Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage uploaden op onze website. Wij zullen deze controleren en bij goedkeuring publiceren.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Een bijzondere archeologische vondst in de Nieuwlandse Polder maandag 12 november 2018 09:09

Streekhistorie: Een bijzondere archeologische vondst in de Nieuwlandse Polder

In 1988 werden de Nieuwe Laan en de Haakweg, die liepen vanaf de Maasdijk naar Hoek van Holland, aangepast en verbeterd om zo beter berekend te zijn op het zware vrachtverkeer dat naar de veerboot in Hoek van Holland ging. Tot die tijd waren dit vrij smalle wegen, die door het toenemende zware vrachtverkeer gevaarlijke situaties opleverden. De twee wegen zouden verbreed worden met daarnaast een vrijliggend fietspad. De Nieuwe Laan liep voor een deel over de uit de 15de eeuw daterende Nieuwlandse dijk. Bovenop de dijk kon de weg alleen verbreed worden als het dijklichaam enorm verbreed zou worden en dan nog zou het een moeilijke constructie worden. Het idee was daarom om in het weiland ten westen van de Nieuwlandse dijk een nieuwe weg aan te leggen. Hiertegen kwamen diverse natuurorganisaties en het Zuid-Hollands landschap, dat eigenaar was van het Staelduinse bos, in het geweer. Zij vonden dat het weiland als hooiland en groen voorland van het bos niet aangetast mocht worden. Deze lobby had succes en de overheid besloot daarom het stuk dijk af te graven en de weg in zijn geheel op maaiveld hoogte aan te leggen. Dat was erg jammer want zo werd een flink deel van de Nieuwlandsedijk, die in 1421 was aangelegd, verwijderd. Erfgoedorganisaties besloten toen de vinger aan de pols te houden bij het afgraven van de dijk om te zien of er niet nog meer historische sporen verloren zouden gaan. Op oude kaarten van het gebied van even na 1600 was te zien dat in de Nieuwlandse dijk een sluis was ingetekend, de Nieuwe Sluis. Dat was ongeveer in de buurt waar de Nieuwe Laan een haakse bocht maakt en overgaat in de Haakweg. Leden van de archeologische werkgroep Westland zouden het afgraven van de Nieuwlandse dijk in de gaten houden. Vrijwel meteen bij het begin van het graafwerk kwam inderdaad oud muurwerk tevoorschijn, wat later de noordelijke sluismond van de Nieuwe Sluis bleek te zijn. Na zorgvuldig uit- en afgraven bleek de gehele sluis nog aanwezig. Hij lag precies op de plek waar de Nieuwe Laan overging in de Haakweg en de sluis sloot in rechte lijn aan op de zuidelijke bermsloot van de Haakweg. Het was een prachtige gemetselde koker van ongeveer 20 meter lengte waar een volwassen persoon enigszins gebukt doorheen kon lopen. Aan de noordzijde was de sluismond afsluitbaar geweest met een houten schuif die men met een takelsysteem op en neer kon bewegen. Aan de zuidzijde werd de sluismond afgesloten met een zwaaideur die in halfvergane toestand nog aanwezig was. Detail van de Atlas van Delfland uit 1611 met de Nieuwe Sluis Kaart van het Nieuwland uit 1665, Nationaal ArchiefAfgraven van de Nieuwlandse dijk in 1988, foto Jan DahmeijerDe sluis is gebruikt voor het afvoeren van overtollig water uit de Nieuwlandse polder. Als er te veel water in de polder was en de waterstand in de Maas laag dan werd de schuif van de sluis open gezet en liep het water naar de Maas. De zwaaideur van de zuidelijke sluismond werd dan door de waterdruk opengeduwd en zo kon het water op een natuurlijke manier wegstromen. Als het water in de Maas hoog stond of door eb en vloedwerking zeewater werd opgestuwd, dan werd de deur van de sluismond automatisch dicht gedrukt en kon er geen water de polder instromen. Dit systeem werkte alleen als de polder hoog genoeg lag ten opzichte van het af te wateren gebied. Na het aanleggen van de Nieuwlandse polder in 1421 ging het aanslibben van nieuw gebied in de Maasmonding ten zuiden van de Nieuwlandse dijk door. Dit nieuw aangeslibde gebied kwam op een gegeven moment hoger te liggen dan het maaiveld van de Nieuwlandse Polder. De polder was landbouwgebied geworden en werd door de vele gegraven sloten sterk ontwaterd. Hierdoor klonk de bodem in en kwam de polder naar verhouding nog lager te liggen ten opzichte van het buitendijkse gebied. Na verloop van tijd kon er niet meer op een natuurlijke manier afgewaterd worden via de sluis. Dit werd in de loop van de 16de eeuw zo erg dat men voor het afwateren van de polder iets anders moest bedenken. In 1584 heeft men toen de Nieuwlandse poldermolen gebouwd die sindsdien met windkracht het water uit de polder maalde. Bij boerderij de Hilwoning ging het water de polder uit en werd dan via de Krimsloot afgevoerd naar de Maas. De Nieuwe Sluis had nu eigenlijk geen functie meer, hoewel ik in de archieven nog wel teruggevonden heb dat in perioden van extreme droogte er via de sluis Maaswater in de polder werd gelaten.Noordelijke sluismond Nieuwe sluis, foto Ton ImmerzeelZuidelijke sluismond met restant zwaaideur, foto Jan DahmeijerDe uitgegraven Nieuwe Sluis, foto Jan DahmeijerDe Nieuwlandse molen in 1970, foto Westlands MuseumDe Nieuwlandse molen na ophoging, foto Ton ImmerzeelDe afwatering van de sluis ging via een van de kreken in het buitendijkse gebied naar de Maas. Door het gebied liep een grote kreek, die ooit tot aan ’s-Gravenzande had doorgelopen. Deze kreek was een zijarm van de Maas die doorliep tot aan wat nu de Zanddijk is. Een restant van deze kreek is in het Noordland nog aanwezig en wordt ook de Kreek genoemd. In het buitendijkse gebied is het restant van deze kreek nog vrij lang in gebruik geweest en op oude kaarten komt die nog voor als de Grote Rel. In het archief van de Nieuwlandse polder bevindt zich zelfs nog een akte uit 1606 waarbij de vissers van Ter Heijde het recht krijgen om met hun schepen tot aan de duinen te varen en daar aan te meren. Via de duinen liepen zij dan naar huis in Ter Heijde. In een stuk uit 1570 wordt ook gesproken over de haven van het Nieuwland die via de Grote Rel te bereiken was en in de 15de eeuw werd nog vermeld dat de Grote Rel zo wijd was dat de schepen tot omtrent Staelduin het gat in kunnen laveren. Die kreek, de Grote Rel, mondde uit in de Maas bij het zogenaamde Amersgat. Dat was in de buurt van waar nu Poortershaven is, te bereiken als je vanaf de Maasdijk over de Schenkeldijk naar de Nieuwe Waterweg rijdt. De kreek slingerde door het buitendijkse gorzengebied richting Hilwoning. De loop van die kreek is nog te herkennen in de Bonnenweg die aansluit op de Haakweg vlakbij de Nieuwe Sluis. In de 18de eeuw is dit gebied ingepolderd en werd Bonnenpolder. Het aanslibben van nieuw gebied in zuidelijke richting bleef echter maar doorgaan en dreigde in de 19de eeuw de gehele Maasmonding te verzanden. Om de haven van Rotterdam goed toegankelijk te houden is toen in 1866-1872 de Nieuwe Waterweg gegraven, die het nieuw aangeslibde gebied doorsneed.Afbraak van de Nieuwe Sluis, foto Ton ImmerzeelReconstructiekaart van de Maasmonding door Beekman, Archief Hoogheemraadschap DelflandNa de vondst van de Nieuwe Sluis is nog geprobeerd het bouwwerk te behouden. De ingenieurs waren echter bang dat het sluisgewelf de zware vrachtwagens niet kon dragen en daarom is de sluis weggebroken. Jammer, want het bouwwerk dat dateerde uit de 15de eeuw, was nog in verrassend goede staat.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: De visserij van Ter Heijde in de zeventiende eeuw maandag 5 november 2018 11:11

