Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage/tip via dit formulier toesturen. Wij zullen deze controleren en mogelijk gebruiken voor publicatie. Let op! Aangeleverd materiaal dient rechtenvrij te zijn of er moet schriftelijk toestemming zijn verleend voor het gebruik ervan.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Sinterklaas en de commercie in ‘s-Gravenzande maandag 2 december 2019 13:01

Streekhistorie: Sinterklaas en de commercie in ‘s-Gravenzande

Weet u het nog? We waren nog niet terug van zomervakantie of de kruidnootjes lagen al weer in de supermarkt. En is het u opgevallen hoe veel reclamefolders er vanaf eind oktober op de mat vallen? Kijk eens naar de reclame op TV aan het begin van de avond; allemaal speelgoed. Er is berekend hoeveel wij elk jaar gemiddeld uitgeven aan Sinterklaas. Wat denkt u?..... €75,- tot €80,- per persoon. Sinterklaas is big business. Was dat vroeger nou anders?Waren we toen niet tevreden met twee kaatseballen in een net en een letter van banket? Nou, vroeger was het niet veel anders. Sinterklaas kwam toen weliswaar pas eind november in het land, maar in die ene week tot 5 december wist de lokale middenstand toch nog best zijn slag te slaan. Er was nog geen internet en aan folders deden ze ook niet. De winkeliers moesten het hebben van hun sinterklaasetalage en natuurlijk van de krant. Die sinterklaasetalages waren een begrip. Veel winkeliers ruimden zelfs hun aan het winkelpand grenzende woonkamer uit om hun sinterklaasartikelen te kunnen uitstallen.De meeste winkeliers adverteerden in de regionale krant. En dan konden ze kiezen tussen de openbare Westlandsche Courant of het christelijke Nederland & Oranje (later De Westlander). Uitgever van der Endt uit Maassluis (uitgever van de Westlandsche Courant) was er snel bij. Hij maakte in 1874 al sinterklaasreclames. Die kranten van eind november en begin december zijn een geweldige informatiebron. Niet alleen omdat je kunt zien wat voor cadeaus er vroeger werden gekocht en gegeven, maar ook omdat zij laten zien welke winkeliers er toen allemaal in het dorp zaten. Leuk voor in je stamboom.Zo vinden wij in ’s-Gravenzande bijv. sigarenboer Joh. Boers (de man die jarenlang met oudjaar om 12 uur vanaf zijn balkon de menigte op het Marktplein in ’s-Gravenzande toezong). Of J. van Deventer (voorvader van de huidige drukker Van Deventer) die de absolute kampioen adverteren bleek. Er is bijna geen krant te vinden waarin hij niet adverteerde. Van Deventer kon het zich veroorloven grote advertenties te plaatsen, vaak met mooie plaatjes.De “wandeling” door het dorp En voor wie het zich niet altijd kon permitteren om zelf een advertentie te plaatsen werd iets slims bedacht….de zogenaamde wandeling door het dorp. Gedurende enkele jaren wordt er in de krant een verhaal verteld over een vaak wat geheimzinnige man (een vertegenwoordiger van de bisschop uit Spanje) die, begeleid door een Westlander, door het dorp wandelt, om zich heen kijkt en beschrijft wat hij allemaal voor moois ziet. De verkenner van de Sint schrijft: “…Wij wandelen nu het dorp weer in naar de Prinses Julianastraat, waar het eerst onze aandacht wordt getrokken door het sigarenmagazijn van de heer M. de Kramer…” En in elke winkel wordt wat verteld over de geweldige cadeaus die je er kunt kopen. In 1933 bedacht de krant een nieuwe vliegmachine met een telefonovisie-apparaat aan boord. Die vloog over het Westland en richtte het apparaat op een groot aantal winkels. En ook hier worden de producten van de winkeliers geroemd. Maar dat gebeurde niet bij èlke winkel waar ze langs kwamen. Ik denk dat je alleen genoemd werd wanneer je daar iets voor betaald had. Benieuwd naar wat het telefonovisie-apparaat allemaal registreerde? Lees hier de krant van 1 dec 1933. Na de Tweede Wereldoorlog kregen de winkeliers ook nog hulp van Sinterklaas zelf. Toen hield Sinterklaas namelijk (bijna elk jaar), nadat hij officieel door de burgemeester was verwelkomd, een toespraak. Dat gebeurde meestal op het bordes van het gemeentehuis, zoals hiernaast in ’s-Gravenzande. Ongetwijfeld ingefluisterd door de lokale middenstand vertelde Sinterklaas (in wiens gestalte niet zelden een der plaatselijke neringdoenden kon worden herkend) aan de aanwezige ouders, dat ze toch vooral in de lokale winkels hun sinterklaasinkopen moesten doen. Dit tot grote ergernis van H. de Weerd uit ’s-Gravenzande. Hij vond het maar niks dat Sinterklaas dit soort toespraken hield. In een ingezonden brief in de krant schreef hij: “Sinterklaas….ge hebt eigenlijk alleen maar een pleidooi gehouden voor de middenstand en uw eeuwenoude mildheid heeft plaats gemaakt voor een chauvinistisch praatje waar geen kind wat aan kon hebben. Ge hebt er geen feest van gemaakt, Sint Nicolaas. Ge hebt er alleen maar een propagandaspeech van gemaakt.
Lees meer
Streekhistorie: Buitenplaats Huis Honselaarsdijk zondag 24 november 2019 10:10

Streekhistorie: Buitenplaats Huis Honselaarsdijk

De grootste van alle buitenplaatsen was het Huis Honselaarsdijk met zijn enorme tuincomplex van honderden hectares. De kern van het bezit werd gevormd door het machtige kasteel van de Van Naaldwijks. Via erfopvolging waren de bezittingen van de Van Naaldwijks in handen gekomen van het adellijke geslacht Van Arenberg. Deze adellijke familie bleef tijdens de 80-jarige oorlog trouw aan de koning van Spanje en daarom werden hun bezittingen door de Staten van Holland in beslag genomen. Het kasteel van Honselersdijk is toen nog een periode in leen gegeven aan Prins Maurits. Tijdens het twaalfjarig bestand in de 80-jarige oorlog (1609-1621) kreeg de adellijke familie Van Arenberg hun bezittingen terug. Het twaalfjarig bestand was een periode waarin de Republiek probeerde vrede te sluiten met Spanje. Als gebaar van goede wil werden de bezittingen die in beslag genomen waren terug gegeven aan de adel die de Spaanse koning trouw gebleven was. De Van Arenbergs hadden zich echter terug getrokken in de Zuidelijke Nederlanden en besloten daarom al hun bezittingen in de Noordelijke Nederlanden te verkopen. In 1612 werden alle Westlandse bezittingen van de Van Arenbergs verkocht aan Frederik Hendrik van Oranje-Nassau.Frederik Hendrik wilde het kasteel en het omliggende bezit omvormen tot een paleis met een complex siertuinen. Hij was hier omstreeks 1620 al mee begonnen door het oude kasteel van de Van Naaldwijks te verbouwen tot paleis. In 1625 werd Frederik Hendrik stadhouder en ging hij een belangrijke rol spelen in de internationale politiek. Voor het ontvangen van belangrijke buitenlandse gasten had hij een representatief en indrukwekkend paleiscomplex nodig. Die rol kreeg Honselaarsdijk. Wat er nog restte van het oude kasteel van de Van Naaldwijks werd nu helemaal afgebroken en op de oude fundamenten werd een geheel nieuw paleis opgetrokken. Frederik Hendrik was sinds 1625 stadhouder en bevelhebber van het leger en de vloot. Dit leverde hem veel inkomsten op, want de regel was dat de bevelhebber tien procent van alle oorlogsbuit kreeg. Volgens overlevering kon Frederik Hendrik door zijn deel van de door Piet Hein veroverde zilvervloot het paleis en de tuinen in Honselaarsdijk extra allure geven. Bij het paleis verrezen allerlei bijgebouwen, zoals het Domeinkwartier, de Nederhof, een oranjerie, een speelhuis, fazanterie en een boswachterswoning. Al deze gebouwen waren gesitueerd in de prachtige tuinen rondom het paleis. Hiervoor moesten wel enorme veranderingen aangebracht worden in het landschap. Om het complex van gebouwen en tuinen een strak klassiek en symmetrisch rechtlijnig uiterlijk te geven moest het dorpscentrum van Honselersdijk verplaatst worden. Er werden nieuwe sloten en wegen aangelegd om zo rechthoekige percelen te creëren. Die gingen echter dwars door alle bestaande natuurlijk gevormde wegen en waterlopen heen, waardoor er een aparte en vreemde eenheid ontstond in het landschap. In 1691 is een vogelvluchttekening en een hele serie tekeningen van het Huis Honselersdijk en de omliggende tuinen vervaardigd door C. Allard. Waarschijnlijk is deze serie gemaakt naar aanleiding van het laatste bezoek dat stadhouder Willem III, die inmiddels ook koning van Engeland was, in 1690 aan Honselersdijk bracht. Aan de bouw van het paleis hebben o.a. meegewerkt de bekende architecten Jacob van Campen en Pieter Post.Bij het aanleggen van de fraaie siertuinen heeft o.a. de bekende hovenier Jan van den Groen meegewerkt. In zijn standaardwerk 'Den Nederlantsen Hovenier' beschrijft hij de aanleg van delen van de tuinen van Huis Honselersdijk. In de loop van de 18de eeuw raakten het paleis en het tuincomplex in verval. Bij de komst van de Fransen in 1795 vluchtte de toenmalige eigenaar, stadhouder Willem V, naar Engeland en werden alle bezittingen van de Oranjes in beslag genomen door het staatsgezag. Het gebouw werd achtereenvolgens gebruikt als gevangenis, militair hospitaal en militaire school. Het gebouw werd in de Franse Tijd zo uitgewoond dat men na de val van Napoleon en de terugkeer van de Oranjes geen andere mogelijkheid zag dan de gebouwen voor sloop te verkopen. De gronden werden verkocht, meest als tuinland. Van het gehele complex bleef uiteindelijk alleen een deel van de Nederhof bewaard, wat nog steeds bestaat en in gebruik is als gezinsvervangend tehuis. Bij graafwerkzaamheden rondom Honselersdijk worden nog regelmatig funderingsresten van diverse gebouwen van het paleiscomplex gevonden. En ook zijn er in het landschap nog diverse sporen in de vorm van sloten, wegen en lanen terug te vinden.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Door Staelduin zondag 17 november 2019 11:11

