Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage/tip via dit formulier toesturen. Wij zullen deze controleren en mogelijk gebruiken voor publicatie. Let op! Aangeleverd materiaal dient rechtenvrij te zijn of er moet schriftelijk toestemming zijn verleend voor het gebruik ervan.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Een oud schilderij op de zolder van boerderij Berestein zondag 18 augustus 2019 10:10

Streekhistorie: Een oud schilderij op de zolder van boerderij Berestein

Elke eerste zaterdag van de maand houdt de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul een historisch spreekuur in de Kaaskelder van de Hofboerderij. Bij een van de afgelopen edities kwam Rianne Ammerlaan langs in de Kaaskelder. Zij had het onderstaande schilderij bij zich. Rianne was thuis de boel aan het opruimen. Zij had dit schilderij van haar moeder Martina Raaphorst, die getrouwd was met Martinus Ammerlaan, gekregen. Martina had dit schilderij in 1968 meegenomen toen de boerderij Berestein van haar vader werd afgebroken. Het lag toen op zolder van de boerderij. Het was te zien dat de tand des tijds het schilderij en de lijst flink hadden aangetast, maar weggooien wilde Rianne het ook weer niet. Vandaar de vraag aan ons of wij als Historische Vereniging iets hadden aan dat schilderij met de afmetingen van zo’n 40 bij 25 cm. Op het schilderij is een groot hoog huis te zien met twee bouwlagen met een flinke kap met dubbele schoorstenen met een aanbouw van één laag met dak over de gehele lengte van het huis met een aansluitende muur. Rechts een kleiner huis van één laag met kap waar in de deuropening een man op klompen staat Op de voorgrond zien we een handkar.Familie Adrianus Raaphorst en Adriana EnthovenDe vraag was welke huizen dit waren en waar de huizen lagen. Rianne zei dat niet te weten. En als historische vereniging hebben we niet veel aan een schilderij zonder inhoud. De vraag aan Rianne Ammerlaan was dan ook nader onderzoek te doen bij haar familie. Rianne is een kleindochter van Adrianus Petrus Raaphorst en Adriana Klazina Enthoven. Haar grootouders trokken na hun huwelijk in 1916 in bij Adrianus' ouders Piet Raaphorst en Anna Groenewegen die boerden op de boerderij Berestein. Deze lag aan de Broekweg (nu Kerkstraat) in Kwintsheul, vlak bij de kerk, omgeven door grote kastanjebomen. In 1928 werd Adrianus zelf eigenaar en beheerder van boerderij Berestein. Hij kreeg een groot gezin.Het wat en waar van het schilderij van familie RaaphorstRianne kon aan haar moeder niets meer navragen, want zij is reeds overleden. Maar door contacten van Rianne met haar tante Gré Raaphorst, een dochter van Adrianus Petrus Raaphorst en Adriana Klazina Enthoven (wonend in Zuid-Afrika en ook even in Australië) kwamen twee oude foto’s boven tafel die meer informatie gaven.Op de eerste foto uit circa 1925 zien we Petronella (Nellie) Raaphorst, een oudere zus van Gré. Nellie staat hier in de voortuin van boerderij Berestein. Op de foto zien we de voorkant van boerderij Berestein rechts van haar. Achter Nellie Raaphorst zien we een hoog huis van twee lagen met dak en schoorstenen en rechts daarvan nog een vrijstaand huis. Links kan het de achterkant van de Andreasschool of de Andreaskerk zijn. Het hoge huis achter haar heeft veel overeenkomsten met het schilderij.Op de tweede foto, die ouder is, zien we wederom een hoog huis met twee lagen met een kap en met de aanbouw wat dichterbij. Op deze foto is heel duidelijk de gelijkenis te zien met het schilderij, met name de aanbouw. De oude bouwmanswoning BeresteinOp basis van deze twee foto’s kunnen we stellen dat het hoge huis van twee lagen met dak ten oosten van de boerderij Berestein lag, richting Lange Wateringkade, achter de Andreas- of Jongensschool. In 1909 had de weduwe Maria Raaphorst-de Winter, oma van Adrianus, een stuk grond verkocht aan het R.K. Kerkbestuur.Uit het contact met Toos van Zeijl-Raaphorst, de jongste dochter van Adrianus Petrus Raaphorst en Adriana Klazina Enthoven, werd zelfs verteld dat het hoge huis ‘de oude boerderij Berestein’ was, waar in het verleden hun knecht David van Ooijen had gewoond, die later naar de Hoenderparklaan was verhuisd. De boerderij Berestein die in 1968 gesloopt is, werd namelijk pas in 1854 gebouwd. In de koopakte van 11 juli 1843 werd door Pieter Raaphorst Louweriszoon eene kapitale ruime en welgelegen Bouwmanswoning, vijf arbeidershuisjes en ongeveer 100 hectare extra best teel- en weiland gekocht. Deze boerenwoning was genaamd “Veenrust” alias “Berestein”.Dus wat blijkt: het schilderij geeft een beeld van de oude ‘Bouwmanswoning Berestein’. Op het schilderij en de tweede foto zijn de arbeidershuisjes goed zichtbaar.Nu is daar niets meer van over. Volgens Toos van Zeijl-Raaphorst was voor de oorlog de oudste boerderij Berestein al gesloopt. De nieuwe Berestein, die wel zijn honderdjarig bestaan heeft gevierd, is in 1968 afgebroken om plaats de maken voor de Kastanjehof en een gymzaal bij de Andreasschool. Nu ligt op deze locatie de supermarkt van Jumbo. De oude bouwmanswoning Berestein op oude kaartenDe oudste boerderij Berestein is al gebouwd in de zestiende eeuw. De naam is ontleend aan Pouwels van Beresteijn, Burgemeester der Stad Delft, die getrouwd was met Volckera Claesdr. Knobbert. Hij liet in 1622 de boerderij met landerijen die lagen tussen de huidige Kerkstraat bijna tot aan de Zwet in Kwintsheul in kaart brengen op basis van kaartgegevens uit 1576. Hij had deze wooninge mitte landen daer toe behoorende ende al 't gunt daerop aert ende nagelvast is ende daer van dependeert, groot ontrent sesendvertich mergen leggende bij de Quintsheul als legaat in 1606 verkregen van zijn schoonmoeder Maritgen Dicksdr. Duyst. De kaart is het uitvergrote detail van Kwintsheul in 1576. De bebouwing bij de Heulbrug is rechts weergegeven door drie getekende huizen. De bouwmanswoning Berestein ligt dan in het midden met diverse andere bijgebouwen en twee hooimijten. Alle groene percelen hoorden bij de boerderij en liepen bijna door tot de Zwet. Verder naar links richting Naaldwijk lag de oude Uithofwoning van het klooster van Loosduinen op de locatie van het pas gesloopte huis van bakker Bom. Het weggetje dat daarboven ligt was het Munnickenlaantje, later De Driesprong en nu de Vorkotterstraat. Deze liep naar het oude Slimpad.Eigenaren van de bouwmanswoning Berestein tot 1743De boerderij kwam na het overlijden van de heer Pouwels van Beresteijn in 1625 toe aan zijn vrouw Volckera Knobbert. Na haar overlijden in 1634 erfden haar negen kinderen ieder een negende deel. Familieleden zouden de jaren die volgden hun erfdeel vaak verkopen aan een van de andere familieleden. Toen in 1724 Corvina Maria Valensis haar erfdeel verkocht aan Adriaan Bogaart, ook een achterkleinkind van Pouwels Beresteijn, werd Adriaan volledig eigenaar van de landerijen van zijn overgrootvader. Hij was getrouwd met Petronella van Groenedijk en hertrouwde in 1728 met Elisabeth Adriana Backer.De erfgenamen van Elisabeth verkochten in 1781 de boerderij en bijbehorend land aan Jan van der Arend en Phillius Roels, ieder voor de helft. Maria van der Arend, een dochter van Jan en getrouwd met Hendrik van Leeuwen, werd hierna eigenaresse van de boerderij. In 1825 overleed Maria en in 1843 werd na het overlijden van weduwnaar Hendrik van Leeuwen de kapitale en welgelegen woning, toen genaamd ‘Veenrust’, verkocht aan Pieter Louwrensz. Raaphorst. In 1846 werd het nieuwe voorhuis van de boerderij Berestein gebouwd.Het schilderij is door Rianne Ammerlaan aan ons geschonken, maar in overleg met haar hebben wij dit nu historisch waardevolle schilderij overgedragen aan het Westlands Museum. Wie de schilder was, is nog niet bekend.Auteur: Chris Batist van de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Nieuwe straatnaam met historie: Boswoning zondag 11 augustus 2019 16:04

