Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage uploaden op onze website. Wij zullen deze controleren en bij goedkeuring publiceren.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: De oprichting van een Gemeentelijk Badbedrijf in Ter Heijde maandag 18 juni 2018 09:09

Streekhistorie: De oprichting van een Gemeentelijk Badbedrijf in Ter Heijde

In het voorjaar van 1931 ontvouwde de gemeente Monster een plan om aan het Heijdse strand een zeebad te gaan exploiteren. Het plan bracht de gemoederen van de bevolking danig in beweging en ook de gemeenteraad was sterk verdeeld. Ter Heijde was aan het begin van de twintigste eeuw een onaanzienlijk plaatsje met vervallen huisjes en ongeplaveide wegen. In 1928 besloot de gemeente Monster het dorp Ter Heijde grotendeels te herbouwen. Dat was een goede gelegenheid ook aandacht te geven aan de strandrecreatie. Ter Heijde werd in de jaren twintig steeds meer ontdekt door strandrecreanten. Aanvankelijk trok het strand met name mensen die een stil en rustig zitje aan zee prefereerden boven de rumoerige drukte van de meer gecultiveerde badplaatsen. Deze voortrekkers werden echter spoedig door anderen gevolgd. In de zomer van 1930 was het al verschillende keren voorgekomen, dat op zondagen meer dan 2000 mensen het Heijdse strand bezochten. Het onbestrate dorp stond dan vol auto’s (ook toen al!) en de inwoners verdienden een daggeld met het bewaken van de fietsen van strandbezoekers. Aan het strand waren er geen voorzieningen. Er was geen drinkwater, geen gelegenheid zich om te kleden en er was geen toezicht. Na een tragisch ongeluk in 1919, waarbij twee jeugdige inwoners van Monster verdronken, werden er wel enkele reddingslijnen aan het strand geplaatst. In september 1929 hadden wethouder E. v.d. Wiel en gemeentesecretaris A.G. Delen een driedaags bezoek gebracht aan enkele badplaatsen aan de Belgische kust om zich op de raadhuizen aldaar te laten voorlichten over de verschillende regelingen die men had getroffen om de strandrecreatie in goede banen te leiden. Zij brachten uitgebreid schriftelijk verslag uit van hun bevindingen. Daarna horen we een tijdje niets, maar in maart 1931 verscheen een pre-advies van het college van B en W, waarin de meerderheid van het college zich uitsprak voor de oprichting van een Gemeentelijk Badbedrijf. Een minderheid van het college was gekant tegen de plannen, maar de meerderheid achtte gemeentelijk optreden noodzakelijk, omdat de bestaande situatie niet optimaal was. Juist op het gebied van de zedelijkheid waren er volgens hen klemmende redenen om de toestand radicaal te wijzigen. Volgens dit deel van het college kon moeilijk worden ontkend dat de jeugd in de zomermaanden in de gelegenheid verkeerde om op het strand en omgeving hoogst onstichtelijke tonelen te aanschouwen.Op deze foto uit de jaren dertig zijn op de achtergrond de strandhokjes van het zeebad en de rieten strandstoelen zichtbaar. Op de voorgrond staat Jeroen Voois met zijn ijskar op het houten plankier.Een deel van de Monsterse burgerij kwam in het geweer tegen de badplannen van de gemeente. Er werd een petitie ingediend met 883 handtekeningen, waarin de gemeenteraad werd verzocht de exploitatie van het strand op de zondag in welke vorm dan ook te verbieden. Volgens burgemeester G.W. Kampschoër was het echter niet de bedoeling om van Ter Heijde een mondaine badplaats te maken met veel amusement. “Ter Heijde wordt thans herbouwd. Er komen goede woningen en normale straten. De krotten zullen verdwijnen. Ter Heijde wordt een aardig plaatsje en moet ook een aardig badplaatsje worden, anders niet”, aldus de burgemeester in een interview met de Westlandsche Courant. Nadat de burgemeester en drie raadsleden nog een bezoek aan Katwijk hadden gebracht om zich ook daar op de hoogte te stellen, besloot de gemeenteraad uiteindelijk het strand in de gemeente van het Rijk te huren en over te gaan tot strandexploitatie. Besloten werd het zwemmen te verbieden zonder gebruik te maken van een behoorlijke gelegenheid tot omkleden.De officiële opening van het Gemeentelijk Badbedrijf vond plaats op zaterdag 25 juli 1931. Voor dat doel hadden vele genodigden de hevige plasregens getrotseerd. Onder de genodigden bevonden zich de commissaris van de Noord- en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij, de heer Kan, en verschillende Westlandse burgemeesters, alsmede de heer D. Oosthoek, architect van het gesaneerde Ter Heijde, waarvan de nieuwbouw op dat moment zo goed als klaar was. Het nieuwe badbedrijf was in verband met de opening feestelijk versierd met vlaggen, maar het geheel bood door de striemende regen helaas een weinig vrolijke aanblik. Burgemeester Kampschoër wees er in zijn toespraak nog eens op dat het, door het telkenjare toenemende strandbezoek aan Ter Heijde, noodzakelijk werd regelend op te treden. Het dochtertje van de burgemeester, Maria Kampschoër, verrichte de eigenlijke plechtigheid door het doorknippen van een lint. De Rotterdamse Reddingsbrigade gaf vervolgens een demonstratie, terwijl ook de reddingsboot van Ter Heijde en de reddingsploeg met schietkanon en reddingslijn in actie kwamen. De genodigden kregen na afloop een schaaltje Westlandse druiven mee naar huis.Een staaltje van verregaande bemoeizucht van de overheid in die tijd: Monster, den 20 Juni 1933 Aan den Badmeester en den Hoofdagent van Politie te MonsterHet heeft onze aandacht getrokken dat een groot aantal baders vrijwel uitsluitend van het strand gebruik maken om zonnebaden te nemen. Van een zeebad wordt een zeer kort gebruik gemaakt, terwijl men veelal zonnebaden gaat nemen. Dit wenschen wij niet langer te gedoogen, waarom wij bepalen dat het nemen van zonnebaden verboden is. Bovendien is het niet meer toelaatbaar dat personen, gekleed in badcostuum, van een strandstoel gebruik maken. U gelieve toe te zien dat aan deze regeling streng de hand wordt gehouden.Burgemeester en Wethouders van Monster Ook in de jaren vijftig was er nog een afscheiding tussen de verschillende strandgedeelten.Al in de eerste weken na de opening werd het bad door een flink aantal gasten gebruikt. Vooral veel Delftenaren schenen naar Ter Heijde te trekken, omdat dat voor hen de dichtstbij gelegen mogelijkheid was om naar het strand te gaan. De toegang werd voor de bezoekers vergemakkelijkt door richtingborden naar het strand te plaatsen. Verder werden er op het strand plankieren gelegd naar het bad. Het Badbedrijf bestond uit 36 badhokjes, waarvan 24 voor mannen en 12 voor vrouwen, en twee van elkaar gescheiden terreinen voor dames- en herenbaden. Het gehele badbedrijf was door palen afgeschoten.    Op het strand was verder nog een consumptietent geplaatst en een tent voor het verhuren van strandtenten en stoelen. De heer Ph. Tuk werd voor f 28,-- per week de eerste officiële badman. De gebroeders L. en J. v.d. Kruk exploiteerden de consumptietent op het strand. G. Pakvis had eveneens een vergunning, maar zijn verzoek ook op zondag op het strand te mogen verkopen werd niet gehonoreerd. J.A. de Zoete kreeg voor f 20,-- per seizoen vergunning tot het verhuren van ezels op het strand. De tarieven voor het bad bedroegen f 0,25 per dag of f 5,-- voor het gehele seizoen. Velen, niet alleen inwoners maar ook badgasten, vonden de tarieven echter te hoog en weken uit naar ’s-Gravenzande. In 1934 werd daarom besloten dat er naast het bestaande bad ook een Volksbad zou worden ingericht. Dit bad, bestaande uit twintig badhokjes, was bedoeld voor financieel minder draagkrachtigen. Het kostte f 1,-- voor volwassenen per seizoen en f 0,50 voor kinderen. Losse kaartjes waren niet te koop en de ‘beter gesitueerden’ mochten van het Volksbad geen gebruik maken. In de gehele gemeente werd nu het vrije baden langs het strand verboden. Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: De eerste jaren van de Oranjevereniging Juliana maandag 11 juni 2018 09:09

Streekhistorie: De eerste jaren van de Oranjevereniging Juliana

De Oranje Vereniging Juliana is vorig jaar in Schipluiden nieuw leven in geblazen. Na een voorzichtige herstart was er dit jaar weer een volwaardig programma rond Koningsdag. De vereniging bestaat in 2018 109 jaar. Hoe verliepen de eerste jaren? De geboorte van kroonprinses Juliana op 30 april 1909 was in veel plaatsen de aanleiding tot de oprichting van een Oranjevereniging. In het archief van de gemeente Schipluiden, dat bewaard wordt in het Stadsarchief van Delft, bevindt zich het telegram dat de geboorte van Juliana bekend maakte. Pieter Gerard Smelik, hoofd van de lokale School met de Bijbel, schreef op 25 mei 1909 namens ‘de commissie voor de feestviering’ een brief aan de gemeenteraad van Schipluiden. Op gepaste wijze wilde deze commissie de geboorte van kroonprinses Juliana feestelijk herdenken. Het verzoek om een gemeentelijke bijdrage werd door het College van B&W niet gehonoreerd. De belangrijkste reden van de afwijzing was, dat er in de gemeentekas geen geld aanwezig was. Ook kon er geen bedrag van andere posten worden onttrokken. Een maand later stelde burgemeester Musquetier zijn medecollegeleden voor om een bedrag van f 25,- te reserveren voor een toepasselijke versiering van het Raadhuis in de Dorpsstraat. De gemeente zou een treurige indruk maken als er niets tijdens de festiviteiten werd gedaan. Aannemer Jan Pieter Westerman maakte een sierlijke constructie voor het Raadhuis. In een brief van de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, gedateerd 16 juni 1909, lezen we dat de provincie de Feestcommissie te Schipluiden toestemming gaf om op 21 juni, tussen twee en zeven uur ’s middags, een wedstrijd te houden in het wielrijden met hindernissen op een deel van de Rijksweg van Delft naar Maassluis. Ook werd er een vergunning gegeven voor het ringrijden. Na elke rit moesten rij- en voertuigen de gelegenheid krijgen om te kunnen passeren. Voor schade aan de weg zou de Feestcommissie worden aangesproken. Met deze activiteiten begonnen de werkzaamheden van de Oranjevereniging Juliana, die dit jaar 109 jaar bestaat! Het kasboek uit de periode 1909-1972 vermeldt dat er in 1909 116 leden waren. De donatie per lid bedroeg minimaal 25 cent en maximaal f 2,50. De eerste uitgaven waren: f 4,- voor het huren van een vergaderlokaal (voor vier vergaderingen), f 15,05 voor de aanschaf van Oranjevlaggen, f 26,25 voor drukwerk en f 5,- voor bodeloon. Het jaar erop gaf de gemeente Schipluiden een bijdrage van f 15,-. Aannemer Ambrosius Bontenbal schonk de vereniging f 25,-. Acht deelnemers aan het ringrijden droegen elk f 2,50 bij. De heer Van Hodenpijl doneerde de vereniging f 2,50. Het aantal leden was in 1910/1911 gestegen tot 135. De inkomsten waren toen f 276,87. De uitgaven bedroegen f 189,59. Er waren in dat jaar prijzen voor de volksspelen (f 19,95) en voor een gouden dameshorloge (f 15,-), mogelijk was dit de hoofdprijs van het ringrijden. Schipper C. Vermeer kreeg f 4,75 voor het aanbrengen van zand op de rijroute, voor ijswafeltjes werd f 4,- uitgegeven. De zaalhuur voor acht vergaderingen bedroeg f 8,-. Ook in de jaren erna geeft het kasboek nauwkeurig de inkomsten en uitgaven van de Oranjevereniging aan. Het is een belangrijke historische bron.Auteur: Jacques Moerman, voorzitter van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: De middeleeuwse kerk van ’s-Gravenzande maandag 4 juni 2018 09:09