Streekhistorie: Door Staelduin

In 1929 verscheen een boekje genaamd WANDELINGEN OM DEN HAAG. Daarin staan overdrukken van een aantal artikelen die in de krant Het Vaderland waren verschenen. Een van deze artikelen, waarvan de schrijver niet bekend is, beschrijft een wandeling door het Staelduin. Het is een romantische beschrijving van het bos. In het artikel is voor de leesbaarheid de nieuwe spelling aangehouden. Wandeling 19, Omzwervingen door bos en duin.Deze wandeling bestaat uit omzwervingen door Staelduin, “het mooiste plekje van het Westland”, dat gerust vergeleken mag worden met het mooiste wat ons land biedt, een prachtig duinterrein overdekt met mooi hoog en laag bos, in de vlakke landen gelegen ten zuidoosten van ’s-Gravenzande. Dit is een van de weinige plekken in ons land, waar de natuur natuur is, waar niets anders gehoord wordt dan het geruis van de bomen, het gezang van de vogels en het gegons en gezoem van allerlei insecten. Vele paden en lanen leiden door Staelduin, dat ongeveer 2 kilometer lang is en een grootste breedte van 800 meter heeft. Men kan er nog werkelijk dwalen door hoog opgaand bos, door lage struiken, over duinterrein met meidoorns gebroeid, hoge duinen beklimmen vanwaar men de zware toren van Brielle’s Catharinakerk ziet en aan de oever, van bosmeertjes neerzitten. Vaak zit ik hier op een plekje, waar vier lanen samen komen, daar staat een heel oude berk met zilverkleurige stam, de takken druipend van het neerhangende loof. Een beukenlaantje komt met een flauwe bocht naar mij toe. In dat laantje is het op de gladde, gave beukenstammen een druk beweeg van aldoor van vorm en plaats wisselende zonnevlekken. Laan met beuken en eikenDraai ik mij om, dan loopt verschrikt een pad weg en verdwijnt in een donkere opening van het dichte, wilde bos verderop en dan zie ik een stuk bos, enkele jaren geleden kaal geslagen, alleen de oude eiken zijn gespaard. Daar staan de zwarte fakkels van de toortsen, die in de vorige nazomer geel vlamden van de bloemen. Enkele koolwitjes fladderen in onverwachte zwenkingen voorbij. In het stugge, door de zon verdroogde gras tjirpen krekels. Boven de bomen zwieren zwaluwen in de lucht, lachend van het zonlicht. Een enkele reiger komt van tijd tot tijd over, statig voortvliegend met ingetrokken hals door de zachte zomerwind, die ik telkens van ver over de bomen hoor aanruisen.Van dit prachtige plekje, een van de vele, gaan we een kleine wandeling maken langs de Hobbellaan, het mooiste en afwisselendste wegje van heel Staelduin. Dan wandelen we eerst naar een van de drie bosmeertjes, naar de Zwaan. Dit meertje met fijn lichtgroen eendenkroos overdekt, ligt vredig te dromen binnen zijn oevers, met hoog, rank riet begroeid. Er langs loopt een mooie laan van beuken en verbazend hoge en dikke populieren. Een dichtbij uitkomend bospad is de Hobbellaan, die haar naam alle eer aandoet. Eerst lopen we door een donker, dicht bos van dennen, sparren en eiken, hier is de grond in het voorjaar overwaasd door een zacht rozerood van bloeiende ooievaarsbekjes. Als we een steile hoogte over zijn die dit gedeelte van het bos begrenst, komen we al op- en neergaand en “hobbelend” in een wild bosgedeelte. Daar staan hoge vlieren met groene bessen, die in de herfst glanzend zwart worden, oude meidoornbomen, in het voorjaar witte boeketten, grote Gelderse rozen, die in het najaar glimmend rode bessen zullen dragen, eiken en berken overwoekerd van welige klimop, die in zware trossen van gladde bladeren naar beneden hangt, waar hij geen steun meer vindt, kamperfoelies ranken tot hoog in de bomen met hun als rafelig touw om elkaar gedraaide stengelstammetjes en hoog en laag bloeien en hun geurige bloemen, het is een wilde wirwar van oneindig veel moois. Even verder waar op een open plek in het bos in overvloed de gele sterretjes van het hertshooi en de lichtroze bloemen van het zeepkruid staan eindigt de Hobbellaan.Een bepaalde wandeling door dit paradijs (geen overdreven benaming!) geef ik niet aan, ook zeg ik niet waar de Zwaan of de Hobbellaan is, om ten volle van de aan alle kanten aanwezige schoonheid te kunnen genieten moeten we zonder boekje in de hand wandelen, dat leidt maar af. Of liever, we moeten ons laten wandelen daarheen naar waar het hart trekt. Dan ontdekken we de Zwaan of de Hobbellaan wel, dan staan we misschien ook ineens voor één van de twee andere bosmeertjes, de Fles en de Kom, dan komen we door de lange Beukenlaan, waaraan de reigerkolonie ligt.Bosmeertje De FlesVerdwalen kunnen we hier niet, ook niet als we geen oriënteringsvermogen hebben, we komen altijd wel bij een van de boerderijen terecht, die in een vrij groot aantal langs de zoom van het bos liggen.Behalve enkele wegen is het gehele bos “Verboden Toegang”. Kosteloze vergunningen voor een of meer personen voor het verboden gedeelte kan men bij de eigenaar Jhr.mr. F.J.J.M. van Rijckevorsel, Huize “De Wamberg”, te Berlicum (N.Br.) aanvragen.En nu hoe er te komen. Het begin van de Heenweg is het dichtst bij Staelduin gelegen, bereikbaar per bus van de WSM. Zijn we aan de Heenweg uitgestapt dan slaan we deze rechte, niet onaardige weg in en lopen hem ten einde toe uit tot we de hoge Maasdijk bereiken. Deze dijk klimmen we langs een mulle weg aan de rechterhand op. Er boven op aangeland vinden we recht over ons de Nieuwlandse dijk waarop een zwart hek staat. Deze dijk die mooie gezichten over de omstreken geeft en vooral recht vooruit op het bos Staelduin, gaan we nu bewandelen. Wanneer hij een bocht naar links en twee naar rechts gemaakt heeft, vinden we aan zijn voet aan de zoom van tuinlanden die hier overgaan in weiden, een zwart hek, een van de ingangen van Staelduin. De afstand Heenweg-Staelduin bedraagt hoogstens 35 tot 40 minuten lopen. Wanneer we naar huis terugkeren en aan de andere kant het bos verlaten komen we weer op de Maasdijk terecht, die we dan tot het naburige polderhuisje, de Oranjesluis op de dijk rechtsaf kunnen volgen. De OranjesluisBij de Oranjesluis gaan we van de dijk af, vanwaar we ongeveer alle Westlandse dorpen en Brielle hebben zien liggen en slaan dan de Leeweg aan zijn voet in. Weldra bereiken we dan voortdurend langs een vriendelijke vaart doorgaand, het buurtje Westerlee met zijn mooie Leemolen, na een wandeling van hoogstens 50 minuten. Van Westerlee kunnen we per tram ineens naar Den Haag terugkeren of met de bus gaan. We kunnen ook van Staelduin naar ’s-Gravenzande wandelen langs de Maasdijk en Woutersweg. Per fiets is een heel aardige tocht van Den Haag over Loosduinen, Poeldijk, naar Heenweg. In Staelduin mag men niet fietsen door het gedeelte waarvoor de vergunning geldig is, de fiets kan men dan bij een naburige boer stallen.In dit artikel wordt een prachtig beeld gegeven van het Staelduinsebos, het mooiste plekje van het Westland. Eén van de lanen noemt de schrijver de Hobbellaan, waarschijnlijk een zelfverzonnen naam voor een ongelijk hobbelig bospaadje. Auteur: Jan Dahmeijer van de Vereniging Oud ‘s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Rederijkers in Schipluiden zondag 10 november 2019 09:09

