanaf dat ogenblik voor andere doeleinden gebruikt. Huidige situatie Jaren huurde de firma Vermeer een deel van de panden voor de handel in land- en tuinbouwproducten. De lijnoliefabriek ging nog heel lang door. Pas in 1947 beëindigde Willem Ouweleen junior de handel in veevoer. De bouwvallige bedrijfsgebouwen, het herenhuis en nog enkele woningen werden door zijn familie in 1975 verkocht aan de bouw- en ontwikkelingsmaatschappij Beomij B.V. Een voorwaarde van de koper was dat hier woningen gebouwd mochten worden. De definitieve sloop van de gebouwen volgde in 1986. Kort erop begon men op deze plaats met de bouw van een aantal herenhuizen. De vestiging aan het water was vroeger aantrekkelijk vanwege de aan- en afvoer van producten en materialen. Nu nodigt een dergelijke ligging projectontwikkelaars uit tot de bouw van dure woningen. De Noordvliet en de nabij gelegen Middelvliet (Zuidvliet) werden kort voor 1334 gegraven om de waterafvoer vanuit het Westland naar de Maas te verbeteren. Omstreeks 1380 werd voor dit doel nog een derde kanaal gegraven, namelijk de Boonervliet. Bij de boerderij was het op- en afstappunt voor de trekschuit, die van 1645 tot ver in de negentiende eeuw zesmaal per dag heen en weer voer tussen Maassluis en Delft. Op donderdag ging er van Maasland nog een extra marktschuit naar Delft. Niet ver hier vandaan, op de plek van de huidige Sint Magdalenakerk, werd in 1659 een rooms-katholieke kerk gesticht. Deze schuilkerk stond bekend onder de naam ‘De Kluis’. Later werd het woord kluis verbonden met een boerderij langs de kade van de Zuidgaag. Huis ter Lucht was oorspronkelijk een herberg aan de andere kant van de Kerkweg. Het woord ‘lucht’ verwijst naar een laagte in een dijk. Vóór de komst van de windwatermolen, begin vijftiende eeuw, werd een ‘lucht’ benut voor de afvoer van overtollig water. De Trekkade leidt de fietser of wandelaar naar enkele fraaie uitzichtpunten van Midden-Delfland, namelijk de Commandeurspolder en de smalle strook vlietland tussen de Noord- en Middelvliet en vervolgens voorbij de Kwakelweg de Duifpolder en de Vlietlanden. Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Logement Overheijde in Monster maandag 14 augustus 2017 11:11

Streekhistorie: Logement Overheijde in Monster

Op de hoek van de Choorstraat en de Dr. van den Brinkstraat in Monster staat sinds jaar en dag hotel-café-restaurant Overheijde. Al dateren de voor- en zijgevel uit het begin van de 20ste eeuw, het oorspronkelijke pand is veel ouder. Niettemin zijn alleen de buitengevels aangemerkt als gemeentelijk monument. Het pand staat al jarenlang leeg, hetgeen de onderhoudstoestand uiteraard niet ten goede komt. Gelukkig is onlangs vergunning aangevraagd om Overheijde met behoud van de buitengevels te gaan verbouwen tot een viertal appartementen. Overheijde wordt in de archieven voor het eerst bij name genoemd in het jaar 1727. Het is dan nog geen herberg of logement, maar een buitenplaats. Eigenaren zijn dan Rijnburgh van Bergen, weduwe van kolonel Philip Pieter Carpenter, en haar zus Anna van Bergen. Als zij Overheijde op 5 maart 1727 laten veilen in de Cloveniersdoelen in Den Haag wordt het bezit beschreven als de buitenplaats genaamd Overheijde, bestaande uit een herenhuis, koetshuis, stalling, boerenwoning en hooibergen. De bijbehorende percelen land in de omgeving beslaan tussen de 34 en 35 morgen, inclusief 4 à 5 morgen land behorend tot de buitenplaats zelf en 1 morgen 4 hond aspergeland (een morgen is circa 0,85 ha en een hond is eenzesde morgen). Eigenaresse wordt mevrouw Theodora Schrevelius, weduwe van Abraham Keijser, in leven raad en vroedschap van de stad Delft.De familie Van Bergen kan waarschijnlijk worden aangemerkt als de stichter van de buitenplaats. Zij hebben al in 1669 bezit in Monster. Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat welgestelden uit de stad zich een buiten aanschaften in een van de omliggende dorpen om daar hun vrije tijd door te brengen of om er permanent te gaan wonen. Vaak ging het om boerenhofsteden die werden verbouwd en waar omheen een mooie tuin werd aangelegd. Zo is waarschijnlijk ook Overheijde ontstaan. Een bekend voorbeeld in Monster is de buitenplaats Geerbron aan de Herenstraat, die eind 17de eeuw is gesticht door luitenent-admiraal Pieterson.Het is overigens opvallend dat er in het begin van de 18de eeuw al op zo’n grote schaal asperges werden geteeld door de eigenaren van Overheijde of, als de eigenaren dat niet in eigen beheer deden, door de pachters van de bijbehorende landen. De zandige grond in de buurt van de duinen leende zich daar goed voor. Ook luitenant-admiraal Pieterson en latere eigenaren van de buitenplaats Geerbron teelden asperges.In 1729 verkoopt mevrouw Schrevelius Overheijde voor f. 12.750 aan de heer Otto van Cattenburgh, schepen van ’s-Hertogenbosch, raad te Veere en ontvanger. De tuinman van Otto van Cattenburgh betrapt in de herfst van 1737 een zekere Cornelis Meijvogel op het stelen van fruit uit de tuin van Overheijde. De dader weet te ontsnappen, maar wordt enkele jaren later opgepakt en in de toren van de kerk gevangen gezet. Hij wordt veroordeeld tot openbare geseling en vervolgens voor eeuwig verbannen uit Holland en Westfriesland. Een ander voorval dat de geschiedenis aan ons heeft overgeleverd, doet zich voor in 1783. Het gemeentebestuur looft dan een premie van f. 100 uit aan degene die de dader weet aan te wijzen van een inbraakpoging in de buitenplaats Overheijde. De dader heeft geprobeerd binnen te komen door aan de achterkant een raam te forceren. Overheijde werd in die jaren bewoond door oud-burgemeester Van der Crap van Brielle.Verbouwing Overheijde in 1907Wanneer Overheijde is getransformeerd tot logement en herberg is niet precies bekend, maar dat moet in het begin van de 19de eeuw zijn geweest. Op 28 juni 1824 plaatst S.A. Overgaauw, kastelein in logement Overheijde, een advertentie in de ’s-Gravenhaagsche Courant, waarin hij zijn alleszins ruim en wel gesitueerd logement aanbeveelt tot het ontvangen van alle fatsoenlijke gezelschappen. Met zijn advertentie probeert hij vooral bezoekers uit Den Haag te trekken. Hij wijst op de onlangs nieuw aangelegde straatweg tussen Loosduinen en Monster. Die heeft de ‘volmaaktste gelegenheid geopend om ook dit gedeelte vann het schoone Westland te zien, waarvan deze plaats door deszelfs vruchtbare situatie en maar slechts 10 minuten afstand van zee eene zeer aangename variatie oplevert.’ Later is jarenlang de familie Hersbach uitbater geweest. Al in 1851 zijn ze een begrip in Monster. Dat blijkt uit een lang gedicht dat Gerard Herckenrath, zoon van burgemeester Leon Herckenrath, in 1851 schreef en in Leiden liet publiceren. Het heet ‘Herinnering aan de laatste zomerdagen van 1851 te Geerbron’. Daarin komt een passage voor, waarin de kermis van Monster wordt beschreven.‘t Was kermis te Monster; en boer en boerin,De pret in het hoofd en plezierig van zin,Uit ’t Westland te zamen geloopen,Stoof dansend en springend gepaard langs de baanEn pikten een graantje, en leiden eens aan,Om koek bij de kramers te koopen;De mannen in ‘t zwart en de vrouwen in ‘t wit,Door ‘t edele vocht van God BACCHUS verhit,Drong beurtlings van STORM naar VAN PAASSEN,Of zongen bij HERSBACH van Jan Tourlejour!En ligtten de beenen daarbij van de vloer,Als poppen van Vader Jan Klaassen.In 1890 wordt Overheijde overgenomen door Piet Goemans. Zijn hoogbejaarde dochter Anna had in 1990 en in 1994 enkele gesprekken met leden van de werkgroep Oud-Monster. Ze vertelde dat er altijd hard gewerkt moest worden. Zo kwam het voor dat er ‘s ochtends een koffiemaaltijd werd gehouden in verband met een begrafenis en dat direct daarna alles weer in gereedheid moest worden gebracht voor een bruiloft. Een bekend