Streekhistorie: De visserij van Ter Heijde in de zeventiende eeuw

In het zeventiende-eeuwse Ter Heijde was de visserij lange tijd de belangrijkste economische pijler. In tegenstelling tot de meer agrarisch georiënteerde kerkdorpen Monster en Poeldijk was bijna iedereen direct of indirect bij het wel en wee van de zeevisserij betrokken. De meeste volwassenen mannen gingen als visser naar zee, terwijl de achterblijvende beroepsbevolking haar geld verdiende in gerelateerde beroepen als nettenbreier, lijndraaier, herbergier, (scheeps)timmerman, viskoper en scholsnijder. Slechts een enkele agrariër woonde in het dorp en veelal had ook hij belangen in het visserijbedrijf als toeleverancier of als investeerder in de zeeschuiten. De Heijdse vissersvloot bestond in die tijd hoofdzakelijk uit zeeschuiten, pinken en haringbuizen. Op het strand van Ter Heijde of in het schuitengat, een laagte in de duinen waar ’s winters de vissersschepen werden geborgen, waren hoofdzakelijk zeeschuiten en een kleinere variant, het scholschuitje, te zien. De laatste waren kleine open scheepjes die vanwege hun grootte maar een korte tijd in zee konden blijven. Net als de grotere zeeschuiten hadden zij een platte bodem, waardoor ze bij hoog water op het strand gezeild konden worden en bij laag water rechtop bleven staan. Ter Heijde had geen haven. Daardoor was er voor haringbuizen en andere kielschepen geen plaats`. Zij havenden vooral in Maassluis en Delfshaven. Vanaf de scholschuitjes viste men met netten hoofdzakelijk op platvis. Ook werden deze schuitjes wel gebruikt om met hoekwant kabeljauw of schelvis te vangen. Met de zeeschuiten gingen de Heijdse vissers ver de zee op tot onder de Engelse kust om deel te nemen aan de steurharingvisserij. Het Heijdse vissersbedrijf was een complexe bedrijfstak. Verschillende vormen van visserij werden naast en door elkaar op de Noordzee uitgeoefend. Het ging om de pekelharingvisserij, de visserij op gezouten vis, de steurharingvisserij en de kustvisserij. De Heijenaars voerden hoofdzakelijk schol en schelvis aan en in mindere mate haring, kabeljauw en zalm. De afslagZodra thuiszeilende vissersschepen door de stoker van de vuurboet of door de klapwaker voor de kust werden gesignaleerd, liep hij het dorp rond om de schrijvers, scholdragers, vislopers, viskopers, familieleden en andere geïnteresseerden te waarschuwen om de vissersschepen met hun vangsten op te wachten. Alle vis die door Heijdse vissers werd gevangen, moest naar oude gewoonte via de afslag op het strand worden verkocht. Schout en schepenen zagen erop toe dat aan dit voorschrift streng de hand werd gehouden. Vooral zalm werd nog al eens buiten de afslag om verkocht. Stuurlieden mochten eventueel wel hun hele vangst direct aan een gegadigde verkopen, mits de verschuldigde belastingen maar werden betaald. Viskopers uit Ter Heijde hadden altijd het recht van voorkoop. Tegen dezelfde prijs konden zij een partij of een gedeelte daarvan claimen. Onstuimige zee met drie scholschuiten op de voorgrond en een vierde aan de horizon, door Renier Nooms (1652-1654). (Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-20.554In Scheveningen, Katwijk en Noordwijk waren de afslager en de schrijver dé functionarissen op de visafslag. In Ter Heijde waren beide functies in één persoon verenigd. Van oudsher was de visafslag met een heel pakket aan maatregelen omgeven. Toch lijken deze voorschriften weinig uitwerking te hebben gehad. Rond de visafslag vonden voortdurend incidenten plaats. Talloze keren werden omstanders gemaand de juiste afstand te bewaren tot de te verkopen vis, werden vechtlustigen bestraft, scheldpartijen beboet en het dragen van messen en andere wapens ten strengste verboden. Cornelis Gijsen uit Scheveningen werd zelfs opgepakt omdat hij verschillende omstanders had uitgescholden en met de plaatsvervanger van de schout en de schrijver had gevochten. De Heijdse visafslag nam zeker geen opvallende positie in. Ook in andere plaatsen waren geweld en onenigheid op en rond de visafslag een niet uit te roeien verschijnsel. Alle vissersplaatsen aan de Zijde, maar ook de visafslagen in de grotere steden, kenden stringente regelgeving om dit te voorkomen. In de eerste maand van 1602 ontvingen de baljuws van Monster, Katwijk aan Zee, Noordwijk aan Zee, Zandvoort en Egmond een schrijven van de Grafelijkheids Rekenkamer uit Den Haag. Op verzoek van de ambachtsheren van deze heerlijkheden informeerde de secretaris van de Rekenkamer bij de baljuws naar de status van de afslagers en schrijvers. De ambachtsheren waren namelijk van mening dat zij het recht bezaten om de afslagers en schrijvers te benoemen in ruil waarvoor zij een geldbedrag ontvingen. Veel schrijvers dachten daar anders over. Een langslepend conflict ontstond dat pas tien jaar later door tussenkomst van het Hof van Holland werd geschikt. Ook in latere jaren bleven namens de ambachtsheer de baljuw van Monster en de Nassause Domeinraad zich met de visafslag bemoeien. De afslagers dienden jaarlijks ten overstaan van de baljuw een eed af te leggen. In 1670 gebood de Domeinraad dominee Michael Hendriksz. en de kerkenraad van Ter Heijde de afslag goed te controleren zodat er niet met de belastingheffingen ten behoeve van de Heijdse kerk zou worden gesjoemeld. MalversatiesOm malversaties rond de verkoop van schol te voorkomen, beschikten de afslagers over enkele scholtonnen. Met behulp van deze tonnen konden zij de viskopers vaste hoeveelheden schol leveren. Jaarlijks werden de scholtonnen onder het toeziend oog van de kerkmeesters geijkt. Zij hadden er namelijk alle belang bij dat de verkoop van schol op een eerlijke manier plaats vond, omdat de Monsterse kerk van elke ton verkochte schol enkele penningen kreeg. Na het ijken van de tonnen verdwenen de kerkmeesters in de herberg om hun dorstige kelen te lessen met een kan bier of een stoop wijn. In de kerkrekeningen staan jarenlang uitgaven verantwoord die onder andere Jan Jansz. Jonge Slock, waard in de herberg ’t Wapen van Rotterdam te Ter Heijde voor deze gelagen in rekening bracht. Verschillende vissersboten aan het strand. Op het strand verkopen vissers vis, waarschijnlijk door Jan Porcelis (1600-1650). (Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1890-A-15865)Ondanks de jaarlijkse controle op de tonnen uitten de viskopers zo nu en dan klachten over de maat van de gebruikte scholtonnen. Ze zouden te klein zijn, waardoor zij te weinig vis voor hun geld kregen. De baljuw en de kerkmeesters werden naar Ter Heijde ontboden en vergeleken dan de tonnen met de geijkte scholton. In alle gevallen bleken de viskopers ten onrechte de afslagers beschuldigd te hebben. De maatvoering bleef een kwestie van vertrouwen. Verkoop van de vangstenTer Heijde telde zelf zo’n zeven à acht viskopers. Zij namen het leeuwendeel van de verkoop voor hun rekening. De gekochte verse vis vond zijn weg naar consumenten in Monster, Den Haag, Delft en Rotterdam. Net als in Scheveningen en andere vissersplaatsen werd in Ter Heijde de handel in verse vis hoofdzakelijk door vrouwen gedreven. Lopend met een mand op de rug gingen zij naar de viswaag in Monster, naar de omliggende dorpen of naar Delft, Den Haag of Maassluis om langs de deuren hun vis te slijten. Grotere partijen werden met paard en wagen naar de afnemers vervoerd. Afhankelijk van de vraag en het aanbod elders deden ook viskopers uit de regio zaken op de Heijdse afslag. De gedroogde schol had een groter afzetgebied. Via de Monsterse vaart werden per schuit Amsterdamse, Delftse, Rotterdamse en zelfs Nijmeegse kooplieden hiermee bevoorraad. Voor Heijdse begrippen ging het hierbij om grote bedragen. Zo staat in de boedelbeschrijving van een weduwe een post van maar liefst 245 gulden voor gedroogde schol open die was geleverd aan een Amsterdammer. Schrijver Harmen Jansz. Crijsman machtigde iemand uit ’s-Gravenzande om in Delft en Amsterdam wanbetalers te dwingen alsnog de hun geleverde tonnen gedroogde schol te betalen. Sommige viskopers kochten verse vis direct op zee. Vanuit de zeeschuiten werd de vangst dan overgezet in andere schepen die daarmee naar Engeland voeren. Londen vormde voor deze handel het centrum. Het ‘op de stroom’ of ‘op de leck’ kopen en verkopen van vis was een doorn in het oog van de schrijvers van de visafslag. Talloze keren vergaten Heijdse stuurlieden dan de voorgeschreven belasting te betalen, waardoor de schrijvers hun inkomsten misliepen. Schattingen over de hoogte van de gederfde inkomsten ontbreken echter. Brielse en Maassluise vishandelaren klaagden veelvuldig over de concurrentie die zij op de Londense vismarkten ondervonden van vis die afkomstig was uit Ter Heijde en Scheveningen. Heijdse viskopers waren ook buiten het dorp actief, bijvoorbeeld in Maassluis en Scheveningen. TeruggangIn normale tijden was de visserij een lonende bedrijfstak, maar als door oorlogs- of natuurgeweld schepen of netten verloren gingen, konden alleen hoge winsten tijdens de volgende teelt de geleden schade compenseren. Tijdens de zeventiende eeuw ging er bijna geen decennium voorbij dat de Republiek niet in conflict was met een of meer Europese mogendheden. Al deze oorlogen hadden een enorme impact op de visserij. Schepen werden genomen, opgebracht of tot zinken gebracht. Vissers lieten het leven of brachten maandenlang door in Vlaamse of Engelse gevangenissen. De schade was enorm en kon uiteindelijk niet meer gecompenseerd worden. Investeerders van buiten Ter Heijde lieten het dan ook afweten. Het dorp verarmde. Het werd een gemeenschap met een hoog aantal armlastigen. Visafslag op hert strand. Herkomst onbekend. Daarnaast werd de woonsituatie steeds moeilijker. Zware stormen gecombineerd met slecht onderhoud van duinen en dijken zorgden ervoor dat de duinengordel voortdurend afkalfde en talloze vissershuizen in de golven verdwenen. De meeste reders en investeerders hielden het voor gezien. Noodgedwongen maakten veel Heijenaars de overstap naar de agrarische sector of gingen werken op de Maassluise en Vlaardingse vissersvloot. De eens zo bloeiende visserij van Ter Heijde verdween grotendeels. In het midden van negentiende eeuw voer nog slechts een zeeschuit vanaf het Heijdse strand naar zee.Auteur: Adri van Vliet van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Een tapperijtje in het Staelduin maandag 29 oktober 2018 09:09

Streekhistorie: Een tapperijtje in het Staelduin

Geregeld komen er bezoekers in “D’ Oude Koestal”, het bezoekerscentrum in het Staelduinse Bos, die na hun wandeling in het bos vragen of er iets te drinken is. Sinds kort is dat op verzoek wel mogelijk. Ook kan men daarvoor naar theeschenkerij “De Bosrand” aan het begin van de Staelduinlaan, waar men van prima koffie en lekkere zelfgemaakte appeltaart kan genieten. In vroeger tijd kon men in het Staelduin echter ook al terecht voor een drankje en een hapje! Bij onderzoek in het Historisch Archief Westland, kwam ondergetekende in het Rechterlijk Archief van ’s-Gravenzande- Sand-Ambacht (1550-1811) een verzoek om een drankvergunning tegen van Pieter de Wilde die in het Staelduin woonde. Hij deelde “De Edele Agtbare Heeren Bailluw, Schout en Scheepenen der Hoge Heerlijkheid Zand Ambagt” in een brief eerbiedig mee dat het zijn vader Jan de Wilde, als pachter van de Staalduijnen, sinds het jaar 1750 was toegestaan om wijnen, bieren en mol (een soort zwakalcoholisch bier) en verder allerlei soorten gedistilleerde wateren, met de “kleine maat”, te tappen en te verkopen. Nu hij in plaats van zijn vader pachter van de Staalduijnen werd zou hij ook graag de tapnering van zijn vader voort willen zetten vanuit zijn huis op de Staalduijnen met de verkoop van wijnen, bieren, mol en allerlei sterke dranken en gedistilleerd water. Op het verzoekschrift had vader Jan aangetekend dat hij er mee instemde dat zijn zoon zijn handeltje overnam. Hij schreef onder het verzoek namelijk dat dit verzoek met zijn medeweten werd gedaan! Op dit verzoek besluiten de bestuurders van Sand-Ambacht op 23 december 1793 welwillend zodat zoon Pieter de tapnering van zijn vader voort kan zetten.De huizen in het Staelduin, geschilderd door Aert Schouman in 1744 met op de achtergrond de Maas en de kerktoren van Den Briel.Het Staelduin was in die tijd een afgelegen duingebied in een uithoek van ’s-Gravenzande en door de slechte wegen moeilijk te bereiken vanuit Maassluis en Naaldwijk. De bewoners van het duin woonden ongeveer op de plek waar nu het bezoekerscentrum “D’ Oude Koestal” van de Vereniging vrienden van het Staelduinse Bos ligt en de woning van boswachter Spreen. Die plek is al ruim voor het jaar 1600 bewoond wat blijkt uit oude kaarten en daar gevonden aardewerk zoals een deel van een zogenaamde baardmankruik. Kennelijk kwam men vroeger s ’avonds van omliggende boerderijen en dijkhuisjes regelmatig naar de woning van pachter De Wilde die dan een biertje tapte en een borreltje schonk. Dergelijke kleine huiskamertapperijtjes kwamen in het buitengebied vaker voor. Mogelijk woonde De Wilde zelfs in de huidige boswachterswoning. Uitzicht vanaf het hoge duin achter de boerderij over de Bonnenpolders en de Maas, aquarel geschilderd door Aert Schouman rond 1745. Aan het eind van de 19e eeuw was er bij de boerderij in het Staelduin een uitspanning waar bezoekers wat konden gebruiken. De toenmalige boerin Van Koppen bakte er pannenkoeken die tot ver in de omtrek bekend waren en desgewenst genuttigd konden worden in het theekoepeltje op het hoge duin achter de boerderij. Dit duin was rond 1860 opgehoogd om als uitkijkpunt te dienen. Vanaf dat punt had men een prachtig uitzicht over de begroeiing van het Staelduin, de Bonnenpolders, de Maas en later de Nieuwe Waterweg. Vanaf 1913 werd deze hoeve gepacht door Toon Weterings, die rond het bos een gemengd boerenbedrijf uitoefende. Zijn koeien liepen in “De Heuvels”, het terrein tussen het bos en de Nieuwlandse dijk en achter het bos had hij bouwland. De familie Weterings zette de traditie voort en op het erf was een theeschenkerij waar de vermoeide bezoeker van een consumptie kon genieten en uit kon rusten. Bekend is dat hiervan begin vorige eeuw veelvuldig gebruik gemaakt werd door stadsbewoners die met rijtuigen naar het bos kwamen. Ook later werd de theeschenkerij van Weterings in het bos een populaire bestemming voor een uitje en regelmatig was het daar dan een drukte van belang.Advertentie uit de jaren 30 van de vorige eeuw voor de theeschenkerij van de familie WeteringsAuteur: Jan Dahmeijer van de Historische werkgroep Oud ‘s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Toekomstplannen voor centrum Schipluiden maandag 22 oktober 2018 16:04