Streekhistorie: Nieuwe straatnaam met historie: Boswoning

De gemeenteraad heeft op advies van de straatnamencommissie vastgesteld dat de nieuwe openbare ruimte op ontwikkellocatie Elsenbosch vernoemd wordt naar een oude boerderij: de Boswoning. De historische vereniging heeft deze naam voorgesteld en helpen onderbouwen. Het past goed bij de nabijgelegen Bosweg en Boslaan. Maar is vooral belangrijk voor het geheugen van Honselersdijk. Nieuwe openbare weg op ontwikkellocatie Elsenbosch, in de bocht van de Burgemeester Elsenweg. Ontwikkellocatie Elsenbosch en de Boschwoning gemarkeerd op kaart uit 1850De oorsprong van de BoswoningHonselersdijkers die zich de oude vervallen Boswoning kunnen herinneren, zullen zich waarschijnlijk niet gerealiseerd hebben dat het zo’n bijzondere geschiedenis had. Het stamt nog uit de tijd dat deze plek onderdeel was van de domeinen van stadhouder Frederik Hendrik en zijn vrouw Amalia van Solms. Ook dat is nu moeilijk voor te stellen: het zomerpaleis met uitgebreide tuinen en duizenden bomen dat een voorbeeld was voor de zowel de architectuur als de tuinkunst in de 17e eeuw.Huis Honselaarsdijk in vogelvlucht met gemarkeerd de twee speelhuizenDe Boswoning was in het aangelegde bos te westen van het paleis gesitueerd en diende als ‘speelhuys’. Dit was plek om zich te amuseren, thee te drinken en goede gesprekken te voeren. Je kan het zien als de voorloper van het prieel. Grote buitenplaatsen hadden vaak meerdere speelhuizen. In de tuin ten noordwesten van de Nederhof is een paar jaar later een tweede speelhuis gebouwd. De Boswoning lag wat verder van het hoofdhuis af en werd bereikt door aan het einde van de formele tuin de boomgaard door te steken en halverwege linksaf te slaan om een recht pad te volgen dat naar de fazanterie en de hertenwei leidde. TH. Morren schreef in zijn boek Het Huis Honselaarsdijk in 1908: "Indien men vanaf het begin van dezen vijver in rechte lijn loopt in de richting van Naaldwijk, komt men aan de oude boschwachterswoning, welke gedeeltelijk is vernieuwd en aangebouwd, maar waarvan het oude gedeelte nog duidelijk zichtbaar is"Met de vijver bedoelt hij de karpervijver die bij tuinderij Nieuw Honsel aan de Nieuweweg lag en een paar jaar later gedempt is. ArchitectuurOpvallend aan dit speelhuis is dat het veel overeenkomsten vertoont met de hoektorens van het paleis. Het is in 1636 gebouwd in de stijl van het Hollandse classicisme. Daarmee is de Boswoning een van de eerste bouwwerken in deze nieuwe bouwstijl.Typerend zijn de sobere bakstenen muren zonder versiering rond de ramen of op de hoeken, de zuiver symmetrische gevel indeling, en het leien dak met dakvensters. Twee jaar ervoor was de Frans-Zweedse architect Simon de la Vallée in dienst gekomen van Frederik Hendrik, maar waarschijnlijk was Jacob van Campen ook betrokken bij het ontwerp. Er zijn geen tekeningen bewaard gebleven maar wel een bestek waarin alle maten en materialen beschreven zijn. Op basis hiervan is door de Rijksdienst een reconstructietekening gemaakt, waarop te zien is dat op de verdieping de belangrijke ruimte is gesitueerd met zeven ramen en een hoog betimmerd plafond. Voor een uitgebreide beschrijving zie: https://www.dbnl.org/tekst/_jaa030199201_01/_jaa030199201_01_0007.php. De reconstructie vertoont veel overeenkomsten met de prenten die in 1695 en 1700 vervaardigd zijn.’t Boswachters Huijs. Randgravure bij de kaart van A. Bega en A. Blooteling uit 1695De Boschwachters wooning. Randgravure bij de kaart van Carel Allard uit 1700Functies en eigenarenOp deze prenten komen we de naam ‘t Boswachtershuys en De Bosch-wachters wooning tegen. De hooiberg die ernaast getekend is en een bijgebouw dat mogelijk een schuur was, doen vermoeden dat het niet langer voor vermaak diende, maar dat het bewoond werd door personeel. Op de eerste kadastrale kaart (1809-1832) staat bij het huis “Maison de Boschwoning”. In 1819 spreekt men van “een boumanswoning van ouds genaamd "de BOSCHWONING", een naam die ook nu nog voorkomt op huidige kaarten van de topografische dienst.In het jaar 1819 koopt Willem Klaasz Kester de boerenwoning “de Boschwoning” met circa 55 hectaren van de domeinen. Dit land liep van de “Jeneverbrug” (Jan Evertsbrug) over de Nieuwe vaart tot de Bossloot. Het grensde aan het bezit van de rentmeester van de domeinen Johan David Nicolaas van der Trappen. Deze had langs de Dijkweg zelf de mooiste stukjes grond gekocht; zijn zoon bouwde hier in 1851 zijn buitenplaatsje “Maria’s oord”.Notariële akte uit 1847, Willem Klaasz Kester verkoopt dan de Boswoning aan zijn zoonEen ander naam die aan de Boswoning verbonden was, is C.M. (van) Haaster. In 1920 en 1922 biedt deze resp. iepenbomen als een “beste beer” aan. Hij geeft daarbij als adres Boschwoning Dijkweg, Honselersdijk en vermeldt dat dit via de weg en het water bereikbaar is. Of hij daadwerkelijk de Boswoning in bezit had, is onduidelijk. Mogelijk huurde hij het van een Kester, want deze familienaam is lange tijd verbonden gebleven aan dit gebied tussen Honselersdijk en Naaldwijk. Er is ook sprake van de firma “Boschwoning” aan de Nieuweweg 5. Zeer waarschijnlijk was deze nabij de Boswoning gevestigd. In 1962 was het eigendom van ene A. Kester die er zelf niet woonde. Het was in zeer slechte staat en werd onbewoonbaar verklaard.Knipsels uit De Westlander 1920, 1922 en 1962. Beeldbank HAW.Boslaan en Boswoning op de kaart van Kruikius uit 1712 (Gerard Beijer)HerinneringDe Boslaan was - vanaf de Dijkweg in Naaldwijk - de oprijlaan naar deze woning voordat de Burgemeester Elsenweg - vlak na de Tweede Wereldoorlog - doorgetrokken werd en de boerderij aan de andere kant van deze weg kwam te liggen. Deze geïsoleerde ligging wordt nu opgeheven door de aanleg van een nieuwe toegangsweg vanaf de rotonde van de Burgemeester Elsenweg en de Bosweg. Te laat voor de Boswoning zelf. Na de transformaties van speelhuis naar boswachtershuis naar boerderij heeft het plaats moeten maken voor de glastuinbouw. De herinnering wordt nu vastgelegd in de straatnaam op het nieuwe bedrijventerrein. Wanneer de woning precies gesloopt is, weten we niet, maar Wim Duivesteijn heeft in 1989 nog een tekening van dit bijzondere pand gemaakt.Foto van de Boswoning uit het archief van Jan van Dijk. In bezit van HVNH.Weet je het jaartal van de sloop? Ken je (volks)verhalen over de Boswoning? Of ben je er ooit binnen geweest? Stuur dan een mail naar info@hvnh.nlAuteur: Jolanda Faber van de Historische Vereniging Naaldwijk Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Ruim 5.000 Padvinders in Hoek van Holland zondag 4 augustus 2019 10:10

Streekhistorie: Ruim 5.000 Padvinders in Hoek van Holland

Van 31 juli tot en met 9 augustus 1937 vond in Vogelenzang, bij Hillegom, de 5e padvinders Wereldjamboree plaats. Tegenwoordig zouden de meeste deelnemers aan een dergelijk evenement per vliegtuig reizen, maar in 1937 was men nog op treinen en veerboten aangewezen. Op donderdag 29 juli kwam Lord Baden Powell, de grondlegger van de padvinderij/scouting, met de Harwichboot in Hoek van Holland aan. Op de steiger werd hij verwelkomd door J.J. Rambonnet, de Nederlandse Hoofdverkenner.De meeste andere Engelse deelnemers, maar ook een aantal Australische, arriveerden op vrijdag 30 juli in Hoek van Holland. Zij werden verder vervoerd met zeven speciale treinen met in totaal 77 wagons. Er kwamen op die dag 5.171 padvinders in Hoek van Holland aan en uiteraard had de Harwichboot geen capaciteit voor een dergelijk aantal.Daarom werden er zes extra schepen ingezet:Gelijk met de Harwichboot AMSTERDAM kwam de BRUGES aan met het eerste contingent van ongeveer 600 padvinders. Deze BRUGES was ook een Harwichboot, maar voer normaal tussen Harwich en Antwerpen.De andere vijf schepen waren ’s ochtends vroeg uit Engeland vertrokken en kwamen pas in de loop van de middag aan. Hierbij was de PRINSES JULIANA van de Maatschappij Zeeland die voor de oorlog tussen Vlissingen en Harwich voer, maar nu voor deze speciale reis was gecharterd.De schepen die werden ingezet voor het vervoer van de padvinders. De aantallen in de rechter kolom geven ongeveer het aantal padvinders aan boord aan. *lijst samengesteld door Henk van der Lugt*Met de overige vier werden normaal excursies gemaakt op de Theems, langs de Engelse zuidkust en naar Calais. Twee van deze vier, de QUEEN OF KENT en QUEEN OF THANET, waren zelfs raderboten. Kennelijk waren de certificaten voldoende om ook een oversteek over de Noordzee te mogen maken. De raderboot Queen of Kent, een van de schepen waarmee de padvinders de overtocht over de Noordzee maakten. *collectie Henk van der Lugt*Gelukkig was het weer goed maar anders zou het geen plezierreisje voor de padvinders zijn geweest. Zeker op de vier excursie-schepen die een stuk kleiner waren dan de andere. Het Hoekse publiek en de zomergasten zorgden voor een hartelijke ontvangst. De jongelui op de schepen hieven de nodige ‘cheers’ aan die op de wal spontaan werden beantwoord. Daarna verliep de passencontrole snel en de douane liet de padvinders ongemoeid.Engelse en Australische padvinders in Hoek van Holland op 13 augustus 1937 bij terugkeer naar huis. Als souvenir nemen zij klompen mee. *Krantenfoto uit de Maasbode van 14 augustus 1937*Voor een opknappertje was gezorgd, want op de wal stonden tafels met bekertjes koffie en broodpakketjes klaar. Op vrijdag 13 augustus vertrokken de Engelse en Australische padvinders weer via Hoek van Holland, nu met vijf extra schepen. Zo was Hoek van Holland ook betrokken bij de Wereldjamboree.De terugkerende padvinders gaan aan boord van de PRINSES JULIANA van de Maatschappij Zeeland op 13 augustus 1937. *Krantenfoto uit de Maasbode van 14 augustus 1937*Auteur: Henk van der Lugt van het Historisch Genootschap Hoek van Holland
Lees meer
Streekhistorie: Geschiedenis van de bibliotheek in Maassluis zondag 28 juli 2019 11:11

Streekhistorie: Geschiedenis van de bibliotheek in Maassluis

De bibliotheken van Maassluis en Vlaardingen zijn samen gegaan en heten voortaan Bibliotheek De Plantaan. De naam van de Maassluise bieb was voorheen Bibliotheek Maassluis/Midden Delfland, daar weer voor was het de Openbare Bibliotheek en die was ontstaan uit de Evangelisatie Bibliotheek. Reden om eens te kijken naar het ontstaan van deze bibliotheek in Maassluis. In de Adriaan van Heelstraat, op ’t Hoofd, was het ‘Zaaltje’. Officieel was de naam Evangelisatielokaal. Het gebouw was eigendom van de Gereformeerde Kerk.Adriaan van Heelstraat. Links, met de grijze onderpui, het Evangelisatiegebouw.Bibliotheek in het Evangelisatielokaal, 1950Daar in die ruimte ontstond ook een bibliotheek. Rond het jaar 1948 werd Cornelis Baatenburg de Jong aangesteld als beheerder van dit lokaal. Hij trof daar een kast aan met een hoeveelheid in slechte staat verkerende boeken. Dit was het bestand van de Evangelisatie Bibliotheek. De uitleningen vonden plaats op zaterdagmiddag van twee tot vijf. Een voor die tijd logisch tijdstip, want op zaterdagmorgen werd over het algemeen nog gewoon gewerkt. En op de vrije zondag had men de tijd om een boek te lezen en de dag in gepaste rust door te brengen.Inschrijven aan de keukentafelVanaf de start kwam de groei redelijk snel op gang. Al snel kwamen er een tweetal kasten bij, een kast voor de kinderboeken en een voor de jeugdboeken. Niet erg veel later moest er alweer uitbreiding komen voor de meisjesromans.Alle boeken werden keurig gekaft met het bekende bruine kaftpapier en daarna voorzien van een nummer. Dat kaften en inschrijven gebeurde thuis aan de eettafel van Baatenburg de Jong. Zijn vrouw heeft menigmaal de zucht geslaakt: ‘Kunnen we misschien ook nog even eten?’.De boekenschat bleef groeien, net als het aantal uitleningen. Lang niet elk boek kon en mocht in de collectie worden opgenomen. De boeken moesten toch tenminste op een christelijke leest geschoeid zijn. Het was uiteindelijk wel een bibliotheek van de evangelisatie. Ondanks de selectie vooraf waren er toch altijd lezers voor wie bepaalde zinnen of woorden niet passend waren. Menig boek kwam dan ook voorzien van de nodige doorhalingen terug.De Boekhandel, tevens bibliotheek, van Fortuin aan de Markt in 1949.Er waren in die jaren drie boekhandels gevestigd in Maassluis, allemaal op de Markt. Naast het politiebureau was Boekhandel Bergema, op de hoek van de Dr. Kuyperkade was Boekhandel Van Wieren en tegenover deze twee, aan de andere zijde van de Markt, de Boekhandel van Fortuin. De keuze voor een winkelier, in dit geval de eigenaar van een boekhandel, was in die tijd vaak afhankelijk van de kerk waarvan men lid was. Voor de boeken voor de bibliotheek viel de keus op de gereformeerde Van Wieren. Boekhandel Fortuin had in die tijd zijn eigen bibliotheek, dus deze viel als concurrent van de Evangelisatie Bibliotheek natuurlijk af. In een later stadium werd ervoor gekozen om de inkoop van de boeken te verdelen over de drie winkels.Vier bibliotheken in MaassluisNaast de twee al genoemde bibliotheken bestonden er nog twee: de bibliotheek van de Nutsspaarbank en de bibliotheek van de roomse kerk. De bibliotheek van de Nutsspaarbank was in de beginperiode de grootste van de vier. Lange tijd was er sprake van een zekere concurrentie.Van de toen aanwezige bibliotheken was er eigenlijk maar één waar echt groei inzat: de Evangelisatie Bibliotheek. Uit heel Maassluis en zelfs daarbuiten kwamen de lezers. Er was in die tijd nog geen sprake van leden en abonnementen. Men betaalde voor elk boek dat men meenam. De bibliotheek was op zaterdagmiddag een gezellig ontmoetingspunt. Lezen zonder geloofsovertuigingEr kwam een moment dat er iets moest gebeuren. De ruimte was te klein geworden om nog te kunnen delen met de andere activiteiten in het Evangelisatielokaal. Er was geen ruimte om nog meer kasten te plaatsen. Ook werd in die tijd duidelijk dat de vlag ‘Evangelisatie Bibliotheek’ de lading niet meer dekte. De bieb stond goed aangeschreven bij heel veel mensen in Maassluis. Er bestond behoefte aan een bibliotheek zonder drempels. Het wel of niet aanhangen van een geloofsovertuiging mocht geen belemmering zijn om de bibliotheek te bezoeken. Er moest gezocht worden naar een oplossing.Oprichtingsvergadering in het Zeemanshuis van de zelfstandige bibliotheek in 1961. (Foto Teunissen uit Maassluis)Na overleg kwam men tot de conclusie dat er een zelfstandige bibliotheek moest komen, weliswaar met een christelijke grondslag. Er werd een bestuur gevormd bestaande uit: ds. Mak (gereformeerd), ds. Meyer (hervormd), mevrouw Van Dijck (burgemeestersvrouw), Van der End (drukkerij), C. Baatenburg de Jong en waarschijnlijk nog een of twee personen. Bibliotheek Hoogstraat 13, 1961Een van de eerste besluiten was om op zoek te gaan naar een eigen pand, dat niet gedeeld behoefde te worden en dat meer centraal in Maassluis zou liggen. Dit pand werd gevonden aan de Hoogstraat: het voormalige pand van kapper Dijkhuizen, gelegen naast het Gemeenlandshuis. Het pand werd gehuurd van Willem Oranje, de toenmalige organist van de Groote Kerk, die boven de winkel woonde. Met de huur van dit pand ontstond de mogelijkheid van twee aparte afdelingen: een voor de volwassenen en een voor de jeugd, elk met een eigen ingang. De ingang voor de jeugd kon aan de Stadhuiskade komen. Deze ingang is echter nooit in gebruik genomen. De inpandige trap bleef in gebruik als toegang tot de jeugdafdeling.Bij een nieuwe bibliotheek moest ook een nieuwe naam komen. Duidelijk moest in de naam de oorsprong en achtergrond van de bibliotheek te herkennen zijn. Zo ontstond de nieuwe naam ‘Christelijke Openbare Bibliotheek’. Dus een christelijke bibliotheek, maar dan wel voor iedereen. In het najaar van 1961 was het dan zover dat de bibliotheek geopend werd door Burgemeester Van Dijck.Het aanbod aan boeken nam steeds meer toe, net als het aantal lezers. De lezers werden met de invoering van een abonnementensysteem voortaan leden. De registratie van de leden en abonnementen en daarmee ook de vastlegging van de uitleningen begon steeds meer aandacht te vragen. Ook de openingstijden werden uitgebreid. Kortom, de belasting voor de vrijwilligers werd steeds groter. Ook de behoefte aan een goede catalogus nam steeds meer toe. Naast een catalogus in kaartsysteem, die voor eenieder ter inzage was, kwam uiteindelijk ook een gedrukte versie in boekvorm, die voor iedereen verkrijgbaar was. Elk jaar kwam er een nieuwe uitgave van de catalogus.De bibliotheek in de Hoogstraat. (Foto Teunissen uit Maassluis)Officiële opening van de bibliotheek Hoogstraat 13 door burgemeester Van Dijck in 1961. (Foto Teunissen uit Maassluis)Door de toenemende drukte werd duidelijk dat er een grote behoefte was aan een vaste beroepskracht. De uiteindelijke invulling zou echter nog een aantal jaren op zich laten wachten. Het was ook duidelijk dat het pand aan de Hoogstraat door de groei van het aantal boeken en lezers op den duur niet voldoende ruimte zou bieden. Ook de plaats aan de Hoogstraat werd door de groei van het aantal lezers en daarmee de groei van het aantal vervoermiddelen langzaam een probleem. De Hoogstraat was toen nog een druk bereden weg met heel smalle trottoirs, dus waar liet je dan een groot aantal fietsen? Voor auto’s was al helemaal geen plaats.Bibliotheek aan de Haven, 1967Het was dus van belang om een gebouw met voldoende ruimte te vinden, liefst op een aantrekkelijke plaats, goed bereikbaar en met voldoende ruimte voor het plaatsen van de diverse vervoermiddelen. Dit gebouw werd uiteindelijk in 1967 gevonden aan de Haven 27, het voormalige kantoor van Dirkzwager. De toenmalige gebruiker, de Volks Krediet Bank, ging het gebouw verlaten. Hiermee kwam er een mooie grote ruimte ter beschikking. Op de begane grond was ruimte voor de afdeling voor de volwassenen. Op de eerste verdieping (bereikbaar via de achteringang) was voldoende ruimte voor de jeugdafdeling en ook was er een goede ruimte voor een leeshoek met kasten voor naslagwerken.Vanaf dit moment kwam de professionalisering op gang. Via de Bibliotheekcentrale in Dordrecht ging de eerste gediplomeerde assistente in het gebouw aan de Haven aan het werk. Zij was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken.Het Poldergebouw aan de Rozenlaan bood onderdak aan de bibliotheek.Bibliotheek aan de Rozenlaan en de UiverlaanVanaf de Haven is de bibliotheek op 1 februari 1971 verkast naar een tijdelijk gebouw aan de Rozenlaan. Daar was het gebouw van de Ichthuskerk neergezet, een houten ‘noodkerk’ die overbodig was geworden toen kerkgebouw De Ark in gebruik was genomen.Toen het gebouw voor de bibliotheek naast zalencentrum Koningshof gereed was opende de Openbare Bibliotheek op 17 mei 1975 haar deuren aan de Uiverlaan 18. Van half 1999 tot december 2000 betrok de bibliotheek een tijdelijke huisvesting aan de Ibisstraat in een oud schoolgebouw. In die tijd werd aan de Uiverlaan de bibliotheek op dezelfde plek opnieuw gebouwd. Op 1 december 2000 opende de bibliotheek in het nieuwe gebouw aan de Uiverlaan 18.De naamgeving veranderde voor de derde maal. De naam Christelijke Openbare Bibliotheek was, net als de Evangelisatie Bibliotheek, hiermee geschiedenis.Bibliotheek aan de Uiverlaan (1975-1999).Bron: Bovenstaande tekst is gebaseerd op een uitgebreider artikel in HS 66 van Niko Baatenburg de Jong, zoon van de oprichter van de Evangelisatie Bibliotheek in Maassluis.Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Socialisten uit Monster geslagen zondag 14 juli 2019 09:09

Streekhistorie: Socialisten uit Monster geslagen

Aan het einde van de negentiende eeuw ontstond als reactie op het kapitalisme het socialisme, dat later één van de belangrijkste politieke stromingen van ons land zou worden. Het socialisme streefde naar een rechtvaardiger wereld, waarin concurrentie werd vervangen door samenwerking. Een groot deel van de arbeidersbevolking leefde in deze tijd - ook in Monster - onder erbarmelijke omstandigheden en stond open voor de idealen van het socialisme. De Sociaal Democratische Bond (1881) ontstond. Door organisatie van de arbeiders en algemeen kiesrecht zouden de arbeiders uit de kapitalistische ellende worden verlost. De Bond kreeg in de tachtiger jaren veel aanhang in Noord- en Zuid-Holland en veroverde zelfs een zetel in de Tweede Kamer (1888). Een gewezen predikant, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, werd de eerste parlementariër van de Bond. In 1891 ging hun kamerzetel verloren. Domela Nieuwenhuis streefde vanaf dat moment steeds meer naar anarchisme. Deelname aan verkiezingen was voor hem voortaan uit den boze. Niet iedereen was het met deze koerswijziging eens. Een aantal socialisten besloot toch door te gaan op de parlementaire weg en stichtte op 26 augustus 1894 de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), waarvan de huidige PvdA zich nog steeds als de opvolger beschouwt. In het voorjaar van 1894 waren veel socialisten op straat actief om aanhangers te winnen voor hun partij in oprichting, de al eerder genoemde SDAP. Zo ook in Den Haag. Vanuit het vergaderlokaal ‘Walhalla’ aan de Westerbaenstraat en een wijklokaal aan de Koninginnestraat startten de Haagse SDAP-ers met hun wervingsactiviteiten. Zij beperkten zich niet alleen tot de hofstad, maar hielden geregeld ook propagandatochten in het Westland. Een van deze tochten naar Monster liep verschrikkelijk uit de hand.Op naar MonsterOp 26 maart 1894 - het was toen Tweede Paasdag - trok een propagandaclub bestaande uit zo’n vijftig mannen, vrouwen en kinderen naar het Westland. Het doel was de arbeiders te informeren over het socialistische gedachtegoed en hen tot nadenken te stemmen over het wonen in krotten, het leiden van een armoedig bestaan, terwijl rijke grootgrondbezitters nooit werkten en in weelde en overdaad leefden. Met het uitdelen van brochures wilden zij hun boodschap kracht bijzetten. In Loosduinen verliep de verspreiding probleemloos. ‘Met graagte namen [zij] onze geschriften aan, uitgezonderd enkelen.’ In Monster ging het echter mis. Nadat de zangclub in het dorp enkele strijdliederen had gezongen en anderen brochures wilden uitdelen en gesprekken wilden aangaan, barstte de bom. Ondanks de vredelievende bedoelingen van de socialisten kwam er op een hardhandige wijze een einde aan hun aanwezigheid. Met woest getier en gebrul werden zij door met stokken gewapende boeren uit het dorp gejaagd. Via de Madepolderweg vluchtten de deelnemers aan de propagandatocht naar het veilige Den Haag om hun wonden te likken. De Monsterse veldwachters hielden zich bij de confrontatie afzijdig.Timerman Klaas van Vliet verklaarde later dat een welgestelde boer op één van de deelnemers een mooie wandelstok had buitgemaakt en deze met veel lawaai en triomfantelijk aan de omstanders liet zien. Waarop omstanders schamper naar hem riepen: ‘Wat ben jij een held!’. Een week later stond in Recht voor Allen, het orgaan van de Sociaal Democratische Partij een (gekleurde) terugblik op het bezoek aan Monster:‘Een massa door de jenever verdierlijkte en door den godsdienst afgestompte lui vielen ons als een donderslag bij heldere hemel op het lijf, slaande en rukkende, alsof daardoor het vaderland gered werd, hun heldenmoed uiting gevende op weerloze vrouwen en meisjes. Wij moesten voor de overmacht wijken, wij hebben slaag gehad doch ook zooveel mogelijk met intrest teruggegeven doch dit is zeker, meneer de pastoor heeft daar eer van zijn verdommingswerk gehad daar hij zijn parochianen in zoo’n toestand heeft weten te brengen, dat het een beleediging voor het minst nuttige dier zou wezen het te vergelijken met den toestand waarin zijn parochianen verkeerden’.Pamflet dat op dinsdag 3 april 1894 in Monster is verspreid.VervolgactiesDankzij een informant van het ministerie van Justitie, hij was aanwezig bij de SDAP-vergaderingen in het wijkgebouw aan de Koninginnestraat, weten we exact welke vervolgplannen werden gemaakt. Daags na het bezoek aan Monster en op 4 april kwamen de organisatoren van de tocht bij elkaar om de balans op te maken. Door mishandelingen waren verscheidene socialisten gewond geraakt. Een man had een gebroken knieschijf opgelopen, terwijl een meisje zo was geschopt dat zij een breuk had gekregen. Bij verschillende deelnemers was de kleding van het lichaam gescheurd. De totale schade bedroeg 75 à 80 gulden. Niet iedereen beschikte over voldoende geld om nieuwe kleding te kopen. Ter compensatie van deze ongemakken werd een 'strijdpenning' uitgekeerd. Ook werd besloten om bij meer gefortuneerde partijgenoten geld hiervoor in te zamelen. De aanwezigen schreeuwden om wraak op de Monsterse boeren. Een aanwezige zei: 'Als ik een boer te pakken krijg, dan bijt ik hem zijn strot af’. Plannen werden gemaakt voor nieuwe acties. Sommigen wilden zo spoedig mogelijk opnieuw naar Monster trekken om die boeren een lesje te leren. Om op alles voorbereid te zijn moesten revolvers, messen en stokken worden meegenomen. Anderen waren voorstanders van meer vreedzame acties. 'Wij moeten vol blijven houden met daar heen te gaan en vooral de vrouwen trachten te winnen, dan hebben wij al veel gewonnen'.De haviken leken even de overhand te krijgen. Op zondag 1 april 1894 was J.G.H.Ph. Methöfer met een vriend opnieuw naar Monster geweest om te kijken ‘hoe de geest van het volk was’. Deze liet zijn inziens te wensen over. De dinsdag daarop was hij met enkele partijgenoten nog een keer terug geweest en hadden zij pamfletten kunnen uitdelen ‘die gretig door de vrouwen waren aangenomen’. In dit pamflet 'Aan de inwoners van Monster!' werden de socialistische ideeën met verve uiteengezet en werd de Monsterse ontvangst sterk afgekeurd. Het pamflet eindigde met 'Wij koesteren geen haat tegen u en willen geen wraak oefenen maar kunnen slechts medelijden met u hebben en u beklagen, omdat gij getoond hebt nog zoo ver te staan van de meest gewone beschaving. Wij verwachten een volgende keer als menschen ontvangen te worden'. Voordat de boeren van hun werk kwamen, waren zij naar huis gegaan. Besloten werd op korte termijn nogmaals Monster met een bezoek te vereren. TegenmaatregelenDe aanwezige informant stelde de Haagse Officier van Justitie van de vergaderuitkomsten op de hoogte. Hij nam direct zijn maatregelen. De Monsterse burgemeester G. van Luik stelde hij van de voorgenomen actie op de hoogte. Uitdrukkelijk waarschuwde hij Van Luik voor de komst van de beruchte socialist Methöfer. De hoofdcommissaris van de politie in De Haag stuurde een signalement van hem. Hij betitelde Methöfer als anarchist die klein van stuk was, mager, met een zwarte snor, bril, hoed, korte jas en oud ongeveer 38 jaar. Methöfer was door de Krijgsraad in 1882 veroordeeld voor de doodslag op een prostituee en had hiervoor vijf jaar in een tuchthuis gezeten. Als de Monsterse burgemeester dit wenste konden de Monsterse veldwachters op versterking rekenen van rijksveldwachters uit Den Haag. Onderlinge onenigheid tussen de socialisten over het tijdstip om de Monsterse boeren mores te leren leidde ertoe dat van de voorgenomen plannen niets kwam. Een nieuwe confrontatie bleef uit. Wel spraken zij af dat binnen enkele weken ‘een klein getal den leeuwenkuil voor socialisten weer eens binnen [zou] gaan’ om er hun wervingsfolders uit te delen. Enkele inwoners van Monster waren namelijk door het optreden en volhouden van de propagandisten de SDAP-in-oprichting gunstig gestemd.Auteur: Adri P. van Vliet van de Historische Vereniging Monster & Ter HeijdeGebaseerd op: Nationaal archief Den Haag, Ministerie van Justitie 1876-1914, 6485.Historisch Archief Westland, OA Monster, OA, 2389, 2438. Recht voor Allen, 1 en 8 april 1894Nieuwe Westlandsche Courant, 4 en 11 april 1894.
Lees meer
Streekhistorie: Buitenplaats Endeldijk zondag 30 juni 2019 21:09

Streekhistorie: Buitenplaats Endeldijk

Endeldijk is als buitenplaats gesticht door Adriaen Cobmoyer, bestuurder van de Hoge en Provinciale Raad in Den Haag, die in 1664 een huis in Honselersdijk kocht met ruim 19 morgen land erbij. Hij veranderde dit bezit in het buiten Ende(l) Dijck dat in 1683 gereed kwam getuige de vermelding op de hekpijlers van de toegangspoort. Deze hekpijlers hebben tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw aan de Endeldijk gestaan. Fragmenten van deze hekpijlers zijn bewaard gebleven en te zien in de tentoonstelling over Westlandse buitenplaatsen in het Westlands Museum. In 1741 verkochten de erfgenamen van Cobmoyer Endeldijk aan de Rotterdamse lakenhandelaar Willem van der Pot (1704-1783). Endeldijk was in eerste instantie alleen een grondbelegging. Van der Pot liet het boerenland in de loop van vijfentwintig jaar omvormen tot een tuinbouwgebied. Van der Pot kocht ook het landgoed Stomperdijk, waarvan de landerijen zich uitstrekten van de Mariëndijk tot aan de Middel Broekweg. Later werd Endeldijk omgevormd tot buitenhuis met een siertuin. Van der Pot schreef hierover in zijn Hofdicht over Endeldijk waarin hij in fraaie bewoordingen de lof zingt over de prachtige tuin die met zijn slingerende paden is aangelegd in de Engelse landschapsstijl.Om de afwatering van zijn gronden te verbeteren, liet Van der Pot in 1757 een brede sloot graven vanaf de Mariëndijk naar de Grote Gantel. Dit werd de Nieuwe Tuinensloot, waarbij het land aan weerszijden van de nieuwe sloot verkaveld werd in percelen van ongeveer drie morgen (ca. 2,5 ha.). Ook bij Stomperdijk werden tuinen aangelegd zodat hij op een gegeven moment 20 ‘fruithoeves’ had. Van elk van die fruithoeves kon een gezin goed leven en door de pachtopbrengst had Van der Pot een goed rendement op zijn belegde geld. Dat Van der Pot door zijn beleggingen mensen een kans gaf om een inkomen te verwerven had te maken met zijn remonstrantse geloofsopvatting. Het remonstrantisme was een vrijzinnig protestants kerkgenootschap dat gekenmerkt werd door vroomheid en liefdadigheid. Als remonstranten waren de Van der Pots geen aanhangers van de Oranjes maar staatsgezind. Op het eind van de 18e eeuw ontstond de Patriottenbeweging die de macht van de Oranjes wilden inperken. In 1783 overleed Willem van der Pot en erfde zijn zoon Cornelis Endeldijk. Cornelis was een actieve patriot en richtte ook in Honselersdijk een patriottisch vrijkorps op. Deze gewapende eenheid arresteerde de schout van Honselersdijk, Abraham Douglas, en zette hem gevangen in Endeldijk. Douglas was de vertegenwoordiger van de Oranjes en bestuurde hun Westlandse bezittingen. Nadat de patriotten verslagen waren nam de Oranjegezinde lokale bevolking wraak en werd het huis Endeldijk grotendeels verwoest. Cornelis van der Pot vluchtte na de Patriottische nederlaag naar het buitenland, maar kreeg zijn bezit later terug. Endeldijk werd gedeeltelijk hersteld maar de gloriedagen waren over. De fruithoeves van de Nieuwe Tuinen bleven en waren van groot belang bij het ontstaan van het Westland als tuinbouwstreek.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Buitenplaats Zuidwind zondag 16 juni 2019 10:10

Streekhistorie: Buitenplaats Zuidwind

In het Westlands Museum in Honselersdijk loopt tot medio maart 2020 een grote expositie over de Westlandse buitenplaatsen in de Gouden Eeuw. De tentoonstelling laat de bezoeker kennismaken met de buitenplaatsen en hun ontwikkeling, de bewoners, hun gewoonten en de levensstijl. Tijdens de tentoonstellingsperiode worden veel activiteiten georganiseerd, o.a. workshops en demonstraties, lezingen en cursussen en er is een fietsroute langs nog bestaande buitens. In en na de Gouden Eeuw, kwam een "buiten" bij de rijke Hollandse kooplie­den erg in trek. Zo ont­stonden in aantrekke­lijk stre­ken vlak­bij de belang­rijkste steden buiten­plaatsen, die eerst als "twee­de" woning dienden en later perma­nent bewoond werden. 's-Gravenzande was in die tijd zo'n aantrekke­lijk woonge­bied. In de 17e en 18e eeuw werden hier wel veertien buitenplaatsen aangelegd. De grootste was Alsemgeest, die aan de Maasdijk lag en een oppervlakte had van 46 morgen (ongeveer 40 hectare). Eén van deze buitenplaatsen was het voorname Zuidwind, gelegen aan de zuidzijde van het dorp aan het einde van de Langestraat. De buitenplaats had als grenzen de huidige Zuid­wind, Naald­wijkse­weg, Berkenstraat en liep aan de zuidzijde tot bijna aan de Eiken­laan. De oudste gegevens over de buitenplaats Zuidwind date­ren uit het jaar 1669. Op 7 november van dat jaar kocht jonker Johan de Crequi dit la Roche de buiten­plaats van Salomon Sweers, koopman te Amsterdam. Jonker Johan was als kapi­tein van de Pittardiers (Picardiers?) in staatsdienst werkzaam. Kennelijk beschikte hij niet over de gehele koopsom want op 7 december 1670 erkende hij nog een restant van de kooppenningen schuldig te zijn. Deze schuld bleef bestaan en was er waar­schijnlijk de oorzaak van dat de buitenplaats op 16 september 1697 verkocht werd aan Mr.Gerbrand Zas van den Bossche, secre­taris van het Colle­gie der Admiraliteijt op de Maze tot Rot­terdam. De bui­ten­plaats werd in de koopakte als volgt om­schre­ven: "een plaets of hoffsteede, stallinge, ende tuij­nma­nshuijs met omtrent 13 mergen en zeshalf hondt, zoo gront, boomgaerd, plantage, bosch, weij ende ander land gelegen soo tot 's-Gravensande als in Sant Ambacht met eenige meubilen en gereed­schappen".Ook Mr.Gerbrand Zas kwam in financiële moeilijkheden te verke­ren. Na zijn overlijden werd de buitenplaats op 26 september 1703 verkocht aan Reijer Evertse van Bleijswijck uit Delft, van beroep kapitein van een compagnie infanterie voor de som van 5.020 gulden.Het landgoed werd toen omschreven als: "hoffsteede, stalling voor koets, vijff paerden, tuijnmanshuijs met omtrent 14 mergen (volgens de verponding 5 mergen plantagie en getimmer­tes onder 's-Gravenzande en 9 mergen plantagie onder Sand Ambacht) met een bequame vijver daarin plantagie, bosch enz.".Hoe het buiten er in 1712 uitzag is te zien op de kaart van landmeter Krui­kius. In de hoek van de Zuidwind/Naaldwijk­seweg lag de hofstede met koetshuis en bijgebouwen met daarom­heen ­bosjes, boomgaarden en een stelsel van ster­vormige lanen in barokke tuinaanleg. Van Bleijs­wijck had kort daarna op de buiten­plaats een indruk­wekkend landhuis laten bou­wen dat in 1715 gereed kwam. Dit kapitale landhuis lag in het verlengde van de Langestraat, ongeveer 70 meter vanaf de huidige Zuid­wind. De oude tuinen werden op­nieuw inge­deeld en de oude hof­stede werd verbouwd tot oranje­rie. Veel plezier van zijn landhuis heeft hij niet gehad omdat hij op 22 septem­ber 1719, op de leeftijd van 71 jaar, over­leed. Het buiten bleef daarna in het bezit van zijn weduwe, Petro­nella Ver­burgh ( 1662-1727) en na haar over­lijden trad haar zoon Franco op als erfge­naam. Enige jaren later omstreeks 1735 erfde Mr. Hendrik rijksba­ron van Slinge­landt (1702- 1759), sche­pen en burgemees­ter van 's-Gra­venhage, het landgoed. Hij was namelijk gehuwd met Maria Catharina van der Burch, (1707-1761) de klein­dochter van Reijer van Bleijs­wijck.Maria Catharina van der Burch, echtgenote van Hendrik van Slingelandt. Links achter op de prent een afbeelding van het huis Zuidwind.Hendrik van Slingelandt heeft aan zijn landhuis en het omlig­gende tuinencomplex veel geld besteed. Van de hier­aan verbon­den werk­zaamheden is onder andere het volgende bekend.In 1753 liet hij een nieuwe muur bouwen langs de Rijwegh (de Zuidwind), er werd een nieuwe wagen­schuur gebouwd en het "secreet" (toilet) werd vernieuwd. Ook werden er stukken land bijge­kocht. Hij liet een lange leimuur metselen, 26 roeden lang, 9 1/2 voet hoog en 1 1/2 steen dik, waartegen fruitbomen konden worden geplant. Omdat het waterpeil van de buiten­plaats niet optimaal was liet Van Slinge­landt in 1753, aan de oost­zij­de van de buitenplaats, een sloot graven die lag op de schei­ding met het land van " Juf­frouwe weduwe Antonij van Eepen­huijze". Later in 1755 werd deze sloot ver­lengd met 130 roe tot in totaal ongeveer 700 meter. Op 1 november 1755 schreef Van Slinge­landt een brief aan Schout, Am­bachtsbe­waar­ders en Croos­heemraden van 's-Gravenzan­de en Sand- Ambacht om een paardewa­termolen te mogen bouwen, zodat water gemalen kon worden uit de Oudelandse banwatering. De kosten van deze stenen watervij­zelmolen be­droegen 500 gulden. Reden hiervoor was dat de sloten en vij­vers van zijn buiten in de zomer meest­al droog lagen, vooral de sloten aan de westzij­de langs de “Publicque Heere­wech" (Naaldwijkseweg), zodat "droog­voets over deselve konde werden gepasseerd en de voor­noemde Hoffsteede was openleggende voor alle quaade en ondeu­gende persoonen".Het herculesbeeld op ZuidwindLater in 1756 kocht Van Slingelandt van Jop Thoen, meestertim­merman te Delft, 284.000 stenen van het gesloopte Domeinkwar­tier van de lusthof Honselaarsdijk. Deze stenen werden per schip naar 's-Gravenzande vervoerd. Wat hiervan gebouwd is, is niet bekend. Deze tijd, het midden van de 18e eeuw was het hoogtepunt van deze fraaie buiten­plaats. De lanen die over de buitenplaats liepen waren verfraaid met beelden­groepen, waaronder een imposant beeld van een hercules­figuur. In vijvers werden water­vo­gels en goudvis­sen gehou­den. Verder was er een baan waar men met familie en vrienden het colf­spel kon spelen, in die tijd een zeer geliefde bezig­heid. Ook aan de westzijde van de buiten­pla­ats, aan de andere zijde van de huidige Naald­wijkseweg, werd grond gekocht tot aan de Maas­dijk toe. Op dit deel van de bui­ten­plaats was een kunstma­tige heuvel, waarvan men een prachtig uitzicht over de omge­ving had. Verder was daar in de tuinen een monumen­tale stenen bank geplaatst, de zoge­naamde Europabank. Aan de Zand­dijk, op de toen­malige geest van Van Straalen, ten westen van de oude molen stond het vinken­huis, waar tijdens de na­jaars­trek met netten vogels werden gevan­gen. Dat was waar­schijn­lijk voor consumptie maar ook als aanvul­ling van de mena­gerie. De menagerie van Zuidwind.Van deze buiten­plaats bestaat een serie unieke aquarellen die, in opdracht van Van Slingelandt, tussen 1744 en 1749 gemaakt zijn door A.Schouman. Deze aqua­rellen geven een prachtig beeld van deze bui­ten­plaats in al zijn barokke pracht en praal. Helaas is er uit die tijd geen plattegrond van de buitenplaats bewaard gebleven. Op de buitenplaats was werk voor talloze tuinlieden, die niet alleen de perken bij moesten houden en de laanbomen in model moesten knippen, maar ook tot taak hadden de meest exotische gewas­sen te verzorgen. Zo groeiden er sinaasappelboompjes en agaves in kuipen en verder perziken en ananas. De kuipplanten werden in de winter in de oranjerie geplaatst. Voor de perzi­ken, druiven en ananas waren speciale kassen gebouwd. In de ananaskassen moesten in de winter kachels gestookt worden om de planten vorstvrij te houden. De voormalige boerderij verbouwd tot de oranjerie van Zuidwind.Ook waren er koet­siers, paardenknechten en een uitge­breide staf aan huis­per­soneel. Bij de aanleg van de tuinen en de verbou­wings­werk­zaam­heden hebben veel 's-Gravenzanders arbeid ver­richt. Er zijn rekeningen bewaard gebleven waar­uit blijkt dat arbei­ders voor diverse werkzaamheden per week (toen nog 6 dagen) 5 gulden en 8 stui­vers ver­dienden. Voor o.a. het ver­plaatsen van grond met paard en wagen kreeg Jan van Staal­duijnen op 15 sep­tember 1758 3 gulden per dag.Na het overlijden van Mr. Hendrik van Slingelandt vond op 2 november 1761 een boedelscheiding plaats. De buitenplaats kwam daarbij in het bezit van zijn zoon Mr. Barthout, rijksbaron van Slinge­landt en Goidschalkxoord, burgemeester van Dordrecht (1731- 1798). Zijn tweede echtgenote was Magdalena Anna Elisabeth van Boetze­laar (1756-1809). Zij woonden permanent op huize Zuijd­wind, beiden zijn op de buitenplaats overleden. Mevrouw de barones Van Boetzelaer overleed op 8 augustus 1809. Bij akte van 12 november 1810 werd de buitenplaats door de executeur van het testament verkocht. De koper, Willem Hubert junior, betaalde voor het hele complex f 27.000,- met 5% pond­geld aan het gerecht van 's-Gravenzande en Sand- Ambacht en 5% rantsoen aan de notaris te 's-Gravenha­ge. Uit de verkoopakte krijgen we een goed beeld van de toen­malige buitenplaats. Verkocht werd: "De buitenplaats Zuidwind, met deszelfs Heeren Huizinge, geleegen onder s Gravenzande en zand Ambacht, circa twee uren van den Haag,bestaande dezelve huizinge in verscheidene behan­gene kamers waaronder voornamentlijk uitmunt een met vogels geschilderd behangsel door wijlen den beroemden A.Schouman. Voorts gedeeltelijk met schilderijen boven de schoorstenen en marmere schoorsteenmantels voorzien, benevens verscheidene domesticken kamers, mangelkamer, kapitale zolders, kelders en verdere appartementen en offices, tot eene zeer gedistingueer­de woning behorende. Hebbende hetzelfve gebouw een allerver­rukkelijkst en uitgestrekt uitzigt over een gedeelte der buijtenplaats en de landerijen rondom dezelve gelegen. Wijders een zeer ruime tuinmanswoning en getimmertens tot diverse gebruijken kunnende strekken, orangerie, schuuren, wagenkeet, spaciens koetshuijs en stalling. Zijnde dezelve buitenplaats en zijne bepptinge en beplantinge groot, zeven mergen en vierhonderd roeden, waarvan een aanmerkelijk gedeelte is beplant met zwaarde opgaande beuke en linde boomen gevarieerd wordende en deszelfs laanen door engelsch plantsoen en terras­sen, als ook een menagerie waarin meede een kapitale kom voor watergevogeltens, bevattende wijders moestuijnenn, boomgaar­den, goudvis- en ander vijvers, bloem en grasperken, steenen druijven, persikken en ananaskassen, zijnde de moestuijnen met exquise vrugtboomen van allerlei soort voorzien, alsmede nog den opstand van een watervijzelmolen tot het opmalen van het benodigde water van de plaats en voorts allees wat tot agree­ment en sierraad van een kapitale buijtenplaats kan verstrek­ken. Onder het verkogte wordt verstaan begreepen te zijn de boomen welken op de Herenweg ten westen en ten noorden van de vorengemelde buijtenplaats zijn staande alsmede de twee banken in de kerk te 's-Gravenzande. Voorts een perceel land, groot omtrent acht mergen, gelegen ten westen van de voorgaande partij beplant met zware eijken, beuken ijpe en abeeleboomen, waaronder eenoge zeer bekwaam tot werkhout en een partij hakbaar houtgewas. Voorts met diverse kapitaale laanen, alsook eene met palissade afgeslotene menagerie.".Kennelijk is de buitenplaats aangekocht voor de sloop. Dit lag ook wel in de lijn van de verwachtingen in die tijd, zo kort na de Franse revolutie toen Nederland verarmd was en bezit uit den boze was. In 1813 kwam het "gedemolierde" Zuijdwind in het bezit van de heer A.A. de Vries Robbe te 's-Gravenhage. Op de ter­reinen die tot de buitenplaats hebben behoord zijn in later jaren tuinde­rijen aangelegd, o.a. die van de heer Pieter van den Berg. Kennelijk is toch niet het gehele bezit door de familie Van Slingelandt verkocht. In 1833 vond namelijk nog een verhu­ring van een stuk land plaats aan Abraham van Straalen, bouw­man te 's-Gravenzande, door een zaakgelastigde van Agatha Jacoba van Slingelandt, echtgenote van de heer Amede Joannes Maria Ghis­lenus baron Defailly, grondeigenaar te Brussel.Nu is er niets meer aanwezig van wat eens de buiten­plaats was. In de tachtiger jaren zijn door de Historische Werk­groep Oud 's-Gravenzande de funderingen van het koetshuis opgegra­ven. Rond 1980 werd bij het leggen van leidingen aan de Zuidwind de funde­ring blootgelegd van de in 1753 gebouwde muur. De enige blij­vende herinnering aan de buitenplaats is de straat­naam Zuid­wind en de vreemde bocht in de Zuidwind op de hoek van de Oudelandstraat. Hier begon vroeger de oprij­laan naar het landhuis.Maquette van de buitenplaats Zuidwind.Onderdeel van de grote expositie in het Westlands museum is een maquette van de buitenplaats Zuidwind. Deze maquette kon met veel moeite uiteindelijk aan de hand van de vele aquarellen van Schouman gereconstrueerd worden. Rechts de wagenschuur met daarachter kassen mogelijk werden hier de ananassen geteeld. Daarboven is de oude boerderij te zien die in de winter als oranjerie werd gebruikt. Auteur: Jan Dahmeijer van de Vereniging Oud ’s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Johan Barthold Jongkind is terug in Midden-Delfland zondag 9 juni 2019 09:09

Streekhistorie: Johan Barthold Jongkind is terug in Midden-Delfland

Dit keer een toespraak van historicus Jacques Moerman in de boot op weg naar de onthulling van het standbeeld van Johan Barthold Jongkind op zondag 2 juni 2019. De schilder werd 200 jaar geleden, op 3 juni 1819, geboren. Vijfenveertig jaar geleden had ik een correspondentie met Victorine Hefting, voormalig directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag en schrijver van het eerste oeuvrewerk over de kunstenaar Jongkind. Het schrijven ging over het schilderij: ‘Wintergezicht op Klaaswaal’, volgens mij betreft het een ‘Wintergezicht op Schipluiden’. De toren van de kerk klopt, evenals boerderij Abbestee links op de voorgrond. Victorine hield het bij Klaaswaal. Zij wist niet dat Jongkind regelmatig als wandelaar gebruik maakte van het trekpad, en soms als passagier van de trekschuit, van Maassluis naar Delft. De kunstenaar heeft ook gezichten op Maassluis en Delft geschilderd, alsmede twee Delftse scheepswerfjes, waar trekschuiten werden onderhouden.Wintergezicht van Jongkind op Schipluiden of toch Klaaswaal in 1862?Twintig jaar geleden kwam ik in het bezit van een ets van Jongkind, een afbeelding in spiegelbeeld. Als je de ets omdraait, zie je een herkenbare situatie aan de Vlaardingsevaart, namelijk het Rechthuis van Zouteveen en twee molens. Hierover hebben we een correspondentie gevoerd met François Auffret, voorzitter van de ‘Société des Amis de Jongkind’. Hij deelde onze mening over de locatie van de ets en nam deze constatering op in zijn boek ‘Jongkind 1819-1891, Biographie Illustrée’, dat in 2004 is verschenen.Later ontdekten we nog enige kunstwerken van Jongkind van de trekschuitroute door Midden-Delfland, waaronder een ets met de Buijkslootmolen langs de Vlaardingsevaart en het schilderij ‘Le polder de Zouteveen’, mogelijk zijn laatste werk voor zijn dood in 1891. Op beide afbeeldingen is de trekschuit Maassluis - Delft te zien. Curieus is dat Jongkind aan het eind van zijn leven de plek schilderde, waar hij in zijn jeugd regelmatig langs liep. Het is goed dat hij vanaf vandaag in deze route nu zelf levensgroot is te zien. Galerie RitsArt in Maassluis heeft dit idee met de jonge stichting The Art Foundation heel attent en professioneel opgepakt. Ets van Jongkind van het Rechthuis van Zouteveen (situatie in spiegelbeeld), 1862.Betekenis van JongkindDe bekende Franse schilder Manet schreef dat Jongkind de vader van het moderne landschap is, Monet beschouwde hem als zijn leermeester en de enige goede schilder van watergezichten. Zola stond versteld van zijn werk en kende geen interessantere persoonlijkheid; Signac zag hem als geniale voorganger van het impressionisme. Jongkind leefde vanaf 1847 tot zijn dood in 1891 vooral in Frankrijk, zijn tweede vaderland. Het land ziet hem ook als lid van de Franse School. Hij was in zijn tijd in Frankrijk al beroemd. Algemeen wordt hij nu als voorloper van het impressionisme beschouwd. Hij schilderde al als impressionist, voordat het woord was geboren.Zijn jeugdJongkind werd op 3 juni 1819 in Lattrop Overijssel (bij Oldenzaal) geboren, hij woonde van zijn tweede tot zijn veertiende jaar in Vlaardingen (1821-1833). Zijn vader was daar Ontvanger van Accijnzen. In Vlaardingen heeft de familie Jongkind op meerdere locaties aan de Westhavenkade gewoond, waaronder in woningen die in voormalige pakhuizen waren gebouwd. In 1827 woonde het gezin voor het eerst in een normaal huis, Westhavenkade 59. Op de opvolger van dit pand is een gedenkplaat aangebracht, die naar Jongkind verwijst.In 1834 verhuisde het gezin naar Gouda, Johan Barthold woonde in dat jaar bij zijn oom Johannes Jongkind in Maassluis. Hij zou daar notarisklerk zijn geweest. Zijn vader overleed in 1836 in Gouda. Toen waren er nog drie van de acht kinderen minderjarig, waarna zijn moeder met het gezin naar Maassluis (1837) verhuisde. Ook daar woonde de familie op verschillende locaties, onder andere aan de Zuid- en de Noordvliet.Jongkind ging in 1837 (hij was 18 jaar) naar de Tekenacademie in Den Haag. In 1838 ging hij daar op kamers wonen; hij kwam nog wel regelmatig in Maassluis. Zijn vriend en medestudent Charles Rochussen schreef later over hun gezamenlijke studietijd: ‘Met genoegen herinner ik mij de wandelingen die wij met elkaar maakten, soms naar zijn moeder te Maassluis of naar zijn zuster te Klaaswaal. Onderweg was hij altijd aan het schetsen.’ Rochussen: ‘Hij teekende met gewoon zwart krijt en het was wonderlijk zijn vaste hand en zijn begrip van kleur en lijnen gade te slaan.’ Zijn schetsboekjes liggen nu in het Louvre en waren voor hem vaak het uitgangspunt voor zijn latere tekeningen, etsen, aquarellen en olieverfschilderijen. In Den Haag kregen Rochussen en Jongkind les van Adriaan Schelfhout, een schilder van de Romantische School. De eerste schilderijen van Jongkind, onder andere zijn ‘Gezicht op Delft, vanaf de Vliet’, passen nog in die stijl. Maar al snel ontwikkelde de kunstenaar een eigen stijl. Een tijdgenoot omschreef Jongkind als volgt: ‘een langen blonden knaap, met blaauwe oogen, van het blaauw van Delftsch aardewerk, met een mond met uitgezakte hoeken…’Water blijkt op hem de meeste aantrekkingskracht te hebben. Dit was geen toeval. In zijn jeugd woonde hij in twee havensteden: Vlaardingen en Maassluis. Hij heeft prachtige haven-, rivier- en strandgezichten in Frankrijk geschilderd. De meest geliefde schilderplekken waren voor hem: Dordrecht, Overschie en Honfleur.Patineurs à Maassluis, olieverf van Jongkind, 1866.Jongkind verlootte zijn eerste werk. In 1834 schreef hij aan B&W van Vlaardingen een brief: ‘dat het hun Edelachtbaren moge behagen hem tot het doen eener verloting bestaande uit 70 loten à eene gulden het lot en wel van twee schilderijen voorstellende het eene een gezigt op Maassluis en het andere op Vlaardingen, door hemzelve vervaardigd, goedgunstig tot te staan. Welke verloting hij alsdan zoude verlangen kwam plaats hebben in de Hollandsche Tuin op den 29 April a.s.‘ De schilder kocht zelf ook enige loten….De Hollandsche Tuin was een herberg, waar ook huizenveilingen plaatsvonden. Het pand stond in de Hoogstraat. Het geld was een welkome aanvulling op een studietoelage van 200 gulden die hij in 1836 van de Prins van Oranje, de latere koning Willem II, heeft gekregen. Hierdoor kon hij de Haagse Tekenacademie volgen en werd het voor hem mogelijk om zich als zelfstandig kunstenaar te vestigen. Zijn moeder heeft hem altijd gestimuleerd, ook toen hij zijn geluk zocht in Frankrijk, waar hij uiteindelijk het meeste succes kreeg. De waardering voor zijn persoon en kunst is in Nederland gestegen door een grote tentoonstellingen over zijn werk in het Gemeentemuseum in Den Haag (in 2003/2004) en in het Dordrechts Museum (in 2017/2018). In 2015 hebben we in de ‘Cultuurhistorische inventarisatie van de trekvaartroute tussen Delft en Maassluis/Vlaardingen’ voor het eerst uitgebreid aandacht besteed aan Jongkinds’ werk in relatie tot deze vaarroute. Het boekje is te downloaden via de website van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden. De verschijning ervan is niet onopgemerkt gebleven. Beeld van Jongkind door Rob Houdijk op de hoek van de Noordvliet (Maassluise Trekvliet) en de Vlaardingsevaart. Foto: Jacques Moerman.In het Museum van Vlaardingen is momenteel een uitstalling te zien van ca. twintig schilderijen van Jongkind, waaronder een ‘Gezicht op Delft’ en een ‘Gezicht op Maassluis’. Ga het zien… en vier vanaf vandaag (2 juni 2019) zijn terugkeer in Midden-Delfland. Het beeld van Jongkind staat op de hoek van Noordvliet en de Vlaardingsevaart. Hij liet zich hier in zijn jeugd overzetten met het veerpontje van het Rechthuis van Zouteveen, waarna hij zijn voettocht naar Den Haag of Maassluis voortzette. Het beeld - ook een voorbeeld van impressionisme - is gemaakt door de bekende kunstenaar Rob Houdijk.Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden.
Lees meer
Streekhistorie: De Buitenplaats van Salomon Swerius en zijn Sweeruslaan zondag 2 juni 2019 09:09

Streekhistorie: De Buitenplaats van Salomon Swerius en zijn Sweeruslaan

De Westlandse Buitenplaatsen staan de laatste tijd flink in de belangstelling. In december 2018 werd het mooie boek over de Westlandse Buitenplaatsen gepubliceerd. Op 28 april 2019 startte er in het Westlands Museum een nieuwe, uitgebreide tentoonstelling over de Buitenplaatsen, die nog door loopt tot 15 maart 2020. Uit het boek en de tentoonstelling blijkt dat het Westland vele buitenplaatsen, ook wel hofsteden genoemd, heeft gehad vanaf eind zestiende eeuw. Maar er zijn er weinig van overgebleven. Dat geldt ook voor de buitenplaats van Salomon Swerius, waarvan alleen de straatnaam Sweeruslaan nog is blijven hangen. Waar lag/ligt de Sweeruslaan?De Sweeruslaan was een van de kleine zijlanen van het Oosteinde in Wateringen. Vanaf de Herenstraat ging je het Oosteinde op richting Rijswijk. Dan kreeg je aan je linkerhand achtereenvolgens de Kwaklaan, De Korte Kwak, de Uilenlaan, de Druivenlaan en de Sweeruslaan.Voor het tankstation naar links; dan kwam je aan het begin van de Sweeruslaan langs de families Holsteijn, Van der Helm en Koenen. Verder naar achteren was een bocht naar links en kwam je bij familie Bernard Zwinkels en familie Van Santen. Er van daar liep naar rechts een voetpad door naar de Noordweg. Per 1 januari 1994 werd dit deel van Wateringen geannexeerd door gemeente Den Haag en werd de Sweeruslaan dus een Haagse straatnaam (zie de topografische kaart van oktober 1995).Op 18 december 2013 nam de Haagse gemeenteraad het volgende besluit: Als gevolg van een grenswijziging behoort de Sweeruslaan (Escamp) vanaf 1 januari 1994 bij de gemeente Den Haag, voorheen behoorde deze straat tot de gemeente Wateringen. Besluit de in 1994 overgekomen straatnaam Sweeruslaan vanuit de gemeente Wateringen in te trekken (straatcode 20956). Nu ligt daar de Laan van Wateringse Veld. Vreemd is het dat op de kaart van Google Maps van 2019 de straatnaam Sweeruslaan nog voorkomt, terwijl deze feitelijk al is ingetrokken. Onvergeeflijk dat Den Haag zo’n besluit nam, terwijl deze laan zo'n bijzondere geschiedenis heeft.Kaart van Google Maps 2019 met vermelding van SweeruslaanHet ontstaan van de SweeruslaanOp oude kaarten komen we de contouren van de Sweeruslaan al tegen. Op de kaart van 1631 van de gronden van de Abdij van Leeuwenhorst in Wateringen zien we aan de rechterkant een 'Kerk padt' liggen lopend van Vlietwech (Suijtwech, nu Oosteinde) naar De Lange Noortwech. Dit Kerkpad is de voorloper van de Sweeruslaan! Rechts van dit Kerkpad lagen van onder naar boven de landerijen van Bartel Dircx (van der Valk), de Abdij van Leeuwenhorst (groen gekleurd) en Arent Jansz. (Olsthoorn). Tussen de Vlietwech en de Molenwateringe (de Vliet) staat links van dit Kerkpad een huis. Dit is het huis van Bartel Dircx. (van der Valck). Kaart van Abdij van Leeuwenhorst uit 1631 deel WippolderDetail kaart van Abdij van Leeuwenhorst uit 1631 huis Bartel DircxWillemina Sas, weduwe van Dirck BortIn 1641 verkocht Bartel Dircx zijn huis, bijhuis, schuur, bargen, boomgaarden en landen gelegen in de Wippolder als ook in de polder van Nieuw Wateringveld aan Willemina Sas, weduwe van Dirck Bort in zijn leven klerk ter Griffie van de Staten-Generaal. De transactie omvatte bijna 11 morgen in de Wippolder en bijna 14 morgen in de Nieuw Wateringveldse Polder. Zij woonde in 's-Gravenhage en gebruikte deze woning in de zomer als Buitenplaats. In de jaren 1643, 1646 (2 maal) en 1648 kocht Willemina Sas respectievelijk van Arijen Houckwater bijna 8 morgen in de Nieuw Wateringveldse polder, van Jacob Arijensz. Hoogerscheijt 4½ morgen in de Wippolder, van de erfgenamen van Jacob Cornelisz. Valck bijna 4 morgen in de Wippolder en van Zijne Hoogheid de Prins van Oranje (Frederik Hendrik) bijna 5 morgen in de Wippolder. Alle gekochte percelen grensden aan een zijde aan haar reeds in bezit zijnde eigendommen. Van de twee stukken land uit 1646 werd al gesproken over een uitpad naar de Vlietwech, welke toebehoorde aan Willemina Sas en de erfgenamen van Jacob Cornelis den Boer. Zo bezat zij in 1648 bijna 20 morgen in de Wippolder aan beide zijden van het Kerkpad en 22½ morgen in de Nieuw Wateringveldse Polder.Juffrouw Willemina Borth, minderjarige dochter en erfgenaam van wijlen mr. Nicolaes BortIn 1688 kochten mr. Louwerens Raavens, mr. Johan van Alphen en mr. Franchoijs van Bockhooven tesamen in kwaliteit als testamentaire voogden over juffrouw Willemijna Borth van Juffrouw Clara van Buijren, weduwe van de heer Pieter van Aldeweerelt een strookje teelland lang 107 roeden en breed 3 roeden, groot in het geheel 321 roeden - ten oosten van verkoopsters haar land en streckende van de Noortwegh off tot aent lant geleegen in de Wippolder onder Wateringh van de voorn coopers … voor de somme van 321 guldens. Tevens werd overeengekomen dat in de breedte van 3 roe (ruim 11 meter) de kopers een sloot van 8 á 10 voeten (2½ tot 3 meter) mochten delven waarvan het ‘spijs’op het resterende gekochte land moest worden gesmeten om het zo op te hogen en zo een eigen laen te maken van 107 roe (400 meter) van de Noordweg naar hun eigen land. Deze strook was het noordelijk deel van het Kerkpad dat op het perceel van Clara van Buijren lag; links van het groene vlak liep het Kerkpad verder over percelen die door de familie Bort in 1641 gekocht waren, naar de Suijtwech (nu Oosteinde). Kaart van Abdij van Leeuwenhorst uit 1631 met KerkepadtMen vond de breedte van de laan zeker onvoldoende want in 1689 werd door bovengenoemde voogden nogmaals een strook grond gekocht bij Clara van Buijren voor 327 gulden van 3 roeden lang en 107 roeden breed ten westen van de in 1688 gekochte strook. In 1690 werd gemeld dat deze laan reeds voltooid was en er zodoende een eigen verbinding was van de Buitenplaats aan de Suijtwech naar de Noortwech.In 1698 kochten de voogden in de Wippolder nog een stuk patrimoniaal stuk teelland van 4½ morgen van Meijndert van Buuren in de Wippolder ten noorden de Noordweg, ten zuiden Willemina Bort zelf.Salomon Swerius en Willemina BortAl deze gronden bracht Willemina Bort in bij haar huwelijk in 1704 met Salomon Swerius, een koopman uit Amsterdam. Er werden huwelijkse voorwaarden opgesteld en er werd een beschrijving gegeven van de inventaris van ingebrachte goederen van Willemina Bort. Hierna merken we dat Salomon en Willemina hun Buitenplaats verder uitbouwden.Waarschijnlijk hadden ze extra gelden nodig, want in 1707 verkocht Salomon Swerius het perceel teelland dat voor Willemina in 1698 gekocht was aan Pieter Pietersz. Couwenhoven voor 1300 gulden. Salomon en Willemina woonden in Amsterdam. Het gezin groeide ook door de geboorten van Nicolaes Francois, Willem Frederik, Harmen Cornelis, Cornelia Elisabeth, Gerardus Marinius en Henderina in resp. de jaren 1706, 1708, 1710, 1712, 1714, 1718. Deze zullen zich op de Buitenplaats in de zomer best vermaakt hebben. In 1724 woonden Salomon en Willemina in ’s-Gravenhage toen zij ruim 5 morgen weilanden kochten in de Nieuw Wateringveldse Polder van de Weesmeesters van Delft.In 1727 werd de Laan van Swerius in een akte aangehaald. Salomon Swerius verkocht binnen zijn landerijen twee strookjes grond aan Willem Clase van Heijningen. Het eerste vanaf de Suijtwegh tot de Vliet van 3 roe breed en 25 roe lang langs het pad daar Couwenhoven en zijn volk nu overgaan en het tweede gelegen over de Vliet groot 18 roeden uijtgesondert het padt aan de kant van de sloot daar Couwenhoven cum suis overgaat 't welk in eijgendom sal blijven aan de verkooper.Na het overlijden van Salomon Swerius in 1756 en van zijn weduwe Willemina Bort in 1761 waren Hermanus Cornelis Swerius en zijn zusters Cornelia Elisabeth Swerius en Hendrina Wilhelmina Swerius, ongehuwde juffrouwen, de enige nagelaten kinderen en erfgenamen. Willemina woonde in bij haar door in Wateringen en werd met 'een Jagt' naar Delft gebracht om daar begraven te worden. Na haar dood werd de Buitenplaats niet meer gebruikt en daarom verkochten de erfgenamen in 1764 deze met ruim 13 morgen voor 7.800 gulden aan Jacob Gael, eigenaar van de Buitenplaats Het Hof van Wateringen en voor de helft van Buitenplaats Suydervelt.De Buitenplaats werd als volgt omschreven: Een Schoone en Welgelegen Buijtenplaets, bestaande in een Heerenhuijsinge, Tuijn, Plantagie, Laentjes en Speelhuijs, alsmede een Annexe Boerenwoninge, als Huijs, Stallingen, Schuur, Bargen, Tuijn, Weij, Hooij en Taellanden in 't geheel groot 13 Mergen, 2 hond en 58 Roeden alle Staende ende gelegen in de Wippolder onder den Ambagte van Wateringen beoosten het Dorp strekkende in het geheel van de Zuid- off Kleijweg af met een Laen of Hogeweij tot aen de Noord- off Sandweg.Kaart van Kruikius 1712 met Buitenplaats van Salomon SweriusOp de kaart van het Hoogheemraadschap Delfland uit 1712 van landmeter Kruikius is de Buitenplaats in de rode cirkel weerggegeven. De Laan van Swerius loopt van daar naar de Lange Noort Wegh en werd op deze kaart 'Jan Smittenkade' genoemd. De oorsprong daarvan is nog niet achterhaald.Jacob Gael had de Buitenplaats Swerius niet gekocht om te verblijven. In de verpondingen (belastingen) van ambacht Wateringen vinden we namelijk dat de naam van De Heer Salomon Swerius is doorgehaald en in de marge vervangen werd door 1765 Mr. Jacob Gael met de opmerking in 1766 afgebroke woning f. 5,-. De kwaliteit van de Buitenplaats zal dus in de laatste jaren flink achteruit zijn gegaan en door Jacob Gael te gelde zijn gemaakt.Zicht op de Sweeruslaan in 1999 (foto Cees van der Doef)Maar de Laan van Swerius bleef in de volksmond wel bestaan. Al werd die wel verbasterd tot Sweeruslaan. En die naam heeft tot 2013 stand gehouden. Wellicht dat in de toekomst toch nog ergens een Sweeruslaan (en/of Bortlaan) als nieuwe straatnaam wordt vastgesteld. Want feitelijk had de familie BORT meer rechten op de naam van de laan dan SWERIUS!Zicht op de Sweeruslaan in 1999 (foto Cees van der Doef)Bronnen: Historisch Archief Westland; R.A. Wateringen No. 32, 33, 34, 38, 39, 40, 41, 42, 45; G.A. Wateringen No. 29; Haags Gemeente Archief Collegebesluiten 2013; Stadsarchief Amsterdam D.T.B.’s; Het Utrechts Archief stukken familie Van Hengst nr. 790 en Anton van der Valk waarvoor dank.Auteur: Chris Batist van de Historische Vereniging Wateringen Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Achter de Bergen, Bredenel en Endeldijk zondag 26 mei 2019 09:09

Streekhistorie: Achter de Bergen, Bredenel en Endeldijk

Straatnamen verwijzen vaak naar de historie van een dorp of streek. Als je weet waar ze voor staan, dan lees je al wandelend een geschiedenisboek. Honselersdijk heeft bijna 80 straatnamen die een streekverhaal vertegenwoordigen. Een groot aantal hiervan zijn dan ook uniek in Nederland. In dit artikel worden er drie toegelicht. Achter de BergenEen wat rare naam in dit vlakke Westland. Het heeft dan ook niets te maken met het landschap. Op deze plek heeft waarschijnlijk een boerderij met hooibergen gestaan, wat terug te vinden is op een prent uit 1785 van Isaac van Ketweg. Het plaatsje Dwingeloo in Drenthe kent een straat met de naam Achter de Bargen. Omdat ‘barg’ en ‘berg’ allebei afgeleid zijn van overdekte hooibergplaats, stel ik ze aan elkaar gelijk. In Honselersdijk is de naam al meer dan 150 jaar in gebruik. Wel bijzonder dat er in Nederland duizenden hooibergen gestaan hebben en Achter de Bergen toch uniek is.Dit bord in Poeldijk verwijst naar straten in HonselersdijkBredenelDe Bredenel was tot voor kort een heel gewoon Westlands tuinderspad. Ik denk dat in Honselersdijk bijna niemand het kent. Je komt er als je er zijn moet of als je het Regulierenpad wil bereiken. En tot midden juli ook als je met de fiets omgeleid wordt vanwege de afsluiting van het Poeldijksepad. Krantenartikel uit De Westlander van 25 mei 1973Je kan er ook wandelen. In 1973 werd in de nacht van 18 op 19 mei een tocht van 60 km van de kust naar Rotterdam georganiseerd. Deze ging vanaf Poeldijk ‘binnendoor’ via Gantel, Bredenel en Regulierenpad naar Honselersdijk, waar de deelnemers bij café Bij ’t Hof een tussenstop konden houden. De wandelaars zullen in die tijd tussen nieuwe kassen gelopen hebben. De route is vandaag de dag niet meer te construeren omdat het Regulierenpad doodloopt. Maar kennelijk waren deze tuinderslaantjes de moeite waard om in het artikel te vermelden. De kans dat je iemand kent die erbij was, is trouwens klein: van de 63 deelnemers kwamen er maar vijf uit het Westland. Vermoedelijk kennen Poeldijkers de straatnaam beter. Ook hier lag een stukje van dit pad, maar recente nieuwbouw heeft het weggevaagd. Nu is er alleen nog een Bredenel in Honselersdijk.Krantenartikel uit De Westlander van 1 januari 1971Maar waar komt die naam vandaan. Bredenel is waarschijnlijk een verbastering van ‘Den Brede Hel’, de naam van een hoeve uit de 14e eeuw. Een bijzondere naam. Het ligt vóór de dijk die de Gantel in toom moest houden en daarmee zal het geregeld last hebben gehad van de hoge waterstand in deze kreek. De grond was destijds in handen van een 's-Gravenzandse familie en is als legaat geschonken aan het Regulierenklooster. De hoeve is verdwenen en het Convent heeft er een uithof gevestigd, waar we verder geen gegevens van hebben. Een ‘uithof’ is een grote kloosterboerderij met vaak veel bijbehorende landerijen, die ik het bezit is van een kloosterorde, maar veelal door lekenbroeders werd beheerd of werd verpacht. Daarmee is de naam van het sportcentrum in Den Haag ook verklaard.EndeldijkDeel van oude ansichtkaart van de Endeldijk met verkeerd gespelde naamDe naam van deze straat is wat vaag. Etymologisch is het mogelijk een samenvoeging van einde + dijk met een ‘l’ als verbinder zoals vaker in het Middel-Nederlands gebeurde (net als endeldarm en middeleeuwen). Deze voorvader van onze huidige taal werd 500 tot 700 jaar geleden hier gesproken, wat duidt op een oude herkomst. In de Atlas van het Westland is een kaartje opgenomen, waarop de bedijking van de Gantel is weergegeven. Hierop staat dat het zuidelijke dijktracé door Honselersdijk rond het jaar 1150 is aangelegd. De dijk is een verhoging van een natuurlijke oeverwal en stopte abrupt.Deel van oude ansichtkaart van hetzelfde stukje Endeldijk, maar dan Mariondijk genoemd.Logischer wijs zou het laatste stuk van de dijk Endeldijk heten, maar dat is niet zo. Het laatste deel heet ‘Merryendijck’ (Mariëndijk) zoals op de kaart van Hoogheemraadschap Delfland te lezen is. Wanneer de naam Endeldijk voor het eerst aan de straat toegekend is, is niet bekend. Deel van een kaart van Delfland uit 1611De buitenplaats Endeldijk lag in elk geval niet aan het einde van deze dijk, maar ergens halverwege het dorp Honselersdijk en een hoeve met de tot de verbeelding sprekende naam De Wilde Zee, die wel aan het einde lag. Hier is de dijk middels een haakse bocht verbonden met de Middel Broekweg, maar die verbindingsweg lag niet verhoogd en was dus geen dijk. In Nederland is maar één andere straat die Endeldijk heet. Deze ligt in de na-oorlogse wijk Hordijkerveld in Rotterdam IJsselmonde. Het B&W besluit van Rotterdam dateert uit 1961 en vermeldt: “Endeldijk is een huis onder Naaldwijk, bezongen in een 'hofdicht' door de eigenaar Willem van der Pot (1768).” Deze Willem van der Pot behoorde tot een rijke Rotterdamse koopmansfamilie en schreef gedichten. Samen met zijn broer Cornelis was hij in 1726 een van de oprichters van het dichtgenootschap „Natura et Arte" te Rotterdam. Maar dat heeft hen geen van beiden een straatnaam in deze stad opgeleverd. In 2009 is wel de Mariëndijk toegevoegd aan het straatnamenregister van Rotterdam, in dezelfde wijk Hordijkerveld.kaartje van de aanleg van de Nieuwe Tuinensloot In Honselersdijk heeft Willem van der Pot wel een straat gekregen. Willem bezat sinds 1741 een herenboerderij die hij opwaardeerde tot buitenplaats. Aan de Nieuwe Tuinensloot - die hij had laten graven naast zijn buitenplaats - stichtte hij zestien fruithoeven voor arme gezinnen. Dat kwalificeerde hem in 1960 voor een eigen straatnaam in de burgemeestersbuurt: Willem van der Potstraat. Ook de straat Stompersdijk – vernoemd naar de herenboerderij Stomperdijk (zonder ‘s’) die Van der Pot in 1742 kocht en bij zijn buitenplaats voegde – ligt in deze wijk van Honselersdijk. En is uniek in Nederland.Het Historisch Archief Westland op haar website en rubriek Straatnamen in het Westland waar je de betekenissen kan vinden. Na De Lier en Maasdijk is recentelijk Honselersdijk toegevoegd.Achter de Bergen in 1977Tijdens het Historisch Café in Honselersdijk toont de historische vereniging een mooie serie foto’s van de omgeving van de Prinsengracht en worden meer straatnamen besproken. Dinsdag 11 juni vanaf 20.00 uur in de kerkzaal (voormalige smederij) op Achter de Bergen 6. Inloop vanaf 19.30 uur. De toegang en de koffie zijn gratis.Auteur: Jolanda Faber van de Historische vereniging Naaldwijk Honselersdijk.Foto’s en krantenknipsels zijn afkomstig uit de beeldbank van Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: De laatste reis van het ss Prinses Juliana zondag 5 mei 2019 11:11

Streekhistorie: De laatste reis van het ss Prinses Juliana

Het verhaal van de 1e compagnie van het 2e bataljon van het 40e Regiment Infanterie. De 1e compagnie van het 2e bataljon van het 40e Regiment Infanterie (1-II-40-RI) was vanaf het begin van de mobilisatie in 1939 gelegerd in Zeeuws Vlaanderen, in het rustige dorpje Groede enkele kilometers ten westen van het stadje Breskens. Het 2e bataljon stond onder commando van kapitein Van Zoest. Op 8 mei 1940 werden de soldaten in staat van alarm gebracht en werden zij belast met de bewaking van de Westerschelde oever. Op de ochtend van de 10e mei 1940 werden de soldaten omstreeks 04.00 uur gewekt met de kreet: “Jongens, het is oorlog” Kort daarna vlogen er drie vijandelijke vliegtuigen over. Sommige soldaten schoten erop met hun geweren. Kort na het uitbreken van de oorlog trokken Franse troepen vanuit het zuiden Zeeuws-Vlaanderen binnen. Een aantal eenheden stak, met de veerboten via Breskens naar Vlissingen, de Westerschelde over en namen op Walcheren posities in. Op 11 mei 1940 kregen de soldaten van 1-II-40-RI opdracht op te breken en naar Breskens te marcheren. Zij moesten, zeer tegen de zin van vice Admiraal Van der Stad, bevelhebber Zeeland, naar IJmuiden om daar de troepen te versterken. Te Breskens gekomen gingen de soldaten aan boord van de veerpont naar Vlissingen. In Vlissingen aangekomen marcheerde men naar de haven waar de veerboot ss. Prinses Juliana van de Maatschappij Zeeland lag. Boven Walcheren vonden die dag diverse luchtgevechten plaats tussen Duitse en Franse gevechtsvliegtuigen. De Franse jagers beschermden de Franse militairen welke oprukten naar Vlissingen en Middelburg. Ook het vliegveld bij Vlissingen werd aangevallen door Duitse Heinkel bommenwerpers en Messerschmitt 109 jagers. Het vliegveld werd verdedigd door middel van luchtafweergeschut. In de haven aangekomen gingen de manschappen en officieren van de 1e compagnie, ongeveer 200 man, onder chaotische toestanden, samen met hun paarden en materieel aan boord van het ss. Prinses Juliana. Aan boord gekomen stelde men de mitrailleurs aan dek op, het schip had geen eigen bewapening. Kort na het inschepen werd het schip aangevallen door Duitse vliegtuigen en er viel een vliegtuigbom ongeveer 10 meter naast het schip in het water. Een aantal soldaten raakte doorweekt van het opspattende water en een complete moddergolf sloeg over het dek. De manschappen riepen dat het menens was en begonnen het schip weer te verlaten. Een groot deel van deze soldaten waren boerenjongens die voor het eerst zo ver van huis waren en nog nooit een zeereis hadden gemaakt. Kapitein Van Zoest beval de mannen weer aan boord te gaan. Dit deden ze toen er een detachement marinetroepen (ongeveer 80 man) o.l.v. reserve 1e luitenant der mariniers Pronk aan boord gingen. Deze marinetroepen zouden ook meegaan naar IJmuiden.Nadat alles was ingescheept vertrok de Prinses Juliana uit de haven van Vlissingen en voer via de Scheldemonding richting Noordzee. Het schip had geen escorte van oorlogsschepen en slechts enkele lichte mitrailleurs als bewapening. Onder de Belgische kust ging men voor anker. Op zondag 12 mei 1940 (1e Pinksterdag) haalde het schip in de vroege ochtend uren, omstreeks 03.30 uur, het anker op en voer langs de kust naar het noorden, bestemming IJmuiden. Om 08.30 uur was er een luchtaanval van Duitse vliegtuigen op het schip. Er ontstond echter geen schade. Omstreeks 10.30 uur voer het schip ongeveer op 6 mijl dwars van Hoek van Holland toen het opnieuw werd aangevallen. Er naderden een formatie van negen Duitse bommenwerpers. Drie toestellen zwenkten naar het westen en drie naar het oosten. De overige drie Junkers Ju88 bommenwerpers vielen het schip aan, wierpen bommen af en beschoten het schip met hun boordmitrailleurs. De mitrailleurkogels sloegen in op het dek en in de dekhuizen. De bommen welke nabij het schip in het water vielen veroorzaakten waterfonteinen welke over dek sloegen. Vanaf het schip probeerde men met de mitrailleurs en geweren op de Duitse vliegtuigen te schieten. Er vielen geen doden of gewonden.Het ss. Prinses Juliana II na de luchtaanval, met gestreken sloepen.Plotseling werd de Prinses Juliana aan de achterzijde geraakt door de explosie van een vliegtuigbom welke vlak naast het schip in het water viel. Door de explosie ontstond een gat van een halve meter en raakte het stuurgerei onklaar. Het schip maakte slagzij over bakboord en richtte zich niet meer op. Kapitein J.P. Nonhebel gaf opdracht om het schip te verlaten en de soldaten renden naar de sloependekken. Men streek de sloepen en gooide vlotten in zee. Een aantal opvarenden sprong vanaf het schip in zee. Ondertussen waren de Duitse vliegtuigen gedraaid en ondernamen opnieuw een duikaanval op de Prinses Juliana terwijl ze het schip en de sloepen in zee beschoten met hun boordmitrailleurs. Het was een chaos rond de veerboot. Er lagen zeven sloepen en diverse vlotten vol met mensen in het water en er zwommen mensen rond. Rondom het schip was het lawaai van jankende vliegtuigmotoren, gierende en exploderende bommen en exploderende granaten. De Duitse vliegtuigen braken echter plotseling hun aanval af omdat er vier Britse torpedojagers uit de richting Hoek van Holland verschenen. Deze schepen schoten met hun luchtdoelgeschut op de vliegtuigen, waardoor deze gedwongen waren om hoger te gaan vliegen. Hierdoor had hun aanval geen effect meer waarna zij verdwenen.Paarden van de infanterie aan dek.                                                   Reddingsactie soldaten infanterie.De Britse torpedojager HMS. Wild Swan, het bewakingsvaartuig BV 43, een loodsboot en enkele vissersschepen namen alle opvarenden van de Prinses Juliana aan boord. De soldaten moesten echter hun wapens en uitrusting achterlaten. Het was een wonder dat er bijna geen slachtoffers vielen. Het enige slachtoffer was een bemanningslid, J. Looise, een stoker. Hij stierf aan een hartaanval en werd te Hoek van Holland begraven. De manschappen van de 1e compagnie van het 2e bataljon van het 40e Regiment Infanterie en de mariniers werden aan wal gebracht in Hoek van Holland en opgenomen in het Fort aan den Hoek van Holland. Deze manschappen waren zodanig over hun toeren dat zij niet meer direct konden worden ingezet. Nadat de soldaten van de 1e compagnie in het fort van schone, droge kleding en een aantal wapens waren voorzien werden zij in de fruitloods aan de Harwichkade ondergebracht. Zij werden ingeschakeld bij het vervoer van munitie, het maken van loopgraven, wachtdiensten en dergelijke. Deze soldaten zouden IJmuiden niet meer bereiken. De directe omgeving van de fruitloods werd gedurende deze dagen regelmatig door Duitse vliegtuigen onder vuur genomen en gebombardeerd. De diverse stukken luchtdoelgeschut en het luchtafweer geschut van de Britse torpedojagers te Hoek van Holland beschoten deze vliegtuigen, terwijl er ook enkele luchtgevechten plaats vonden met Britse jagers.De manschappen van het marine detachement werden voor de helft van andere geweren voorzien en werden samen met 40 manschappen van het fort naar het eiland Rozenburg gezonden. Daar waren ook Duitse soldaten geland. Reserve luitenant Pronk probeerde met hulp van een aantal van zijn mannen met een logger en de reddingboot de gestrande veerboot te bereiken om uitrustingstukken en wapens van boord te halen. Hij werd echter regelmatig onder vuur genomen door overvliegende Duitse vliegtuigen. Hierop besloot hij ’s-nachts opnieuw een poging te ondernemen. In de nacht bleek echter niemand aanwezig te zijn om de reddingboot te varen, waarop Pronk het met de logger probeerde. Door een stevige zeegang en de ondiepten bij het wrak voor de logger lukte het niet om de goederen van boord te halen.Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei 1940, onder druk van het bombardement op de stad Rotterdam en onder dreiging van bombardementen op andere Nederlandse steden, trokken de Duitse troepen op 16 mei Hoek van Holland binnen. De Nederlandse militairen werden krijgsgevangenen en moesten op last van de bezetter op 17 mei naar Den Haag marcheren waar zij in een school aan de Wouwermanstraat werden gedemobiliseerd en naar huis mochten. Het gebroken wrak van de Prinses Juliana II op de zandbank.De verlaten Prinses Juliana werd door de stroming en de wind in de richting van de kust gedrukt en door twee sleepboten schuin voor strandpaal 117 (51.59.53 NB en 04.06.38 OL) op de zandbanken gezet, terecht waar het schip in tweeën brak. Tijdens de oorlogsjaren werd tijdens oefeningen het wrak als schietschijf gebruikt door het 15 cm geschut van de Duitse kustartillerie te Hoek van Holland. Ook de Duitse schnelboten gebruikten tijdens hun oefeningen het wrak als aanvalsdoel. Het wrak zakte langzaam weg in het zand en ligt, aangegeven door een wrakboei, nog steeds op dezelfde plaats. Door het opspuiten van het Hoekse strand kwam het wrak wel dichter bij de kust te liggen.Het stoomschip PRINSES JULIANA II werd in 1920 bij de Kon. Mij. De Schelde te Vlissingen gebouwd voor de Maatschappij Zeeland te Vlissingen. Op 15 augustus 1920 maakte zij haar eerste reis van Vlissingen naar Folkestone in de nachtdienst. Op 13 juli 1922 ging het schip over op de dagdienst naar Folkestone. Later ging het schip op de route Vlissingen – Harwich varen. Het schip was 2.908 BRT. groot. Bronnen: In het zicht van de Haven, scheepsstrandingen bij Hoek van Holland 1875 – 1940. P. Heijstek en G.R. van Veldhoven. Uitg. De Bataafse Leeuw 1984.Harwich - Hoek van Holland. 100 jaar veerdienst. Miles Cowsill, Frank Haalmeijer en John Hendy. Uitg. Stena Lijn 1993.Worsteling om Walcheren, 1939 – 1945. Hen Bollen en Jantien Kuiper-Abee. Uitg. Terra. Zutphen. 1985. artikel in het blad voor oudgedienden; “Opmaat” , nr. 3. april 1997. geschreven door Arne Zuidhoek.Diverse verslagen afkomstig uit het archief van de krijgshistorie te Den Haag:Verslag van Commandant Westfront Vesting Holland over de periode van 10  t/m 14 mei 1940. Verslag over de krijgsverrichtingen in de positie Hoek van Holland. Verslag van de Positiecommandant Hoek van Holland, Kapitein Luitenant ter  Zee, J. van Leeuwen.De foto’s van het ss. Prinses Juliana II zijn afkomstig uit de collectie van H. van der Lugt.De foto van het gebroken wrak is een kopie afkomstig uit het fotoarchief van L.L. von Münching.Auteur: Dirk Ruis, historisch onderzoeker voor de St. Fort a/d Hoek van Holland en het Historisch Genootschap Hoek van Holland.
Lees meer