gezegde in het gezin Goemans was: ‘opa is dood, krijgen we heerlijk krentenbrood’.In 1894 krijgt Overheijde toestemming zich ‘Bondshotel’ te noemen. De ANWB, toen nog echt een fietsersbond want auto’s waren nog in geen velden of wegen te bekennen, was in 1884 gestart met het keuren van overnachtingsmogelijkheden voor fietsers. Om het predicaat ‘Bondshotel’ te mogen voeren, moest worden voldaan aan kwaliteitseisen als een wc en een badkamer in het hotel en voorzieningen voor was- en scheerwater op elke kamer. Leden van de ANWB konden in deze hotels tegen een gereduceerde prijs logeren en kregen er vaak korting op maaltijden en wijnen. Volgens een mededeling in het bondsblad De Kampioen (ook toen al) kostte een overnachting in Overheijde met ontbijt f. 1,25, een diner zonder wijn f. 1,- en een diner met een halve fles wijn f. 1,65. Het predicaat ‘Bondshotel’ pronkt nog steeds op de zijgevel van het huidige pand. De kaaskelder van het voormalige boerderijgedeelte van Overheijde is jarenlang in gebruik geweest als opslagruimte voor de drankvoorraad. Rond 1913 wordt in Monster een elektriciteitcentrale gebouwd. De gelagkamer van Goemans was een van de eerste gelegenheden die elektrische verlichting hadden. Veel mensen, ook niet-klanten, kwamen kijken, hetgeen uiteraard een gunstige invloed op de omzet had. Meerdere keren per avond werd de knop omgedraaid om te laten zien hoe snel het dan na inschakeling van de elektriciteit weer licht werd. Deze nieuwigheid was in het begin niet zonder storingen. Daarom werden bij bruiloften uit voorzorg zes petroleumlampen in de keuken brandend gehouden.Overheijde rond 1920, voor de aanleg van de Dr. v.d. Brinkstraat.De eerste veilingen van groente en fruit in Monster zijn gehouden op het biljart in de gelagkamer van Overheijde. Er werd dan een plank over het biljart gelegd. De uitbetaling vond ter plekke plaats door de betaalmeester. Dat was volgens Anna reuze gezellig, zeker wanneer je dat met tegenwoordig vergelijkt nu alles via de bank gaat. Het sluisgeld van Delfland werd eveneens in Overheijde geïncasseerd en ook het ijken van de gewichten vond er van tijd tot tijd plaats. Voor het innen van het sluisgeld zat er een dag of een ochtend een kassier van Delfland in de gelagkamer.In 1907 wordt café Overheijde ingrijpend verbouwd door aannemer Linus Franke. Bij die gelegenheid kreeg het pand een nieuwe voorgevel en werd er een verdieping opgezet. Op de foto die tijdens de verbouwing is gemaakt, is goed te zien dat de Westlandse stoomtram vlak langs de gevel door de Choorstraat reed. Bij de verbouwing van Overheijde moesten de steigers dan ook zodanig worden aangebracht dat de tram er onderdoor kon rijden.Als het café te klein wordt om er veiling te houden laat Goemans in de tuin achter Overheijde een gebouw neerzetten waar in het vervolg geveild kon worden. Dat gebouw stond ongeveer op de plaats waar rond 1928 de Dr. van den Brinkstraat is gekomen.Na het overlijden van zijn vrouw in 1927 verkoopt Piet Goemans Overheijde aan de gemeente Monster. Goemans ging met zijn dochter Anna rentenieren. (van de verzopen centjes, volgens Anna). De gemeente gebruikte aan de zijkant een stuk van de tuin van Overheijde om de Dr. van den Brinkstraat aan te leggen. Daarna werd Overheijde min of meer als belegging gekocht door de uit Den Haag afkomstige Piet Janssen. Eind 1928 werd de uit Veur afkomstige familie Van Wissen de nieuwe exploitant van Overheijde. Ze huurden de eerste jaren het bedrijf van zwager Piet Janssen. Vader Koos van Wissen en zijn vrouw Cato Janssen hadden elf kinderen. Aanvankelijk hadden ze een boerderij in Veur, maar na een aantal jaren van tegenslag waagden ze in 1928 de overstap naar Monster. Na het overlijden van vader Van Wissen in 1949 wordt het bedrijf voortgezet door de dochters Riet en To. In 1965 verkopen ze Overheijde aan brouwerij De Drie Hoefijzers uit