Streekhistorie: Toekomstplannen voor centrum Schipluiden

In het kader van de Centrumontwikkeling van Schipluiden heeft de Historische Vereniging Oud-Schipluiden een visie ontwikkeld om de cultuurhistorie - met als rode draad het verhaal van kasteel Keenenburg - in het dorp te versterken. Het dorp trekt in mooie weekenden, maar ook op andere dagen, steeds meer bezoekers. De groei van het aantal horecagelegenheden in de kern van het dorp bevestigt dit. Er is een duidelijke behoefte om meer informatie over de geschiedenis van Schipluiden zichtbaar te maken. Het verhoogt de aantrekkelijkheid van het dorp en geeft ook verdieping. Voor dit doel is de zichtlijn Dorpskerk tot Museum Het Tramstation het uitgangspunt. In de Dorpskerk van Schipluiden zijn zichtbare sporen van de bewoners van de Keenenburg te vinden. In de kerk staat de barokke familiebank en bevindt zich de grafkelder van het Huis Keenenburg. Verder zijn er te zien: de grafzerk van Otto van Egmond, een fraai koorhek en een indrukwekkend gedenkteken van een van de laatste bewoners, die ook het Avondmaalservies heeft geschonken. Het rijke interieur van de kerk is een verborgen schat. De Dorpskerk is naast de gebruikelijke diensten en uitvoeringen weinig toegankelijk. De vereniging pleit voor meer openstellingen en wil daarbij een assisterende rol spelen. De komst van een tweetal herinneringsobjecten en een straatnaambordje van de beroemdste dominee van Schipluiden, Antonius Hambrouck, maakt bezoekers extra nieuwsgierig om de kerk te gaan bekijken.Nabij de Hofbrug (ook wel Trapjesbrug) liggen nu reeds twee historische schepen: het bekende motorschip van schipper Koole, waarmee in de oorlog tientallen Engelandvaarders konden ontvluchten, en een oude veilingschuit. Als hierbij een westlander wordt aangemeerd, is er al bijna sprake van een historische haven. Ook het vervoer naar en van de Keenenburg vond in het verleden meestal over het water plaats. In het kader van de provinciale Erfgoedlijn Trekvaart, waarin wij als vereniging meepraten, is er bij de Valbrug een informatiezuil over de trekvaart geplaatst, komen er drie rolpalen in de bocht tegenover het gemeentehuis en er wordt een trekvaartarrangement voorbereid, waarbij Schipluiden wordt aangedaan. Na de Hofbrug bevindt zich aan de Singel de oude hoofdingang naar het kasteel. Er wordt een poging ondernomen om het historische hek van de Keenenburg, dat sinds 1918 in Wassenaar staat, weer terug te krijgen in Schipluiden. Als dit niet lukt, zal op een andere wijze verwezen worden naar het kasteelterrein. De bedoeling is dat alleen voetgangers van deze route gebruik maken.De oude toegang naar kasteel Keenenburg wordt hersteld.De gemeente is straks de enige eigenaar van het terrein waar de hoofdburcht van de Keenenburg heeft gestaan. Er wordt met de gemeente een plan ontwikkeld om het kasteeleiland aantrekkelijker te maken voor bezoekers. Een belangrijk onderdeel hiervan is de heropbouw van een deel van het kasteel in staal, transparant en op ware grootte, inclusief een traptoren die als uitzichtpunt gebruikt kan worden. Op het open terrein is ruimte voor speelattributen die gerelateerd zijn aan het kasteel en er is ruimte voor een plek waar theateruitvoeringen plaats kunnen vinden. Het voorbeeld voor de reconstructie van de Keenenburg is de Uniastate in Bears (Fr.)Vanaf het kasteelterrein worden de bezoekers door de inrichting van de open ruimte uitgenodigd om naar Museum Het Tramstation te gaan. Om hier grotere groepen te kunnen ontvangen, worden er onderzoeken gedaan naar uitbreiding van het tramstation (een gedeeltelijk glazen luifel en een glazen paviljoen). In het museum staat de geschiedenis van het kasteel straks centraal, evenals de geschiedenis van de Westlandsche Stroomtramweg Maatschappij (WSM). In het paviljoen kunnen grotere groepen ontvangen worden en zullen belangrijke historische aspecten van Midden-Delfland worden belicht, zoals de poldervorming, de trekvaartroute en de landgoederen. Onderzocht wordt of ook andere instellingen in Midden-Delfland hierin willen participeren. De Historische Vereniging Oud-Schipluiden wil graag waarborgen inbouwen, die de continuïteit van het streekhistorisch werk in de toekomst garanderen. Ten slotte bestaat het idee om de naaste omgeving van het tramstation her in te richten, met onder andere de terugkeer van een stukje spoorlijn en speelwerktuigen die verband houden met het railvervoer. Door al deze plannen, waarvoor een breed draagvlak wordt gezocht, ontstaat in het centrum van Schipluiden een unieke historische route, die zowel voor bewoners als voor bezoekers aantrekkelijk is. De route versterkt de historische identiteit van het dorp. Auteur: Jacques Moerman, voorzitter Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: 45 jaar graven in de geschiedenis maandag 15 oktober 2018 11:11

Streekhistorie: 45 jaar graven in de geschiedenis

Toen wethouder Vreugdenhil op zaterdag 13 oktober 2018 de nieuwe naam van de Wateringse historische vereniging bekendmaakte, markeerde dat het eind van een periode die 45 jaar geleden begon. In september 1973 stond er in het Velonieuws een oproep van de Culturele Raad van Wateringen (toen nog een gemeentelijke commissie) voor belangstellenden om een historische werkgroep op te richten. De werkgroep als Westlandse vorm van historisch onderzoek werd bedacht door M.C.M. van Adrichem. Hij was de grote man van het Westlands Centrum voor Streekhistorie dat was gevestigd in de voormalige pastorie aan het Wilhelminaplein. In dit pand zit nu een restaurant. In Wateringen werd de eerste stap op zijn verzoek gezet door de Culturele Raad, daarbij gesteund door Cees Keizer, destijds actief op veel terreinen, onder andere als gemeenteraadslid voor de protestants-christelijke fractie.De bijeenkomst van geïnteresseerde inwoners van de gemeente Wateringen resulteerde in een groep van negen mensen die wel een werkgroep wilden vormen. Dat werd de Historische Werkgroep "Oud-Wateringen" (met aanhalingstekens). Van Adrichem stond erop dat het een werkgroep zou worden en geen echte vereniging. Het was zijn overtuiging dat iedereen die zich aansloot bij de werkgroep ook werk zou verrichten in de vorm van historisch onderzoek. Zo zou elk lid een bijdrage leveren aan de historische kennis van de gemeente. Toch kwam al snel het besef dat een werkgroep het niet zou kunnen redden met een handvol enthousiaste leden. Voor het vergaren en verspreiden van kennis was een groot draagvlak nodig.Oproep voor belangstellenden, Velonieuws 11 september 1973Op 24 oktober 1973 werd de werkgroep officieel opgericht. Aangezien het geen vereniging was, kwam er ook geen voorzitter maar een coördinator. Dat werd Jan Olyslagers die tot zijn overlijden in 2008 de werkgroep zou leiden. Totdat de werkgroep een eigen onderkomen kreeg, werden de bijeenkomsten gehouden in de huiskamer van Olyslagers aan het Oostblok. In een van de kamers boven stonden alle boeken en andere documentatie.Al na een jaar na de oprichting hielp de werkgroep bij een expositie over de geschiedenis van de Hervormde Kerk in De Wingerd. Twee jaar later, bij het 75-jarig bestaan van de Sint Jan de Doperkerk, volgde een tentoonstelling over de katholieken in Wateringen na de Reformatie. Het was het begin van een lange reeks exposities over Kwintsheul, kerken, het Raadhuis, boerderijen, archeologie, openbaar vervoer, trouwfoto's, de Tweede Wereldoorlog en andere kleine en grote onderwerpen.Begin jaren tachtig werd de naam van de werkgroep uitgebreid met Kwintsheul om meer recht te doen aan het onderzoeksgebied. Na de restauratie van de Hofboerderij kreeg de werkgroep de beschikking over de Kaaskelder. Hiervoor moest wel huur worden betaald aan de gemeente Wateringen en daarvoor was het nodig een echte vereniging te worden. Dat gebeurde in 1985.Kaaskelder Hofboerderij na de opening in april 1984Vanaf die tijd ging het steeds beter met de vereniging. Een eigen ruimte betekende dat er plaats was voor foto's, boeken en materialen. Ook was het mogelijk mensen te ontvangen tijdens een spreekuur. Op de grote bureaus was er ruimte om exposities samen te stellen. Al snel deed de eerste computer zijn intrede waarin gegevens werden opgeslagen. Met hulp van het Anjerfonds en de gemeente werd het complete oud-notarieel en oud-rechterlijk archief van Wateringen op film gezet. De originelen zijn inmiddels door het Nationaal Archief overgedragen aan het Historisch Archief Westland, maar de film is nog steeds beschikbaar voor historisch onderzoek.Er kwamen publicaties: fotoboeken, bronnenpublicaties, monografieën, jaarverslagen met historische artikelen en zelfs een echt ledenblad dat vier keer per jaar verschijnt. Het aantal activiteiten breidde zich uit. Naast de exposities en spreekuren kwamen er lezingen, historische cafés en deed de werkgroep mee aan allerlei activiteiten in de twee dorpen van winkeliers en andere verenigingen. Sinds een aantal jaren wordt volop gebruik gemaakt van de website en sociale media om zoveel mogelijk mensen te betrekken bij de Heulse en Wateringse geschiedenis.Manifestatie 'Kwintsheul 60 jaar grenzenloos', 1 juli 2017Na 45 jaar is er al veel werk verzet en is er veel bekend geworden over de lokale geschiedenis. De nieuwe naam, van werkgroep naar verenging, is geen afsluiting maar een doorstart. Er is nog genoeg te ontdekken over het verleden en genoeg bij te dragen aan de toekomst. Denk aan het voortbestaan van de Hofboerderij en het bedenken van nieuwe straatnamen voor de toekomstige woonwijken langs de Poeldijkseweg en bij De Driesprong. Ook de bestaande activiteiten moeten worden voortgezet en zelfs geïntensiveerd. Daar zijn ook nieuwe mensen voor nodig die zich, net als in 1973, kunnen melden bij de 'oude' nieuwe vereniging.Auteur: Maxim van Ooijen van de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Op zoek naar sporen van de Arenbergs maandag 8 oktober 2018 12:12