Streekhistorie: De middeleeuwse kerk van ’s-Gravenzande

In de Langestraat van ’s-Gravenzande stond vroeger een zeer grote kerk die dateerde uit de Middeleeuwen. De toren van de kerk was ongeveer 90 meter hoog en daarmee de hoogste kerktoren van het Westland en net zo hoog als de ‘Haagse Toren’. De kerk en toren waren voor de kleine gemeenschap ’s-Gravenzande naar verhouding erg groot. Dat kwam omdat de kerk in de 13e eeuw een Mariabeeld uit de nalatenschap van gravin Machteld van Holland had gekregen. Dit beeld was in bezit geweest van de heilig verklaarde Elizabeth van Hongarije en aan het beeld werden al snel miraculeuze krachten toegekend. Hierdoor groeide ’s-Gravenzande uit tot een bedevaartsoord dat van heinde en verre mensen aantrok. Al deze bedevaartgangers brachten veel geld in het laadje waarvan de kerk vergroot en verfraaid kon worden.  's-Gravenzande in 1640Er zijn verschillende prenten van die oude middeleeuwse kerk bekend geschilderd door Aert Schouman omstreeks 1750. Schouman heeft de kerk heel gedetailleerd weergegeven en aan de hand daarvan hebben we de bouwgeschiedenis kunnen reconstrueren. De oorspronkeleijke kerk was gebouwd als kruiskerk maar later vergroot tot een drieschepige hallenkerk. De toren is na die vergroting opgehoogd om de afmeting van toren en gebouw in verhouding te brengen. In 1809 stortte de toren in en verwoestte daarbij een groot deel van de kerk. De ophoging van de toren is waarschijnlijk een van de oorzaken van de instorting geweest omdat de overgang altijd een zwakke plek is gebleven. De onderbouw van de toren was niet berekend op de totale hoogte van de toren die in zijn geheel uit steen bestond, inclusief de torenspits.De kerk in de 18e eeuw.De middeleeuwse kerk ging na de reformatie over in protestantse handen. Het heilige mariabeeld was weg en er mochten ook geen bedevaarten meer gehouden worden. De kerk was nu veel te groot voor de kleine dorpsgemeenschap van ’s-Gravenzande en omdat er ook geen inkomsten meer waren uit de bedevaarten kon men de hoge onderhoudskosten niet meer betalen. Door achterstallig onderhoud is de kerk in verval geraakt en de toren uiteindelijk ingestort. We weten daar iets over omdat kort voordat de toren in 1809 instortte er al signalen waren dat de zaak niet in orde was. In de weken voor de instorting waren er al verschillende keren brokstukken van de toren afgevallen. Ook ontdekte men scheuren in het metselwerk. Deze schades werden gerapporteerd aan de controleur van de landsgebouwen A. Noordendorp uit Den Haag. Deze heeft de toren op 3 mei geïnspecteerd waarbij hij tot de conclusie kwam dat een koppelijzer was doorgeroest dat de noord- en zuidmuur bij elkaar moest houden. De schade was echter volgens Noordendorp niet zo ernstig dat er direct reparaties uitgevoerd moesten worden. Op 5 mei stortte de toren echter in, Noordendorp had dus wel het een en ander uit te leggen. In zijn rapport over deze zaak zei hij dat de instorting veroorzaakt moest zijn door de slechte staat van de fundamenten en niet door het doorgeroeste koppelijzer en het slechte voeg- en metselwerk. In de archieven vinden we niets meer terug over deze zaak, maar het is vrijwel zeker dat het instorten van de toren veroorzaakt is door het doorgeroeste koppelijzer en het slechte voegwerk. Nieuwe KerkEr zijn destijds wel plannen gemaakt om de kerk te herstellen, maar door de perikelen van de Franse tijd waarbij er tussen 1809 en 1813 steeds een ander landsbestuur kwam konden de herbouwplannen niet uitgevoerd worden. De kerk was inmiddels zo vervallen geraakt dat men in 1815 besloot het restant van de middeleeuwse kerk geheel te slopen en op de zelfde plaats een nieuwe kerk te bouwen. De nieuwe dorpskerk was veel kleiner dan de oude middeleeuwse kerk.Van de middeleeuwse kerk van ’s-Gravenzande bleven na de sloop in 1815 maar weinig sporen over. Er zijn nog enkele grafstenen in en rondom de nieuwe kerk die uit de oude kerk afkomstig zijn en er is nog een grafkelder van de familie Van Vredenburch die zich vroeger in de middeleeuwse kerk bevond en nu in het plantsoen achter de dorpskerk ligt. Kerkmuur met steunbeer van de oude kerk.De afgelopen dertig jaar is er verschillende keren in de grond gewerkt rondom de huidige dorpskerk. Daarbij zijn op drie verschillende plaatsen fundamenten van de oude middeleeuwse kerk gevonden. Bij het vervangen van de bestrating voor de kerk en het vernieuwen van de riolering werd er muurwerk gevonden dat mogelijk van de toren was. Bij herstel van de grafkelder van de familie Van Vredenburch bleek dat de noordoostelijke buitenzijde van de keldermuur nog het originele fundament was van de middeleeuwse kerk. De grafkelder was in de 18de eeuw aangelegd in de noordelijke zijbeuk van de hallenkerk. De stichter van het graf Gerard van Vredenburch was eigenaar van de buitenplaats Vreeburch die achter de dorpskerk lag. Hij kocht in 1762 twintig graven op in de oude kerk om daar een groot familiegraf te bouwen dat bestond uit zeven verschillende ruimtes.Van die zeven kelders was er één dichtgemetseld. In deze dichtgemetselde kelder bevinden zich de lichamen van Gerard van Vredenburch en zijn eerste en tweede vrouw. Een inscriptie op de keldermuur vermeldde dat de kelder ‘tot het einde der tijden’ gesloten diende te blijven. Bij de aanleg van een nieuw herdenkingsmonument voor oorlogsslachtoffers in het plantsoen achter de dorpskerk werd bij graafwerk een groot stuk fundament van de middeleeuwse kerkmuur gevonden mét één van de steunberen. Het geplande herdenkingsmonument werd toen enkele meters verplaatst zodat er geen sporen van de middeleeuwse kerk vernietigd zouden worden.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: 125 jaar Hoek van Holland-Harwich maandag 28 mei 2018 10:10