Breda.De speeltuin van Overheijde.In Overheijde zijn jarenlang twee sociëteiten geweest. Dat waren gezelligheidsverenigingen, waarvan de leden wekelijks bij elkaar kwamen om een kaartje te leggen of te biljarten. Op dinsdagavond was er de katholieke ‘soos’ en op donderdagavond de algemene. Van beide sociëteiten waren alleen mannen lid. Eens per jaar in de vastenavondtijd was er een feestavond, waar ook de vrouwen welkom waren. De ‘soos’ bestond volgens Anna Goemans al in de tijd dat haar familie in het bedrijf zat. Na het vertrek van de familie Van Wissen zijn beide verenigingen al snel ter ziele gegaan.Sinds 1965 is Overheijde enkele keren met uiteenlopend succes van eigenaar en van exploitant gewisseld en hebben diverse verbouwingen plaatsgevonden. De speeltuin achter het bedrijf is op een gegeven moment afzonderlijk verkocht om er enkele woningen te bouwen. Daarmee verdween een stukje groen en nostalgie uit het centrum van Monster. Het is te hopen dat de renovatie van Overheijde snel zijn beslag krijgt en het pand wat van zijn oude uitstraling terugkrijgt.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-MonsterMet dank aan Ron Oosterveer voor het aanreiken van gegevens
Lees meer
Streekhistorie: Het Warenhuis maandag 31 juli 2017 10:10

Streekhistorie: Het Warenhuis

Op 18 juli 2017 is Aad Vijverberg overleden. Aad was een grote deskundige op het gebied van de historische tuinbouw in Nederland. Hij heeft talloze artikelen geschreven over de Westlandse tuinbouw die verschenen zijn in het Historisch Jaarboek Westland. Zijn proefschrift “Glastuinbouw in Ontwikkeling” verscheen in 1996. In 2008 schreef hij de “Canon van de Kassen”, waarin de vijftig belangrijkste ontwikkelingen en uitvindingen in de tuinbouw werden behandeld. Als eerbetoon aan Aad Vijverberg licht ik twee onderwerpen uit de ‘Canon van de Kassen’ over het zogenaamde warenhuis. Dit warenhuis is een Westlands/Loosduinse uitvinding en is nog steeds het basistype van de wereldwijde glastuinbouw. Het warenhuisEen tuinder was – en is – altijd op zoek naar goedkope oplossingen. Dat gold ook voor de Loosduinse tuinders anno 1906. De Loosduinse tuinbouw was toen gekenmerkt door twee dingen. Loosduinen was in die jaren een van de belangrijkste centra van de teelt onder platglas. De komst van de eenruiter hadden de Loosduiners aangegrepen om hun glasareaal flink uit te breiden. Na de omgeving van Amsterdam vormde Loosduinen het belangrijkste glastuinbouwgebied. In 1903/1904 waren hier de eerste komkommerkasjes gebouwd naar Engels voorbeeld. Deze dure bouwsels kon niet elke tuinder zich permitteren. Een inventieve tuinder kwam op het idee om het platglas omhoog te brengen. Een onderbouw van houten palen met een houten goot en een dek van eenruiters. In hetzelfde jaar was in Den Haag een groot warenhuis gebouwd in de Spuistraat. Dit warenhuis had een glazen koepel waardoor alle etages (4) voorzien werden van daglicht. De overeenkomst tussen beide bouwwerken gaf aan de nieuwe kas zijn naam: warenhuis. Het grote voordeel van het warenhuis was de hoogte. Onder platglas kon men alleen laagblijvende gewassen telen als komkommers, sla, andijvie, peen en bloemkool. Tomaten toen ‘Pomme d’Amour’ geheten waren in opkomst en die konden in dit primitieve warenhuis goed geteeld worden. Een belangrijke verbetering in het warenhuis was de ijzeren goot. Hiervoor werd het profiel gebruikt dat men kende van de dwarsliggers van het smalspoor. Het warenhuis werd meestal alleen in het voorjaar en de zomer gebruikt. In de herfst en de winter werden de ramen afgenomen om de ‘natuur’ op de grond te laten inwerken. De ramen werden dan elders op het bedrijf gebruikt als platglas. De noodzaak om ‘de natuur te laten inwerken’ op de kasgrond was bekend. Men wist ook dat de problemen op opdrachtige gronden (van nature vochtige gronden als veen en kleigrond) geringer waren dan op niet