Streekhistorie: Op zoek naar sporen van de Arenbergs

In de stad Leuven in België vindt vanaf 20 oktober het culturele festival ‘5 eeuwen Arenberg’ plaats. Het is de bedoeling om tijdens de festivalperiode vertegenwoordigers van alle gemeenten in binnen- en buitenland samen te brengen waar sporen van de Arenbergs terug te vinden zijn. Daar hoort ook het Westland bij. foto: Egmontpaleis in Brussel Het huis Arenberg is een oud, invloedrijk en zeer welgesteld adellijk geslacht, afkomstig uit de Duitse Eifel met, net zoals andere Europese 'noblesse', eigendommen verspreid over heel Europa. Het kasteel van Heverlee bij Leuven en het Egmontpaleis in Brussel behoorden tot hun adellijke erfenis. Heverlee was sinds het begin van de 17de eeuw één van de voornaamste verblijfplaatsen van de Arenbergs. Ze erfden er een landgoed met een imposant jachtslot, het Arenbergkasteel, en bossen die zich uitstrekten tot ver buiten Leuven. De impact van de Arenbergs strekt zich echter uit over heel Vlaanderen, België en Europa. foto: Het kasteel van Heverlee Zo zijn Machteld van Montfort en Robert van der Mark van Arenberg in 1506 de eersten van de familie Arenberg die vrouwe en heer van Naaldwijk worden. Zij erven eveneens het jachtslot in het naastgelegen Honselersdijk, maar bestuderen hun bezittingen vanuit hun kasteel in Limburg. Pas in 1544 gaat Machteld in Honselersdijk wonen en als zij ziek wordt trekt haar kleindochter Margaretha van der Mark van Arenberg bij haar in. Na haar dood in 1550 worden Margaretha en haar man Jan van Ligne de nieuwe vrouwe en heer van Naaldwijk. Afbeelding: Het jachtslot in Honselersdijk uit het Kaartboek van de domeinen in het Westland 1615-1634 door Floris Jacobszoon Jan van Ligne is tevens de voogd van Filips Willem, de oudste zoon van Willem van Oranje. De families Arenberg en Van Oranje zijn nauw met elkaar verbonden. Filips Willem gaat in 1566 in Leuven studeren, maar wordt in 1568 - ondanks protesten van de rector van de universiteit - door de Spaanse koning Filips II gevangen genomen naar Spanje ontvoerd voor een degelijke katholieke opvoeding. Deze gijzeling was aanleiding voor een godsdienstoorlog tussen Spanje en het opstandige protestantse Holland die tachtig jaar zal duren. Jan van Ligne blijft de Spaanse koning trouw en sneuvelt in de strijd bij Heiligerlee. Margaretha en haar zoon Karel voelen zich niet langer welkom in Holland en komen niet meer op Honselersdijk. Hun Westlandse bezittingen worden door de Staten van Holland in beslag genomen. Tijdens het bestand in 1609 worden deze weer vrijgegeven, maar in 1612 verkoopt Karel al zijn eigendommen in Naaldwijk, Honselersdijk en Wateringen aan Frederik Hendrik van Oranje voor 350.000 gulden. Afbeelding: La Maison Royale de Honsellaerdijck, deel van tekening van Jan van Calle de Oude, ca. 1690 Het kasteel van Honselersdijk zal uitgroeien tot het mooiste paleis van Holland in de 17de eeuw. Vanaf 1713 raakt het geleidelijk in verval en wordt in 1813 afgebroken. Het bijgebouw De Nederhof is het enige overblijfsel dat aan het paleis herinnert.Landgoed Arenberg is nu een riante campus van de Katholieke Universiteit van Leuven. Onder de naam KU[N]ST is deze universiteit de organisator van ‘5 eeuwen Arenberg’. Het veelzijdige programma van het stadsfestival toont de impact van de familie Arenberg op het gebied van cultuur, erfgoed, kunst, wetenschap en natuurbeheer. Trekker is de tentoonstelling 'De Arenbergs' in M - Museum Leuven die het verhaal van de familie vertelt en hun indrukwekkende kunstcollectie eenmalig terug samenbrengt. Ook is er tot 20 januari elke zondag een rondleiding door het kasteel. Zie www.arenbergleuven.be Voor dit omvangrijke project in een digitale kaart in de maak waarop de sporen van de Arenbergs in België en de buurlanden makkelijk te raadplegen zijn. Zodra deze kaart online is, zullen we de link op onze website plaatsen. Wil je op de hoogte blijven? Stuur ons dan een email: info@hvnh.nl Auteur: Jolanda Faber van de Historische Vereniging Naaldwijk Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Hoek van Holland aan ramp ontsnapt maandag 1 oktober 2018 11:11