Streekhistorie: Rederijkers in Schipluiden

Het thema van het Open Monumentenweekend 2019 was ‘Plekken van Plezier’. In Schipluiden werd dit jaar onder andere aandacht besteed aan de dichtkunst, met een verwijzing naar het werk van de rederijkers. Kerk, kasteel en rederijkersMeerdere malen wordt in de kerkenraadsboeken van de Hervormde gemeente Schipluiden gesproken over de rederijkers. In het dorp vormden ze het dichtgezelschap ‘Het Rosmareyn’. Het ontstaan van de lokale rederijkerskamer vond in 1562 plaats, met een herstart in 1585, toen Otto van Egmond ambachtsheer was. De heren en vrouwen van de Keenenburg blijken ten opzichte van de rederijkers lang een neutrale opstelling te hebben gehad. Terwijl de Gereformeerde Kerk (landelijk, maar ook plaatselijk) zich fel keerde tegen het wereldse rederijkersspel - dat vaak verbonden was aan de plaatselijke kermis - gedoogden verschillende kasteelbewoners het optreden van de rederijkers. Het katholieke volksdeel zorgde voor de meeste deelnemers, maar er deden ook protestantse jongeren mee, zoals de kinderen van schout Jan van Lis en later de dichter Hubert Korneliszoon Poot. Officieel waren rederijkersactiviteiten sinds 1588 binnen de gehele jurisdictie van het Hof van Holland verboden. Lokale bestuurders negeerden nog weleens de richtlijnen van de gewestelijke overheid. Zij stonden dicht bij de mensen en wisten dat de jaarlijkse rederijkersfeesten voor delen van de bevolking belangrijk waren.De bewoners van de Keenenburg kozen als ambachtsheer- of vrouwe in deze zaak soms de zijde van de kerk, maar meestal namen ze het op voor de rederijkers. Zeventiende-eeuwse opvoering van rederijkers.In de Classicale Acta van de classis van Delft en Delfland staat bij 6 juli 1598, dat er in Schipluiden nog geen rederijkersspelen (-wedstrijden) waren geweest, maar dat er nu wel één georganiseerd ging worden. Een predikant van Delft en een predikant van Pijnacker werden door de classis afgevaardigd om de heer van Keenenburg, Jacob van Egmond, te verzoeken het spel te verbieden. In 1605 spoorde de classis de heer van Keenenburg opnieuw aan om het optreden van de rederijkers onmogelijk te maken. In 1606 verzocht de classis de heer van Keenenburg de kamers van Maasland en Schipluiden te verbieden. Hij beloofde het spel van de rederijkers niet te zullen gedogen. Prompt kwam er een tegenreactie van de zijde van de rederijkers; zij spanden in 1607 schout Willem Claesz. van Diepen voor hun karretje. Op verzoek van de rederijkers reisde hij tweemaal naar Den Haag om de heer van Keenenburg te vragen de rederijkers tijdens de kermis te laten optreden. Jacob van Egmond sloeg het gesprek hierover echter af, waarna de schout zich tot de baljuw van Delfland wendde. De heer van Keenenburg was hierover erg verontwaardigd. Een echt verbod van de plaatselijke rederijkerskamer is er echter nooit gekomen.In 1661 was ‘Het Rosmareyn’ van plan om in Schipluiden een wedstrijd voor een aantal rederijkerskamers te organiseren. Het Hof van Holland liet de schout van Schipluiden weten, dat hij niet mocht toelaten dat er in zijn dorp door ‘enige Retorijckers ofte anderen werde gespeelt’. De toenmalige heer van Keenenburg, Otto Frederik van Zevender, trok zich weinig aan van deze waarschuwing. Wanneer de rederijkers niet op het dorp zouden mogen spelen, zou hij ze in zijn huis laten optreden. Een jaar eerder had hij enkele kerkenraadsleden, die om een verbod van de lokale rederijkerskamer kwamen verzoeken, al afgescheept met een loze belofte. Twee jaar later (in 1663) bleek zijn weduwe Anna Ermgart van Raesfelt er ook weinig voor te voelen om in te gaan op de smeekbeden van de kerkenraad om ‘dese ongheregelde luyden haer godloose comediantsbedrijff’ te verbieden. De rederijkerskamer ‘Het Rosmareyn’ bleef bestaan en ging zelfs een nieuwe bloeiperiode tegemoet. Herhaaldelijk behaalde de kamer van Schipluiden prijzen op feesten van andere rederijkerskamers. In 1671 trad ‘Het Rosmareyn’ op als gastheer voor een aantal rederijkerskamers. Op het ruime voorplein van de Keenenburg werden wedstrijden gehouden:‘Men hoorde van haer Komst, de hele wereld roemen,Soo dat zy nu ter tijdt, hier huysvest in dit pleyn.By ’t Hof van Kenenburgh en ’t Edel Roosmareyn.’Achter- en zijkant van kasteel Keenenburg met links de kerk, E. van der Burgh, 1728.In 1711 verboden de Staten van Holland in een algemeen plakkaat de rederijkersactiviteiten op zon- en feestdagen. Op 23 juli en 1 november van dat jaar werden in Schipluiden de laatste rederijkersfeesten gehouden. Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden.
Lees meer
Streekhistorie: Baakwoning, de geboortegrond van Wil van den Bos zondag 27 oktober 2019 09:09

Streekhistorie: Baakwoning, de geboortegrond van Wil van den Bos

Afgelopen week vond de begrafenis plaats van Wil van den Bos Czn, oud-burgemeester van Wateringen en een groot voorvechter voor behoud van het zeldzame historische erfgoed. Deze Wil was geboren en getogen aan de Baakwoning, het kleine gehucht tussen Naaldwijk en Monster. Wat weten we eigenlijk van de Baakwoning? De geschiedenis van de Baakwoning gaat ver terug. In 1284 is hier sprake van een grafelijk leenroerig complex (‘De Poel’) van zo’n 100 morgen land met een huis en een hof. De woning de Poel werd in de loop der tijden bewoond door personen die zich Van de Poel of ook wel Baeck noemden. Volgens het Cartularium van Naaldwijk waren het verwanten van de familie Van Naaldwijk. De naam ‘Baakwoning’ is dus waarschijnlijk afgeleid van de familienaam Baeck. In het Kaartboek van het Baljuwschap van Naaldwijk, uit 1623, staat de Baakwoning al wel ingetekend, maar heeft het nog geen naam. Het boerenbedrijf van 41 ha is dan door Jonge Jansz Foreest in gebruik gekregen van de heer van Goudriaen en de erfgenamen van Wybesma van Mathenes. En in 1724 treffen we een transportakte aan van ‘levende haaff (koebeesten, paarden), coorn te velde, landhuuren van vlas en aardappelen en bouwgereedschappen’. Al deze goederen bevinden zich op de Baakwoning, sinds 1721 toebehorend aan Arent Baron van Wassenaer, Heer van Duivenvoorde. Na zijn dood in 1724 komt het bezit in handen van zijn weduwe, Vrouwe Anna Margaretha Benthing. Zij verkoopt de boerderij in 1754 aan Dirk van der Valk, boer te Monster. Het goed betreft op dat moment een huismanswoning bestaande uit een huis, zomerhuis, dorsvloer, stalling, schuur en bergen (hooibergen) van ouds genaamd de 'Baakwoning', groot 42 margen, 3 hont (ongeveer 36 ha). Om dit te kunnen betalen wordt een bedrag van f 6.500,00 geleend van Jacques Pinet (1680 – 1778). Deze bemiddelde zakenman was afkomstig uit Bergerac (Frankrijk) maar verhuisde naar Amsterdam en in 1726 naar Den Haag. Als boer Van der Valk in 1757 niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen, wordt het goed eigendom van Jacques Pinet. In de daaropvolgende jaren bouwt hij een herenhuis en tuinhuis, in zijn in 1764 vastgelegde testament beschreven als ‘landgoed’. Als administrateurs van de Baakwoning worden aangewezen: zijn neefje Daniel Pinet en Mr Cornelis Paulus Hoijnck van Papendrecht. Zij bouwden de buitenplaats verder uit tot een fraaie zomerresidentie. Situatie eind 18e eeuwIn en om het tuinhuis zijn twee gevelstenen te vinden. Op een daarvan staat het jaartal 1764 en de naam H.L. van Basel. Dit betrof een schenking aan Van Basel, die dienstknecht van Jacques Pinet was. Een tweede, nog altijd aanwezige gevelsteen vertoont de letters C.P.P. en het jaartal 1772. De letters C.P.P. zijn de initialen van een van de administrateurs.Na het overlijden van Jacques Pinet in 1778 (99 jaar oud geworden), kocht zijn neef Daniel Pinet de buitenplaats en de boerderij. Het geheel wordt in twee delen verkocht. Een deel betrof de buitenplaats, bestaande uit een herenhuis, tuinmanshuis, erf en tuintje met muur en heining, plus 1 hont land (= 1400 m2). Het andere deel was de boerderij met landerijen. In de daaropvolgende jaren ging het zakelijk een stuk minder met deze Daniel. Nadat hij al enkele hypotheken moest afsluiten, moest hij de buitenplaats en boerderij in 1791 verkopen. Nieuwe eigenaar werd heer Mr Lodewijk Ernst Diest van Melisant, advocaat voor de Hoven van Justitie die het voor 7.100 gulden aankocht. Daniel Pinet overleed twee jaar later in armoe.In 1801 verkocht Melisant het goed in twee delen aan respectievelijk Frederik Veenman en Martinus Wennekes. De officiële akte en het daaruit voortvloeiende transport vond pas plaats in december 1803. De landerijen lagen op het grensgebied van verschillende ambachten, zodat schout en schepenen zowel van Monster als van Naaldwijk als van Honselersdijk er aan te pas moesten komen. De totale koopsom bedroeg f 22.500,00, waarvan het grootste gedeelte voor rekening kwam van Martinus Wennekes. Hij kocht de kapitale bouwmanswoning (boerderij), bestaande uit een huis en zomerhuis, dorsvloer, stallingen voor dertig koeien en zes paarden, schuren, twee hooibergen met een tuintje, alsmede diverse percelen wei-, hooi- en teelland van omtrent vijftig morgen groot (42 hectare). Veenman kocht het herenhuis, tuinmanshuis, erf en tuintje, alsmede enige tuinen met heiningen waarop zeer exclusieve vruchtbomen en planten, bij elkaar zo’n drieëntwintig morgen groot (bijna twintig hectare). In de 19e eeuw kwam de tuinbouw hard opzetten en verloor de boerderij langzaamaan zijn functie. Het verouderde gebouw werd in 1874 afgebroken en vervangen door het huidige huis op nr. 10. De grote achtertuin van dit huis geeft de plek aan waar voorheen de boerderijstal stond. Dit is goed te zien op de kadasterkaart van 1830:Eigendomsverhoudingen bij Baakwoning (rond 1830)De nu nog bestaande gebouwen van de Baakwoning zijn derhalve slechts een gedeelte van het vroegere complex, hetgeen mede wordt bevestigd door de ter plaatse gevonden fundamenten van meer en andere bouwwerken.Auteurs: Gustaaf van Gaalen en Gerard Beijer van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Engelandvaarders uit Hoek van Holland zondag 20 oktober 2019 07:07