opdrachtige, droge gronden als zandgrond. Dit leidde ertoe dat tijdens de eerste wereldoorlog (1914-1918) tuinders een drainage systeem in hun kas aanlegden om vanuit de ondergrond water te infiltreren. Op die manier trachten zij het effect van de ‘opdrachtigheid’ te versterken. Een methode, zo schreef de tuinbouwconsulent Wiersma in 1918, die men op zand-, zavel- en zelfs vrij zware kleigronden meer en meer begint toe te passen en vrijwel algemeen is men er uiterst voldaan over. In 1932 ontdekte men de reden waarom ‘de natuur moest inwerken’. Het bleek de verzilting van de kasgrond te zijn. Het infiltreren was dus niet de oplossing maar het doorspoelen loste het probleem op. Doorspoelen in combinatie met drainage maakte het mogelijk de in de bovengrond aanwezige zouten af te voeren. Het warenhuis had als kas twee grote beperkingen, namelijk de geringe lichtdoorlatendheid en de vele kieren. Beide problemen zijn sterk verbeterd met de komst van het venlowarenhuis. Het VenlowarenhuisDe motoren achter de ontwikkeling van de kassenbouw zijn de lichtdoorlatendheid van het kasdek en de prijs per m2. Hoe meer licht een kas binnenkomt hoe beter. En hoe goedkoper een kas is, hoe beter. Die twee factoren hebben we al gezien bij de ontwikkeling van de eenruiter. De ontwikkeling van de Venlokas illustreert diezelfde gang van zaken. In het boek ‘Kassen en Kassenbouw’ uit 1918 schrijft Wiersma over de problemen van het warenhuis. Hij beschrijft het warmteverlies door de kieren tussen de eenruiters en de vele lekplaatsen die evenveel bronnen voor ziekten zijn. Hij schrijft ‘construeert men het model warenhuis als vaste kas, dan zal de bouw goedkooper zijn, daar men de houten lijsten nu door een roe kan vervangen en dus besparing van materiaal en arbeidsloon krijgt.’ Het idee was er dus al in 1918 maar het zou tot 1928 duren eer de lijst vervangen werd door een roede. De kas werd goedkoper en beter. Goedkoper omdat er minder hout nodig was. Illustratief is ook de eerste naam die men aan die kas gaf: crisiswarenhuis. De kas was beter omdat de lichtdoorlating groter was. Er zaten ook nadelen aan die eerste Venlokassen vast. Doordat de boven- en onderdorpel van de eenruiter verdwenen waren was de kapbreedte niet 3.20 maar 3.00 m breed. Daardoor paste er niet meer vier rijen tomaten in een kap en dat was een bezwaar. De teelt in Venlo vond plaats op hoog ontwaterde gronden. Zoutophoping in de bovengrond was hier dus een onbekend probleem. Het ‘inwerken van de natuur’ zoals we gezien hebben bij het warenhuis was in Venlo niet nodig. Vast glas op de kas betekende daardoor geen probleem. In 1950, 22 jaar na de bouw van de eerste Venlokas schrijven de medewerkers van het proefstation in Naaldwijk een boekje met als titel: ‘Groenteteelt onder glas’. Het idee van de Venlokas is in dit boekje nog niet te vinden. Kennelijk was de Venlokas in Naaldwijk toen nog onbekend. Geheel onbegrijpelijk was dit niet. Vanaf 1931 (begin van de grote crisis) tot 1950 (glas kwam weer beschikbaar voor kassenbouw) had de ontwikkeling van de glastuinbouw stil gelegen. In de jaren vijftig van de vorige eeuw is de breedte van de ruit niet veranderd maar wel de lengte. Ondanks een wat steilere glashelling werd de spantbreedte op 3.20 m gebracht. Pas in 1983 is de volgende, wezenlijke stap op weg naar de verbetering van de Venlokas gezet. Toen kwamen de eerste ruiten met een breedte van 1 m op de markt. Ook deze verbetering vond plaats op het geëigende recept: goedkoper en beter. De kas was goedkoper omdat het aantal roeden belangrijk afnam. De kas was ook beter omdat er minder schaduwgevende delen in het dak voorkwamen en er dus meer licht in de kas kwam. Daarnaast telde ook dat er minder koudebruggen in het dek voorkwamen en er dus minder warmteverlies optrad.Auteurs: Ton Immerzeel van het Westlands Museum en Aad Vijverberg
Lees meer

Meer Streekhistorie