Streekhistorie: Hoek van Holland aan ramp ontsnapt

Door de jaren is Hoek van Holland getuige geweest van veel scheepsrampen. De brand op de Artemis op zaterdag 7 juni 1958 – 60 jaar geleden - was echter een ramp die met name bij de ouderen onder ons veel indruk heeft gemaakt doordat het op de Waterweg gebeurde waar iedereen het kon zien. Bovendien waren er vlakbij een hoop mensen op de been vanwege een wielerronde die voerde langs de Strandweg, Boulevard, Schelpweg en Duinweg. Nauwelijks had de wijkraadvoorzitter, de heer D. van den Burg, hiervoor het startschot gelost toen er roetzwarte rookwolken boven de Waterweg verschenen met als gevolg dat de talrijke toeschouwers wegstroomden om te kijken wat er aan de hand was.De aanvaringHet inkomende Noorse schip LUKSEFJELL was met een lading stukgoed op weg naar Rotterdam en ten westen van de Berghaven raakte omstreeks 14:00 de stuurmachine defect waardoor het roer hard bakboord bleef liggen en het schip naar bakboord begon te draaien. De uitgaande Noorse tanker ARTEMIS, geladen met ca.14.000 ton benzine, was op weg van Pernis naar zee en bevond zich toen op korte afstand bovenstrooms van de Harwichsteiger. Hierdoor ontstond gevaar voor aanvaring en op beide schepen werd vol-achteruit geslagen en beide lieten een anker vallen. Desondanks kwamen ze te 14:04 met geringe vaart met elkaar in aanvaring ter hoogte van de Berghaven. De boeg van de LUKSEFJELL trof hierbij het voorschip van de ARTEMIS aan bakboord, ter hoogte van de voorste olietank. Het eerstgenoemde schip kreeg hierbij enige schade aan de boeg, terwijl de tanker een gat kreeg in de scheepshuid net onder het dek van ca. ½ m. breed en een kleine meter hoog. De beplating daaronder werd gedeukt en ca. 2 m. verder naar beneden ontstond een kleiner gat. De benzine spoot uit de gaten en vatte direct vlam, waardoor de LUKSEFJELL aan het voorschip geblakerd werd. Nadat het zich had losgemaakt bleef het, wat dit schip betreft, hierbij. Na geankerd te hebben om het stuurgerei enz. te klaren, kon de reis naar Rotterdam worden vervolgd.Links de LUKSEFJELLBrandOp de ARTEMIS spoot de brandende benzine over vrijwel de volle lengte van het schip waardoor het voordekhuis vlamvatte en uitbrandde. Ook verspreidde brandende benzine zich over het water. De loopbrug tussen het voor- en achterdekhuis en de dek-leidingen stonden in brand en in het achterdekhuis ontstond brand in de hutten aan bakboordzijde. Volgens ooggetuigen reikte de eerste vlam tot ruim 3 maal de masthoogte omhoog, waarna deze vlam door de wind over de hele breedte van het schip werd gedrukt. Door de ebstroom zwaaide de tanker op het anker langzaam rond over stuurboord, hierbij geassisteerd door de uitgaande Nederlandse coaster HEILOO, kapitein H. Heida, die vlak achter de ARTEMIS voer. Na de aanvaring zette de kapitein namelijk de boeg van de HEILOO tegen het achterschip van de ARTEMIS om zo te kunnen duwen. Op de brug van de ARTEMIS zocht iedereen een goed heenkomen. De 2e stuurman, de loods en de roerganger vluchtten een paar dekken naar beneden waar ze over boord sprongen. Hierbij kwam de 2e stuurman te vallen en liep hij inwendige kneuzingen op. Zwemmend wisten ze de wal te bereiken, weg van die brandende bom. De kapitein was nog even op de brug gebleven en had de machine gestopt waarna hij naar het achterschip vluchtte waarbij hij zware brandwonden opliep. De HEILOO nam 20 opvarenden over, die vervolgens op de Harwichsteiger aan wal werden gezet. Hier werden zij opgevangen en behandeld door EHBO-ers, Rode Kruis leden en door Britse militairen. Gelukkig waren deze organisaties reeds gemobiliseerd i.v.m. de wielerronde. Door de zware rookwolken van de brandende tanker werd de lucht van een groot gedeelte van Hoek van Holland tot ver in het Westland verduisterd.De ‘Buitenkant’ staat vol met toeschouwers.Hulp komt op gangInmiddels waren de reddingboot PRESIDENT JAN LELS, enkele sleepboten en enkele vaartuigen van Rijkswaterstaat uitgevaren om hulp te bieden. De reddingboot nam 7 drenkelingen en de kapitein aan boord en bracht hen naar de wal. De kapitein werd verbonden en daarna bracht de reddingboot hem weer naar de ARTEMIS zodat hij zich op de hoogte kon stellen van de situatie op zijn schip. Om 14:05 werd brandalarm gegeven waarna de Hoekse vrijwillige brandweer uitrukte. Bij het passeren van de Berghaven zag men al op afstand, dat deze brand de beschikbare lokale middelen ruim te boven zou gaan. Daarom stapte de bevelvoerder uit bij het laatste huis aan de Cruquiusweg, terwijl de brandweerwagen doorreed naar de Steensteiger zodat men vandaar naar de ARTEMIS vervoerd kon worden. De bevelvoerder gebruikte de telefoon in het genoemde huis en trachtte de Alarmcentrale van de Brandweer in Rotterdam te bereiken, wat echter door ‘in gesprek’ niet lukte. Hij belde daarna met de politiepost te Hoek van Holland en verzocht deze aan de Alarmcentrale door te geven dat het om een ‘grote brand’ en ‘olietanker-brand’ ging, waarna hij zich ook naar de steiger begaf. Vanaf hier werd het brandweerpersoneel en -materieel naar de ARTEMIS overgezet met de rijkshavendienstboot RHD-5. De kapitein was toen weer met de LELS onderweg terug naar de wal en aangezien hij vrijwel uitgeput was kon hij geen informatie over de lading geven. Omdat het dus onduidelijk was om wat voor soort lading het ging werd per mobilofoon op de RHD-5 aan de Alarmcentrale gevraagd hierover nadere informatie in te winnen in Pernis. Nadat de brandweer aan boord van ARTEMIS was gegaan gaan bleef de RHD-5 in de onmiddellijke nabijheid voor het geval het schip overhaast verlaten zou moeten worden.De brandende ARTEMIS gezien vanaf het einde van de Steensteiger.Het blussenNa een korte verkenning aan boord werd besloten met de aanwezige, beperkte, middelen te volstaan met het afkoelen van dekken en scheepshuid met stralen water, in afwachting van de aankomst van versterkingen uit Rotterdam. Opmerkelijk is dat bij inspectie – voor zover mogelijk – van alle hutten en verblijven bleek dat er nog twee mannen lagen te slapen, uitrustend van de vermoeienissen van het verblijf te Rotterdam …….. Een van hen verklaarde: ‘Ik heb wel herrie gehoord, maar op een tanker hoor je zo vaak lawaai. Ineens kwamen er brandweermannen in mijn hut en begonnen aan mijn arm te trekken’. Tegen het verblijf van de brandweer aan boord leek geen bezwaar te bestaan, daar inmiddels uit Rotterdam was gemeld dat de lading uit ‘motor-gasolie’ bestond.  Later bleek echter dat het schip in werkelijkheid vliegtuigbenzine met een hoog octaangehalte aan boord had, bestemd voor het Amerikaanse leger in St. Nazaire! Mogelijk is de verwarring ontstaan door de onjuiste vertaling van het Engelse ‘gasoline’ (= benzine) in ‘gasolie’? Omstreeks 15:30 arriveerde de versterking uit Rotterdam met groot materieel, onder andere een Ahrens-Fox brandweerwagen en drie blusboten van de Gemeentelijke Havendienst. Het bevel over de brandweer werd toen overgenomen door de ‘president-hoofdman’ uit Rotterdam. In eerste instantie werd verder gegaan met het afkoelen van dekken en scheepshuid met stralen water. Korte tijd later arriveerden deskundigen uit Pernis en werd bekend dat de lading van de tanker in werkelijkheid uit benzine bestond.  Hierna werd de tanker direct ontruimd en werd volstaan met het nathouden van de dekken door de waterkanonnen van de havendienst-boten.De sleepboot MAAS maakt vast op het achterschip van de ARTEMIS om dit in de stroom op te houden tijdens de vloed. Geheel rechts de reddingboot PRESIDENT JAN LELS. De Waterweg afgeslotenVanwege de brand op de ARTEMIS werd de scheepvaart op de Waterweg stil gelegd terwijl aan de wal in nauwe samenwerking tussen Gemeente Politie, Marechaussee en Britse Militaire Politie werd gezorgd voor afzetting. Ook werd het verkeer op de wegen in en naar Hoek van Holland beperkt en geregeld, want veel nieuwsgierigen kwamen af op de rookwolken die van verre zichtbaar waren. Omdat omstreeks 15:30 de vloedstroom zou gaan lopen, met grote kans dat het brandende schip zou rondzwaaien op het anker en bij de Harwichsteiger terecht zou komen werden de aanwezige sleepboten op het achterschip vastgemaakt om dit in de stroom op te houden tijdens de vloed. Omdat ook kans bestond dat brandende benzine, drijvend op het water, stroomopwaarts zou stromen werd aan de beide aan de Harwichsteiger gemeerde schepen, AMSTERDAM en EMPIRE PARKESTON, opdracht gegeven om zo snel mogelijk stoom te stoken en zo nodig op eigen initiatief te vertrekken. Met het doorkomen van de vloed kwam de ARTEMIS ongeveer een halve scheepslengte meer naar het oosten. De brand werd nu krachtig en nauwkeurig aangepakt met een groot aantal stralen vanaf de wal. Ook ging men weer aan boord waardoor een aantal stralen vanaf het dek, onmiddellijk boven en naast de brandhaard kon worden gericht. De toevoer van lucht werd hierdoor praktisch afgesloten en omstreeks 19:00 doofde de brand in de tank. Deze afsluiting werd met behulp van het grote aantal stralen nog twee uur voortgezet, terwijl het tenslotte nodig bleek de afkoeling van de scheepswand met drie stralen voort te zetten tot vroeg in de volgende ochtend. Hierna werd het nablussen en koelen van het schip overgenomen door personeel van L. Smit & Co en Van den Tak’s bergingsbedrijf.Zeelandboot naar VlissingenDe Zeelandboot PRINSES BEATRIX was rond het middaguur uit Harwich vertrokken naar Hoek van Holland. Aangezien de Waterweg was afgesloten kreeg de kapitein om 17:45 radio-telefonisch opdracht naar Vlissingen te varen en daar de passagiers te ontschepen en auto’s en post te lossen. Het schip kwam om 21:20 in Vlissingen aan en vertrok om 00:55 naar Hoek van Holland waar om 04:45 werd afgemeerd. Naar SchiedamOp zondag 8 juni om 09.30 werden er 12 bemanningsleden van de Artemis weer aan boord gezet. Nadat sleepboten waren vastgemaakt werd het schip naar de boeien op de Nieuwe Maas bij Schiedam gesleept. De Noorse vlag hing toen halfstok omdat de ramp aan vier opvarenden het leven had gekost. De bemanning van de Artemis bestond uit 43 personen. 35 werden ondergebracht in hotel America en 2 in een hotel in Rotterdam. 3 bemanningsleden werden opgenomen in het ziekenhuis Zuidwal te Den Haag. Een van hen had ernstige brandwonden en hij is in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Drie opvarenden van de Artemis werden vermist. Zij zijn van het brandende schip gesprongen en verdronken. Later die maand zijn hun stoffelijke resten gevonden.Op zondag 8 juni 1958 wordt de ARTEMIS naar de boeien bij Schiedam gesleept. Omdat de machine niet te gebruiken is wordt hiervoor onder meer de zeesleepboot BARENTSZ-ZEE ingezet. De Hoekse vrijwillige brandweer stond onder leiding van hoofdbrandmeester G. Quint en brandmeester-commandant J. van Altena. De heer Quint was tevens de agent van de Koninklijke Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen. De bemanning van de reddingboot PRESIDENT JAN LELS bestond uit: W. van Seters, schipper; A. Troost, stuurman; H. Benard, 1e machinist; F. de Weers, 2e machinist en de opstappers H. de Weers, D. Kodde en S. Visser. De wielerrondeDe wielerronde was georganiseerd door het bestuur van Kampeervereniging R.A.Z. en de beheerder van het recreatiegebouw op het kampeertrein, de heer Kooke. De netto-opbrengst was bestemd voor de Hoekse oudjes en de kinderen van de beide kampeerterreinen. Omdat alle toeschouwers wegstroomden vanwege het gebeuren rond de ARTEMIS reden de renners vrijwel zonder publiek waardoor het financiële gedeelte van de ronde, voor de Hoekse oudjes en de kinderen van de kampeerterreinen een fiasco is geworden. Bij de nieuwelingen (60 km.) won L. de Leur uit Rotterdam met een tijd van 1:40:05 en bij de amateurs (100 km.) H. Giesen uit Rotterdam met 2:39:57. Medaille voor coasterkapiteinOp 11 februari 1960 kreeg kapitein Harmen Heida uit Groningen, gezagvoerder van het kustvaartuig HEILOO, in het Scandinavische zeemanshuis in Rotterdam uit handen van de Noorse consul-generaal te Rotterdam, de versierselen van ridder in de orde van St. Olav. Deze onderscheiding was hem door de koning van Noorwegen verleend vanwege het redden van twintig opvarenden van de ARTEMIS.OpmerkingenAchteraf is het altijd makkelijk om opmerkingen te maken, zeker 60 jaar na dato, maar:· Zeker is dat Hoek van Holland is ontsnapt aan een ramp, want als de ARTEMIS was ontploft waren de gevolgen niet te overzien geweest.· Nu zou Hoek van Holland mogelijk geëvacueerd worden bij een dergelijke calamiteit, daar was toen echter geen sprake van. In tegendeel, de toeschouwers konden dichtbij komen en alles goed zien.· In de huidige tijd van smartphones en andere moderne communicatiemiddelen is het niet voor te stellen dat de bevelvoerder van de brandweer een huis in moest om de Alarmcentrale te bellen en toen dit niet lukte het bericht via de politie moest worden doorgegeven.· Onduidelijkheid over de aard van de lading is tegenwoordig ondenkbaar aangezien de ladinggegevens altijd moeten worden doorgegeven en worden opgeslagen in een database. Bronvermelding· Boek ‘In het zicht van de Haven’ deel 2, door P. Heijstek en G.R. van Veldhoven.· Archief Historisch Genootschap Hoek van Holland, o.a.:· Weekblad ‘De Vuurtoren’· Rapport Hoofdbrandmeester G. Quint· Archief Dirk Ruis Archief Henk van der Lugt   Auteur: Henk van der Lugt van het Historisch Genootschap Hoek van Holland
Lees meer
Streekhistorie: Neptunus op Hotel Maassluis maandag 24 september 2018 11:11

Streekhistorie: Neptunus op Hotel Maassluis

Maassluis is binnenkort een hotel rijker. Het bevindt zich aan de Govert van Wijnkade, bijna op het eind van het Schanshoofd, in het monumentale gebouw dat vroeger onderdak bood aan het Loodswezen en het kantoor voor de Sleepdienst van L. Smit & Co. Fop Smit, een scheepsbouwer uit Kinderdijk, had het in 1872 goed gezien. Zodra de Nieuwe Waterweg gereed was kwam er een grote stroom schepen op gang die via de nieuwe vaarroute van en naar de Rotterdamse havens voeren. Dit drukke verkeer leverde veel werk op. De scheepvaart ging over van windkracht op motorkracht en de schepen werden snel groter. Voor het navigeren en het aan- en afmeren was de hulp van loodsen en sleepboten nodig. Maassluis lag als de eerste plaats van betekenis aan de vaarweg en was een logische locatie voor de vestiging van die dienstverleners. Daarom vestigde Smit zijn sleepdienst in Maassluis in 1872. In 1897 liet hij een groot pand neerzetten. Vanaf het markante torentje boven de hoofdingang had men vrij uitzicht over de rivier. Behalve de riviersleepdienst had Smit inmiddels ook een kleine vloot zeeslepers. Boven het bovenste raam, naast het torentje, zit de afbeelding van Neptunus.Het statige pand had naast het torentje nog een blikvanger boven de hoofdingang. In de boog van het bovenste raam is, in beeldhouwwerk, Neptunus, de god van de zee te zien. Wie omhoogkijkt ziet prachtige details. We zien een grote mannenkop met woest wapperende haren, baard en snor. Aan de haren zien we zelfs dat de wind uit het noordoosten waait. Het schelpmotief dat het jaartal 1897 draagt verwijst naar de zee. Onder de schelp ligt een zware ankerketting met aan de linkerzijde een anker. Aan de andere zijde van de ketting hangt een drietand, het attribuut dat Neptunus identificeert. Aan weerskanten van de schelp staan nog twee zuiltjes waaruit wimpels of vlammen waaien met de wind mee. Wellicht symbool van lichtbakens die voor een veilige scheepvaart zorgen. Het zijn allemaal symbolen die in verband gebracht kunnen worden met de werkzaamheden die Smit vanaf 1872 uitvoerde in Maassluis. Het leegstaande Sanofipand stond tot voor enkele jaren te huur.Het gebouw bood een aantal jaren onderdak aan het bedrijf Sanofi, maar stond al lange tijd leeg. De Maassluise ondernemer Gerrit Malipaard heeft het gekocht met het doel er een hotel te vestigen. Directeur van Hotel Maassluis is Floris van Vliet, 22 jaar, met achter zich vanuit zijn familie veel hotelervaring uit het Van der Valkconcern.Hotel Maaszicht, rechts op de foto, is ongeveer tegelijk gebouwd met het kantoor van het Loodswezen (midden). Dat was voor 1897, want het gebouw van Smit staat er nog niet.Wist u dat op vrijwel dezelfde plaats al eerder een hotel heeft gestaan? Uitbater Van Brienen heeft tot 1936 hotel Maaszicht gerund. Het lag pal naast het gebouw van Smit, gescheiden door een poortje. Het gebouw had een statig balkon aan de havenkant en een ruimte op het dak waar men kon staan en over de Waterweg kon uitkijken. Het hotel, later logement genoemd, is gebouwd voordat in 1897 het gebouw van Smit verrees. We weten niet veel over de zaken die het hotel deed en de gasten die het ontving, daarnaar is nog geen onderzoek gedaan. We weten wel dat het in 1936 of 1939 is afgebrand. En het poortje tussen het hotel en Smit? Dat is er nog. Het zit goed verstopt in het muurtje dat naast de huidige gevel van Hotel Maassluis staat.Hotel Maaszicht, van het gebouw van Smit gescheiden door een poortje.Het heeft dus zo’n 80 jaar geduurd voor er een nieuw hotel aan de buitenhaven werd gevestigd. Binnenkort kunnen de gasten genieten van het uitzicht op het scheepvaartverkeer over de vaarweg naar Rotterdam. En heel misschien krijgt een enkele gast wel eens toegang tot het dak van het torentje; dan is het kringetje met het verdwenen hotel Maaszicht ook weer rond. Bekijk meer foto’s op de Collectiebank van de Historische Vereniging Maassluis www.histvermaassluis.nl
Lees meer
Streekhistorie: Winkels en bedrijven in Maasland maandag 17 september 2018 11:11

Streekhistorie: Winkels en bedrijven in Maasland

Een dorpsgemeenschap was vroeger voor een groot deel zelfvoorzienend. Ook in Maasland waren volop winkels en bedrijven en was er van alles te koop. Op de lijst van Weerbare Mannen, opgesteld in 1747, staan diverse beroepen weergegeven. Interessant is dat er ook aantallen worden genoemd. Naast de honderdtwintig boeren en twaalf tuinders waren er vier metselaars, vier rietdekkers, een smid, zes timmerlieden, twee kleermakers, acht schoenmakers, twaalf schippers, vier chirurgijns, drie wagen- en wielmakers, vijf kuipers, een bleker, twee vlassers, vijf bakkers, een korenmolenaar, negen watermolenaars, drie koopmannen en twee winkeliers. Het is bekend dat er in de achttiende eeuw diverse verkooppunten vanuit woningen waren, waar slechts een paar kruidenierswaren werden verkocht: tabak, koffie, thee, zout en zeepwaren. Deze kleine winkeltjes worden niet altijd genoemd. Vaak werden dit soort winkeltjes gedreven door een weduwe om in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Honderd jaar later was er niet zo veel veranderd. Op een bevolking van ruim 2100 Maaslanders kon men dagelijks brood kopen zowel in de winkel of langs de deur aan de bakkerskar. Melk en groenten kocht men bij de boeren en de tuinders, vlees bij twee slagers en er waren zes officieel geregistreerde winkeliers. In de loop der tijd kwamen er winkels bij, zoals de rijwielhandelaar en het hoedenwinkeltje van mejuffrouw Booister. Maar ook verdween er een aantal, bijvoorbeeld de kuiper die het houten vaatwerk maakte voor de kaas- en boterproductie en de hoefsmid toen de auto gemeengoed werd en het paard met de wagen verving. Op de oude foto zien we aan de Oostgaag 20 de voormalige winkel van Van den Akker. Dit was nu typisch zo’n winkel die geheel buiten de dorpskom gelegen was en de buurtbewoners van kruidenierswaren kon voorzien. Men behoefde voor de boodschappen niet helemaal naar het dorp, de afstanden waren groot in die tijd. Eigenaar Tinus van den Akker bezorgde de boodschappen aan huis met de bakfiets. Daarnaast was hij ook nog spoelingschipper. Oostgaag 20 in 2018Veel winkels werden gedreven door echtparen, waarvan de man en ander beroep uitoefende. De winkelgrootte varieerde nogal, soms waren het kleine winkeltjes in een voorkamertje, waar slechts een beperkt aantal producten werd verkocht. Er waren ook grotere zaken met van alles en nog wat in de rekken. Een voorbeeld hiervan is de winkel van Han van den Berg, die een kruidenierszaak aan de ’s Herenstraat had van 1929 tot 1970. Nu is hier Museum ‘De Schilpen’ gevestigd. Op oude foto’s zijn winkels niet altijd goed te herkennen. Aan de etalage werd meestal niet veel gedaan, er waren zeer bescheiden uithangborden of helemaal geen. Reclame was minder nodig dan nu, men wist waar en welke producten verkocht werden. De keuze was zeer beperkt in vergelijking tot de huidige tijd en daarom waren de prijzen ook niet erg verschillend. Ook ‘winkelde’ men meestal bij de eigen geloofsgenoten, een gewoonte die tot in de jaren zestig van de vorige eeuw duurde. Tot 1960 veranderde er weinig. Maasland was een bedrijvig dorp met veel ambachtslieden en winkeliers, met name gevestigd in de ’s Herenstraat. Het aantal winkels en bedrijven liep parallel met de economische situatie. In de jaren zestig kwam de grote verandering. Kruidenierswinkels werden supermarkten, door de economische bloei kwamen meer verschillende artikelen op de markt en door de komst van de auto ging men buiten het dorp winkelen. Steeds meer winkels verdwenen en bedrijven vertrokken naar bedrijventerreinen buiten het dorp. Het eens zo levendige dorp is stil geworden.Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: "Er zijn geen katholieke tomaten en ook geen protestante" dinsdag 4 september 2018 09:09

Streekhistorie: "Er zijn geen katholieke tomaten en ook geen protestante"

Er zijn geen katholieke tomaten en ook geen protestante. Toch waren de belangenorganisaties in de tuinbouw lange tijd sterk verzuild. Nog in 1950 werd het katholieke tuinders verboden een neutraal blad te verspreiden. In 1971 ontstond echter meer samenwerking in de 3 HLO’s. Die samenwerking verliep zo goed dat in 1992 de Westelijke Land- en Tuinbouwbond werd opgericht. De verzuiling en ontzuiling van de Westlandse tuinbouw is onderwerp van een postuum verschenen bijdrage van dr. Ir. Aad Vijverberg in het Jaarboek 2018 van het Genootschap Westland. De bijdrage van Aad Vijverberg, aan wie in het jaarboek een In Memoriam is gewijd, geeft een schets van de ontwikkelingen sinds begin vorig eeuw. In de tijd voor de Tweede Wereldoorlog was de organisatie van de tuinbouw sterk verdeeld. Die verdeeldheid uitte zich levensbeschouwelijk maar ook lokaal. Zo was het loon dat de LTB-tuinders in Poeldijk betaalden systematische hoger dan dat in Naaldwijk. De bestuurders van de 3 HLO’s met secretaris Arie van der Lee. Om de tegenstellingen te overbruggen werd in de jaren dertig de Nederlandse Tuinbouwbond opgericht, die in Zuid-Holland echter een sterk nationaal-socialistisch karakter kreeg. In januari 1941 verboden de bisschoppen katholieke tuinders op straffe van excommunicatie om lid te zijn van NSB-organisaties. Na de oorlog waren er nieuwe pogingen om de verzuiling te doorbreken. Dit stuitte in het Westland echter op verzet van Jan Barendse uit Poeldijk Ook elders werd vastgehouden aan de vooroorlogse verhoudingen. ,,Jouw belangrijkste taak is het om zeep helpen van de neutrale organisaties’’, zei secretaris P.G. Tel van de LTB-tuinbouwvakgroep tegen een andere bestuurder. Na de jaren zestig zette echter in rap tempo de ontzuiling in. VaandelsDe rijk geïllustreerde bijdrage van drs. Frank de Klerk geeft onder de titel RK vaandels in het Westland een inkijkje in de katholieke zuil. Met name in de parochies van Poeldijk, Naaldwijk, Wateringen en Monster bevinden zich nog talrijke vaandels waaronder die van de LTB. De oudste vaandels dateren uit het begin van de twintigste eeuw, toen de organisatie van de samenleving op levensbeschouwelijk grondslag werd opgezet. Voor de aanschaf van een vaandel werden vaak kosten noch moeite bespaard. De vaandels van standsorganisaties, verenigingen en congregaties geven een goed beeld van het Rijke Roomse leven in het Westland. Vaandel H. AdrianusIn 2014 kreeg de r.k. Adrianuskerk in Naaldwijk vier lang verloren gewaande vaandels terug. In een loods van de aannemer diein 1971 een verbouwing aan de kerk uitvoerde, lagen deze vaandels opgeslagen. De aannemer liet via zijn administrateur bij de parochie polsen of er nog interesse in de vaandels was. De parochie hoefde niet lang te twijfelen. Het betrof drie van de mooiste vaandels uit de tijd van het Rijke Roomse leven, vervaardigd door het befaamde atelier Fermin uit Den Haag. De vaandels zijn zeer waarschijnlijk van het begin van de vorige eeuw en verdwenen bij de grote verbouwing van de kerk in 1971. Door critici wordt deze tijd aangeduid als de Tweede Beeldenstorm. Net zoals in 1566 tijdens de Reformatie kerkinterieurs werden gezuiverd, had in de kerk een reiniging plaats van als overbodig beschouwde beelden, muurschilderingen, vaandels en andere decoraties. Grote gangmakers waren doorgaans jonge priesters, die zich geïnspireerd voelden door de geest van het Tweede Vaticaans Concilie. In de jaren na dit Concilie was er een sterke hang naar versobering. De vier teruggevonden Naaldwijkse vaandels zijn van de heilige Adrianus, patroon van de parochie, de derde orde van Sint Franciscus, de vriendenkring van het Allerheiligst Sacrament en de Katholieke Arbeidersbeweging met een afbeelding van Sint Willibrord. Deze vaandels zijn van hoge artistieke waarde en hadden ooit een functie in het katholieke leven. Zij werden in de tijd van het Rijke Roomse leven onder andere meegedragen in processies. De drie eerst genoemde vaandels zijn gemaakt door het atelier Fermin. Historische plattegronden MonsterMonsterDr. Adri van Vliet bespreekt in het artikel Ambtenaren, vierscharen, meesters en voogden de bestuurlijke verhouding tussen Monster en Ter Heijde in de 17de eeuw. Wij lezen dat in Monster tussen 1610 en 1670 in totaal 61 landlopers zijn opgepakt waaronder 18 Engelsen en 9 Schotten. Zij werden verbannen. Bij terugkeer werden zij op het schavot voor de Grote Kerk tentoongesteld. Vaak waren het zwervende soldaten. Ter Heijde was in die tijd groter dan Monster. Het kerkdorp kreeg einde 16de eeuw een eigen soort dorpsraad, het College van Voogden. Het bestuur haalde zijn inkomsten uit een heffing op de consumptie van bier, wijn en de visserij. Op een half vat bier werden drie stuivers accijns geheven. De auteur verrichtte onderzoek in het Nationaal Archief, het Nationaal Archief, het Historisch Archief Westland en het archief van de Nederlands Hervormde kerk in Monster en Ter Heijde. Stadsgezicht MonsterHet jaarboek bevat voorts artikelen over de ontwikkeling van de fa M. Valstar naar de Best Fresh Group, de wegbetering in het Westland rond 1930, de klok van ’t Woudt, Everaard van Vlaardingen en een grafelijke hof in de Lier?. De archeologische kroniek van het Westland over 2017, een bibliografie Westland 2017, een verslag van de Oud-Westlandprijs, In Memoria van Wim Kögeler en Aad Vijverberg en het jaarverslag van het Genootschap Oud-Westland van de secretaris maken het jaarboek compleet. Het boek is vanaf 17 september voor € 14,95 te koop in het Westlands Museum en boekhandel Vingerling.Frank de Klerk van het Historisch Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: Brieven aan Treesje maandag 27 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Brieven aan Treesje