Streekhistorie: Engelandvaarders uit Hoek van Holland

Op 14 september van dit jaar onthulde burgemeester Aboutaleb het Engelandvaardersviaduct, de fietsbrug over het metrospoor nabij de Maeslantkering. Dit deed hij samen met 2 nazaten van Hoekse Engelandvaarders*, Wilma van Oeffelt-Tabben en Henk Kamstra. In de Tweede Wereldoorlog vinden diverse pogingen plaats om vanuit Hoek van Holland het vrije Engeland te bereiken, van waaruit men tegen de Duitse bezetter wilde gaan vechten. Van deze is er echter maar één succesvol.De eerste pogingDe allereerste poging vind al op 6 juni 1940 plaats. De negentienjarige Jacoba ‘Cootje’ van Oven komt naar Hoek van Holland en laat in Hotel Caland op enige manier weten dat zij van plan is om naar Engeland te gaan. De eigenaar van het hotel is echter een NSB’er, en hij schakelt Duitse militairen in, die haar naar de Nederlandse politie brengen. Daar verklaart ze dat ze van plan was om, zodra het donker was, een roeiboot in de haven te pakken om naar Engeland over te steken. Ze wordt door de Duitse autoriteiten weer vrijgelaten, nadat haar ouders verzocht waren haar op te komen halen. Dan, in het voorjaar van 1941, probeert de Naaldwijkse verzetsman Herman Lucas met zijn vrienden Cor Nijman en Roel de Wilde de oversteek te maken. Zij willen met een gestolen boot de tocht wagen. Ze hebben tekeningen van Duitse versterkingen in de regio bij zich. Eenmaal in de Hoek komen ze een groep Duitsers tegen. Ze heffen het lied “Wir fahren gegen Engeland” aan en worden ongemoeid gelaten. Maar als ze vlak bij de Waterweg op een Duitse patrouille stuiten, besluiten ze de onderneming af te blazen, waarbij ze de tekeningen vernietigen. Hoekse jongensIn de nacht van 2 op 3 augustus van datzelfde jaar doen zes Hoekse jongens een poging: Bernard Tabben, Cees Kamstra, Bert Timmers, Koos Riedijk, Koos Jansen en Wim de Bruin. Allen deden verzetswerk, Tabben en de Bruin brachten ook verdedigingstellingen in kaart. Kamstra is bakkersjongen en levert o.a. brood aan de schepen in de Berghaven. Hiervoor heeft hij een speciale ausweis. Zo kent hij al snel de werkwijze van het Hafenschutzflotille dat in de Berghaven ligt. Nadat diverse verzetsgroepen waar ze mee in contact staan, opgerold worden, besluiten ze dat ze weg moeten. Ze vertrekken vanuit de Krimsloot met documentatie over de verdedigingsstellingen in een koffer. Ze hebben een pistool bij zich dat ze van een soldaat hebben gestolen in een Hoeks café. Op de Waterweg vaart een schip van de Kriegsmarine vlak langs ze. Er gaat een deur open, waardoor licht op hen schijnt, maar ze worden niet ontdekt. Het is slecht weer en ze raken snel vermoeid van het roeien. Als het licht wordt blijken ze niet veel opgeschoten te zijn, ze zien de vuurtoren van Ouddorp zelfs nog. Al gauw worden ze gezien door een schip van het Hafenschutzflotille; voorzichtig laten ze het geweer en de koffer met belastend materiaal overboord zakken. Aan boord herkent één van de matrozen, Karl Hinterkopf, Kamstra. In de bakkerij waar Kamstra werkt werd, als er geen klanten waren, nogal eens naar de Engelse radio geluisterd, en omdat Hinterkopf communist was en tegen Hitler, luisterde hij wel eens mee. Nu zei hij: ik kan helaas niks voor je doen. Het is ook Hinterkopf die de foto’s van de jongens aan boord maakt. Deze geeft hij later aan de ouders van Kamstra. Aankomst in de Berghaven. In het midden Cees Kamstra, rechts Bernard Tabben. © families Tabben/KamstraZe komen in het Oranjehotel in Scheveningen terecht. In april 1942 krijgen ze hun straffen te horen; Tabben en de Bruin krijgen de doodstraf, voor de anderen wachten tuchthuizen en concentratiekampen. Maar doordat een zus van één van de jongens een flink bedrag betaalt aan de Duitsers, lukt het haar de straffen van Tabben en de Bruin om te laten buigen in levenslang. Alleen Tabben, Kamstra en Timmers overleven de oorlog.De enige geslaagde poging De groep Jansen bestaat uit Johannes Jansen, het Joodse echtpaar Bram en Greta Levi, Walrave van Krimpen, Anton Loontjes, Adriaan van der Craats en Jan Bastiaans, Theo Daalhuizen en Gerardus van Asch. Als leden van de verzetsgroep waar Jansen deel van uitmaakt worden gearresteerd en hij tenauwernood kan ontkomen, krijgt hij opdracht om met gegevens over de IJssellinie uit te wijken naar Engeland. In de avond van 19 november 1941 verzamelt de groep zich in het huis van Jansen in Assen. Ze willen vanuit Hoek van Holland vertrekken. Van Krimpen was 14 dagen eerder naar de Hoek gereisd en ziet een reddingvlet van de Zuid-Hollandse Redding Maatschappij die ze willen gebruiken. De groepsleden reizen in koppeltjes van twee met de trein naar Hoek van Holland. In het huidige café Harwich heeft Jansen een toevallige ontmoeting met een eigenaar van een kolenboot die ook in de Berghaven lag. Hij verstrekt informatie over de reddingvlet, de aanwezige Duitse militairen en overige zaken. Ook kan het gezelschap aan boord komen van de kolenboot zodat zij vandaar kunnen overstappen op de vlet.Een boot van het Hafenschutzflotille in de Berghaven. Archief Stichting Fort aan den Hoek van Holland.Op de avond van 20 november 1941 glipt het gezelschap steeds in groepjes van twee en drie aan boord van de kolenboot. Zij sluipen langs de Duitse wachtposten, als deze het verst van elkaar zijn verwijderd.Hierna roeit men heel zachtjes met omwikkelde peddels de Berghaven uit. Op zee blijkt dat de bougies en de startknop van de motor te zijn verwijderd. Ongeveer 3 mijl uit de kust vindt men de bougies en de verstopte startknop. Er steekt een harde wind op en de zee wordt ruw. De motor hapert diverse malen maar men ziet steeds kans om hem weer op gang te krijgen. De opvarenden voelen zich beroerd door zeeziekte, vermoeidheid en angst voor ontdekking. Voor de aanvang van de tocht was Jansen vergeten water mee te nemen, dus ook de dorst slaat toe. Hij had wel voor scheepsbeschuit gezorgd. Op een gegeven stopt de motor en men krijgt hem niet meer aan de praat: de brandstof is op. Hierop gaan ze roeien met de peddels terwijl een van de marinemannen van een meegenomen hangmat een zeiltje improviseert. Na drie dagen op zee zien zij een vissersbootje. Aarzelend vragen ze: ‘Are You English?’ De visser antwoord met ‘Yes’. Na 68 uur varen bereikt het scheepje Reculver in Engeland.**De Joodse groep Parfumeur. Drie weken later, op 13 december komt een Joodse man, genaamd Hartog Parfumeur, naar Hoek van Holland. Hij is lid van het Joodse verzet en had gehoord van de geslaagde poging van de groep Jansen. Hij is met een groepje van zeven Joodse mensen naar de Hoek gekomen. Dit zijn Paul Cohen de Boer, zijn broer Robert Cohen de Boer, een jongedame genaamd Cohen de Boer, Wolf van den Berg, Dr. Arntzenius en nog twee mensen van wie de namen niet bekend zijn. Parfumeur begaat de vergissing om in het Hotel Caland informatie in te winnen over de reddingsvlet en de veiligheidsmaatregelen in de Berghaven.Het Hotel Caland op de Hoek Prins Hendrikstraat/ Nijverheidsstraat. Tegenwoordig loopt hier de Huydecooperstraat, in de oorlog is dit gedeelte van het dorp gesloopt. Collectie Henk van der LugtNet als bij Jacoba van Oven seint de eigenaar de Duitsers in dat er weer wat op handen is, en zij voeren de bewaking op. Als het gezelschap bij de Berghaven aankomt, worden zij direct door de Duitsers gearresteerd. Hartog Parfumeur heeft een gifpil bij zich en ziet kans om die in te nemen. Hij sterft ter plaatse. Paul Cohen de Boer weet in het water van de Berghaven te springen en houdt zich schuil tussen de schepen. De jongedame weet te ontsnappen. De overige mensen worden door de Duitsers gearresteerd en afgevoerd. In december 1941 wordt door het Duitse Oppercommando der Strijdkrachten de order voor het bouwen van de Atlantikwall gegeven. Er komt vanaf het voorjaar van 1942 prikkeldraad langs de Waterweg en het strand, en in de zomer een anti-tankgracht met mijnenvelden om het dorp. Het wordt nu welhaast onmogelijk om nog vanuit de Hoek te proberen weg te komen, en er vinden , voor zover bekend, dan ook geen pogingen meer plaats.*Iedereen die tussen de capitulatie van het Nederlandse Leger en D-Day een poging waagde om naar geallieerd gebied te ontkomen om tegen de bezetter te gaan vechten, al moest men plannen voortijds afbreken of werd men onderweg opgepakt, wordt officieel Engelandvaarder genoemd.** Dick Ruis schreef al eerder een uitgebreid artikel over deze poging op onze website: http://historischhoekvanholland.nl/?p=1200Auteurs: Mirjam Visser en Dick Ruis van het Historisch Genootschap Hoek van Holland
Lees meer
Streekhistorie: Monsterse winkeliers op de weegschaal zondag 13 oktober 2019 09:09