Streekhistorie: 125 jaar Hoek van Holland-Harwich

Op 1 juni 1893 meert de eerste Harwichboot in Hoek van Holland. Op die dag wordt tevens de spoorlijn tussen Schiedam en Hoek van Holland officieel geopend en rijden de eerste internationale treinen. De Harwichboten hebben dan al 30 jaar tussen Harwich en Rotterdam gevaren. Harwich - RotterdamIn 1854 wordt Harwich aangesloten op het Engelse spoorwegnet en na een aantal moeizame jaren wordt in 1862 de Great Eastern Railway (GER) opgericht door samenvoeging van een aantal kleinere spoorwegmaatschappijen. De GER krijgt in 1863 toestemming van het Engelse Parlement om vanuit Harwich schepen te laten varen naar Rotterdam, Antwerpen en Vlissingen. Omdat de GER nog niet over eigen schepen beschikt wordt de raderboot Blenheim gecharterd en dit schip vertrekt op 3 oktober 1863 van Harwich naar Rotterdam waar de firma Hudig & Pieters als agent is aangesteld. In 1864 worden de eerste eigen schepen in de vaart gebracht, de Zealous en Avalon voor passagiers en de Harwich en Rotterdam voor vracht en vee. Ook wordt in 1864 een dienst tussen Harwich en Antwerpen geopend. In die tijd zijn er in Rotterdam twee stations zonder onderlinge verbinding, namelijk Delftse Poort (DP) op de plaats van het huidige Centraal Station en het Maasstation ongeveer op de plaats waar nu het voormalige Tropicana staat aan de Maasboulevard. Van DP rijden de treinen van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM) naar Den Haag, Haarlem en Amsterdam. Van het Maasstation de treinen van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij (NRS) naar Gouda, Utrecht, Arnhem en verder naar Duitsland.Aanvankelijk meren de Harwichboten aan de Oosterkade naast het Maasstation waar de passagiers van de boot naar de trein kunnen lopen. Van aansluitende internationale treinen is echter nog geen sprake omdat de Harwichboten niet op vaste tijden kunnen varen vanwege het passeren van het ondiepe Brielse Gat rond hoogwater, of van het Voornse kanaal. Tijdens de bouw van de Maasbruggen, die in 1877 in gebruik worden genomen, wordt de Oosterkade onbereikbaar voor de Harwichboten zonder de draaibrug in de Koningshaven te passeren. Daarom verhuizen ze naar de Westerkade en later naar de Parkkade vanwaar de passagiers met de koets of de paardentram naar het station moeten.Vaste klanten in RotterdamDe Harwichboten zijn in die jaren vaste klanten in de Rotterdamse haven en dit komt ook tot uiting in een paar regels in het gedicht ‘Te Rotterdam ben ik geboren’ door Jan Prins (1876-1948), pseudoniem van C.L. Schepp:de Lloyd-vloot, met provincie-namen,alle elf, als ik mij niet vergis,de Caland en de Lady Tyler,de Scholten, die gebleven is.De Caland en de Scholten zijn schepen van de Holland Amerika Lijn, maar de Lady Tyler is een Harwichboot. Ook de RICHARD YOUNG, die op 9 maart 1872 als eerste schip door de ‘Doorgraving van den Hoek van Holland’ naar zee vaart, is een Harwichboot.De Hoekse LijnReeds bij het graven van die Doorgraving, waarvoor de eerste spade wordt gestoken op 31 oktober 1866, is er sprake van het aanleggen van een spoorlijn naar ‘de Hoek van Holland’. Er worden diverse concessies voor het aanleggen van deze spoorlijn aangevraagd en ook verleend, maar van particuliere aanleg komt niets terecht. Uiteindelijk laat de Staat de spoorlijn aanleggen. Het traject Schiedam-Maassluis wordt in 1891 in gebruik genomen en het traject Maassluis-Hoek van Holland op 1 juni 1893. In Hoek van Holland wordt op die dag ook het nieuwe stationsemplacement in gebruik genomen. Dit bestaat niet alleen uit zo’n 5 kilometer aan sporen en een stationsgebouw met perrons, wachtkamers, enz., maar ook uit een steiger van 200 meter lengte waaraan de Harwichboten kunnen meren. Ook is er een visitatiezaal voor de douane en een grote goederenloods.Overzicht van het Hoekse stationsemplacement omstreeks 1903. Er ligt geen Harwichboot want de eindbestemming hiervan is dan nog Rotterdam. (ansichtkaart; collectie Henk van der Lugt)Hoewel de Hoekse lijn door de Staat wordt aangelegd komt deze niet in exploitatie bij de (particuliere) Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS) maar bij de eerdergenoemde HIJSM. Op zich wel logisch want de spoorlijn sluit in Schiedam aan op het netwerk van de HIJSM. Vanaf 1 juni 1893 gaan er twee internationale treinen uit Hoek van Holland rijden: de Engelsche Noord Express en de Engelsche Zuid Express naar resp. noord en zuid Duitsland. Omdat de Verbindingsbaan (ook wel ‘Ceintuurbaan’) tussen station Rotterdam Delftse Poort en het Maasstation pas op 1 mei 1899 gereedkomt, moeten deze treinen de eerste jaren nogal omrijden: De ‘Noord’ via Schiedam, Den Haag, Haarlem, Amsterdam, Amersfoort, enz. De ‘Zuid’ via Rotterdam, Dordrecht, Betuwelijn, Nijmegen, Kleef, enz.Advertentie in het Algemeen Handelsblad van 31 mei 1893.Als op die 1e juni 1893 de Zuid Express door het station van Gorinchem dendert heeft de stationschef zijn personeel op het perron opgesteld en zelf salueert hij naar de trein. We vinden dit nu misschien vreemd maar de opening van die nieuwe internationale verbinding is in 1893 een belangrijke gebeurtenis. Hoek van Holland, op dat moment niet meer dan een geïsoleerd liggende buurtschap binnen de gemeente ’s-Gravenzande, komt internationaal op de kaart te staan en wordt vermeld in de internationale treindienstregelingen.Harwich - Hoek van HollandMet ingang van 1 juni 1893 gaan de Harwichboten ’s ochtends vroeg bij binnenkomst kort in Hoek van Holland aanleggen. Hier kunnen de passagiers overstappen op de trein en kan er voor de trein bestemde lading gelost worden. Daarna vaart de Harwichboot door naar Rotterdam net als in de voorgaande 30 jaar. Omgekeerd vertrekt de Harwichboot aan het einde van de middag uit Rotterdam naar Hoek van Holland. Na aankomst van de treinen en het embarkeren van de passagiers vertrekt de boot ’s avonds laat naar Harwich.Vaarschema in mei en juni 1893. Vóór 1 juni varen de oudere schepen op Rotterdam en de nieuwere op Antwerpen. Vanaf die datum is dat omgedraaid. Te zien is dat de schepen steeds een nacht overliggen in Rotterdam. (gegevens verzameld en lijst samengesteld door Henk van der Lugt)De eerste Harwichboot die op 1 juni 1893 uit Harwich in Hoek van Holland aankomt is de nieuwe CHELMSFORD en die avond vertrekt de CAMBRIDGE naar Harwich. In die jaren is het de gewoonte dat het binnengekomen schip de volgende dag pas weer vertrekt. Bij vertraging bij aankomst, bijvoorbeeld door mist, is er dan toch een afvaart uit Rotterdam mogelijk. Overdag liggen er daarom altijd twee Harwichboten in Rotterdam.Op 1 juni 1893 komt de eerste Harwichboot in Hoek van Holland aan: de CHELMSFORD. (ansichtkaart; collectie Henk van der Lugt)Vóór 1 juni 1893 is de dienst op Antwerpen voor de GER belangrijker dan de dienst op Rotterdam en daarom varen de nieuwste schepen op Antwerpen en de oudere op Rotterdam. Dit wordt omgedraaid als de schepen in Hoek van Holland aansluiting op internationale treinen krijgen. In 1894 brengt de GER drie nieuwe schepen in de vaart die speciaal voor de dienst gebouwd zijn. Dit zijn de AMSTERDAM, BERLIN en VIENNA en hiermee begint een traditie waarbij de schepen genoemd worden naar plaatsen die met de trein bereikt kunnen worden in aansluiting op de Harwichboot.De Harwichboot (van het type BERLIN) komt van Rotterdam in Hoek van Holland aan omstreeks 1900. (ansichtkaart; collectie Henk van der Lugt)Niet meer naar RotterdamVanaf 1904 varen de Harwichboten niet meer door naar Rotterdam en komt het eindpunt in Hoek van Holland te liggen. Ook vaart vanaf nu het schip dat ’s ochtends binnenkomt dezelfde avond weer terug. De GER blijft nog wel met vrachtschepen op Rotterdam varen maar deze meren vaak ook in Hoek van Holland voor het laden van Westlandse tuinbouwproducten en vooral van vlees. Dit vlees komt van de exportslachterij die in juli 1902 is geopend in Hoek van Holland bij het Steenovengat en is gebouwd op initiatief van de firma Hudig & Pieters, de agent van de GER. Deze exportslachterij staat wel bekend als de ‘Nieuwe Export’ in tegenstelling tot de ‘Oude Export’, de exportslachterij van de firma Wm.H. Müller en Co., die in 1900 in gebruik is genomen.Een scheepsrampOnvermijdelijk vinden er door de jaren heen grotere en kleinere incidenten met de Harwichboten plaats. Maar op 21 februari 1907 gebeurt er een echte scheepsramp als de Harwichboot BERLIN ’s ochtends vroeg bij het binnenvaren van de Nieuwe Waterweg tijdens een noordwesterstorm uit de koers wordt geslagen en vastloopt op de kop van de Noorderpier. Vanwege het slechte weer, maar ook vanwege de positie van het schip kan de reddingboot niet dichtbij komen. Later die ochtend breekt het voorschip, met hierop de meeste mensen, af en zinkt het in de Waterweg. Helaas kost deze ramp aan 129 mensen het leven.De beide wereldoorlogenNa het uitbreken van de eerste wereldoorlog in augustus 1914 wordt de haven van Harwich gesloten en in gebruik genomen als marinebasis. Een aantal GER-schepen wordt gevorderd en met de resterende wordt tijdens de oorlog een onregelmatige dienst tussen Tilbury en Rotterdam via Hoek van Holland onderhouden. Hierbij bestaat steeds het gevaar dat de schepen worden aangehouden door patrouillerende Duitse marineschepen. Aangezien tijdens de oorlog een aantal schepen verloren gaat duurt het tot 1920 voordat de dienst weer uitgevoerd kan worden als voor de oorlog.Op 3 september 1939 verklaart Engeland aan Duitsland de oorlog na de Duitse inval in Polen. Vanwege de oplopende spanningen in de dagen daarvoor is de dienst al op 1 september stilgelegd en de PRAGUE vertrekt op die dag als laatste Harwichboot uit de Hoek. Ruim zes jaar ligt de dienst stil en toevallig is het diezelfde PRAGUE die op 15 november 1945 als eerste Harwichboot in Hoek van Holland aankomt. Vanwege gebrek aan meer schepen is er voorlopig drie keer per week een afvaart. Vanaf 29 juli 1946 kan de ORANJE NASSAU van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland (SMZ) gecharterd worden waarna weer elke dag, behalve zondag, een afvaart in de nachtdienst geboden kan worden.De PRAGUE heropent de Harwichdienst na de tweede wereldoorlog. (ansichtkaart; collectie Henk van der Lugt)De Maatschappij ZeelandDe Stoomvaart Maatschappij Zeeland (SMZ) begint in 1875 vanuit Vlissingen op Queenborough aan de Medway te varen. Vanaf het begin zijn er aansluitende internationale treinen uit Vlissingen naar Duitsland. De spoorlijn naar Vlissingen is in exploitatie bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS) en in Engeland wordt het spoorvervoer verzorgd door de London, Chatham and Dover Railway (LCDR).Aangezien de Harwichdienst niet op treinen aansluit wordt deze door de SMZ niet echt als concurrent gezien. Als echter op 1 juni 1893 de Harwichboten in Hoek van Holland aansluiting krijgen op internationale treinen ontstaat er een felle concurrentiestrijd tussen beide lijnen die zal voortduren tot 1927. Reizigers tussen Engeland en Duitsland kunnen nu immers kiezen tussen LCDR-SMZ-SS (Vlissingen) of GER-HIJSM (Hoek van Holland). Tijdens de eerste wereldoorlog fuseren HIJSM en SS in Nederlandse Spoorwegen (NS) waardoor voor de SMZ een heel andere situatie ontstaat. Vanwege de gunstiger ligging wil de NS de veerdiensten op Engeland namelijk in Hoek van Holland concentreren en er wordt aangedrongen op een verhuizing van de SMZ naar de Hoek. Dit is in Zeeland echter onacceptabel. Met ingang van 1 januari 1927 komt er toch een pool-overeenkomst tussen de SMZ en de London and North Eastern Railway (LNER), de opvolger van de GER, tot stand. Hierna gaat de SMZ van Vlissingen in de dagdienst op Harwich varen terwijl de Engelse schepen in de nachtdienst uit de Hoek blijven varen. Als tijdens de tweede wereldoorlog de haveninstallaties in Vlissingen grotendeels zijn verwoest moet de SMZ in 1947 de dagdienst noodgedwongen in Hoek van Holland hervatten, de bedoeling is tijdelijk maar het wordt uiteindelijk definitief.Het wordt wel eens vergeten, maar tot de tweede wereldoorlog is de Harwichdienst een Engelse aangelegenheid!Tot 1968 varen de Engelse schepen in de nachtdienst en de SMZ-schepen in de dagdienst. In dat jaar worden de eerste rij-op/rij-af schepen in de vaart gebracht en worden de vaarschema’s geïntegreerd.In 1968 komen de eerste rij-op/rij-af schepen in de vaart, de Engelse ST. GEORGE en de KONINGIN JULIANA van de SMZ. De laatste ligt hier aan de Harwichsteiger in Hoek van Holland. (dia; collectie Henk van der Lugt)Van concurrentie naar samenvoeging Sinds de jaren 20 van de vorige eeuw is de SMZ voor 70% eigendom van de Staat der Nederlanden maar in 1988 besluit de minister van Verkeer en Waterstaat het aandeel van de Staat te verkopen. De Zweedse Stena Line is de winnaar van vier geïnteresseerde kopers en de officiële overdracht vindt plaats op 22 juni 1989 in Hoek van Holland aan boord van de Koningin Beatrix. Aan de Engelse zijde gaat de GER op 1 januari 1923 op in de London and North Eastern Railway die op 1 januari 1948 wordt genationaliseerd en daarbij opgaat in British Railways. Tussen 1970 en 1984 voert deze de handelsnaam Sealink voor haar veerdiensten. In juli 1984 wordt Sealink UK Ltd. verkocht aan Sea Containers die de naam wijzigt in Sealink British Ferries. Na een lange en vijandige overnamestrijd wordt Sealink British Ferries in 1990 ook aangekocht door Stena. Vanaf 1 september 1990 is de hele Harwichdienst in handen van Stena waarbij de twee voormalige concurrenten worden samengevoegd. Hierna investeert de Stena Line veel in nieuwe schepen en ook in aanpassingen aan de infrastructuur op de terminals. Bovendien wordt in 2000 een nieuwe vrachtdienst tussen Hoek van Holland en Killingholme, aan de Humber, geopend. Waar de nadruk vroeger lag op het vervoeren van passagiers ligt deze tegenwoordig op het vervoeren van vracht en dagelijks worden vele vrachtauto’s door de schepen van de Stena Line overgezet.De Stena Line investeert veel in nieuwe schepen. Hier de Stena Britannica in aanbouw in Wismar, Duitsland, op 11 september 2010. (foto Henk van der Lugt ©) De spoorlijn opgehevenDe Hoekse Lijn wordt op 31 maart 2017 opgeheven vanwege de ombouw tot metro, die langer blijkt te duren dan verwacht. Internationale treinen rijden er dan al lang niet meer want mede door de opkomst van het vliegverkeer neemt het aantal passagiers geleidelijk aan af. Op 22 mei 1993 rijdt als laatste de ‘Hoek-Warszawa Express’. Ook in de rechtstreekse boottrein naar Amsterdam zitten steeds minder passagiers en deze rijdt voor het laatst op 9 december 2006. Aangezien Maasluis en Vlaardingen al in 1891 zijn aangesloten op het spoor kunnen zij in 2016 stil staan bij het 125-jarig jubileum. Hoek van Holland komt voor dit jubileum echter ruim een jaar tekort.Bronnen: Rotterdams Jaarboekje 1964, artikel ‘Een honderdjarige Scheepvaartverbinding met Engeland’ door L.J. Pieters. Boek ‘Sporen in Rotterdam’ door Jan Willem van Borselen. Boek ‘Harwich-Hook of Holland – 1893-2010’ door John Hendy, Miles Cowsil, Stephen Brown. Boek ‘Harwich Ferries – Parkeston Quay under Railway Ownership’ door Stephen Brown. Archief Henk van der Lugt.Auteur: Henk van der Lugt van HG Hoek van Holland
Lees meer
Streekhistorie: Een nieuwe ambtsketen voor Wateringen maandag 14 mei 2018 09:09