In het Stadsarchief Amsterdam wordt het familiearchief Allebé bewaard. Daarin bevinden zich 27 brieven die weduwnaar Jacobus Johannes Allebé tussen 1832 en 1839 schreef aan zijn dochter Therese. Na het overlijden van haar moeder was zij ondergebracht bij haar oma Alida Herckenrath-Milius op de buitenplaats Geerbron in Monster. Alida Milius trouwde in 1789 in haar geboorteplaats Amsterdam met Gerardus Herckenrath. In hetzelfde jaar vestigden zij zich in Monsterambacht, waar Gerardus het beroep van arts ging uitoefenen. Na eerst schepen en substituut baljuw en schout te zijn geweest, werd hij in 1798 aangesteld als baljuw en schout van Monsterambacht. In 1801 kocht hij voor f 10.000,- de buitenplaats Geerbron aan de Herenstraat. Het gezin kreeg tussen 1790 en 1802 acht kinderen, van wie er een in het eerste levensjaar overleed. In 1809 overleed Gerardus Herckenrath op 42-jarige leeftijd en stond Alida alleen voor de opvoeding van zeven minderjarige kinderen.Grootmoeder Alida Herckenrath-Milius op Geerbron, geschilderd door schilder J.W. Pieneman in 1836. Op de achtergrond de kerk van Monster en de tuin van Geerbron.De oudste dochter Maria trouwde in 1810 met Jacobus Johannes Allebé uit Amsterdam. Zij kregen twee kinderen, Gerardus(1810) en Theresia (1823). Toen hun moeder in 1827 op 37-jarige leeftijd overleed, werd Theresia, of Treesje zoals ze als kind werd genoemd, ondergebracht bij haar grootmoeder Alida op Geerbron in Monster. Kennelijk zag Jacobus geen andere oplossing voor de opvoeding van het jonge kind. Broer Gerard was zeventien toen zijn moeder overleed. Hij liet zich rond die tijd inschrijven als medisch student aan het Atheneum Illustre, voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Hij wordt beschouwd als een belangrijke grondlegger van de lichamelijke opvoeding in Nederland.Vader Jacobus, wonend en werkend in Amsterdam, en dochter Treesje schreven elkaar geregeld brieven. Een groot aantal van de brieven die de vader door de jaren heen aan zijn opgroeiende dochter schreef, is bewaard gebleven. Ze bevinden zich in het gemeente-archief van Amsterdam en bestrijken de periode 1832-1839. Hoewel het familiearchief ook veel andere correspondentie en bescheiden bevat, zijn de brieven die Treesje terugschreef aan haar vader daarin helaas niet terug te vinden. Die zouden veel informatie over het dagelijkse leven op Geerbron hebben kunnen opleveren. Ook de correspondentie van de vader met grootmoeder Alida is waarschijnlijk verloren gegaan.Zegel JJA waarmee vader Jacobus Allebé een van zijn brieven zegelde.De brieven van vader Allebé hebben als adressering vaak ‘Aan de jonge jufvrouw T.A.A. Allebé ten huizen van mevrouw Herckenrath op Geerbron te Monster bij Den Haag’, maar soms ook simpelweg ‘Aan de jonge jufvrouw T.A.A. Allebé te Monster’. In alle brieven wordt Trees op het hart gedrukt toch vooral de groeten te doen aan de lieve grootmoeder en aan de andere familieleden op Geerbron: ‘Groet en omhels voor mij uwe lieve grootmoeder en denk dat het grootste genoegen wat gij mij doen kunt daarin bestaad, dat gij steeds tracht het leven van die waardige vrouw, waaraan wij zoo veel verpligt zijn, te veraangenamen’. Soms spreekt vader zijn teleurstelling erover uit dat hij al een tijdje niets van zijn dochter gehoord heeft. Hij vraagt ook geregeld hoe het met haar en de andere familieleden op Geerbron gesteld is.De eerste brief dateert van 8 april 1832. Treesje blijkt gedurende de afgelopen winter drie maanden bij haar vader in Amsterdam gelogeerd te hebben. Ze moet onder meer de groeten doen aan oom en tante Kuffeler. René Henri van der Meer van Kuffeler was in die tijd burgemeester van Monster. Hij was getrouwd met Constantia Herckenrath, een zus van Treesjes moeder.In een volgende brief meldt vader dat hij twee springtouwen voor zijn dochter aan een schipper heeft meegegeven. Ook heeft hij een kanarie in een kooitje voor haar gekocht. Hij vraagt het beestje te laten afhalen door een schipper van een aspergeschuit. Kors moet daar maar een betrouwbare schipper voor uitzoeken. Kors is waarschijnlijk Corstiaan Mostert, die als tuinman werkzaam was op Geerbron. Hij wordt enkele keren als tuinman van de familie vermeld in de registers van de burgerlijke stand als hij er door de familie op uit wordt gestuurd om aangifte te doen van de geboorte van een kind op Geerbron. Vader Allebé informeert ook of Trees nog tijd heeft om te tekenen. Het zou hem spijten als zij dat niet bijhield. Kennelijk zit het talent voor tekenen al vroeg in de familie. August Allebé (1838-1927), een zoon van Trees’ broer Gerard, was later een bekend kunstschilder en directeur van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.In een brief van 25 mei 1834 blijkt vader Allebé ineens verhuisd te zijn van Amsterdam naar Goch, vlak over de grens met Duitsland. Hij schrijft aan zijn dochter: ‘Het ging mij in Amsterdam niet voorspoedig en ik verwagt dat het hier voor mij beter zal zijn’. Wat precies de aanleiding voor de verhuizing was, wordt uit de correspondentie niet duidelijk. Hij wordt in de archieven aangeduid als makelaar. Niet valt uit te sluiten dat hij door te verhuizen zijn schuldeisers heeft willen ontlopen. Hij heeft in Goch een eenvoudig onderdak gevonden bij Peter Knegten, die naast logementhouder ook bakker is. Het leven in Goch staat hem op den duur wel aan. Hij schrijft en paar maanden later dat hij aan zijn kleren kan merken dat hij dikker is geworden. In het najaar gaat hij mee op jacht om te assisteren bij het schieten van hazen en patrijzen, waarbij hij dan altijd moet denken aan ‘het haasje dat wij vorige winter nabij Monster aan de jagers zagen ontkomen en waarover gij toen zoo verheugd waart’. Trees logeert ook wel eens bij haar broer Gerard en zijn vrouw Neeltje Scheltema in Amsterdam. Haar vader is enigszins teleurgesteld dat zij het aanbod van haar broer om in Amsterdam tekenles te krijgen niet had aangenomen ‘daar tekenen ook voor een meijsje een mooije aangename kunst is, voor borduur en andere werken haar goed kan te pas komen, en gij om ze te leren aanleg hebt’. In Goch is het, zo schrijft hij in mei 1835, af en toe toch wel eenzaam, al doet de familie Knegten zijn best het hem naar de zin te maken. Hij mist de winterse kaartavonden. Hij gaat er regelmatig op uit om de nachtegalen te horen zingen, wat hem doet herinneren aan de nachtegalen ‘aan de Boer zijn hoek’ in de buurt van Geerbron, die Trees ook moet kunnen horen. Het gebiedje aan het eind van de Herenstraat en de Rijnweg richting ’s-Gravenzande staat in Monster nog steeds bekend als de Boersche Hoek. Ook toen al was die naam dus in gebruik.Westlanders gingen in die tijd ondanks de gebrekkige verbindingen al massaal naar de bedevaartplaats Kevelaer. In september 1836 spreekt vader Allebé er zijn teleurstelling over uit dat Trees niet op zijn minst een brief heeft meegegeven met een van de Monsternaren in de Westlandse processie. Zij deden gewoonlijk het plaatsje Goch aan als laatste stop op weg naar Kevelaer. De Poeldijkse kapelaan blijkt zich evenmin gehouden te hebben aan zijn belofte iemand te vragen om voor vader Allebé een mand met wild mee terug naar Monster te nemen om de familie op Geerbron te verblijden met een paar hazen en patrijzen. Hij schrijft verder dat hij een hondje voor Trees heeft gekocht. Het is nog niet zo eenvoudig om het dier in Monster te krijgen. Afgesproken wordt dat hij het in een mandje naar oom Louis Herckenrath, een broer van zijn overleden vrouw, in Amsterdam zal laten vervoeren. Die kan het dan vervolgens afgeven aan een van de schippers uit Monster die op Amsterdam varen. Trees krijgt daarom het verzoek bij die schippers, en dan vooral schipper Burger die kennelijk het meeste vertrouwen geniet, te vragen of zij als ze in Amsterdam zijn bij oom Louis langs willen gaan om te informeren of het hondje al is aangekomen. Ze moeten dan wel op het hart gedrukt krijgen dat ze het hondje onderweg naar Monster voldoende te eten en te drinken geven en het van tijd tot tijd uit het mandje laten om ‘zekere zaken te kunnen doen’. Vader Allebé is blij met elke brief die hij in het verre Goch ontvangt, niet alleen van dochter Trees, maar ook van zijn zoon en van andere familieleden. Hij schrijft aan zijn dochter dat hij van oom Louis in Amsterdam een gunstig bericht kreeg over de betrekking die hij hoopt te krijgen. Verder kreeg hij onder meer een brief van zijn zwager Leon Herckenrath op Geerbron. Die schreef dat een zekere juffrouw Verhagen naar Geerbron zou komen om als gouvernante het onderwijs te verzorgen voor Trees en de kinderen van Leon en zijn vrouw. Ook de kinderen van burgemeester Van der Meer van Kuffeler en zijn vrouw Constantia Herckenrath zullen hoogstwaarschijnlijk in het klasje van juffrouw Verhagen hebben gezeten. Leon Herckenrath was rond 1818 op jonge leeftijd naar Noord-Amerika vertrokken om daar zijn geluk te beproeven. Hij keerde in 1835 met het gezin dat hij daar had gesticht terug naar Monster. Ondanks dat het hem voor de wind ging in zijn woonplaats Charleston, was zijn terugkeer min of meer gedwongen, omdat zijn vrouw als kleurlinge niet in de blanke gemeenschap van die tijd geaccepteerd werd. Theresia A.A. Allebé door August Allebé 1858, Coll. Rijksmuseum.De brieven van vader Allebé zijn altijd vroom en stichtelijk. Op het nieuws over de komst van juffrouw Verhagen reageert hij met het advies aan Trees om ‘door vlijt, oplettendheid, welwillendheid en voorkomendheid de toegenegendheid en vriendschap van jufvrouw Verhagen te verkrijgen en die dan te behouden’. Aardig om te lezen is het bericht van Leon dat er een portret is geschilderd van grootmoeder Alida Milius, waarover iedereen enthousiast is omdat het zo mooi is geworden en goed gelijkend is uitgevallen. Dit portret is vervaardigd door de bekende schilder Jan Willem Pieneman, van wie ook werk in het Rijksmuseum hangt. Het is na vele omzwervingen in 2010 met steun van Fonds Westland verworven door het Westlands Museum. Als vader Allebé in de zomer van 1838 verneemt dat Trees op het punt staat haar Eerste H. Communie te doen aarzelt hij geen moment en maakt plannen om naar Monster te komen. Hij wil ’s morgens per stoomboot uit Nijmegen vertrekken. Die komt ’s middags om één uur in Rotterdam aan en vervolgens rijdt er een diligence van de stoombootmaatschappij naar Den Haag. Die arriveert daar rond drie uur. Allebé vraagt of wellicht een knecht van schipper Hersbach hem daar met een kruiwagen kan opwachten om hem met zijn koffers naar de schuit te brengen die vrijdags vanuit Den Haag op Monster vaart. Hersbach was uitbater van logement Overheijde in de Choorstraat. Kennelijk onderhield hij ook een verbinding per schuit op Den Haag. In verband met de drukte op Geerbron is aan de vader van Treesje gevraagd onderdak te zoeken bij Hersbach. Dat vindt hij geen enkel probleem, hij zou ook tevreden zijn ‘om bij Kivie op de Heij te slaapen als ik overdag maar eventjes eens met het hooft door de Geerbronspoort mogt komen kijken hoe de vrienden, buuren en bontgenoten het al zoo maken!’. Kivie was in die tijd een logement in Ter Heijde.Later in het jaar laat vader Allebé van zijn teleurstelling blijken omdat buurman Van der Laan (kennelijk woonde die nabij Geerbron) op zijn doorreis naar Kevelaer geen brief van Trees bij zich had. Verrast was hij om onder de bedevaartgangers vriend Hersbach aan te treffen. Onder de Westlandse bedevaartgangers trof hij deze keer ook verscheidene ‘fatsoendelijke jufvrouwen, waaronder meerder nog jongen’ en hij maakt zich er zorgen over dat ze op hun terugreis naar het zich laat aanzien zulk slecht weer zullen hebben. Op de dag dat hij de brief aan zijn dochter schrijft is het de drukste dag van het jaar in Goch. Er komen op die dag meer dan 1000 mensen bij het logement van huisbaas Knegten langs voor een verversing. ‘Of het vanavond ook wat morssig zijn zal?! Bah.’ Uit een brief van mei 1839 wordt duidelijk dat vader Allebé recent vanuit Goch verhuisd is naar Leiden. Hij huurt een kamer in de Nieuwsteeg bij pensionhouder Cofijn en schrijft: ‘Het is mij hier nog zeer vreemd, inzonderheid wat de fabriek en de werkzaamheden betreft’. Hij heeft werk gevonden als leidinggevende bij de internationaal bekende dekenfabriek van Jacobus Scheltema. De fabriek aan de Oude Singel in Leiden werd opgericht in 1817 en heeft tot de jaren vijftig van de vorige eeuw dekens geproduceerd. In het begin van de 20ste eeuw stonden er wel twintig van dergelijke bedrijven in Leiden. Jacobus Scheltema was een van de getuigen bij het huwelijk van Gerard Allebé, de oudere broer van Trees, en Neeltje Scheltema. Hij overleed in maart 1838, waarna een familielid, waarschijnlijk de broer van Neeltje, op jonge leeftijd de leiding van de fabriek overnam. Dit feit en de familieband zullen zeker een rol hebben gespeeld bij de komst van vader Allebé naar Leiden. Hoewel de afstand tot Monster nu veel kleiner is, neemt de nieuwe baan hem zo in beslag, dat plannen om Geerbron te bezoeken nogal eens worden doorkruist. Directeur Scheltema is vaak voor zaken en vanwege zijn met zijn gezondheid kwakkelende vader in Amsterdam. ‘Hij wenscht dat als hij afweesend is, dat ik dan hier zal zijn’. Eind mei laat hij zijn dochter weten dat hij weliswaar blij was een brief ‘van mijn lief maisie (op zen Lais [=Leids]) te ontvangen, maar ‘Had gij mij wat wegens onze waarde grootmoeder, oom Leon en de zijnen, tante Constance en jufvr. Verhagen enz. geschreven, zou uwen brief mij nog meerder pleizier gedaan hebben. Denk er een volgende keer aan dat ook oude heeren nieuwsgierig zijn, en ik natuurlijk veel belang stel in alles wat de familie betreft’. Hij verwacht dat de Westlandse aardbeien nu weldra rijp zullen zijn en dan ook in Leiden op de markt zullen komen, maar asperges uit het Westland heeft hij nog niet gezien: ‘Het schijnt dat de [a]sperges allen naar grotere steden gaan’. Een dag of wat later lukt het vader Allebé eindelijk zich vrij te maken en naar Monster te komen. Hij schrijft op 10 juni: ‘Indien een lief meijsje, in de wandeling jonge jufvrouw Treesje genoemd, woensdag aanstaande geheel vrij van hoofdpijn, koorts en alles wat met zulke lelijke namen bestempeld wordt, zoude zijn, [en] het dien avond tegens half 9 uren mooi weër is, zoude haar Edele wel eens de weg naar de [Monsterse] molen kunnen gaan op patrouilleeren. Mogelijk dat zij dan in het verschiet een niet meerder jongen heer, die haar niet onverschillig is, met een stokje in de hand ziet aankomen’.Overlijdensadvertentie Theresia Allebé 28-2-1901. Trees heeft haar vader laten weten dat zij het sacrament van het vormsel heeft ontvangen. In zijn antwoordbrief reageert haar vader daarop verheugd en met een stichtelijk woord. Hij hoopt ook ‘dat bij de waardige grootmoeder de gedachten dat vier van de haren tegelijk met deze genaden bedeeld worden, meerder tot hare herstelling zal bijdragen als een emmer met medicijnen’. Leon Herckenrath, sinds 1835 terug uit Noord-Amerika en met zijn gezin woonachtig op Geerbron, is kennelijk op een lange reis geweest. Vader Allebé meldt tenminste dat hij heeft gehoord van zijn behouden terugkomst. Het lijkt erop dat Leon voor zaken opnieuw de oceaan is overgestoken en wellicht zijn oude woonplaats Charleston heeft aangedaan. Op 23 juli staat vader Allebé al vroeg in de ochtend de schuit van Hersbach op te wachten. Helaas was er geen bericht van Trees, wel kreeg hij van de schipper te horen dat op Geerbron alles wel was. Mocht Trees haar plan willen uitvoeren om met haar nicht en leeftijdgenoot Virginie, dochter van Leon Herckenrath, naar Leiden te komen dan adviseert hij hen vrijdags per diligence naar Den Haag te gaan om tegen 12 uur in de schuit naar Leiden te stappen. Die komt om 3 uur in Leiden aan. Mocht het plan niet doorgaan dan zou hij toch wel graag de eerste keer dat Hersbach weer in Leiden komt een lange brief ontvangen, ‘gebonden aan het oor van een klein mandje aalbessen’. Trees blijkt inderdaad langs geweest te zijn, waarschijnlijk zonder haar nicht Virginie. Haar vader denkt met genoegen terug aan de ‘aangenamen dagen die gij op mijn cel hebt doorgebragt’. En dat zij goed gezelschap zou hebben aan de twee Italiaanse heren in de schuit had hij ‘bij hun gunstig voorkomen’ wel verwacht. Het is duidelijk dat hij graag zijn aangetrouwde familieleden wat vaker zou ontmoeten. Leon Herckenrath heeft hij niet kunnen spreken toen die, terug van een lange reis, door Leiden kwam op weg naar Monster, evenmin als zijn Amsterdamse zwager Louis, die onlangs ook op doorreis in Leiden was. Ook de broer van zijn schoonvader, oom Frans Herckenrath, die net een mooie bevordering in het leger heeft gekregen, zou hij graag eens ontmoeten als die Leiden zou aandoen. Grootmoeder Herckenrath heeft de gewoonte haar kinderen in de herfst een mandje druiven van eigen kweek te sturen. Vader Allebé, voor wie het, zoals hij in oktober 1839 schrijft, een genoegen is ook nog tot die groep te worden gerekend, kijkt ernaar uit, vooral ‘omdat wat van Geerbron kwam mij altoos het lekkerste was’. Verder vertelt hij zijn dochter van Leidse bedevaartgangers naar Kevelaar een peperkoek uit het naburige Goch te hebben ontvangen. Die was meegegeven door bakker Peter Knegten, zijn oude huisbaas in Goch.Kerst 1839 wil vader Allebé graag bij de familie op Geerbron doorbrengen, als tenminste de fabriek geen roet in het eten gooit. Hij wil, zo schrijft hij op 16 december, de 24ste december naar Den Haag reizen en vraagt of Trees en haar nicht Virginie hem wellicht bij aangenaam helder winterweer tegemoet willen wandelen. Ze kunnen dan nog wat door de residentie drentelen en daarna met een huurkoetsier naar Monster reizen. Als hij dames niet treft dan ‘wandelt hij stillekens de Loosduinsche weg op en zóó verder’. Men zag er in die tijd kennelijk niet tegenop 10 km te voet af te leggen naar de plek van bestemming. Dat hij uitkijkt naar de ontmoeting blijkt uit het slot van de brief: ‘Dat zal dus nu vier malen zijn dat wij ons in dit jaar zullen zien!!’. Maar een week later blijkt dat het bezoek niet door kan gaan. De fabriek is in onderhandeling over een belangrijke opdracht en directeur Scheltema zit in Amsterdam om nog vóór het nieuwe jaar een aantal zaken te regelen. Vader Allebé kan dus in Leiden niet gemist worden. Hij hoopt dat het in januari wel gaat lukken om dan wat minder ‘gepresseerd’ te kunnen zien hoe ‘de overgrootmoeder, die beste braave vrouw, hare lieve kinderen en allemaal stoute kleinkinderen het maken’. Deze brief van 22 december 1839 is de laatste in de verzameling correspondentie van vader Jacobus Allebé met zijn dochter. Trees is dan zestien jaar oud. Haar vader overlijdt op 62-jarige leeftijd in 1845. Het is niet bekend wanneer Trees uit Monster vertrokken is. Ze is nooit gehuwd, woont jarenlang in bij haar broer Gerard en zijn gezin in Amsterdam en overlijdt in 1901. In de overlijdensadvertentie wordt zij door de familie aangeduid als ‘onze hartelijk geliefde Tante en Behuwdtante Mejuffr. Theresia Allebé’.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer

Meer Streekhistorie