Streekhistorie: Monsterse winkeliers op de weegschaal

De Monsterse winkeliers organiseerden in 1953 een ludieke actie. Een van de organisatoren van de actie was de heer A. (Bram) Troost, eigenaar van de manufacturenwinkel in de Herenstraat. Het publiek moest raden wat het gezamenlijke gewicht van de deelnemende winkeliers was. Gedurende twee weken ontvingen de klanten voor elke halve gulden aan aankopen een fotootje van een van de deelnemers of hun personeel. Op aparte formulieren voor de deelnemende heren en de dames kon men zestig foto’s plakken, één foto voor elke winkelier die aan de actie meedeed. Wanneer het formulier vol was, moest men raden hoeveel de gefotografeerde heren en dames gezamenlijk wogen. Na een aarzelende start ontstond er een ware fotorage. Wie van sommige foto’s ‘dubbele’ had mocht natuurlijk ruilen. Buren, schoolkinderen, familieleden, alles ruilde. Op de hoeken van de straten, in de winkels en bij de kapper werd ook druk geruild. Nagenoeg elk Monsters gezin deed mee en menige familie was in de avonduren gezellig bezig om de gespaarde foto’s op de formulieren te krijgen. Ook de kinderen deden enthousiast mee met het verzamelen en opplakken van de foto’s. Het zal niemand verbazen dat de winkeliers gedurende de weken van de actie bepaald niet over de omzet te klagen hadden. En er gingen heel wat foto’s over de toonbank. Als de formulieren vol waren, werden ze met de opgeplakte portretjes in de winkels in grote stembussen gedeponeerd. Op de avond van de inlevering van de formulieren kwamen de winkeliers handen tekort om alle inzendingen te tellen en te sorteren.Wie van sommige foto’s ‘dubbele’ had probeerde ze natuurlijk te ruilen.Bram Troost, een van de organisatoren van de actie, in zijn fourniturenwinkel in de Herenstraat.De kinderen deden enthousiast mee met het opplakken van de foto’s.Het sorteren en tellen van de ingezonden formulieren door de winkeliers.Op een heldere zaterdagavond werd de weegactie afgesloten op het Kerkplein. Daar stond een grote platte kar met een levensgrote weegschaal. Daarop moesten eerst de heren een voor een plaatsnemen, waarna hun gewicht werd omgeroepen ten overstaan van een afgeladen Kerkplein. Er werd geen onsje over het hoofd gezien. Na het omroepen van het gewicht van het ‘slachtoffer’ zal het commentaar in veel gevallen niet van de lucht geweest zijn. Op een schoolbord werd vervolgens met een krijtje het gewicht opgeschreven. Het resultaat werd na elke weging opgeteld bij het totaalgewicht van degenen die eerder gewogen waren. Naarmate dit proces vorderde, steeg uiteraard de spanning en sloeg men aan het rekenen en speculeren. Wie moest er nog aan de beurt komen om gewogen te worden, wat zou het totaal gewicht van alle mannelijke winkeliers kunnen worden en kwam die schatting een beetje in de buurt bij wat men zelf had ingevuld? Helaas zijn de uitkomsten niet bewaard gebleven en is ook niet bekend wie won. Alleen van de eerder genoemde winkelier Troost is overgeleverd dat hij goed was voor 106 kilo schoon aan de haak.Een onbekende winkelier gaat op de schaal.Het Kerkplein in Monster waar destijds de weging plaatsvond.Een afgeladen Kerkplein kijkt in spanning toe.Dhr. Fischer van Fischers Bazar in de Choorstraat kijkt met vertrouwen naar de wijzer van de weegschaal.De dames kwamen een week later aan de beurt, maar zij werden niet in het openbaar gewogen, want dat vond men wat ongepast.Het bord waarop de uitkomsten met krijt werden opgetekend.Van de actie is destijds een fotoserie geplaatst in een tijdschrift. Onbekend is welk tijdschrift het geweest is. Auteur: Leo van den Ende van de Historische Vereniging Monster – Ter Heijde
Lees meer
Streekhistorie: De eerste Furieade zondag 6 oktober 2019 10:10