Streekhistorie: Een nieuwe ambtsketen voor Wateringen

Vorige week werd bekend dat er een ambtsketen van een van de oude Westlandse gemeenten is verdwenen uit het Historisch Archief Westland. Een van de ambtsketens die er nog is, althans op 20 april 2018 wel, is de 'nieuwe' ambtsketen van de gemeente Wateringen. Jarenlang maakte de burgemeester van Wateringen gebruik van een standaardketen. Dit was een ambtsketen met sober uitgevoerde schakels, weliswaar in zilver, die als een soort catalogusmodel kon worden besteld. In 1995 besloten de wethouders van Wateringen dat het tijd werd voor een nieuwe ambtsketen. De gemeente was op 1 januari 1994 een kwart kleiner geworden als gevolg van de annexatie van een groot stuk Wateringen door Den Haag. Besloten werd om een echte ontwerper de opdracht te geven voor een typisch Westlandse keten. Op 30 april 1995, Koninginnedag, kon de ambtsketen officieel gepresenteerd worden. Dat gebeurde tijdens de traditionele bijeenkomst van de gedecoreerden in de raadzaal aan de Dorpskade. Een compleet verraste Burgemeester Van den Bos kreeg de nieuwe keten omgehangen door wethouder en loco-burgemeester Jan Kleyberg.Tijdens de raadsvergadering van 30 mei 1995 geeft VVD-fractievoorzitter Bart Kat een overzicht van de symboliek in de ambtsketen. Hij doet dat bij het aanvaarden van een geschenk, een boek over verzetsherinneringen, waar hij als nestor van de raad altijd een dankwoord voor uitsprak.De ambtsketen is tot december 2003 gedragen en werd op de laatste dag van de gemeente Wateringen opgeborgen in het gemeentearchief door de burgemeester en archivaris Ed Schooneman. Nu bevindt de ambtsketen zich in de kluis van het Historisch Archief Westland. Tegenwoordig wordt de ambtsketen nog een keer per jaar gedragen door de voorzitter van de Klas in de Raad-bijeenkomst voor leerlingen van 5 havo van ISW Hoogeland, die voor hun eindexamen een echte raadsvergadering moeten naspelen met initiatiefvoorstellen die ze zelf hebben gemaakt.Notulen van de vergadering van de raad van de gemeente Wateringen 30 mei 1995De heer Kat wenst het volgende op te merken: (…)"Mijnheer de voorzitter, er is nog een tweede gift aan de gemeente in ontvangst te nemen: uw ambtsketen. Weliswaar niet een gift in de zin van gratis aangeboden, want de financiering van deze ambtsketen komt uit de gemeentebegroting en zal dus nog een goedkeuring van de raad behoeven met de daarbij behorende begrotingswijziging, maar in de zin van een noodzakelijk cadeau voor het functioneren van de voorzitter van deze raad. Het initiatief hiertoe is genomen door de wethouders maar verdient nu eenmaal de instemming van de raad. De fractievoorzitters zijn tijdig op de hoogte gebracht van dit initiatief, dus over die instemming van de raad maak ik mij niet zo'n zorg. Ik beperk mij nu als nestor van deze raad tot het memoreren van het feit dat het ontvangen van een nieuwe ambtsketen, in zijn vormgeving een typisch Nederlands gebruik, een toch redelijk uniek gebeuren is, zowel voor u mijnheer de voorzitter als voor ons als raadsleden. Dat unieke gebeuren, ik denk "once in a lifetime" willen wij als raad toch niet zo maar voorbij laten gaan. Dat zou jammer zijn want onderzoek mijnerzijds heeft uitgewezen, dat deze ambtsketen stijf staat van de symboliek en het bovendien een aantal interessante feiten in zich heeft. Er valt dus nogal wat te vertellen over deze ambtsketen. Eerst maar de feiten. De keten bestaat uit 24 schakels die elk een onderwerp uitbeelden dat kenmerkend is voor het Westland en dus ook voor Wateringen. Van onderaf gezien, naar rechts draaiend, zijn dat de roos, de gerbera, de anthurium en de tulp, ook in die volgorde. Elke bloem wordt afgewisseld door een schakel met een gestileerde kas. De kassensierbloemteelt dus, een van de twee elementen waarop het Westland economisch steunt. De basis en de top van de keten worden gevormd door schakels met druiventrossen. De druif, een hele wijk in onze gemeente heeft er zijn naam aan te danken, als overgang naar de andere helft van de keten, de kassen-groenteteelt, het andere element van de Westlandse economie. Van rechts nu naar links draaiend vanuit de druif: de tomaat, de paprika, de komkommer en de wortelen, ook hier steeds afgewisseld door een schakel met het kassymbool. Aan de onderzijde van de keten hangt het gemeentewapen met aan de andere zijde het wapen van Nederland. De keten weegt 600 gram en is gemaakt van zilver en koper in een verhouding van 925/1000 zilver en 75/1000 koper. Zoals te doen gebruikelijk is de keten aan de achterzijde voorzien van een aantal waarmerken. Ze staan op de tweede kassschakel, rechts van de sluiting. Ten eerste het zilvermerk "ZWA" hetgeen betekent Zilverwerk At (bedrijfsnaam en voornaam van de maker At Brandenburg). Dan het gehalteteken, 925/1000 en het Gildeteken, het wapen van Schoonhoven met de letter M (= het waarborgkantoorteken van Schoonhoven). Dan het kantoorteken van de keuring, een Minervakop met de letter R (= keuringsstad Gouda). Tenslotte de letter L voor het jaar 1995. Dit voor zover de feiten. Nu de symboliek. Eerst de Minervakop. Minerva is in de Romeinse mythologie de godin van de wijsheid en dapperheid en wordt afgebeeld met schild en speer. Zij was de dochter van Jupiter en de beschermster van kunsten en wetenschappen. Voorwaar een mooi symbool op de ambtsketen van een burgemeester, vlak voor de tweede werkconferentie in het kader van de kerntakendiscussie. Dan die 24 schakels: 1 x 24, 2 x 12, 3 x 8 en 4 x 6. Een stukje getallensymboliek. Eerst maar eens 12. De maat in onze samenleving: 12 maanden, 12 uren per dag en per nacht, de twaalf apostelen en twaalf sterrenbeelden. Maar ook, als je de 1 en de 2 uit 12 optelt krijg je drie, het perfecte getal, de drie-eenheid. Ik kan nog veel verder gaan, maar dat zal ik in dit kader niet doen. Nog een interessant getal is de 8: 2 x 2 x 2. 2 is dualiteit, in ons huidig politiek jargon dualisme, het kennisnemen van de mening van beide partijen. Een gezond symbool dus in een ambtsketen van een burgervader. Tenslotte de 6. In de filosofie het symbool voor het principe van wet. Voorzitter, zo'n symbool in uw ambtsketen moet u toch geruststellen. Voor zover wat getallensymboliek. Ook in de schakels zit symboliek, politieke symboliek. In de eerste plaats zijn al onze politieke kleuren vertegenwoordigd: de rode tomaat en wortel, de blauwe druif en de groene komkommer. Ook is het interessant om te kijken naar de volgorde van de schakels en wie naast wie staat. De rode tomaat naast de groene paprika, of is dat dan ineens een rode paprika? De groene komkommer naast de blauwe druif, of wordt dit dan ineens een groene druif? Een blauwe Alicante of een witte Emile? Een gele tulp naast de blauwe druif, zijn dat niet de politieke kleuren van het Westland? Voorzitter, ik kan zo doorgaan en het onderstreept hoe belangrijk die keten om uw schouders is: de perfecte illustratie van uw vak. Er is nog een element in de keten die een zwaar symbool is en waar ik deze korte gedachtengang rondom uw ambtsketen mee wil besluiten. De gerbera: in mijn ogen is het de zon stralend over het Wateringse en over het Westland. Met haar warmte energie gevend aan onze economie en aan onze samenleving. Een onuitputtelijke energiebron. In de keten gelegen aan de kant van het hart, de energiebron die het menselijk lichaam de kracht geeft om datgene te doen waar het voor bestemd is. Wij wensen u toe, als voorzitter van deze raad en als drager van deze keten, dus eigenlijk ook voor diegene die u bij afwezigheid vervangt, dat u de symboliek van deze keten weet te gebruiken en samen met ons zult vertalen in ideeën die de gemeente Wateringen uit de woelige periode van nu in rustiger vaarwater zal brengen. Zo moge het zijn. Ik dank u wel."Auteur: Maxim van Ooijen van de Historische Werkgroep "Oud-Wateringen & Kwintsheul"
Lees meer
Streekhistorie: De joodse familie Van Tijn maandag 7 mei 2018 09:09