Streekhistorie: De eerste Furieade

De Furieade in Maassluis is dit weekend precies 40 jaar oud. Reden om terug te blikken naar het feest van de allereerste Furieade en hoe dat tot stand kwam. Hugo MetsersHet begon allemaal in 1976 met het filmen van de 12-delige televisieserie Hollands Glorie, gebaseerd op het boek Hollands Glorie van Jan de Hartog. De serie vertelt het levensverhaal van Jan Wandelaar, gespeeld door Hugo Metsers sr. Wandelaar werkt zich op van matroos op de zeesleepvaart tot internationaal vermaard kapitein. Maar voor het zover is, overkomt hem nog een hele hoop ellende. Hij moet zware tegenslagen incasseren, zoals uitzuigerij door de reders en de dood van zijn vrouw na de geboorte van hun tweede zoon. Hij komt zelfs in de gevangenis terecht nadat hij de onderdirecteur van een rederskantoor in elkaar heeft geslagen. Terug uit de gevangenis richt hij zijn eigen succesvolle zeesleepmaatschappij J. Wandelaar & Co op. Zo laat hij zien dat hij er niet onder te krijgen is. Fragmenten zijn in de Maassluise haven gefilmd. Voor de tv-serie had de AVRO een stoomzeesleper van Nederlandse herkomst nodig. Na veel gezoek kwam regisseur Walter van der Kamp in Stockholm terecht en zag daar de sleepboot die hij hebben wilde. Het was een sleper die in 1916 was gebouwd in Nederland en van 1918 tot 1967 in Zweden was ingezet voor het verslepen van houtvlotten. Het schip werd gekocht, overgevaren naar IJmuiden en aangepast voor de tv-opnamen. Schip met twee gezichtenDaar de sleper in de serie zowel als ‘Furie’ en als ‘Jan van Gent’ moest optreden, kreeg stuurboordzijde een roestig en verwaarloosd uiterlijk (Jan van Gent) en bakboordzijde zat keurig in de verf (Furie). Zeven weken werd er in Ierland gefilmd met Hugo Metsers als kapitein Wandelaar. En de ‘W’ van Wandelaar staat nog steeds fier op de schoorsteen.Thuishaven MaassluisNa de tv-opnamen werd de Furie door de AVRO verkocht aan de firma Heise te Zaandam waar ze anderhalf jaar heeft gelegen. De Maassluise ondernemer Henk de Haas dacht: ‘Dat is fraai zo’n oude stoomzeesleper, die moet naar Maassluis komen, eens de thuishaven van de Smit-zeeslepers.’ De Stichting Hollands Glorie werd opgericht en binnen een paar weken was er voldoende geld om de Furie te kopen. En op 17 februari 1978 werd de sleepboot haar nieuwe thuishaven Maassluis binnen gesleept. In de volgende twee jaar lukte het om de Furie opgeknapt en vaarklaar te krijgen. En zo vond op 4 oktober 1980 de eerste ‘Furie-ade’ plaats, waarop de Furie door Hugo Metsers officieel in gebruik werd gesteld. Hugo Metsers en Pleuni Touw, hoofdrolspelers uit de tv-serie, waren de bijzondere gasten die speciaal waren uitgenodigd om de eerste vaart van het schip luister bij te zetten.Vol trots stond Dirk Strijbos die dag in 1980 achter het stuurrad van de Furie. Hij was blij dat eindelijk de stoomsleepboot weer terug in de vaart was. En als oud-sleepbootkapitein bij Smit-Internationale werd uitgerekend hij de nieuwe gezaghebber van het gerenoveerde schip. De sleepvaart zat hem in het bloed: ‘Als ik opnieuw een vak moest kiezen dan was er voor mij maar één keuze: weer de sleepvaart en weer bij Smit.’Furie-adeIn 1980 is het grote feest rond de officiële ingebruikname van de Furie bedacht door de Stichting Hollands Glorie, de ‘Furie-ade’. Dat het een groots feest zou zijn, met veel aandacht voor de sleper en de haven van Maassluis, stond meteen vast. De naam van het feest kwam als vanzelf naar voren, geïnspireerd door de grote tuinbouwtentoonstellingen ‘Floriade’. In 1989 kreeg de Furie de status van varend museum en werd opgenomen in het Nationaal Register Varende Monumenten.Zwarte rookDiverse kranten uit 1980 deden verslag van de eerste vaart van het ‘nieuwe’ schip.‘De Furie is bijna klaar: En elke rechtgeaarde Maassluizer weet dat we hiermee niet bedoelen de wraakgodin uit de Romeinse mythologie, of een in razende woede ontstoken vrouw, en zelfs niet een helleveeg. Het mag voor ons vrouwelijk volksdeel een pleister op de wonde zijn dat Jan de Hartog aan die naam kennelijk een veel mildere betekenis gaf en in zijn boek ‘Holland’s Glorie’ een stoomzeesleepboot met de naam ‘Furie’ een hoofdrol gaf. We hebben het natuurlijk over de boot van Jan Wandelaar. De Furie is nu bijna klaar en Neerlands enig overgebleven stoomzeesleepboot wordt zaterdag 4 oktober a.s. weer officieel in gebruik gesteld. Een werkgroep namens de Stichting Hollands Glorie en het Nationaal Sleepvaarmuseum heeft grootse plannen om er, in samenwerking met de binnenstadmiddenstanders, een groot feest van te maken. Dit bewijst de naam al, die de werkgroep voor het festijn bedacht: Furieade.’Over de ‘zegetocht’ van de Furie schreven de kranten:‘Dirk Strijbos stond weer op de brug, alsof hij nooit was weggeweest. Naast hem televisiekapitein Hugo Metsers. Mensen van de wal riepen zijn naam en zwaaiden enthousiast. Precies om 12.00 uur sloeg het ‘8 glazen’. De Furie kwam los van de wal, braakte een pluim zwarte rook uit en voer. Langs de wal stonden duizenden mensen en Kunst na Arbeid begeleidde de vaart met muziek. Boten van Rijkswaterstaat voeren voor de Furie uit en spoten van louter vreugde grote stralen bluswater omhoog. Pleuni Touw stond echt genietend aan de railing en het leek of ze elk mens apart zag en begroette.’Over op handstuurDe binnenkomst in de haven in 1980 verliep niet vlekkeloos, hoewel waarschijnlijk niemand op de kant dat gemerkt heeft. De stuurmachine vertoonde kuren en Strijbos moest over op handstuur. Het vergde grote behendigheid en veel ervaring wanneer het schip met achterkant nog in de stroming van de waterweg was en de voorkant al in de haven. Er stond bovendien een flinke wind en het begon te regenen. Bij de spoorbrug lag de Diana in de weg en moest de spoorbrug nog opengaan. Aangekomen bij de Stadhuiskade bleek het reddingsvlet Prinses Margriet daar te liggen en dat moest in allerijl weggehaald worden. Toen de Furie eenmaal lag aangemeerd verrichte Hugo Metsers de laatste handeling met ‘afbellen’ (de telegraaf heen en weer halen).Diep ontroerdJan de Hartog, die in Amerika woonde, zag de Furie pas voor het eerst in maart 1987. Toen hij de trap aan de Stadhuiskade afkwam en de sleper zag zei hij: ‘Dit is voor de schrijver van Hollands Glorie een diep ontroerende dag. Om na 47 jaar de hoek van de kade om te komen en het schip te zien liggen waar ik als 26-jarige over droomde, is een onvergetelijke ervaring.’Maarten ’t HartOok in de boeken van Maarten ’t Hart speelt de Furie een rol. In ‘een dienstreis naar Maassluis’ schrijft hij over zijn tocht door Maassluis:‘Ik liep langs museumschip De Hudson, dat afgemeerd lag tegenover de plaats waar vroeger een uitzonderlijk fraai logement had gestaan, herberg De Moriaan (afgebroken uiteraard). Aan de Stadhuiskade lag het beroemdste Maassluise museumschip afgemeerd: De Furie. Ooit een openbrugsleepboot met een tweevuurs Schotse ketel en een triple-expansie-machine van 450 pk. Nu heeft het de status verworven van Varend Museum en mag het zich verheugen in het bezit van het Waarderingsschildje Beschermd Stadgezicht van de gemeente Maassluis. Hoe een schip een stadsgezicht kan zijn, blijft overigens een raadsel. (Het biedt wel perspectief; wellicht krijg ik dat schildje mettertijd ook opgespeld). Maar stadsgezicht of niet, de Furie heeft gezorgd voor een jaarlijks terugkerend maritiem volksfeest. In het eerste weekend van oktober staat Maassluis in het teken van de Furieade. Dan branden reeds op vrijdagavond op alle vensterbanken Furieade-kaarsen en de dag daarop barst het feest los, met onder andere in de haven een vlootschouw van oude en recent verworven museumschepen.’Schip met drie poten‘De poten: dat is het eerste waar een machinist naar kijkt. Poten zijn de zuigerstangen. Nou, de Furie heeft drie prachtpoten.’ Aldus Gijs Smoor, een van de ‘meesters’ van de enige overgebleven, in Nederland gebouwde, stoomzeesleper Furie. Met circa 25 andere vrijwilligers had hij in tweeëneenhalf jaar tijd hard gewerkt om de Furie weer onder stoom te krijgen.Tekst: uit eerder gepubliceerde artikelen en kranten, samengesteld door de Historische Vereniging Maassluis.Foto’s: kranten, Gerry Hanneman, Stichting Hollands Glorie
Lees meer
Streekhistorie: Fulps Vincentinus Valstar en meer zondag 15 september 2019 08:08

Streekhistorie: Fulps Vincentinus Valstar en meer

Fulps Vincentinus Valstar (1879-1944) werd op 30 augustus 1944 het slachtoffer van een vergeldingsmaatregel door de Duitse bezetter. Zijn nagedachtenis leeft vooral voort door deze brute moord. Voor zijn kleinzoon Leen Valstar is deze gedachte niet te verteren. "Het is niet goed dat deze man alleen wordt herinnerd door zijn dood", zei Leen Valstar op 7 september bij de uitreiking van het Historisch Jaarboek Westland 2019. "Het kriebelde bij mij al jaren en ik ben aan de slag gegaan." Het resultaat is een uitgebreid artikel in het Historisch Jaarboek Oud-Westland. De Naaldwijkse tuinder Fulps Valstar was al jong actief in het bestuur van de plaatselijke Boerenleenbank, de veiling, Bond Westland en de Nederlandse Tuinbouwraad. Van 1917 tot aan zijn vroegtijdige dood in 1944 was Valstar voorzitter van het Centraal Bureau Tuinbouwveilingen (CBT). Tijdens zijn speurtocht kreeg Leen Valstar te maken met tegenvallers. Zo ontbrak het notulenboek van het CBT over de vooroorlogse periode. Hij kon echter wel informatie putten uit een jubileumboek in de jaren negentig en de krantensite Delpher van de Koninklijke Bibliotheek. Ook maakte hij gebruik van de jeugdherinneringen van de broer van Fulps, Vincentinus Valstar. Zo lukte het hem het leven van zijn grootvader te reconstrueren. De vader van Fulps was in Naaldwijk een van de initiatiefnemers van de afsplitsing in de Nederlandse Hervormde kerk en de bouw van een eigen gereformeerde kerk aan de Dijkweg ter hoogte van de Grote Woerdlaan. Daarna was de vader van Fulps veertig jaar voorzitter van het bestuur van wat later de Christelijke Nationale Schoolvereniging zou gaan heten. De jonge Fulps zag van nabij hoe zijn vader ingrijpende beslissingen nam en daar bestuurlijke verantwoordelijkheid voor droeg. Zelf droeg hij ook die verantwoordelijk in de economisch moeilijke jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog.Henk Lelieveld ontdekte dat een ver familielid bisschop was geweest in Afrika. Het bleek te gaan om de uit Naaldwijk afkomstige Hermanus Johannes van Elswijk (1905-1987). Van Elswijk werd geboren in een groot gezin in de Molenstraat in Naaldwijk. Zijn moeder Henderica overleed in het kraambed bij de geboorte van haar tiende kind. Vader hertrouwde en er kwamen nog zes kinderen. Tot zijn vijftiende werkte Van Elswijk in de tuinbouw bij de familie Voskamp. Hij kreeg een priesterroeping en trad in bij de kloosterorde van de Paters van de Heilige Geest. Hij moest het geld voor de studie bij elkaar bedelen maar kreeg steun van de niet-katholieke familie Voskamp. Een jaar na zijn priesterwijding in 1933 vertrok Van Elswijk naar Tanzania. In 1954 werd hij in de Adrianuskerk in Naaldwijk tot bisschop van Morogoro gewijd. Oudere Westlanders weten zich Van Elswijk nog te herinneren vanwege zijn legendarische bedelpreken voor de missie. De bevolkingsgroei van het Westland door de eeuwen heen is in kaart gebracht door Jaap van Duijn. De huidige gemeente Westland behoort tot de 31 gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. Op het grondgebied van de gemeente woonden rond 1500 nog maar 4.000 mensen. Bijzonder is zijn vondst van de eerste vermelding, voor zover bekend, van de naam ‘Westland’ in een rekening uit 1382. Het jaarboek bevat verder een artikel van Ron Oosterveer over de talloze lijnbanen voor de productie van garen en touw, die ooit in Monster en Ter Heijde hebben gestaan. Van het overgrote deel van de garens werden netten gebreid voor de visserij. Jan van Dijk, medeoprichter van chrysantenstekbedrijf Fides uit De Lier schrijft over de teelt van jaarrondchrysanten. Sinds deze in 1961 voor de Westlandse veilingklok kwamen, heeft deze chrysantenteelt een grote vlucht genomen. In het voorjaar van 2018 organiseerde het Genootschap een excursie naar de Beekenkamp Group in Maasdijk. Het is inmiddels traditie dat over de geschiedenis van de bedrijven waarnaar het Genootschap een excursie organiseert een artikel verschijnt in het Jaarboek. Annieck Ruijgrok schrijft erover. Het Jaarboek wordt afgesloten met de Archeologische kroniek, de bibliografie van het Westland over het afgelopen jaar en met het jaarverslag van de secretaris van het Genootschap. Het jaarboek is verkrijgbaar in het Westlands Museum.Auteur: Frank de Klerk van het Historisch Genootschap Oud-Westland
Lees meer
Streekhistorie: Werkgroep Oud 's-Gravenzande verder als vereniging zondag 1 september 2019 07:07

Streekhistorie: Werkgroep Oud 's-Gravenzande verder als vereniging

Al decennia lang leeft de interesse in het ’s-Gravenzandse verleden. Niet verwonderlijk, aangezien de enige stad in het Westland terugkijkt op een rijke historie van meer dan 800 jaar. In 1975 is daarom door enkele enthousiaste ’s-Gravenzanders de Historische Werkgroep Oud ’s-Gravenzande opgericht. De werkgroep had al snel een flink aantal leden en de activiteiten bestonden o.a. uit archiefonderzoek en voorlichting. Regelmatig werden lezingen en diapresentaties verzorgd. Ook heeft de werkgroep archeologisch onderzoek verricht in de tijd dat daar nog geen gemeentelijk beleid voor was. De laatste opgraving die de werkgroep heeft verzorgd is die van het bagijnhof en de buitenplaats Vreeburgh aan het Vaartplein in 1999. In de jaren daarna heeft de werkgroep te maken gehad met een slinkend aantal leden, totdat er vorig jaar nog een drietal over was. Enkele opgegraven en gerestaureerde kannen van het BagijnhofMaar ook voor de jongere generatie heeft het verleden aantrekkingskracht. Afgelopen winter hebben enkele ’s-Gravenzanders de koppen bijeen gestoken om “Oud ’s-Gravenzande” nieuw leven in te blazen. In eerste instantie is het idee los van de bestaande werkgroep ontstaan, maar al snel is contact gezocht en is gedurende de wintermaanden onderzocht in hoeverre de werkgroep een doorstart kon maken. Het oprichten van een vereniging, om op die manier als rechtspersoon op te kunnen treden, was daarin een logische stap. Op 16 april 2019 was het dan zover en is de Vereniging Oud ’s-Gravenzande officieel opgericht. Het driekoppige bestuur bestaat uit Michiel Kruijthof als voorzitter, Joke Gijsberts als secretaris en Ruud Heus als penningmeester. Jan Dahmeijer en Piet van der Steen, beide al decennia lang verbonden aan de werkgroep, zullen het bestuur ondersteunen bij het uitbouwen van de vereniging.Prent van de oude kerk, voorganger van de Dorpskerk.De Vereniging Oud ’s-Gravenzande zal niet alleen de activiteiten van de voormalige werkgroep voortzetten, maar ook nieuwe activiteiten ontplooien. Zo is er een wandeling uitgezet langs diverse historische plekken in het centrum en is via de Izi-Travel app een fietsroute uitgezet. De leden zullen een aantal keer per jaar een online nieuwsbrief ontvangen met interessante wetenswaardigheden en ontwikkelingen over ’s-Gravenzande. Niet alleen het verre verleden zal aan bod komen: ook de recente geschiedenis zal een grotere rol gaan spelen. De ‘s-Gravenzandse dertigers en veertigers van nu zijn immers lang niet allemaal meer in de oude kern opgegroeid, maar grotendeels in de nieuwbouwwijken die na de oorlog tot stand zijn gekomen. Ook die maken deel uit van de stadshistorie. Om ook voor deze en toekomstige generaties de nostalgie naar “hun” ’s-Gravenzande levend te houden, is het van belang dat eenvoudige dingen die nu zo gewoon lijken, voor de toekomst bewaard blijven.De vereniging wil ook een collectie opbouwen, waarin zowel het verre als het recente verleden terugkomt: niet alleen bodemvondsten, ansichtkaarten en voorwerpen of documenten uit de oorlog zijn gewenst, maar zo zijn er bijvoorbeeld al een steen en een tegel uit de Koningswerf, een stoeptegel van het Gemeentelijk Energiebedrijf, een ’s-Gravenzandse hondenpenning en wat onderdelen uit het in 1976 gestrande schip Stardust aanwezig, maar staan bijvoorbeeld een zinken vuilnisemmer en een oud plaatsnaambord nog op het verlanglijstje! Ook zijn wij bijzonder geïnteresseerd in oude foto’s.In het najaar zal de vereniging een eerste openbare bijeenkomst organiseren, een historisch café dat voor jong en oud een feest van herkenning zal zijn. Ook op Open Monumentendag op 14 september zal de vereniging aanwezig zijn in de Dorpskerk, het trapgevelhuisje op het Marktplein en in het privé-museum van Ruud Heus in de Langestraat. Verder zijn we op zaterdag 28 september aanwezig op de grote jaarlijkse Historische Informatiemarkt in het gemeentehuis aan de Verdilaan in Naaldwijk met uitgebreide informatie over ‘s-Gravenzande. Marktplein in recent verledenIets bijleren over een ver verleden en herinneringen aan een minder ver verleden, dat zal de rode draad in de koers van de vereniging zijn! Initiatieven vanuit de leden worden ook zeer op prijs gesteld. Bent u nieuwsgierig of wilt u lid worden? U kunt contact opnemen op het e-mailadres oudsgravenzande@hotmail.com.Auteur: Michiel Kruijthof van de Vereniging Oud ‘s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: De Gouden eeuw als inspiratie voor vernieuwing zondag 25 augustus 2019 07:07