Streekhistorie: De joodse familie Van Tijn

Afgelopen vrijdag was het 4 mei, dodenherdenking. We herdenken dan allen die in de oorlog hun leven hebben gelaten. Militairen, verzetsstrijders, maar ook burgers, en in het bijzonder de vele joden die vermoord zijn in de Duitse concentratiekampen. Twee weken eerder waren in het Wilhelminaplein kleine stenen met een messing plaatje aangebracht. Dit betrof de ‘struikelstenen’ die al in 2016 geplaatst waren ter nagedachtenis aan vijf leden van de joodse familie Van Tijn, die in de oorlog zijn omgebracht. Eens leefden er behoorlijk wat joden in het Westland. De eerste joden kwamen in de tweede helft van de achttiende eeuw in het Westland wonen. Het was in deze regio veilig en rustig, en later telde ook mee dat zij – met dank aan de Franse revolutie – hier het vrijwel volledige burgerschap kregen. In de 19e eeuw nam het aantal joden aanvankelijk behoorlijk toe, tot zo’n 150 mannen, vrouwen en kinderen. Ze waren grotendeels gevestigd in ’s-Gravenzande en in Naaldwijk. Dat aantal nam aan het begin van de 20e eeuw sterk af omdat de ze uit economische motieven naar steden als Den Haag vertrokken. Door die afname konden joodse voorzieningen zoals de synagoge (gevestigd in de kapel van het Heilig Geest Hofje) en de mikwe (bad voor reinigingsritueel) niet langer gehandhaafd worden. Ook de begraafplaats aan de Opstalweg werd overgedragen aan de gemeentelijke overheid, wél met de verplichting om deze eeuwigdurend in stand te houden en deze te verzorgen. Toen de oorlog in 1940 startte, waren er in het Westland nog maar twee Joodse gezinnen: de familie van Tijn in Naaldwijk en de familie Van Leeuwen in Monster. Beide waren slagersfamilies, gewaardeerd om hun koshere bereiding van het vlees. De familie van Tijn woonde achter hun winkel aan het Wilhelminaplein, nummer 15. Naast vader Gabie (Gabriël) en moeder Naatje waren er drie kinderen: Levie, Roza en Ida. De kinderen waren onderdeel van de Naaldwijkse gemeenschap, gingen er naar school en speelden er met andere kinderen. Hun rustige leventje veranderde volledig toen de oorlog uitbrak. Het eerste oorlogsjaar viel het aanvankelijk nog mee, maar in de loop van 1941 werden de anti-joodse maatregelen steeds strenger. Dat begon met het verplicht inschrijven in het bevolkingsregister als jood. Vervolgens moesten zij hun radio en fiets inleveren, veel eerder dan de andere Nederlanders. Daarna werden ze gedwongen om te stoppen met hun winkelnering en moesten ze vanaf mei 1942 een jodenster gaan dragen. Op vele plekken waren joden niet meer toegestaan. Alleen al in Naaldwijk waren er meer dan veertig plekken die verboden waren, zoals de bioscoop, het zwembad, het slachthuis, de veilingen en de cafés. Zodoende werd ‘normaal’ leven voor joden onmogelijk gemaakt. Gabie van TijnRoza van Tijn Ida van Tijn Dat bleek helemaal het geval toen Duitsland met zijn meest morbide plan kwam: de deportatie en vervolgens moord op álle joden. Op 14 juli 1942 vond het eerste transport van joden plaats, via kamp Westerbork naar de concentratiekampen in Duitsland en (het huidige) Polen. In eerste instantie werden de joden opgeroepen om zich te melden in Amsterdam. Men zou naar werkkampen gaan, wat altijd nog beter was dan een concentratiekamp als Mauthausen, dan toen al berucht was. Later vervielen de oproepen en werden joden direct gearresteerd. De familie Van Tijn was al snel het slachtoffer van deze deportatie. Levie werd in augustus 1942 opgeroepen om zich te melden in Amsterdam. Hij vertrok op 15 augustus met zijn zusje Ida, die net 17 jaar was geworden. Waarom Ida meeging is niet duidelijk. Zij zijn beide naar Westerbork overgebracht en vrijwel direct daarna per goederentrein naar Auschwitz afgevoerd, een reis van drie dagen. We weten niet wat er vervolgens met hen gebeurd is. Voor een grote groep van jongeren – waar zij deel van uitmaakten - is na de oorlog de overlijdensdatum van 30 september 1942 vastgesteld. Vader en moeder Van Tijn waren niet veel later de volgende slachtoffers. Op 8 oktober 1942 zijn Gabie en Naatje uit hun huis gehaald en weggevoerd naar het politiebureau dat aan hetzelfde plein stond. Er zijn Naaldwijkers die dit als kind hebben zien gebeuren en het zich levendig kunnen herinneren. Hij was ziek, zij was in paniek. Dezelfde dag zijn ze weggevoerd naar Amsterdam. Vandaar zijn ze naar Westerbork getransporteerd en vervolgens ook naar Auschwitz. Daar zijn ze op 26 oktober, direct na aankomst, vermoord. De tweede dochter, Roza, was getrouwd met Levie de Jong. Ze hadden een dochtertje en woonden bij zijn ouders in Amsterdam. Op 20 juni 1943 zijn tijdens een grote razzia 5.000 joden opgepakt, waaronder Roza en haar man. Zij zijn uiteindelijk naar Sobibor afgevoerd, waar zij op 2 juli 1943 zijn vermoord. Hun dochtertje was elders ondergebracht en heeft als enige van de familie de oorlog overleefd. Zij woont in Amsterdam en was met haar kleinzoon aanwezig bij de eerste steenlegging van de struikelstenen, in 2016. De struikelstenenGedurende de verbouwing van het Wilhelminaplein hebben de vijf steentjes in de publiekshal van het gemeentehuis gelegen, maar nu zijn ze weer teruggebracht naar waar ze horen: bij de plek waar de slagerswinkel van Van Tijn stond. Hier kunnen we de familie gedenken, die zoveel leed is aangebracht, enkel om het feit dat ze joods waren. Eenieder die ze ziet en leest, buigt zijn hoofd en struikelt met zijn hart.Auteur: Gustaaf van Gaalen van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: De groep Jansen vlucht voor de Nazi’s naar Engeland maandag 30 april 2018 09:09

Streekhistorie: De groep Jansen vlucht voor de Nazi’s naar Engeland

Op 25 mei 1940 werd Johannes Jannes Jansen door de Duitse bezetter gedemobiliseerd als dienstplichtig militair en uit het Nederlandse leger ontslagen. Hierna pakte hij zijn beroep als stoffenhandelaar weer op. Vervolgens sloot hij zich aan bij een pas opgerichte anti-Duitse illegale organisatie, de OD of Orde Dienst. Hij werd lid van de afdeling Maartensdijk en Zuylen in de provincie Utrecht waar hij opklom tot districtsleider. Eind 1941 werden diverse leden van zijn beginnende verzetsgroep door de Duitsers opgespoord en gearresteerd. Jansen wist te ontkomen en kreeg opdracht om, met de door het verzet verzamelde gegevens, naar Engeland te gaan. Dit waren gegevens over de, door de Duitsers, te bouwen “IJssellinie” en de verbroken radiocontacten. Jansen besloot nu om een groepje betrouwbare medestanders te verzamelen om samen met hem naar Engeland uit te wijken. Door zijn werk als stoffenhandelaar had hij veel contacten in het hele land.Het vluchtplanIn Assen woonde Abraham (Bram) Levi (31 jr.) met zijn vrouw Greta Cato Levi-Mendels.(31 jr.) Bram was vertegenwoordiger in de manufacturen- en stoffen groothandel van zijn vader en had daardoor ook veel relaties, onder andere met Johannes Jansen. De laatste maakte Bram op een gegeven moment deelgenoot van zijn plan. Ook vertelde hij dat hij dit wilde doen met nog enkele betrouwbare mensen. Voor het Joodse echtpaar Levi Bram was de keus niet moeilijk. Zij moesten zo snel mogelijk weg uit Nederland naar een veiliger land. Zij sloten zich aan bij Jansen en verlieten op 19 november 1941 in het geheim hun woning in Assen. Zij lieten alles achter en vertelde niemand, ook hun naaste familie iets over hun plan. Zij namen de trein naar Utrecht en maakten ’s-avonds bij Jansen kennis met nog vijf andere leden van de groep.De groep potentiele Engelandvaarders bestond nu uit negen personen, Johannes Jansen (24 jr.), Bram (31 jr.) en Greta Levi (31 jr.), Walrave van Krimpen (47 jr.) oud-militair en verzetsman, Anton (Tonny) Loontjes (19 jr.), oud-marinier, Adriaan van der Craats (20 jr.) en Jan Bastiaans (21 jr.) beiden oud-matroos bij de Koninklijke marine, oud-sergeant Theo Meinardus Daalhuizen (24 jr.) en Gerardus van Asch (19 jr.) student.Men dacht aan Hoek van Holland als vertrekhaven naar Engeland. Van Krimpen reisde 14 dagen eerder naar de Hoek en verkende de situatie daar. Zijn verslag was niet erg positief. Hoek van Holland was een zwaar bewaakt en verdedigde Duits gebied en een haven voor Duitse snelboten en andere oorlogsschepen. Tussen deze oorlogsschepen lag een reddingvlet van de Zuid-Hollandse Redding Maatschappij. Het scheepje had een benzinemotor van 20 pk en was wit geschilderd met een rode band rondom en rode kruis tekens. De vlet was naast een oorlogsschip afgemeerd en met een ketting daaraan vastgelegd. Ook moest men tijdens het vertrek rekening houden met de maanstand, eb en vloed beweging en de routine van de Duitse wachtposten rond de haven. De militairen naderde elkaar van twee punten en als zij bij elkaar waren keerden zij zich om en verwijderde zich weer van elkaar. Ondanks deze belemmeringen besloot de groep het toch te wagen om de reddingvlet te stelen voor de overtocht. De vluchtNederlandse marineofficieren verstrekte informatie over stromingen, getijden, lichtseinen en dergelijke. De groepsleden reisden in koppeltjes van twee met de trein naar Hoek van Holland. De volgende stap was, het ongezien aan boord krijgen van de groepsleden. Dat probleem werd opgelost doordat Jansen in het café “Het Kruispunt” een toevallige ontmoeting had met een eigenaar van een kolenboot die ook in de Berghaven lag. Die kolenboot zorgde voor bunkerkolen voor de Duitse oorlogsschepen. De schipper was een goede vaderlander. Hij verstrekte informatie over de reddingvlet, de aanwezige Duitse militairen en overige zaken. Ook konden het gezelschap aan boord komen van de kolenboot zodat zij vandaar konden overstappen op de vlet. Op de avond van 20 november 1941 glipte het gezelschap steeds in groepjes van twee en drie aan boord van de kolenboot. Zij slopen langs de Duitse wachtposten, als deze het verst van elkaar waren verwijderd. Op de boot werden zij met koffie en brood opgevangen door de schipper en zijn vrouw. Deze mensen namen daardoor ook een groot risico. De mannen droegen een omwonden peddel en gereedschap om te zagen en te vijlen onder hun kleding. Als laatste ging Jansen aan boord van de kolenboot. Het was ’s-avonds om 8 uur toen onder dekking van de duisternis en opkomende mist van Krimpen, Craats en Bastiaans het lukte om de reddingvlet los te maken van het oorlogsschip. De mensen gingen nu heel voorzichtig en stil aan boord van de vlet. Hierna roeide men heel zachtjes met de omwikkelde peddels de Berghaven uit. Net toen men de Berghaven uit was liepen er een aantal snelboten vanuit zee de Nieuwe Waterweg binnen terwijl een groot eskader geallieerde vliegtuigen ook vanuit zee over Hoek van Holland vloog. Ondanks de hectiek van de bundels licht van de zoeklichten welke de overvliegende vliegtuigen probeerde te vangen en het lawaai van de vurende stukken luchtafweergeschut glipte het scheepje met de acht opvarende met de ebstroom door de duisternis naar zee.De reddingvlet ‘Maasvlakte” van de ZHRM verlaat de Berghaven.Op zee bleek dat de bougies en de startknop van de motor waren verwijderd. Ongeveer 3 mijl uit de kust vond men de bougies en de verstopte startknop. Hierna lukte het een van de groepsleden om de motor op gang te krijgen. Er stak nu een harde wind op en de zee werd ruw. Men besloot een westelijke koers aan te houden met hulp van een simpel draagbaar kompasje. Men had alleen een klein handkompas. Het doel was de haven van Harwich. Op volle zee passeerde diverse snelboten en een konvooi het scheepje maar gelukkig werden zij niet ontdekt. Ook de motor haperde diverse malen maar men zag steeds kans om hem weer op gang te krijgen. De opvarenden voelde zich beroerd door zeeziekte, vermoeidheid en angst voor ontdekking. Voor de aanvang van de tocht was Jansen, ondanks zorgvuldige voorbereiding, vergeten water mee te nemen voor de opvarenden. Dus ook de dorst sloeg toe. Hij had wel voor scheepsbeschuit gezorgd. Door de ruwe zee en de wind was het scheepje uit koers geraakt. Een van de mannen begon zeewater te drinken. Hij kreeg hierdoor schuim op zijn mond en begon wartaal uit te slaan. Op zondag was het weer verbeterd en zette men weer koers in westelijke richting. Op een gegeven stopte de motor en kreeg men hem niet meer aan de praat. De brandstof was op. Hierop ging men roeien met de peddels terwijl een van de marinemannen van een meegenomen hangmat een zeiltje improviseerde. Wanhopig probeerde de mannen de aandacht te trekken van vliegtuigen. Ook al waren het Duitse vliegtuigen als ze maar gered werden. Want waar zouden ze terecht komen, in het Kanaal of op de Franse kust? Ze wisten dat ze in zuidelijke richting dreven. De reddingIn de middag zagen zij een vissersbootje. Aarzelend vroegen zij: ‘Are You English?’. De visser antwoordde ‘Yes’. Na 68 uur varen bereikte het scheepje met drie zichtbare Nederlandse vlaggen en een uitgeputte maar blije bemanning bij Reculver ter hoogte van Ramsgate de Engelse kust. Hier werden zij opgevangen door de Britse kustwacht en overgedragen aan de politie. Van hier werden zij onder politiebegeleiding naar Burnett Cottage in Herne Bay gebracht waar zij de gastvrije bevolking onderdak, eten en een bed kregen. De volgende dag werden ze overgebracht naar Londen waar ze in de zogenaamde “Patriotic School” gedurende 14 dagen werden verhoord en getest door mensen van de Britse geheime dienst MI5 en Overste O. Pinto en Luitenant ter zee 2e kl. KMR. A. Wolters van de Nederlandse contraspionage dienst. Verder stuurde men het gecodeerde bericht “C6 van 1 ½” via “Radio Oranje” naar Nederland dat de groep veilig in Engeland was aangekomen. Na deze veiligheidsprocedure werden zij in een hotel ondergebracht en kregen ze burgerkleding en zakgeld. Begin december werden alle groepsleden ontvangen door Koningin Wilhelmina en kregen ze het Bronzen Kruis uitgereikt. Greta Cato Levi-Mendels was verpleegster van beroep en de eerste vrouwelijke Engelandvaarder.Hoe verging het de 9 Engelandvaarders verder Johannes Jannes Jansen nam dienst bij de Koninklijke Marine en werd als geheim agent enkele malen met een onderzeeboot afgezet op het strand bij Petten. Hij keerde na de oorlog terug naar Nederland. Walrave van Krimpen ging als kanonnier bij de koopvaardij varen. Hij sneuvelde op 26 maart 1943 aan boord van het koopvaardijschip ss. Prins Willem III. Het schip voer in konvooi naar Algiers en werd door Duitse vliegtuigen getorpedeerd waarna het zonk. Walrave werd 48 jr. oud en liet een vrouw en 5 kinderen achter. Abraham Levi nam dienst bij de Prinses Irene Brigade. Tijdens gevechten bij het Belgische Broekhoven op 31 oktober 1944 raakte hij zwaar gewond. Hij stierf in het ziekenhuis te Brussel. Hij nam dienst onder de schuilnaam M. Rodriques dit in verband met zijn Joodse afkomst. Greta Cato Levi-Mendels was verpleegster en nam dienst bij het Rode Kruis. Zij keerde op 23 oktober 1945 met haar 2 jaar oude zoon Ronald Bernhard terug naar Nederland en woonde tot haar overlijden in 2002 in Utrecht.. Theo Meinardus Daalhuizen nam dienst bij de Prinses Irene Brigade. Hij trouwde in juni 1945 met een Engelse vrouw, emigreerde in 1953 naar Canada en in 1958 naar Amerika. Adriaan van der Craats nam dienst bij de Koninklijke marine waar hij tot na de oorlog bleef varen. Hij trouwde in Australië met een Australische vrouw en ging in Melbourne wonen. Jan Bastiaans nam ook dienst bij de Koninklijke marine waar hij tot na de oorlog bleef varen. Ook hij trouwde, net als zijn maat v.d.Craats, in Australië met een Australische vrouw en ging ook in Melbourne wonen. Anton Loontjes, de oud-marinier, nam dienst bij de nieuw op te richten Mariniersbrigade die later opging in de Prinses Irene Brigade. Hij overleefde de oorlog. Hij trouwde een Engelse vrouw, vocht in Nederlands Indië en Nieuw Guinea waarna het gezin zich in Nederland vestigde. Gerardus van Asch werd leerling vlieger bij de R.A.F. Hij overleefde de oorlog en ging in Australië wonen. Aanvulling van Dirk van den Burg jr.†:Dirk van den Burg jr. heeft zijn hele leven in Hoek van Holland gewoond, ook tijdens de oorlog. Hij was na de oorlog werkzaam als gemeenteambtenaar. Hij vulde het verhaal van Jansen aan met zijn volgende bevindingen. De schipper van het kolenschip heette Herman en verrichtte nog diverse andere vaderlandslievende daden in de oorlog. Verder was er een jonge Katwijker die bij de Shell werkte en ook opvarende was van een vaartuig in de Berghaven. Hij had een belangrijk aandeel in de ontsnapping. Nadat hij was ingelicht door Herman liet hij bougies namaken bij de werf Kinderdijk en deze voor het vertrek van de groep Jansen in de motor van de reddingvlet “Maasvlakte” gedraaid. De Duitsers hadden namelijk opdracht gegeven dat de schippers van de reddingboten in de vooravond de startknop moeten verwijderen en de bougies van de boten moesten inleveren bij de Marine Hafenkommandant in het loodsgebouw aan de Berghaven.Bekendmaking door de Duitse autoriteiten van de diefstal.Op zaterdag 22 november 1941 werd bij de politie Hoek van Holland aangifte van diefstal gedaan van de reddingvlet door A.J. Drenth, inspecteur van de Zuid-Hollandsche Mij. tot redding van Schipbreukelingen. Diefstal reddingvlet opgelostDe diefstal van de reddingvlet “Maasvlakte” had nog een staartje. In mei 1979 meldde zich een man in het politiebureau aan de Rietdijkstraat te Hoek van Holland met de mededeling dat hij in de Tweede Wereldoorlog de Hoekse reddingvlet uit de Berghaven te Hoek van Holland had gestolen. Deze man was genaamd J.J. Jansen. Hij vertelde dat hij in de nacht van 20 op 21 november 1941 de reddingvlet, had losgemaakt en samen met acht mensen, waaronder een Joodse familie de Nieuwe Waterweg was uitgevaren en was overgestoken naar Engeland. Deze reddingvlet was lang 8½ meter, breed 2.30 meter, wit geschilderd met aan beide zijden en op de motorkap een rood kruis. Het scheepje was voorzien van een motor, merk Parsons, een kompas, meertouwen, zwemvesten en ongeveer 70 liter benzine. De totale waarde van het gestolen vaartuig was 5.000,--. gulden. Het scheepje was afgemeerd met een ketting en meertouwen. De motor was onklaar gemaakt, de contactknop was gedemonteerd en lag tussen de brandstoftanks. De kabels van de bougies waren afgekoppeld. Met de komst van J.J. Jansen en zijn ‘bekentenis’, werd deze “diefstal” na 30 jaar opgelost!!!Bronnen:Hoek v Holland, gedurende de tweede wereldoorlog 1940 – 1945. Concept boek, niet uitgegeven. Dirk van den Burg. Hierin het, door J.J. Jansen voor D. v.d. Burg op schrift gestelde verhaal van de Engelandvaart. Geschreven brief met bijlagen van mevr. I. Jansen-Hut, e.v. J.J. Jansen. Archief P. Heystek. In het Zicht van de Haven, deel 2. P. Heijstek en G.R. van Veldhoven, uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam 1986. S.O.S. voor de Hoek, Hans Beukema, uitg. Maritext vof, Delfzijl 2005. De zee was onstuimig, Bram Oosterwijk. Uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam 1994.Internet:www.prinsesirenebrigade.nl. www.joodsmonument.nl.www.maxvandam.nl. stambomen van Nederlands Joodse families.www.asserjournaal.nl.www.wikipedia.Foto Berghaven in de Tweede Wereldoorlog, Archief Stichting Fort a/d Hoek v HollandFoto Reddingvlet Maasvlakte, collectie P. Heystek, reddingmuseum Hoek v HollandAfbeelding Bekendmaking Duitse autoriteiten. Collectie P. Heystek, reddingmuseum Hoek v Holland.Auteur: Dick Ruis van het Historisch Genootschap Hoek van Holland en de Stichting Fort a/d Hoek v Holland.
Lees meer
Streekhistorie: 100-jarige Maassluise verenigingen maandag 23 april 2018 09:09

Streekhistorie: 100-jarige Maassluise verenigingen

In 1918 ging de werkweek van 57 naar 52 uur. De directeur van de Touwfabriek, H.C. van der Lely, maakte zich ernstig zorgen. Al die vrije tijd voor zijn arbeiders zou leiden tot verveling, rondzwerven op straat, vernielingen en drankmisbruik. Hij moest iets doen. Invulling van vrije tijdDe directeur hield zelf niet van voetbal, maar toch richtte hij in 1918 een voetbalvereniging op, VDL (Van Der Lely) genaamd. Bijzonder was dat deze club op zondag ging voetballen. Velen in Maassluis vonden dat voetballen op zondag – een ‘heilige rustdag’ – eigenlijk niet kon. Daarom werd ook in 1918 de voetbalvereniging ‘Excelsior Maassluis’ opgericht. Die ging op zaterdag voetballen.Op de Fenacoliuslaan een feestelijke optocht van de diverse Maassluise sport- en culturele verenigingen ter ere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan Maassluis op 19 september 1924. Zo ontstonden in de afgelopen 100 jaar veel verenigingen in Maassluis. Ze hadden vaak dezelfde doelstellingen, maar verschillende ideeën over de invulling. Bedrijven richtten eigen verenigingen op voor hun werknemers, maar ook kerkelijke gezindten stichtten hun eigen clubs. Zo ontstonden er heel wat verenigingen in Maassluis die allemaal dezelfde tak van sport beoefenden. Het raskonijnZeker tot in de jaren zestig was Maassluis daar groot genoeg voor. Iedereen was lid van een of meer vrijetijdsverenigingen en besteedde daar veel tijd aan. Heel bekend zijn de foto’s van optochten. Als er ook maar iets te vieren was, marcheerden de vele verenigingen mee in de optocht. Het was een eer jezelf en de vereniging zo goed mogelijk te presenteren, samenwerken en samendoen stond hoog in het vaandel. Optocht van een gymnastiekvereniging op de Afrol. Op de achtergrond komt de harmonie Euterpe uit Maasland de Patijnestraat uit marcheren. Onder ‘sportverenigingen’ vielen ook de konijnenfokvereniging Het Raskonijn en de Duivenmelkers. De duivenvereniging is in de Tweede Wereldoorlog opgeheven door de bezetter, omdat hij bang was voor het verzenden van berichten per postduif. De konijnenvereniging heeft in WO II nog een wedstrijd gehouden met prijzen als een damespermanent, een baal hooi, een doos sigaren, enz. Na de oorlog vernemen we niets meer van deze vereniging, wellicht waren alle konijnen in de pan beland.Op 1 september 1945 werd er in Maassluis ter gelegenheid van de verjaardag van Koningin Wilhelmina een optocht georganiseerd waarin onder andere met praalwagens facetten uit de oorlog verbeeld werden. Een praalwagen van Advendo met leden van de gymnastiekvereniging op de Noorddijk ter hoogte van de Wedde.Het is bekend dat in de jaren zestig een beetje de klad kwam in het verenigingsleven. Dat wordt algemeen verweten aan de opkomst van de tv, de groeiende welvaart en de ‘individualistische maatschappij’. Maar is dat helemaal terecht? De Historische Vereniging Maassluis hield een aantal jaren geleden een inventarisatie en wat bleek? Maassluis kent nog altijd een kleine 50 sportverenigingen die allemaal actief zijn, van klaverjas tot korfbal. Dus zo slecht is het nog niet gesteld met het verenigingsleven. Alleen zien we het niet meer zo.Samen fietsenNaast de sport kent Maassluis ook veel culturele verenigingen en stichtingen. Van koren tot knutselen en koffieclubs. We doen dus nog steeds heel veel samen, ondanks de veranderde tijden. Defilé op 12 juli 1963 ter gelegenheid van de geboorte van de 15.000e inwoner van Maassluis. Deze optocht was een spontane actie waaraan zeer velen deelnamen en trok honderden belangstellenden.Even terug naar de 52-urige werkweek in 1918. Want het bleef niet bij een sportvereniging, Van der Lely richtte ook het Van Der Lely’s Fanfarekorps op. Dit is nu bekend als muziekvereniging Kunst na Arbeid. Er zijn dus 3 verenigingen die dit jaar 100 jaar bestaan, reden voor een feestje. Ook de Historische Vereniging viert een jubileum; zij bestaat 35 jaar. En de HVM vond het een aardig idee om die verbondenheid van de Maassluizers van vroeger voor een keertje nieuw leven in te blazen. Daarom is het idee voor een grote Stadsquiz opgevat. Elke (vrienden)club mag inschrijven. Wie meedoet krijgt een quizboek met de meest uiteenlopende vragen en opdrachten. Niet alleen speuren naar historische sporen, ook onderzoek op internet, een fietstocht door de Vlietlanden, het bouwen van het mooiste vogelhuisje. Als de inschrijvers het maar samen doen. Ze hebben er de hele zomer de tijd voor. Verbonden door de StadsquizDe HVM probeert met de quiz heel Maassluis met elkaar te verbinden. De quiz is bijvoorbeeld leuk voor inwoners uit aangrenzende gemeenten om Maassluis beter te leren kennen. Maar hij is ook een aanrader voor de Maassluizers die hier nog maar kort wonen en Maassluizers die uit andere landen komen. Dé gelegenheid om elkaar en de stad te leren kennen en ‘in te burgeren’. Meer informatie op stadsquizmaassluis.nl Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: De stoomzuivelfabriek ‘Ons Bestaan’ in Maasland maandag 16 april 2018 08:08

Streekhistorie: De stoomzuivelfabriek ‘Ons Bestaan’ in Maasland

Van oudsher werd op een boerderij zelf kaas en boter gemaakt. Om een goede kwaliteit van de zuivelproducten te garanderen, moesten boerenbedrijven aan allerlei eisen voldoen. Veel zuivelboeren hadden echter een te klein bedrijf. Echt kwaliteit leveren was alleen mogelijk op grote bedrijven. Naast vakmanschap was er immers ook dagelijks een grote hoeveelheid melk nodig. Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd op congressen voor Landhuishoudkunde al regelmatig gesproken over het gezamenlijk maken van boter en kaas, om op die manier de krachten van de boeren te bundelen. Langzamerhand ontstonden overal in het land zuivelfabrieken. Veel fabrieken bleken echter te klein te zijn om te kunnen overleven en daarom besloten boeren tot samenwerking. Tegen deze achtergrond is de opkomst van de coöperatieve vereniging te verklaren. In 1902 werd de reeds enkele jaren bestaande zuivelfabriek aan de Langetaam in Maasland in een coöperatieve vorm gegoten. Bij de notaris werd een vennootschap opgericht door de volgende personen: Simon Bijl fabrikant, Pieter Johannes van Geest landbouwer, Pieter Huisman particulier, Jan de Baan meestertimmerman, Arie van der Lely landbouwer, Jacob Moerman zuivelmaker en Abraham Chardon landbouwer. Allen woonachtig in Maasland. Het doel van de vennootschap was: ‘het koopen van melk, het bereiden van boter en kaas en andere melkproducten en het verkopen van deze melk en melkproducten’. Het kapitaal werd bepaald op ƒ 18.000,-, verdeeld in zesendertig aandelen van elk ƒ 500,-. De oprichters namen deel voor ƒ 8.000,-, ofwel zestien aandelen. De heren Bijl, Van Geest en Huisman namen elk vier aandelen. De fabriek kreeg de naam: ‘Ons Bestaan’. Deze naam werd echter weinig gebruikt, men sprak van ‘de fabriek van Van Geest’, omdat eigenaar Piet van Geest er jarenlang de leiding had. De fabriek stond op het terrein van het boerenbedrijf van de familie Van Geest. Het kantoor grensde aan de Langetaam, hier werd onder andere het melkgeld uitbetaald. Daarnaast was het boterhuis, een kleine paardenstal en het kaashuis. Op de foto uit 1916 zien we rechts boer en bedrijfsleider Piet van Geest en zijn vader Arie. Daarachter een hittenkar met melkbussen. In de fabriek is een werknemer bezig om met behulp van een katrol een melkbus op te hijsen. Rechts voor het gebouw liggen de kazen klaar om verkocht te worden. Links op de foto zien we Jacob Moerman op de bok zitten. Hij vervoert melkbussen en botervaatjes. Er werkten veel mensen voor de fabriek. Simon Noordam, zelf boer, haalde met zijn paard en wagen melk op bij de boeren als bijverdienste. Later reed er ook een vrachtwagen.Het tot huizen verbouwde fabrieksgebouw aan de Langetaam. (foto 2018) Rond 1925 is de fabriek opgeheven. Waarschijnlijk was er toch te veel concurrentie van de vele zuivelfabrieken in de omgeving. In 1929 is de fabriek verbouwd tot een rij van vijf huizen. De huizen waren eigendom van Van Geest, later zijn ze verkocht. Door de bouw van de nieuwe woonwijk ‘Drie Hoeven’ in 1995 moest, ten behoeve van een betere doorgang naar de woonwijk, het laatste (5e) huis worden afgebroken. Auteur: Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Het witte goud van het Westland maandag 9 april 2018 09:09

Streekhistorie: Het witte goud van het Westland

Ze zijn er weer, de Westlandse asperges, ook wel het witte goud genoemd. Al vanaf maart zijn ze de laatste jaren in toenemende mate uit de kas verkrijgbaar. Uit verwarmde kassen is dat nog eerder het geval. In de open lucht worden ze in deze omgeving echter nauwelijks meer geteeld. Dat was tot een halve eeuw geleden wel anders. Vooral ’s-Gravenzande en Monster waren belangrijke leveranciers. De zandgrond langs de kust leende zich uitermate goed voor de teelt van deze groente. De uitgebreide aspergediners in restaurant De Spaanse Vloot in ’s-Gravenzande en in hotel Overheijde in Monster waren befaamd. Ze trokken in het voorjaar vele liefhebbers, ook van ver buiten deze regio. Al in de zeventiende eeuw werden er asperges geteeld in het Westland. Ze worden bijvoorbeeld genoemd in een contract dat Anthony Pieterson, eigenaar van de buitenplaats Geerbron in Monster, in 1697 afsloot met zijn tuinman Thomas van Es inzake het onderhoud van de tuin. De overeenkomst bevat een uitgebreide omschrijving van de werkzaamheden die de tuinman diende te verrichten. Over de zorg voor de asperges op het landgoed wordt het volgende bepaald.Item den voorsz. thuynman zal d’esperges daer al bereits leggende ofte noch te leggen ter behoorlijcker teijdt met het opkruyen van mist, spitten en wijen [wieden], onderhouden maar oock de daerop te wassen [groeien] esperges twee mael des daeghs snijden en behoorlijck wassen en aen bussen [bossen] binden.Aspergebossen. Met behulp van een aspergeblok werden de bossen op de juiste dikte gebundeld. Collectie Historisch Archief Westland.Niets nieuws onder de zon dus. Om te voorkomen dat de aspergekoppen door het daglicht zouden verkleuren, moest er in die tijd al twee maal per dag geoogst worden. Ook toen werd het kennelijk belangrijk gevonden dat ze spierwit verhandeld werden. Wat ook uit deze tekst blijkt, is dat Pieterson niet een nieuwe teelt op het oog had. Het ging om aspergebedden die er al waren, naast wat nog aangeplant zou gaan worden. Voordat hij de overeenkomst met Van Es afsloot werden er op Geerbron dus al asperges geteeld. De oogst van Geerbron werd in het voorjaar per schuit naar de stad vervoerd. Dat weten we uit de bewaard gebleven administratie van de Monsterse marktschipper Pieter Jansz. van Bremen. Hij hield nauwkeurig bij welke goederen hij dagelijks vervoerde vanaf de haven in het centrum van Monster. De eerste vermeldingen van vervoer van asperges voor Pieterson stammen uit 1695. In mei en juni van dat jaar worden twaalf keer asperges vervoerd. In totaal gaat het om ruim 40 kinnetjes. De bestemming wordt niet vermeld, maar dat zal Den Haag of een van de andere omliggende steden zijn geweest. Pieterson bezat ook een huis in Den Haag. Als hij daar verbleef liet hij regelmatig mandjes asperges bij zijn Haagse woning bezorgen door schipper Van Bremen. Hij was dus zelf ook een liefhebber van deze exclusieve voorjaarsgroente.Bezorging in 1707 van asperges en andere goederen door schipper Van Bremen aan het adres van admiraal Pieterson in Den Haag (Historisch Archief Westland, Weeskamerarchief Monster).Pieterson overlijdt in 1722. Ook volgende eigenaren van Geerbron in de achttiende eeuw telen groenten, waaronder asperges, in de moestuin van de buitenplaats. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een contract met tuinman Pieter van der Linden, die 3 hond (ca 0,45 ha) aspergeland huurt van de eigenaar van Geerbron. In het contract is bepaald dat de asperges niet langer gesneden mogen worden dan tot de Delftse kermis. Uit die tijd is ook een rekening bewaard gebleven wegens het omspitten, klauwen en gladstrijken van de aspergebedden. En in 1735 werden aan Francijntje Verstraten in Den Haag in de periode van 25 april tot 23 juni dagelijks asperges geleverd vanuit de moestuin van Geerbron, in totaal niet minder dan 1182 bossen. Het was dus zeker geen onbelangrijke teelt. Niet alleen op Geerbron, maar ook op de buitenplaats Overheijde, gelegen aan de Choorstraat in Monster, werden asperges geteeld. Volgens een verkoopakte uit 1734 behoorde er rond 35 morgen (30 ha) land tot Overheijde, waaronder niet minder dan 1 morgen en 400 roeden (ca 1,4 ha) ‘espergesland’.De vraag rijst of in het begin van de zeventiende eeuw alleen op buitenplaatsen asperges werden gekweekt. Dat is niet het geval. Ook particuliere tuinders kweekten ze in die tijd al. Zo is er een contract bekend uit 1703 inzake de verhuur van een stuk landbouwgrond van circa 2,3 ha aan de Papelaan in Monster, dat door de huurder geschikt moet worden gemaakt als tuinland. De huur wordt voor 30 jaar aangegaan. Het contract geeft een gedetailleerde beschrijving van de verplichtingen van de huurder. Zo moet een halve morgen (ruim 0,4 ha) van het perceel beplant worden met asperges.Al met al kent het witte goud in het Westland een rijke historie. De laatste jaren neemt het belang weer toe, met name door de teelt onder glas.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Kunstenaar Jaap Binnendijk maandag 2 april 2018 09:09

Streekhistorie: Kunstenaar Jaap Binnendijk

Vanaf zaterdag 24 maart tot en met zondag 1 juli 2018 is in het Westlands Museum een expositie over kunstenaar Jaap Binnendijk te bezichtigen. Jaap Binnendijk was een hobby-kunstenaar die op latere leeftijd Westlandse landschappen en dorpsgezichten ging tekenen. Deze tentoonstelling wordt georganiseerd door de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk in samenwerking met het Westlands Museum. De in 1895 geboren Binnendijk was een enthousiaste amateurtekenaar die vele plekjes in het Westland heeft getekend. Zijn tekenstijl was opvallend gedetailleerd, waardoor vaak kleine elementen van gebouwen zijn terug te vinden. Vooral in de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw ging hij regelmatig op pad om mooie plekjes en herkenbare dorpsgezichten op papier te zetten. Hij maakte eerst een opzet met potlood en werkte de tekening later heel precies uit in Oost-Indische inkt. Als lijnwerker in dienst bij de WSM standplaats SchipluidenJaap Binnendijk werd op 22 juni 1895 in Honselersdijk geboren. Zijn ouders waren de in Naaldwijk geboren Gerrit Binnendijk en de in ’s-Gravenzande geboren Jaapje Alida Luijendijk. Jaap was enig kind en bleef zijn leven lang vrijgezel. Hierdoor zijn er hoegenaamd geen familieleden die nog materiaal en gegevens van hem hebben en dat maakte het moeilijk om iets over hem te weten te komen. Jaap Binnendijk tekent in de Prins Hendrikstraat te NaaldwijkGezicht op Wateringen 1951In 1920 ging Jaap Binnendijk bij de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij (WSM) werken. Zijn functie was lijnwerker met als standplaats Schipluiden waar hij ook ging wonen. Hij trok in bij een oudere collega, Adrianus Vrijland. In 1943 ging hij werken in het station van Honselersdijk als ladingmeester en trok hij in bij zijn moeder die in de Hofstraat in Honselersdijk woonde. Later werd zijn standplaats het station Naaldwijk omdat het station van Honselersdijk werd gesloten. In station Naaldwijk kreeg Jaap de functie van tweede ladingmeester. Werkzaam bij het WSM station NaaldwijkHeenweg aan de Maasdijk 1958Op het moment dat Jaap in Honselersdijk ging wonen begon hij steeds meer werk te maken van zijn tekenhobby. De eerste tekeningen van zijn hand die we kennen dateren van 1945. Al zijn vrije tijd gebruikte hij om te tekenen. Als het weer goed was dan trok hij er op uit om in het dorp of in het landschap zijn tekeningen te maken. Hij tekende in alle Westlandse plaatsen. Doordat hij zo vaak op straat zat te tekenen begon hij een bekende verschijning te worden en kreeg daardoor lokale en regionale bekendheid. Als hij ergens had plaatsgenomen op zijn krukje met het tekenbord in de aanslag, dan stond er in een mum van tijd een hele groep mensen om hem heen. Vooral kinderen waren erg geïnteresseerd in zijn manier van tekenen waarbij hij heel precies te werk ging. Hij tekende historische en monumentale gebouwen, waarbij hij elk bouwelement en zelfs alle bakstenen zó precies intekende, dat de kinderen het magisch vonden. Bejaardenhuis Bijdorp, Dijkweg, NaaldwijkStaelduinse bos 1958De mooiste tekeningen hing hij op in zijn kamer. Heel af en toe verkocht hij wel eens een tekening, maar dat was eigenlijk alleen bedoeld om de kosten van de benodigde materialen te kunnen dekken. Zijn realistische stijl van tekenen sloeg aan in het Westland en mensen lieten blijken dat zij geïnteresseerd waren in zijn tekeningen en er graag een wilden verwerven. Bij grote uitzondering nam hij wel eens een opdracht aan om voor iemand een tekening van zijn huis of dorp te maken. Hij was hier geen voorstander van omdat hij bang was dat zijn hobby te commercieel werd en hij te afhankelijk zou worden van het daarmee verdiende geld. Hij gaf zijn tekeningen dan nog liever weg aan mensen die ze mooi vonden. Binnendijk tekent in het H. GeesthofjeAchterzijde Prins Hendrikstraat, vanaf Patijnenburg, Naaldwijk 1966Als gevolg van zijn groeiende bekendheid werd er in juli 1960 een heel artikel aan hem gewijd in het blad ‘De Westlander’. Ter gelegenheid van dat interview zijn er toen diverse foto’s van Jaap Binnendijk gemaakt terwijl hij buiten aan het werk was. Zo maakte hij een tekening van het Heilige Geesthofje, die hij na voltooiing trots aan de bewoners van het hofje liet zien. In het interview vertelde Jaap ook dat hij tot voor enkele jaren graag in het Staelduinse bos ging tekenen. Hij was daar bezig met een studie naar alle verschillende bomen die in het bos stonden. In de jaren vijftig was het grootste deel van het Staelduinse bos in gebruik genomen door het ministerie van defensie, waardoor driekwart van het bos werd afgezet en niet meer toegankelijk was voor gewone bezoekers. Volgens Jaap was het mooiste deel van het bos verboden gebied geworden en daarom voor hem niet meer interessant om daar zijn tekeningen te maken. Daarna begon hij zich vooral toe te leggen op het tekenen van oude en vervallen huizen. Hier zaten ook veel gebouwen bij die al op de nominatie stonden om gesloopt te worden. Veel van de voorbeelden die hij tekende zijn ook daadwerkelijk in de jaren zestig en zeventig gesloopt. Hierdoor kregen Jaaps tekeningen niet alleen artistieke maar ook historische waarde. Zij geven een mooi beeld van het Westland hoe het ooit was, maar nooit meer terugkomt. Bewoners H. Geesthofje bewonderen Jaaps tekeningIn 1955 kreeg Jaap Binnendijk eervol ontslag bij de WSM. Hij was toen pas 60 jaar maar ging wonen in het bejaardenhuis Bijdorp aan de Dijkweg in Naaldwijk. Hij kreeg nu nog meer tijd om aan zijn tekenhobby te besteden en hij had zijn kamer in Huize Bijdorp vol hangen met zijn mooiste tekeningen. Bijdorp was het bejaardenhuis van de diakonie van de Hervormde kerk in Naaldwijk en toen Jaap in 1972 overleed op 77-jarige leeftijd zijn alle tekeningen die zich nog in zijn kamer bevonden opgenomen in het archief van de Hervormde (Oude) Kerk Naaldwijk. Dat waren er meer dan honderd en uit die verzameling is een mooie selectie gemaakt die nu te zien is in de tentoonstelling. Deze selectie is aangevuld met meerdere tekeningen die in bezit zijn bij particulieren en voor deze tentoonstelling in bruikleen zijn gegeven. Ze geven een prachtig beeld van het Westland in vroeger tijden. Bij veel tekeningen is een foto van diezelfde situatie in déze tijd gevoegd, zodat bezoekers geholpen worden in het herkennen van de plek.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer

Meer Streekhistorie