Streekhistorie: De Gouden eeuw als inspiratie voor vernieuwing

Openingstoespraak door Jacques Moerman (historicus) op 20 juni 2019, bij gelegenheid van de start van een fototentoonstelling in de Dorpskerk van Schipluiden. Hier zijn nog op de laatste zaterdagen van augustus en in het Monumentenweekend (14 en 15 september) foto’s van Fleur Halkema te zien van stillevens die een band met de Gouden Eeuw en Midden-Delfland hebben. Nederland staat dit jaar bol van activiteiten die met de Gouden Eeuw te maken hebben. Een van de hoogtepunten in onze omgeving is vanaf het najaar de tentoonstelling over Pieter de Hooch in het Prinsenhof te Delft. Voor het eerst is een overzicht van zijn werk te zien in Nederland. Maar er gebeurt meer! Is de Gouden Eeuw ook in onze streek, in Midden-Delfland, te beleven? Sporen van de Gouden Eeuw in Midden-DelflandKijk in de Dorpskerk van Schipluiden om u heen. Zondag 28 augustus 1616 was er een dorpsbrand, waarbij ook de oude kerk van Schipluiden afbrandde. Dankzij de bemoeienis van Jacob van Egmond, heer van Keenenburg, kon het gebouw reeds in 1619 weer in gebruik worden genomen. Het gehele interieur van de kerk dateert dus vanaf 1619. De Gouden Eeuw is zichtbaar in de kerk. Wat denkt u van de grafzerk van Otto van Egmond, de preekstoel, circa 1620, een voorbeeld van Delfts houtsnijwerk, met renaissance-elementen, let op de korintische zuilen, het koorhek met de wapens van Otto van Zevender en zijn vrouw Besten van Brienen, circa 1627. De dragers van het familiewapen, een olifant en een eenhoorn, symboliseren kracht, verder een schepenbankje uit het midden van de 17e eeuw, waarin de lokale bestuurders zaten, de barokke herenbank (ook vrouwenbank) van het Huis Keenenburg uit 1662. De vruchten symboliseren de welvaart van die tijd.Ook buiten de kerk zijn sporen uit de bloeitijd van de Gouden Eeuw te beleven. Nog altijd is in Midden-Delfland een aantal boerderijen te bewonderen, die in de periode 1625-1665 zijn gebouwd, zoals boerderij Abbestee uit 1646 in Schipluiden, boerderij Meerzicht in Zouteveen, de Lindenhoeve in ’t Woudt uit 1665. Investeerders waren vaak stedelingen, die hun geld belegden in grond en de bebouwing op het platteland. Soms vestigden zij op het boerenwerf een tweede woning. Denk aan de Leeuwenwoning in Maasland, bezit van de Delftse juristen- en artsenfamilie Van ’s Gravenzande; de familie bouwde een vleugel aan de boerderij om daar in de zomermaanden te recreëren, dichterbij hebben wij het voorbeeld Hodenpijl. In 1634 kocht de Haagse familie Van Wouw hier een boerderij, waarnaast een buitenplaats werd aangelegd. Het complex is bewaard gebleven. Het is nu de Levende Buitenplaats. Een ander voorbeeld is Sion, waar vanuit een boerderij een van de grootste buitenplaatsen van Zuid-Holland werd aangelegd. De eigenaren kwamen uit Rotterdam, de familie Van Hogendorp. Twee stenen hekpalen herinneren in Sion nog aan de buitenplaats, evenals het koetshuis (uit 1700), dat binnenkort wordt gerestaureerd. Trekschuit met jaagpaard, Vlaardingse Vaart 2018. Foto Jacques Moerman.Ook een teken van welvaart is in 1645 de komst van de trekvaartroute Delft-Maassluis, in 1654 verlengd naar Vlaardingen. Zesmaal per dag passeerde een trekschuit van Delft en Maassluis het dorp Schipluiden, tweemaal een trekschuit uit Vlaardingen. De komst van deze routes, waardoor de verse vis sneller naar de stad kon worden afgevoerd, betekende welvaart voor het dorp. Het aantal herbergen groeide in Schipluiden van twee naar vijf. Maasland behield er twee, omdat de trekschuit niet door, maar om dat dorp voer via de Noordvliet/Maassluisse Trekvliet. Belangrijk was ook het personenvervoer op vaste tijden. Via een netwerk van trekschuitroutes was men in de 17e eeuw in ruim drie uur van Delft in Leiden, Amsterdam was in één dag per trekschuit bereikbaar (het jaagpaard liep gemiddeld 7 km per uur). De mooiste herinneringen aan dit tijdperk zijn de jaagpaden in dit gebied, een bron voor inspiratie voor talloze kunstenaars, waaronder de 19e-eeuwse schilder Jongkind. Sinds kort is hij in de vorm van een standbeeld terug in Midden-Delfland, het gebied waar hij in zijn jeugd heeft gelopen.De adel had belangstelling voor kunst. Dit blijkt uit de schilderijencollectie van de Commandeurshof in Maasland. Hieronder bevond zich een Boerenkermis en een Boerenbruiloft, mogelijk uit de school van Breughel, maar ook een reeks van portretten en religieuze schilderijen. Enkele jaren geleden kocht Museum Prinsenhof in Delft het schilderij ‘De droom van Jacob’van de Delftse schilder Cornelis Jacobsz. Delff. Dit schilderij komt ook voor in de schilderijenlijst van kasteel Keenenburg. Twee hoofdpersonen van de Keenenburg droegen de naam Jacob, namelijk Jacob van Egmond en Jacob Frederik van Zevender, mogelijk een reden voor de aankoop van dit historiestuk. Een inboedellijst uit 1535 van de boerderij van Maritgen de Voecht laat zien dat ook boerderijen collecties kunst hadden. In haar boerderij langs de Woudseweg hingen naast schilderijen (‘taferelen’ zei men toen) borden met de afbeeldingen van Karel V, Maria van Hongarije, Johannes de Doper, Maria Magdalena en de heilige Veronica.De welvaart van Maritgen hing samen met de verkoop van boter en kaas. De Woudse boter en de Harnaschkazen werden in de 16e eeuw onder meer verhandeld in Brussel en Antwerpen. Je vindt deze aan Midden-Delfland gebonden producten ook terug in de archieven van Vlaamse kloosters, zoals in Brugge en Gent. De internationale zuivelhandel stopte grotendeels toen de Zuidelijke Nederlanden in de Tachtigjarige Oorlog losraakten van het Noorden. De opkomende welvaart in de Noordelijke Nederlanden bood echter voor de boeren ruime compensatie. De bevolking in de steden van Holland groeide enorm door de grote toestroom van vluchtelingen uit met name de Zuidelijke Nederlanden. De ondernemingslust van deze immigranten droeg in belangrijke mate bij aan de bloeitijd van de Gouden Eeuw in de Noordelijke Nederlanden. In de steden was veel vraag naar voedsel. Het gebied van Midden-Delfland, dat vanouds vertrouwd was met de boter- en kaasproductie, kon men deze producten gemakkelijk kwijt aan stedelingen. De bereikbaarheid over water bevorderde de handel. De stad Delft heeft daarvan enorm geprofiteerd. De buitenplaats Sion en het vroege tuinbouwgebied van de Noordhoorn, Kruikius 1712.De waterweg was ook belangrijk voor de eerste tuinders in deze regio. Buiten de stadsmuren van Delft ontstonden vanaf het eind van de zestiende eeuw kleine tuinbouwgebiedjes, waaronder langs de Hoornsevaart, het gebied de Noordhoorn bij de opkomende buitenplaats Sion en in Den Hoorn langs de Lookwatering. Naast een variatie aan fruitbomen was er een specialisatie in de teelt van asperges, bessen en aardbeien. Stad en platteland profiteerden van elkaars nabijgelegen aanwezigheid. In deze tijd zien we eenzelfde ontwikkeling. Het gaat dan niet alleen om voedsel, maar ook om de beleving van ruimte. In Midden-Delfland kun je nog ver kijken, en dit behoedt je voor kortzichtigheid. De groeiende welvaart in de Gouden Eeuw betekende een toenemende belangstelling voor kunst. Het aantal genres nam toe, waaronder het schilderen van stillevens. Stillevens werden in de zeventiende eeuw in groten getale vervaardigd. De schilder gaf de voorwerpen op een stilleven zo echt mogelijk weer. Tevens moest hij zorgen voor een goede compositie, zodat alle voorwerpen tot hun recht kwamen. Ook de lichtval was erg belangrijk. Op pronkstillevens zijn weelderige tafels met luxe voorwerpen als geslepen glazen, porselein en exotische vruchten afgebeeld. Op eenvoudige 'banketjes' en 'ontbijtjes' zien we sobere spijzen, zoals kaas, brood en haring, een combinatie van voedsel, dat nauw met deze streek verbonden was en in de Gouden Eeuw bereikbaar werd voor alle klassen. Iedereen in Nederland at boter en kaas. Deze producten stonden niet alleen als ontbijt op tafel, maar waren ook geliefd als laatste gang van een diner. Als dessert kwamen zij op de tafels van de gegoede burgerij, bijvoorbeeld in de Keenenburg te Schipluiden, geserveerd met noten, fruit, zuidvruchten en suikerwaren, zie de voedselresten uit de beerputten van het kasteel, maar bekijk ook de stillevens uit de Gouden Eeuw in de Nederlandse musea.Voedselrijkdom uit Midden-Delfland. Foto van Fleur Halkema.Fotograaf Fleur Halkema heeft zich door het genre van stillevens in de schilderkunst laten inspireren. Zij toont in haar werk de voedselrijkheid van onze streek. De instandhouding van het open landschap van Midden-Delfland hangt nauw samen met de overlevingskansen van de voedselproducenten in het gebied. Het overleven van het poldergebied van Midden-Delfland is ook voor de omringende steden van groot belang. De geschiedenis laat een constante interactie tussen stad en platteland zien. Deze geschiedenis verdient een toekomst. Elk initiatief om de betekenis van deze relatie te onderstrepen is belangrijk. In dit licht kunt u het fotowerk van Fleur Halkema bekijken. Geniet van haar fraaie stillevens, unieke hedendaagse foto-impressies, geïnspireerd door het werk van 17e-eeuwse Meesters! Met dank aan de initiatiefnemer, Arti Delflandiae, met name Flip van der Eijk, voor het initiatief van deze bijzondere tentoonstelling en de kerkrentmeesters voor de openstelling van deze kerk. Hierdoor hangen de kunstwerken in een passende historische ambiance! Midden-Delfland staat door deze expositie op een aansprekende, kunstzinnige wijze op de kaart! Hiermee is de tentoonstelling ‘Stillevens uit Midden-Delfland’ in de Dorpskerk van Schipluiden geopend.Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer