Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage/tip via dit formulier toesturen. Wij zullen deze controleren en mogelijk gebruiken voor publicatie. Let op! Aangeleverd materiaal dient rechtenvrij te zijn of er moet schriftelijk toestemming zijn verleend voor het gebruik ervan.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Waterput als schuilplaats bij razzia zondag 19 januari 2020 10:10

Streekhistorie: Waterput als schuilplaats bij razzia

In 2020 staat de herdenking van 75 jaar bevrijding van Nederland centraal. In Westland wordt met een scala aan activiteiten teruggekeken op deze heugelijke gebeurtenis en op de vijf donkere jaren die daaraan vooraf gingen. Ook in deze rubriek komt de periode 1940-1945 regelmatig langs. Als aftrap is hier het verhaal dat Leo van Gaalen in 2012 schreef over de razzia die op 20 december 1944 plaatsvond in het Westland en die hij beleefde in de Herenstraat in Wateringen. Op 5 december 1940 verhuisden wij van Herenstraat 45 naar Herenstraat 150. Als u dit leest zult u zeggen: dat is niets bijzonders. En dat is correct, want verhuizingen gebeuren dagelijks. Maar de omstandigheden waaronder, de manier waarop en de snelheid waarmee deze verhuizing tot stand kwam, is toch wel het vermelden waard.Laatstgenoemde woning stond al enkele maanden leeg omdat het bejaarde echtpaar Hein Zwinkels-van Steekelenburg de woning had verlaten en zich had gevestigd in het toenmalige bejaardentehuis Huize St. Jan, dat recht tegenover hun huis gebouwd was. Het huis kwam toen in bezit van hun zoon Leen, de latere wethouder en locoburgemeester, die ernaast woonde op nummer 152. Omdat hij in de gemeenteraad zat, had hij goede contacten met enkele ambtenaren van het gemeentehuis en van hen hoorde hij dat de Duitse bezetters plannen hadden om het huis te vorderen om er soldaten in te legeren of als gelagkamer te gaan gebruiken voor de in Wateringen gelegen soldaten. En dat zag hij helemaal niet zitten. Omdat hij ook wist dat mijn ouders, het echtpaar Theodorus G. van Gaalen en Maria C. van der Zijden, met hun tien kinderen in leeftijd variërend van 8 tot 25 jaar, op zoek waren naar een grotere woning stond hij een dag na zijn informatie 's morgens om half acht op de stoep van ons huis met het dringende verzoek om op stel en sprong naar nummer 150 te verhuizen. Hij stelde al zijn personeel en de veilingschuit ter beschikking om dit in een dag te klaren. En zo gebeurde het dat wij 's morgens in nummer 45 uit bed kwamen en 's avonds, na eerst nog een beetje het sinterklaasfeest gevierd te hebben, in het nieuwe huis nummer 150 naar bed gingen.Herenstraat 150 in 2012Voor ons was het een ideaal huis. Het voorste gedeelte bestond uit een grote woonkamer met daaraan een erker aan de voorzijde. Deze kamer werd meestal op zondag bewoond. Aan de andere kant van de voordeur was een zijkamer, die in de week gebruikt werd met daarachter een opkamer als slaapkamer voor de ouders. Via een ruime trap kwam je op een grote zolder met nog een ouderwets rookhok waarin vlees kon worden gerookt. Aan de straatzijde waren drie slaapkamers. Deze werden gebruikt door de zes meisjes. Het achterste gedeelte was van oudere datum en bestond uit een grote woonkeuken met daarnaast een grote kamer die via porte-briséedeuren verbonden was met de grote voorkamer. Bij openstaande deuren was de totale lengte van de kamers bijna twintig meter. Via een trap in de keuken kwam je op de achterzolder. Daar waren een grotere en twee kleine slaapkamers getimmerd, die voorheen als slaapplaats dienden voor veldstudenten, die in het Westland het tuindersvak leerden. Deze drie kamers waren voor de vier jongens. Onder de steile keukentrap bevond zich een waterput. En over deze put gaat het verhaal.In de zomervakantie van 1941 - ik zou per 1 september naar de ULO in Rijswijk gaan -, gaf mijn moeder mij als taak deze waterput eens schoon te maken, omdat in de loop der jaren er nogal wat vuil van de daken in het water was gekomen. Het zou heel gemakkelijk zijn, want de vloer van de keuken was van plavuizen en er was een uitlaatgat naar buiten, dus ik kon de opgehaalde emmers ter plaatse leeggooien. En dus begon ik met goede moed aan het karwei, maar dat viel wel wat tegen. Na 100 emmers was ik nog niet veel opgeschoten… Meer dan 300 emmers heb ik opgehaald en geleegd voordat ik een grote groentekist op zijn kop op de bodem kon laten zakken om beneden droog te kunnen inspecteren. En wat bleek? De put was niet de gedachte vierkante put van 80 bij 80 centimeter, maar had onder de keuken nog een uitloop van 1,20 meter. De hoogte hiervan was ook 1m20 meter en de breedte ruim 1 meter. De put kon meer dan 3 kubieke meter water bevatten. De muren hebben wij afgeschrobd en het vuil zo veel mogelijk verwijderd, zodat het water weer goed bruikbaar was.In het najaar van 1944 werd de dreiging van een razzia steeds groter en er moest nodig een schuilplaats worden gemaakt om eventueel drie man - Aad (28 jaar), Antoon (23 jaar) en ikzelf (17 jaar) - te kunnen herbergen. Want bij razzia's werden mannen opgepakt van 17 tot 45 jaar. In familieberaad werd toen geopperd om de waterput als schuilplaats in te richten. Hiertoe moest eerst de regentoevoer worden afgesloten en een nieuwe afvoer naar buiten worden gelegd. Daarna weer water uit de put scheppen tot er nog maar 10 centimeter in stond. Als de Duitsers van in de put zouden kijken, dan zouden zij het water zien blinken en werd het idee van een lege droge put voorkomen. Tenslotte werden drie groentekisten op zijn kop in de put tegen de achterwand geplaatst en twee kisten voorin waarop wij konden staan als wij de put ingingen. Zaten wij achterin dan werden die twee kisten naar ons toegetrokken en konden wij onze benen daar op leggen. Keek je dan in de put, dan was er alleen water te zien en dus was de schuilplaats gereed.Aad Antoon en Leo van GaalenEn toen kwam 20 december 1944. Mijn broer Aad was in die tijd dirigent van het parochiekoor in Naaldwijk. Hij stapte 's morgens om zes uur op zijn fiets om in Naaldwijk de Gulden Mis (een speciale Heilige Mis ter ere van Maria) te dirigeren. Maar op de Mariëndijk, op de grens met Honselersdijk, werd hij door Duitse soldaten tegengehouden en teruggestuurd met de mededeling dat hij zich klaar moest maken voor de reis naar Duitsland. Terugfietsend naar huis heeft hij diverse mensen, die onderweg waren naar hun kerk in Kwintsheul en Wateringen, kunnen vertellen dat de razzia op handen was en met dit verhaal kwam hij ook thuis. Maar om nu direct in de waterput te gaan zitten, vonden wij nog niks. Vanuit de erker in de voorkamer had een van mijn zussen een goede kijk in de Herenstraat. En om ongeveer tien uur werden de eerste soldaten in de verte gesignaleerd en zochten wij onze schuilplaats op. Rond half elf werd bij ons aangebeld. De soldaten kwamen binnen en doorzochten het hele huis. Maar aan de put werd voorbijgelopen en dus vertrokken zij. Maar wij durfden nog niet naar boven te komen en bleven nog enkele uren in de put.Rond twee uur trokken de Duitsers weer naar het Plein om de opgepakte mensen mee te nemen. En om drie uur, toen alles veilig leek, zijn wij uit de put gekropen en konden wij ons wat vertreden en opgelucht ademhalen. Deze razzia hadden wij gelukkig overleefd. In die winter is er nog een keer alarm geweest. Een van mijn zussen hoorde midden in de nacht Duitse soldaten pratend door de straat gaan en heeft ons toen gewekt. Wij hebben wel bij de put gezeten maar zijn er niet ingegaan. Achteraf was het loos alarm.Na de bevrijding is de regentoevoer weer naar de put gelegd en deed de put weer dienst waarvoor hij gemaakt was. Na 1956 is het achterste gedeelte van het huis afgebroken, maar de put is wel gebleven, hoewel hij geen dienst meer doet. Een grote plaat bedekt nu de put.Een verhaal van de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Wat skeletten ons vertellen… zondag 12 januari 2020 11:11

Streekhistorie: Wat skeletten ons vertellen…

Het onderzoek naar de twaalf skeletten onder het Wilhelminaplein is afgerond. Op 4 februari zal archeoloog Jorrit van Horssen verslag uitbrengen van zijn bevindingen. Dit zal een nieuw licht werpen op het leven in Naaldwijk in de middeleeuwen. Archeoloog aan het werk in het WilhelminapleinIn 2017 zijn bij de herinrichting van het Wilhelminaplein veel archeologische vondsten aangetroffen die een ander licht werpen op de historie van Naaldwijk. Het onderzoek was beperkt omdat alleen bij de pomp en de boomaanplanting gegraven is. Hierover is in februari 2018 al een artikel in deze rubriek verschenen. Voor het plaatsen van een boom zijn bij de kerkmuur is een groot gat gemaakt, waarin menselijke resten gevonden zijn. https://www.wos.nl/meer-skeletten-gevonden-rondom-oude-kerk/nieuws/item?991016De skeletten liggen net buiten de kerkmuur en dus onder het plein. Je bent er misschien al eens overheen gelopen of hebt je fiets er geparkeerd. Op de plek van de boom zijn de skeletten verwijderd voor onderzoek. Dichter naar Grand Café Bij5 en onder de Kerkstraat liggen nog steeds botten en schedels. En aan de andere kant van de muur zijn nog veel meer skeletten te verwachten. Al met 10 doden per jaar heb je binnen een eeuw 1000 begravingen. Met de groeiende bevolking en de lage levensverwachting waren het er uiteraard steeds meer. Het kerkhof was bijna zevenhonderd jaar lang in gebruik geweest, dus reken maar uit.De opgravingen langs de kerkmuurDe kerkmuur is trouwens nog niet zo oud, deze dateert uit 1935. Daarvoor liep de openbare ruimte vanaf de marktplein tot in de kerk. Schilderijen van kerkinterieurs tonen dat ook de binnenruimte onderdeel van het sociale leven was. Een stiekeme afspraak, een picknick en een begrafenis staan gelijktijdig afgebeeld. Het begraven worden op een plek waar veel mensen komen werd in de middeleeuwen als prettig ervaren. Dan werd er nog eens aan je gedacht, ook zonder dat je een grafsteen had. In de kerk nabij het altaar en het koor was de beste - en daarmee duurste - locatie. Daar lag je ook nog eens dicht bij God. Buiten aan kille noordkant was vaak het goedkoopst. In Naaldwijk liep het kerkhof tot aan de huizen aan de Kerkstraat die als een ring om het kerkgebouw heen ligt. En - zoals nu blijkt - ook tot onder het plein, wat de centrale ontmoetingsplek was en waar markten en kermissen gehouden werden.Tekening en locatie van de opgravingDit in tegenstelling tot de rustgevende en groene begraafplaatsen we nu kennen en buiten het centrum gesitueerd zijn. Dit heeft uiteraard redenen. De volksgezondheid liet duidelijk te wensen over. Pokken, pest en cholera waren gebruikelijke ziekten. Maar ook een simpel griepje kon je fataal worden. Besmettingsgevaar was groot en de drinkwaterkwaliteit slecht. Ook het kraambed was een spannende plek waar zowel moeder als kind om het leven vochten. Begrafenissen hoorden bij het dagelijks leven. In Naaldwijk zal het gemiddelde op een of twee doden per week hebben gelegen. In de kerk zal minder vaak begraven zijn, want dat was duur. De vloer van de kerk was niet dicht genoeg om de rottingslucht onder het oppervlak te houden. De uitspraak ‘Rijke stinkerd’ komt hier vandaan. Tijd dus om een andere locatie te gaan zoeken. De omslag naar het huidige idee van begraven is niet van de ene op de andere dag tot stand gekomen. Grafsteen op RK Kerkhof aan de DijkwegNapoleon was er wel mee begonnen. Vanaf 1804 werd het verbod op begraven in de kerk in Frankrijk ingevoerd en niet veel later ook in Nederland. Maar de Hollander laat zich zijn tradities niet makkelijk afnemen. Hoewel de lijkenlucht in de kerk en ook daarbuiten voor ongemakken zorgden, werd na zijn vertrek de wet in 1813 weer ingetrokken. In 1829 was het Koning Willem I die er alsnog een einde aan maakte. Begraven in kerken, kapellen en gebedshuizen werd verboden en nieuwe begraafplaatsen moesten buiten de bebouwde kom een plek krijgen. In Naaldwijk werd dat aan de Dijkweg nabij de huidige Verdilaan. Zie ook het artikel over het RK kerkhof van Corry Schreuder-Fransen. Schema van de ligging van de skelettenDe botten die in 2017 in het Wilhelminaplein zijn gevonden, behoren bij twaalf skeletten van zowel mannen, vrouwen en kinderen die vermoedelijk in de 15e een 16e eeuw gestorven zijn. Bij onderzoek in laboratoria is gekeken naar hun leeftijd, lengte, gebit en doodsoorzaak. Aan de hand hiervan weten we nu meer over de middeleeuwse bewoners en hun welvaart, ziektes en eetgewoonten. Wat zijn we precies te weten zijn gekomen over deze vroege Naaldwijkers? Dat zal Jorrit van Horssen van Archeologie Delft op dinsdagavond 4 februari onthullen. Hij heeft recentelijk zijn onderzoek afgerond, waarin hij ook de resultaten van eerdere opgravingen in het centrum betrokken heeft. De lezing wordt gehouden in het Pleincentrum van Bij5 naast de Oude kerk en vlak bij de bijzondere vindplaats.Meer informatie is te vinden op www.hvnh.nlAfbeeldingen 1 t/m 6 en 8 zijn afkomstig van Archeologie DelftAuteur: Jolanda Faber van de Historische Vereniging Naaldwijk-Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Kettingbotsing op de Waterweg zondag 5 januari 2020 08:08

Streekhistorie: Kettingbotsing op de Waterweg

Tegenwoordig is radar niet meer weg te denken in de scheepvaart waardoor vertraging tijdens mistperiodes zeer sterk is teruggedrongen. Radar is ontwikkeld tijdens de Tweede Wereldoorlog en kwam na de oorlog ook beschikbaar voor koopvaardijschepen. Zonder radar zat er voor schepen niets anders op dan voor anker te gaan als ze overvallen werden door mist. Bij mist worden schepen geacht regelmatig met de scheepsfluit te blazen zolang ze varend zijn en regelmatig met de scheepsbel te bellen zodra ze voor anker liggen. Ooggetuigen uit vooroorlogse jaren vertelden dan ook dat je toen bij mist constant hoorde blazen en bellen op de Waterweg. Nu zouden mensen hierover een klacht indienen wegens geluidoverlast.Bij het kenteren (wisselen van eb- in vloedstroom en andersom) zwaaiden de schepen rond op het anker en het gebeurde daarbij ook wel dat schepen tegen elkaar aan dreven of aan de grond liepen. De sleepdienst moest dan ook regelmatig in actie komen.De Volendam aan de grond op de zuidoever van de Nieuwe Waterweg bij Hoek van Holland. (Ansichtkaart, collectie Henk van der Lugt)Zo was het op maandag 8 april 1929 erg mistig op de Nieuwe Waterweg. Ter hoogte van de Berghaven lagen al vijf schepen voor anker toen ook de binnenkomende ‘Volendam’ van de Holland Amerika Lijn wilde gaan ankeren. Bij het ankeren van de ‘Volendam’ braken echter beide ankerkettingen en door de eb werd het schip tegen het Duitse stoomschip ‘Gillhausen’ aangedreven. Dit schip was achter de ‘Volendam’ de Waterweg op gevaren en net zelf voor anker gekomen. Door de aanvaring brak ook de ketting van de ‘Gillhausen’ waardoor dit schip op zijn beurt tegen een zandzuiger van de firma Volker aandreef die ook voor anker lag. Na de aanvaring zijn zowel de ‘Volendam’ als de ‘Gillhausen’ aan de grond gelopen op de zuidoever. Als gevolg van de aanvaring had de ‘Volendam’ een paar deuken in het achterschip en had de ‘Gillhausen’ schade aan voor- en achterschip, maar alles boven de waterlijn. De zandzuiger was echter ernstiger beschadigd want hier waren tal van huidplaten ontzet en was ook het dek opgezet.In de loop van de ochtend zijn de passagiers van de ‘Volendam’ door de tender ‘Columbus’ van boord gehaald en naar Hoek van Holland gebracht. De ‘Volendam’ en de ‘Gillhausen’ zijn rond de middag vlot gesleept door sleepboten van L. Smit & Co’s Internationale Sleepdienst en vervolgens opgestoomd naar Rotterdam.Auteur: Henk van der Lugt van het Historisch Genootschap Hoek van HollandBronnen:Diverse krantenartikelenCollectie Henk van der Lugt
Lees meer
Streekhistorie: Veenman, een Wateringse bakkersfamilie zondag 29 december 2019 10:10

Streekhistorie: Veenman, een Wateringse bakkersfamilie

In de periode rond Sinterklaas, Kerstmis en Oudejaarsavond draaien bakkerijen overuren. De sint heeft flinke voorraden pepernoten en chocoladeletters nodig en later in december zijn de kerststollen en oliebollen niet aan te slepen. Om het werk van de bakkers eens wat meer onder de aandacht te brengen nemen we een kijkje bij bakkerij Veenman die vele jaren in de Wateringse Herenstraat was gevestigd. Opa Jan Veenman begon als boerenzoon uit Naaldwijk in 1899 een bakkerij in Kwintsheul. Tegenover tankstation Schulte en waar nu Bouwbedrijf Jongerius is, stond de bakkerij met winkel. Opa Jan was getrouwd met boerendochter Adriana van Zeijl van langs de Zwethkade Noord. Samen kregen ze veertien kinderen. Alle zonen begonnen al vroeg in de bakkerij te werken. Vader was namelijk erg zwaar en liet op een gegeven moment het bakken over aan zijn zoons. Hij zat op een stoel in de bakkerij. De jongsten stonden op een kratje totdat ze groot genoeg waren voor de werkbank.Bakkerij Veenman aan de Herenstraat, 1975Alle vijf zoons zijn een eigen bakkerij begonnen. Chiel in Loosduinen, Leen in Voorburg, Siem in Naaldwijk, Jan in Wateringen en de jongste, Cor nam de bakkerij in Kwintsheul over.Mijn vader Jan begon al na de basisschool met werken. Eerst bakken en daarna het brood met een mandenfiets bij de klanten brengen. Zijn 'wijk' was de Hollewatering waar hij over het smalle pad naar zijn klanten fietste. Na de oorlog waarin hij Riek Verbakel uit Wateringen had leren kennen, begon hij in 1947 een bakkerij aan de Herenstraat in Wateringen. Dit was achterin de smederij en fietsenmakerij van zijn schoonvader Joop Verbakel. Het was geen gemakkelijke tijd, er waren al zo'n tien bakkerijen in Wateringen. Er was veel concurrentie. De fietsenwinkel maakte plaats voor een bakkerswinkel, waar mijn moeder met veel plezier werkte.Den Haag breidde zich snel uit en in nieuwe woonwijken zoals Escamp begon mijn vader, eerst op de fiets, en later vanuit de auto brood te verkopen. De huizenblokken hadden vier verdiepingen, het was dus heel wat trappenlopen.Meel werd door Wessanen in een silowagen aangeleverd. V.l.n.r.: Henk van der Meer (deegmaker) Veenman Senior, Petra Zwinkels, Jan Joop Veenman, Veenman Junior en Ben van der Knaap (vertegenwoordiger).Mijn oom Chiel uit Loosduinen overleed en zijn zoon Jan nam de bakkerij over. In 1962 fuseerden de bakkerijen uit Loosduinen en Wateringen. De bakkerij in Loosduinen sloot en aan de Herenstraat breidde men uit. Door deze schaalvergroting was het mogelijk om grotere machines te kopen. Zo kwam er al vroeg een bandoven. Dit was een oven waarbij het brood in blikken op een draaiende gaasmat in een soort baktunnel wordt gebakken. Authentiek brood stond altijd voorop. Zo waren ze heel trots op een broodinstallatie uit Frankrijk waarmee het bakken van brood en stokbrood op de vloer van de bandoven kon worden gemechaniseerd.Beide Jannen waren oom en neef van elkaar en er was ook een leeftijdsverschil. Zo werd mijn vader Veenman Senior en neef Jan Veenman Junior. Samen met Henk Ros, de bedrijfsleider, vormden ze een goed team. Elk had zijn eigen kwaliteiten. Mijn vader meer vaktechnisch en neef Jan was heel goed in het klantcontact. Een goede band met het personeel was belangrijk en was een onderdeel van het succes.In de bakkerij werd voornamelijk brood gebakken. Veel mensen uit Wateringen hebben er gewerkt. En het was niet altijd makkelijk. Men werkte in twee ploegen, de dag- en de nachtploeg. De ene week vier dagen en de andere week zes nachten. Al het brood werd dagvers gebakken en het was vooral donderdag- en vrijdagnacht heel druk in de bakkerij. In Den Haag was Henk van der Straaten aan de Waldorpstaat een van de eerste supermarkten begonnen. Hij was een goed zakenman, hij had een goed oog voor wat de consument wilde en na een aantal jaren bezat hij in de regio een groot aantal supermarkten onder de naam Konmar. Ook Albert Heijn werd een grote klant. De bakkerij aan de Herenstraat werd veel te klein Op donderdag en vrijdag stond het brood op wagens buiten af te koelen. Wanneer het regende was er een probleem. De omzet was zodanig dat nieuwbouw noodzakelijk was. Eerst werd nog de tuin van buurman Kees Zwinkels gekocht. Maar een groot bedrijf midden in het dorp met al het vrachtverkeer dat was niet meer haalbaar.Advertentie Veenman voor baguettesIn 1983 verhuisde de bakkerij naar een nieuw pand aan het Veenland in de polder achter het zwembad, een grote investering. Ook alle machines werden nieuw gekocht. De economie stond er niet goed voor, toch was dit een goede beslissing. Mijn vader zei altijd: "brood blijven ze altijd eten". Naast dagvers kwam voorgebakken brood in opkomst. Dit werd in de supermarkt afgebakken. De machines die vooral in de nacht en vroege ochtend werden gebruikt konden nu 24 uur per dag draaien. De omzet steeg enorm.Maar brood is geen merkartikel en de supermarkten kregen door hun schaalvergroting steeds meer invloed. Een aantal grote familiebedrijven maakte plannen voor een fusie om de krachten te bundelen. Ook ING-bank en een pensioenfonds namen deel aan deze fusie. Uiteindelijk haakten steeds meer bakkerijen aan onder wie ook Bakkerij Veenman. Zo ontstond er in 1999 een bakkerijconcern van tien grote familiebedrijven onder de naam Bakkersland. De afzonderlijke bakkerijen gingen zich steeds meer specialiseren en in Bakkersland Wateringen bakte men op een gegeven moment alleen nog voorgebakken brood zoals het beroemde Pain de Boulogne voor Albert Heijn en Frans brood in houdbare verpakking.Kantoor en magazijn aan het Veenland, circa 1984Een groot bakkerijconcern is moeilijk te organiseren, brood is een dagvers product, dat vereist vakkennis. Alle voormalige bakkerijeigenaren werkten inmiddels niet meer bij het bakkerijconcern. De financiële positie maakte het niet mogelijk dat er veel in machines werd geïnvesteerd. In 2016 is Bakkersland uiteindelijk samengegaan met Bakkerij Borgesius uit Stadskanaal. Samen vormen ze een organisatie met twintig grote bakkerijen en 2000 personeelsleden. In Aalsmeer wordt gewerkt aan een bakkerij met een oppervlakte van 30.000 vierkante meter. In februari 2017 is men gestopt met het bakken van brood in Wateringen. Mogelijk gaat de bakkerij in Wateringen definitief gesloten worden.Zo is toch in kort tijdsbestek te zien hoe snel alle ontwikkelingen gaan. Zelf koop ik toch maar weer mijn brood bij de warme bakker in mijn woonplaats Naaldwijk. De ene keer bij de een de andere bij een andere. Een beetje zoals vroeger, allemaal moeten we tenslotte eten.Auteur: Jan Joop Veenman van de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Het oudste hotel van Maassluis zondag 22 december 2019 10:10

Streekhistorie: Het oudste hotel van Maassluis

In het welvarende Maassluis van de 17e eeuw waren veel herbergen te vinden. Maassluis was een belangrijke overstapplaats omdat het op een kruising van belangrijke land- en waterwegen lag. Reizigers moesten vaak overnachten voor ze verder konden reizen. Een van de grootste herbergen was De Moriaan met zo’n 15 slaapplaatsen. Soms sliepen er belangrijke gasten, zoals de Hollandse stadhouders. Hotel De Moriaan stond aan de Haven en was vanaf de Zuiddijk gerekend het tweede pand. Het logement stond hier vanaf ongeveer 1610 tot 1939 met als blikvanger de zwarte kop van een Moor die vanaf de gevel over het water van de Kolk keek.Rechts van het midden De Moriaan, links van het midden het raadhuis of stadhuis Waar precies de naam vandaan komt is niet te achterhalen, evenmin als de exacte datum van de bouw. Wel staat vast dat er op die plaats in de 14e eeuw al een herberg stond. De buste van een ‘Moor’ (een zwarte man) was populair als naam en gevelversiering van een logement. De Moor is de jongste van de drie koningen. Zij zijn reizigers die een verre reis maken in het kerstverhaal. Zo is misschien de Moor als symbool van rijke reiziger uit een ver vreemd land ontstaan. Stadhouders Voor reizigers tussen Den Haag en Den Briel en reizigers die zich voor een buitenlandse reis in Hellevoetsluis moesten inschepen, was Maassluis in vroeger eeuwen een belangrijke pleisterplaats. Als er belangrijke personen overnachtten, werd hun personeel meestal ondergebracht in een eenvoudiger herberg, zoals De Oranjeboom, later De Zon, aan de Noorddijk.Bezoek van stadhouder Willem IV aan Maassluis in 1734Al rond 1570 verbleef Marnix van Sint Aldegonde, de rechterhand van Willem van Oranje, in de voorloper van De Moriaan. Hij coördineerde de bouw van het fort op de Schans in opdracht van de stadhouder. Ook de stadhouder Willem van Oranje zelf (bijgenaamd de Zwijger) heeft in 1575 Maassluis aangedaan. Hij reisde naar Den Briel om er te trouwen met zijn derde vrouw, Charlotte de Bourbon. Moriaanskop aan het voormalige café BellevueVerder weten we van het bezoek van de volgende stadhouders aan Maassluis, waarbij soms een overnachting in De Moriaan nodig was. Prins Maurits in 1616, Frederik Hendrik in 1632 en in 1642, Willem II in 1641, Willem III in 1660 en in 1688.Duur etentjeVan het bezoek van stadhouder Willem IV in 1734 is een tekening gemaakt. We zien een rijk gekleed gevolg en een juichende bevolking. De mensen zitten tot in de dakgoot van het raadhuis.Stadhouder Willem V is meerdere malen in Maassluis geweest. Zo gebruikte hij in 1768 een overvloedige maaltijd in De Moriaan, die hem werd aangeboden door het dorpsbestuur. Speciale schuiten waren uitgestuurd om vers fruit, kostelijke wijn en fijne Delftse boter te kopen in de omliggende plaatsen. Toen het bezoek weg was, stapte de waard met een rekening van maar liefst 452 gulden naar het dorpsbestuur in het raadhuis. Ter vergelijking: het jaarinkomen van een zeeman was ongeveer de helft.Links De Moriaan aan de KolkDe Moriaan is in de loop van de eeuwen vele malen verbouwd. Het karakteristieke balkon dat we kennen van foto’s, is van een latere datum dan het oorspronkelijke gebouw. Ook is het niet altijd een logement geweest. Rond 1880 was het bijvoorbeeld alleen café. Na de verbouwing in 1737 heeft de Maassluise dichter Pieter Schim een gedicht van 31 regels gewijd aan De Moriaan genaamd 'De Herbergzaemheit gekroont'. Vaststaat dat het in die tijd een logement was met circa 15 slaapplaatsen waaronder 8 ledikanten. De andere 7 slaapplaatsen zullen bedsteden zijn geweest. Het was tevens het culturele centrum van de plaatselijke notabelen en diende als koffiehuis, postkantoor, vergadercentrum, plaats van openbare veilingen en andere samenkomsten. Rechts De Moriaan, links in de verte het Verenigingsgebouw aan de ZuiddijkOver de eigenaren in de loop der eeuwen is niet veel bekend. Af en toe duikt er een naam op, zoals die van Hendrik Stoffeling die er de scepter zwaaide in de jaren zeventig van de 18e eeuw. Op een nacht is hij er met vrouw en kind vandoor gegaan voor zijn schuldeisers. De sleutels liet hij netjes achter op de balie.'Ten doode gedoemd'In 1909 nam Jean Pierre Felix Frison De Moriaan over. Hij liet het, bij veel oudere Maassluizers nog bekende, Verenigingsgebouw aan de Zuiddijk bouwen. Het Verenigingsgebouw was het centrum voor bijeenkomsten en uitvoeringen van plaatselijke verenigingen, maar ook voor artiesten en acteurs met grote namen zoals Fien de La Mar en Albert van Dalsum. AdvertentieIn 1928 volgde Joseph Jean Henri Frison zijn vader op als hotelhouder. Begin 1936, in de crisistijd, ging het slechter met De Moriaan en deden veel geruchten de ronde dat het hotel te huur of te koop stond. De Telegraaf kopte op 13 maart 1936: 'Historisch hotel te Maassluis ten doode gedoemd.' Kort hierna doken berichten op dat er in verband met de bouw van een nieuw raadhuis pogingen gedaan werden tot het opkopen van een complex percelen waaronder De Moriaan. Al snel bleek dat de geruchten gegrond waren, want in 1937 werden vier architecten uitgenodigd om een plan te ontwerpen voor een nieuw raadhuis op de plek waar De Moriaan stond. De sloop van het karakteristieke gebouw begon in 1938, maar de geplande nieuwbouw is in verband met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 niet doorgegaan.De Moriaan naar BellevueJoseph Jean Henri Frison en zijn gezin verhuisden naar café Bellevue aan de Haven 29. Dit café werd omgedoopt in De Moriaan en de buste van het oude hotel werd aan de gevel van de nieuwe locatie bevestigd, waar hij tot op heden nog steeds te zien is.Woningen ‘De Put’Na de sloop van het oude hotel De Moriaan en de omliggende panden bleef er een lege bouwplaats over, in de volksmond De Put genoemd. In 1959 maakte het gemeentebestuur plannen om ter vervanging van het eveneens gesloopte Verenigingsgebouw een nieuw complex met hotel-restaurant te realiseren. Dat is nooit doorgegaan. Wel werd er in de zomermaanden een grote tent neergezet en werden tijdelijke tribunes gebouwd zodat er toneelvoorstellingen, spelletjes en andere evenementen georganiseerd konden worden. Het nieuwe stadhuis verrees in 1978 bij winkelcentrum Koningshoek. In 1984 kwamen er woningen in De Put te staan.Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Unieke opgravingen van Cananefaten in het Westland zondag 15 december 2019 11:11

Streekhistorie: Unieke opgravingen van Cananefaten in het Westland

In de eerste eeuwen van onze jaartelling leefden er in het Westland Cananefaten. Deze stam leefde van de landbouw en hand en spandiensten voor de verdediging van de grenzen van het Romeinse rijk. Archeoloog dr. Jasper de Bruin, werkzaam bij de Leidse universiteit en het Rijksmuseum voor Oudheidkunde hield op 11 december in De Lier een zeer drukbezochte lezing over de Cananefaten. Er is weinig bekend over de Cananefaten, vroeger ook Canninefaten genoemd. In de oude schoolboekjes stond slechts als wetenswaardigheid vermeld dat zij in de duinen op konijnen joegen. Jasper de Bruin zei dat de Cananafaten door Romeinse auteurs sporadisch worden genoemd. Zij staan sinds 28 n. Chr. Door het werk van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus bekend als soldaten in het Romeinse leger. Dat wordt bevestigd door de vondst van een militair diploma uit 165 n. Chr. in Poeldijk en een inscriptie op een van de in Wateringen gevonden mijlpaal uit 250 n. Chr. Vermoedelijk vestigden zij zich vanuit Noord-Holland maar mogelijk ook vanuit de Zuid-Hollandse eilanden in het Westland.De Bruin is een specialist op het gebied van de Cananefaten. Hij promoveerde op een proefschrift met als titel: Rurale gemeenschappen in de Civitas Cananefatium 50-300 n. Chr. Het boek is onlangs in het Engels vertaald. De monding van Maas en Rijn was destijds grensgebied van het Romeinse rijk. Het was een natuurlijk en dichtbegroeid landschap met duinen in de omgeving van het huidige Den Haag, een veengebied rond Zoetermeer en hoger en lager gelegen kleigebieden."De duingebieden waren nauwelijks bewoond", zei De Bruin. "Wellicht zijn ze bewust leeg gehouden door het Romeinse leger. Wij kunnen alleen maar naar de redenen gissen. De hoge klei in het Westland was echter met dichte bewoning de kern van het gebied van de Cananefaten. Er waren in de civitas Cananefatium 18 militaire nederzettingen, een stad (Voorburg) en 172 plattelands nederzettingen. Het gebied vormde de Classis Germanica Pia Fidelis (CGPF’)"Archeologische vondsten"In Naaldwijk zijn enkele grote archeologische vondsten gedaan zoals een arm van een beeld en plaat met een decreet. De vlootbasis van de Romeinse vloot is altijd in Naaldwijk gezocht maar bij opgravingen in 2014 op Leehove bij De Lier zijn sporen van een waterkering gevonden. De vindplaats leverde ook negen stempels op. Door de archeologie is er ook inzicht in de leefwijze van de bevolking gekomen. De nederzettingen van de Cananefaten bestonden doorgaans uit een boerderij, die maximaal 25 personen telde, die dicht op elkaar leefden. Het waren gemengd bedrijven met moestuinen. Je kunt zeggen dat er al in de eerste eeuw in het Westland tuinbouw bestond.""In de periode 50 tot 150 na Chr. ontstond een homogene cultuur met vergelijkbare nederzettingen, huisconstructies, aardewerk, voedselproductie en lokale keuken. Er waren nauwelijks geïmporteerde producten. De stichting van Forum Hadriani (Voorburg) had geen invloed op de nederzettingen. De Cananefaten wilden wel in het Romeinse leger maar niet Romeins worden. In die tijd is de Romeinse weg aangelegd met het kanaal van Corbulo ernaast. Wij hebben een mijlpaal uit 151 opgegraven, die langs de weg stond. De weg was wel verhoogd aangelegd maar niet verhard. Alle vervoer ging per boot."Vloerverwarming"In die tijd is het gebied grotendeels ingericht. Er werden grote opslaggebouwen gebouwd voor de opslag van annona, een belasting in de vorm van een deel van de oogst. Dat bracht sociale ongelijkheid. Er kwamen beheerders van de geïnde belasting. Uit die tijd stammen ook grafheuvels met crematieresten. Forum Hadriani krijgt in die tijd een officiële stadstatus als municipium. In de derde eeuw verdwijnt een deel van de nederzettingen weer. Door de verkaveling heeft ontwatering en daardoor bodemdaling plaats gehad. Op veel plaatsen zoals Overschie verdrinkt het landschap maar in het Westland was dit geen probleem. Het traditionele woonstalhuis verdwijnt en er vindt een overgang plaats naar vakwerkgebouwen en ook echte stenen gebouwen met dakpannen en vloerverwarming.""In Naaldwijk zijn langs de Middelbroekweg op de plek van het industrieterrein Mars opgravingen gedaan. Er zijn unieke opgravingen gedaan met vondsten zoals het aardewerk terra sigillata en een houten schrijftafeltje, die je niet zou verwachten in dit gebied met beperkte mogelijkheden. De nederzetting Naaldwijk profiteerde van de handelsstromen. Er is veel materiaal uit Engeland gevonden. Als je de Rijn op wilde, kwam je hier aan. De vondsten wijzen op een verregaande integratie in het Romeinse rijk. Na 300 loopt de bewoning in het Westland snel terug. Er zijn wel sporen van bewoning in Naaldwijk maar die duiden op een nieuwe groep. Het aardewerk is weer gedraaid dus zelf gemaakt. Vanaf 350 is het gebied helemaal onbewoond."Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud-Westland
Lees meer
Streekhistorie: Piet Willemse, bode bij de gemeente Monster zondag 8 december 2019 11:11

Streekhistorie: Piet Willemse, bode bij de gemeente Monster

De uit Zeeland afkomstige Piet Willemse is van 1964 tot 1989 bode geweest van de gemeente Monster. Hij werd geboren op 9 februari 1925 in Sint Laurens, een dorpje vlak bij Middelburg. Na zijn schooltijd ging hij als jonge jongen werken bij een slager in het dorp. In 1949 trouwde Piet met de uit Zeeuws-Vlaanderen afkomstige Annie Hermans. Ze vestigden zich in Sint Laurens. Piet bleef werken in de slagerij in Middelburg. Op een gegeven moment overleed de gemeentebode van het dorp en Piet werd gevraagd of hij wellicht interesse had in die baan. Hij werd uitgenodigd op gesprek bij de burgemeester en eigenlijk tegen zijn verwachting in werd hij aangenomen. Dat was in 1958. Piet mocht met zijn gezin gaan wonen in een vleugel van het gemeentehuis, dat in verhouding tot de omvang van het dorp nogal ruim was uitgevallen. Ze hebben daar gewoond tot 1964. Toen solliciteerde Piet naar de vrijgevallen post van gemeentebode in Monster. Hij werd aangenomen en kon op 1 april 1964 beginnen als opvolger van bode Dijkhuizen. Gemeentesecretaris in die tijd was de heer Bos. Dat werd Piets directe chef. Burgemeester was de heer Berends, iemand die goed overweg kon met het gemeentepersoneel. Dat was in veel mindere mate het geval met zijn opvolger, de heer Daniëls, die in 1968 aantrad. Hij was nogal kort aangebonden.Piet Willemse ten voeten uitDe bodekamer van het uit de jaren twintig stammende gemeentehuis aan het Kerkplein was dichtbij de ingang. De bode kon dus goed in de gaten houden wie het gemeentehuis binnenkwam en wie wegging. Aanvankelijk deed Piet het bodewerk in zijn eentje, maar later kreeg hij assistentie van Bert Zeeman. En nog weer later voegde ook de heer Ram zich bij het team. Piet had als gemeentebode in Monster velerlei taken, van het verzorgen van de externe en interne post tot het rondbrengen van de koffie. Hij zorgde er kortom voor dat alles in het gemeentehuis op rolletjes verliep. Hij was ook vaak aanwezig in de avonduren als er een receptie was, een vergadering was van de gemeenteraad of van een commissie uit de raad. Ook bij huwelijksvoltrekkingen was hij actief betrokken. Zelfs bij burgemeester Daniëls thuis hebben Piet en zijn vrouw wel geholpen in de burgemeesterswoning aan het einde van de Choorstraat als er eens een feestje was.Het oude raadhuis van Monster op het KerkpleinHet kwam in die tijd wel eens voor dat het burgerlijk huwelijk eerst werd gesloten en dat het, met een uitgebreide feestelijkheden omgeven, kerkelijk huwelijk pas dagen of weken later plaatsvond. Dat kon te maken hebben met fiscale voordelen om voor het einde van het jaar burgerlijk gehuwd te zijn, maar het kon ook schelen bij het in aanmerking komen voor een woning om zo snel mogelijk volgens de burgerlijke stand getrouwd te zijn. De eerste trouwpartij die Piet als gemeentebode in goede banen moest leiden, was zo’n geval. Het bruidspaar kwam in zijn dagelijkse kleding binnen om zonder veel plichtplegingen te trouwen. Piet wist wel dat er rond dat tijdstip een bruidspaar werd verwacht, en had de deuren van het gemeentehuis en van de trouwzaal wijd opengezet en alles klaargelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. Maar hij dacht dat deze lieden om een andere redenen een afspraak hadden bij een van de ambtenaren. Hij vroeg hen plaats te nemen op een van de stoelen in de hal en vertrok weer snel naar de voordeur van het gemeentehuis om daar een oogje in het zeil te houden. Maar toen er na verloop van tijd nog steeds geen bruidspaar in vol ornaat kwam opdagen, begon er ook bij Piet iets te dagen, en werd het in de hal wachtende tweetal met enige vertraging alsnog in de burgerlijke echt verbonden.Piet was zoals gezegd in de avonduren nogal eens in het gemeentehuis te vinden. Zijn vrouw hield hem dan vaak gezelschap in de bodekamer. Ze nam dan een breiwerkje mee en als het nodig was assisteerde ze bij het verzorgen van de koffie.De bodebus van de gemeente MonsterGedurende ongeveer een tiental jaren heeft Piet ook als marktmeester gefungeerd. De markt werd gehouden op het Woutersplein en besloeg tientallen kramen. Zijn voorganger, Pakvis, was nogal streng. Om klokslag een uur liep die de markt over om de kooplieden een voor een toestemming te geven om te starten met de verkoop. En ze moesten het niet in hun hoofd halen een paar minuten eerder te beginnen. Piet hield zich ook wel aan de regels, maar was toch aanmerkelijk soepeler.In de begintijd heeft Piet met zijn slagersachtergrond nog wel eens een handje geholpen bij slager Kees Oosterveer. Dat deed hij dan in de zeer vroege ochtenduren. En ’s avonds brachten hij en zijn vrouw Annie wel eens post van de gemeente rond binnen de dorpen Monster, Ter Heijde en Poeldijk. De portokosten die de gemeente zo uitspaarde verdienden ze op die manier bij, totdat de gemeente op een gegeven moment ook de lokale post via de PTT ging verzenden. De dikke pakken met raadsstukken voor de leden van de gemeenteraad bezorgde Piet ook, maar dat gebeurde als onderdeel van het reguliere werk gewoon overdag.Als bode was Piet in het bezit van een zogenaamde bodebus. In een ver verleden vervoerde de bode in de bodebus, die werd gedragen aan een gordel, de poststukken van de gemeente. Aan de bodebus was een draaginsigne bevestigd met het wapen van de gemeente waar de bode werkzaam was. Het draaginsigne gaf bepaalde privileges, zoals gratis vervoer per postkoets. In de loop der tijd is de bodebus verdwenen, maar wordt het insigne hier en daar nog steeds als onderscheidingsteken voor de bode in ere gehouden. Na zijn pensionering heeft Piet Willemse zijn bodebus ingeleverd. Deze bevindt zich nu bij het Historisch Archief Westland.Bode Piet Willemse en assistent bode Bert ZeemanEind jaren zeventig werd het gemeentehuis te klein voor het in omvang toenemende ambtenarenapparaat. Er werden toen enkele afdelingen gevestigd in twee woningen in de nieuwbouwwijk Zwartenhoek. Assistentbode Ram reed dan heen en weer met een karretje om de interne stukken van het gemeentehuis naar de Zwartenhoek en vice versa te brengen.Halverwege de Choorstraat verrees in 1980 een nieuw gemeentehuis. Ook daar heeft Piet nog een flink aantal jaren gediend. In 1989 ging hij op 64-jarige leeftijd met pensioen. Hij kreeg bij die gelegenheid een koninklijke onderscheiding opgespeld door burgemeester Van der Klugt-Witteman. De burgemeester liet hem in haar afscheidswoord weten dat ze het eigenlijk wel jammer vond dat hij een eremedaille in zilver had gekregen. Ze vond dat hij met zijn niet aflatende ijver en hart voor de zaak goud verdiend had. Bij zijn afscheid ontving bode Willemse ook een horloge, met daarin aan de achterkant het gemeentewapen van Monster gegraveerd.Vlak voor zijn pensionering was bij Piet kanker geconstateerd. Hij is daaraan geopereerd en het ging daarna een tijd goed. In 2000 kwam de ziekte echter terug. In december van dat jaar is hij op 75-jarige leeftijd overleden.Auteur: Leo van den Ende van de Historische Vereniging Monster – Ter HeijdeMet dank aan mw. Annie Willemse-Hermans, uit wier mond een uitgebreidere versie van dit verhaal is opgetekend op 26 mei 2016.
Lees meer
Streekhistorie: Sinterklaas en de commercie in ‘s-Gravenzande maandag 2 december 2019 13:01

Streekhistorie: Sinterklaas en de commercie in ‘s-Gravenzande

Weet u het nog? We waren nog niet terug van zomervakantie of de kruidnootjes lagen al weer in de supermarkt. En is het u opgevallen hoe veel reclamefolders er vanaf eind oktober op de mat vallen? Kijk eens naar de reclame op TV aan het begin van de avond; allemaal speelgoed. Er is berekend hoeveel wij elk jaar gemiddeld uitgeven aan Sinterklaas. Wat denkt u?..... €75,- tot €80,- per persoon. Sinterklaas is big business. Was dat vroeger nou anders?Waren we toen niet tevreden met twee kaatseballen in een net en een letter van banket? Nou, vroeger was het niet veel anders. Sinterklaas kwam toen weliswaar pas eind november in het land, maar in die ene week tot 5 december wist de lokale middenstand toch nog best zijn slag te slaan. Er was nog geen internet en aan folders deden ze ook niet. De winkeliers moesten het hebben van hun sinterklaasetalage en natuurlijk van de krant. Die sinterklaasetalages waren een begrip. Veel winkeliers ruimden zelfs hun aan het winkelpand grenzende woonkamer uit om hun sinterklaasartikelen te kunnen uitstallen.De meeste winkeliers adverteerden in de regionale krant. En dan konden ze kiezen tussen de openbare Westlandsche Courant of het christelijke Nederland & Oranje (later De Westlander). Uitgever van der Endt uit Maassluis (uitgever van de Westlandsche Courant) was er snel bij. Hij maakte in 1874 al sinterklaasreclames. Die kranten van eind november en begin december zijn een geweldige informatiebron. Niet alleen omdat je kunt zien wat voor cadeaus er vroeger werden gekocht en gegeven, maar ook omdat zij laten zien welke winkeliers er toen allemaal in het dorp zaten. Leuk voor in je stamboom.Zo vinden wij in ’s-Gravenzande bijv. sigarenboer Joh. Boers (de man die jarenlang met oudjaar om 12 uur vanaf zijn balkon de menigte op het Marktplein in ’s-Gravenzande toezong). Of J. van Deventer (voorvader van de huidige drukker Van Deventer) die de absolute kampioen adverteren bleek. Er is bijna geen krant te vinden waarin hij niet adverteerde. Van Deventer kon het zich veroorloven grote advertenties te plaatsen, vaak met mooie plaatjes.De “wandeling” door het dorp En voor wie het zich niet altijd kon permitteren om zelf een advertentie te plaatsen werd iets slims bedacht….de zogenaamde wandeling door het dorp. Gedurende enkele jaren wordt er in de krant een verhaal verteld over een vaak wat geheimzinnige man (een vertegenwoordiger van de bisschop uit Spanje) die, begeleid door een Westlander, door het dorp wandelt, om zich heen kijkt en beschrijft wat hij allemaal voor moois ziet. De verkenner van de Sint schrijft: “…Wij wandelen nu het dorp weer in naar de Prinses Julianastraat, waar het eerst onze aandacht wordt getrokken door het sigarenmagazijn van de heer M. de Kramer…” En in elke winkel wordt wat verteld over de geweldige cadeaus die je er kunt kopen. In 1933 bedacht de krant een nieuwe vliegmachine met een telefonovisie-apparaat aan boord. Die vloog over het Westland en richtte het apparaat op een groot aantal winkels. En ook hier worden de producten van de winkeliers geroemd. Maar dat gebeurde niet bij èlke winkel waar ze langs kwamen. Ik denk dat je alleen genoemd werd wanneer je daar iets voor betaald had. Benieuwd naar wat het telefonovisie-apparaat allemaal registreerde? Lees hier de krant van 1 dec 1933. Na de Tweede Wereldoorlog kregen de winkeliers ook nog hulp van Sinterklaas zelf. Toen hield Sinterklaas namelijk (bijna elk jaar), nadat hij officieel door de burgemeester was verwelkomd, een toespraak. Dat gebeurde meestal op het bordes van het gemeentehuis, zoals hiernaast in ’s-Gravenzande. Ongetwijfeld ingefluisterd door de lokale middenstand vertelde Sinterklaas (in wiens gestalte niet zelden een der plaatselijke neringdoenden kon worden herkend) aan de aanwezige ouders, dat ze toch vooral in de lokale winkels hun sinterklaasinkopen moesten doen. Dit tot grote ergernis van H. de Weerd uit ’s-Gravenzande. Hij vond het maar niks dat Sinterklaas dit soort toespraken hield. In een ingezonden brief in de krant schreef hij: “Sinterklaas….ge hebt eigenlijk alleen maar een pleidooi gehouden voor de middenstand en uw eeuwenoude mildheid heeft plaats gemaakt voor een chauvinistisch praatje waar geen kind wat aan kon hebben. Ge hebt er geen feest van gemaakt, Sint Nicolaas. Ge hebt er alleen maar een propagandaspeech van gemaakt.
Lees meer
Streekhistorie: Buitenplaats Huis Honselaarsdijk zondag 24 november 2019 10:10

Streekhistorie: Buitenplaats Huis Honselaarsdijk

De grootste van alle buitenplaatsen was het Huis Honselaarsdijk met zijn enorme tuincomplex van honderden hectares. De kern van het bezit werd gevormd door het machtige kasteel van de Van Naaldwijks. Via erfopvolging waren de bezittingen van de Van Naaldwijks in handen gekomen van het adellijke geslacht Van Arenberg. Deze adellijke familie bleef tijdens de 80-jarige oorlog trouw aan de koning van Spanje en daarom werden hun bezittingen door de Staten van Holland in beslag genomen. Het kasteel van Honselersdijk is toen nog een periode in leen gegeven aan Prins Maurits. Tijdens het twaalfjarig bestand in de 80-jarige oorlog (1609-1621) kreeg de adellijke familie Van Arenberg hun bezittingen terug. Het twaalfjarig bestand was een periode waarin de Republiek probeerde vrede te sluiten met Spanje. Als gebaar van goede wil werden de bezittingen die in beslag genomen waren terug gegeven aan de adel die de Spaanse koning trouw gebleven was. De Van Arenbergs hadden zich echter terug getrokken in de Zuidelijke Nederlanden en besloten daarom al hun bezittingen in de Noordelijke Nederlanden te verkopen. In 1612 werden alle Westlandse bezittingen van de Van Arenbergs verkocht aan Frederik Hendrik van Oranje-Nassau.Frederik Hendrik wilde het kasteel en het omliggende bezit omvormen tot een paleis met een complex siertuinen. Hij was hier omstreeks 1620 al mee begonnen door het oude kasteel van de Van Naaldwijks te verbouwen tot paleis. In 1625 werd Frederik Hendrik stadhouder en ging hij een belangrijke rol spelen in de internationale politiek. Voor het ontvangen van belangrijke buitenlandse gasten had hij een representatief en indrukwekkend paleiscomplex nodig. Die rol kreeg Honselaarsdijk. Wat er nog restte van het oude kasteel van de Van Naaldwijks werd nu helemaal afgebroken en op de oude fundamenten werd een geheel nieuw paleis opgetrokken. Frederik Hendrik was sinds 1625 stadhouder en bevelhebber van het leger en de vloot. Dit leverde hem veel inkomsten op, want de regel was dat de bevelhebber tien procent van alle oorlogsbuit kreeg. Volgens overlevering kon Frederik Hendrik door zijn deel van de door Piet Hein veroverde zilvervloot het paleis en de tuinen in Honselaarsdijk extra allure geven. Bij het paleis verrezen allerlei bijgebouwen, zoals het Domeinkwartier, de Nederhof, een oranjerie, een speelhuis, fazanterie en een boswachterswoning. Al deze gebouwen waren gesitueerd in de prachtige tuinen rondom het paleis. Hiervoor moesten wel enorme veranderingen aangebracht worden in het landschap. Om het complex van gebouwen en tuinen een strak klassiek en symmetrisch rechtlijnig uiterlijk te geven moest het dorpscentrum van Honselersdijk verplaatst worden. Er werden nieuwe sloten en wegen aangelegd om zo rechthoekige percelen te creëren. Die gingen echter dwars door alle bestaande natuurlijk gevormde wegen en waterlopen heen, waardoor er een aparte en vreemde eenheid ontstond in het landschap. In 1691 is een vogelvluchttekening en een hele serie tekeningen van het Huis Honselersdijk en de omliggende tuinen vervaardigd door C. Allard. Waarschijnlijk is deze serie gemaakt naar aanleiding van het laatste bezoek dat stadhouder Willem III, die inmiddels ook koning van Engeland was, in 1690 aan Honselersdijk bracht. Aan de bouw van het paleis hebben o.a. meegewerkt de bekende architecten Jacob van Campen en Pieter Post.Bij het aanleggen van de fraaie siertuinen heeft o.a. de bekende hovenier Jan van den Groen meegewerkt. In zijn standaardwerk 'Den Nederlantsen Hovenier' beschrijft hij de aanleg van delen van de tuinen van Huis Honselersdijk. In de loop van de 18de eeuw raakten het paleis en het tuincomplex in verval. Bij de komst van de Fransen in 1795 vluchtte de toenmalige eigenaar, stadhouder Willem V, naar Engeland en werden alle bezittingen van de Oranjes in beslag genomen door het staatsgezag. Het gebouw werd achtereenvolgens gebruikt als gevangenis, militair hospitaal en militaire school. Het gebouw werd in de Franse Tijd zo uitgewoond dat men na de val van Napoleon en de terugkeer van de Oranjes geen andere mogelijkheid zag dan de gebouwen voor sloop te verkopen. De gronden werden verkocht, meest als tuinland. Van het gehele complex bleef uiteindelijk alleen een deel van de Nederhof bewaard, wat nog steeds bestaat en in gebruik is als gezinsvervangend tehuis. Bij graafwerkzaamheden rondom Honselersdijk worden nog regelmatig funderingsresten van diverse gebouwen van het paleiscomplex gevonden. En ook zijn er in het landschap nog diverse sporen in de vorm van sloten, wegen en lanen terug te vinden.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Door Staelduin zondag 17 november 2019 11:11

Streekhistorie: Door Staelduin

In 1929 verscheen een boekje genaamd WANDELINGEN OM DEN HAAG. Daarin staan overdrukken van een aantal artikelen die in de krant Het Vaderland waren verschenen. Een van deze artikelen, waarvan de schrijver niet bekend is, beschrijft een wandeling door het Staelduin. Het is een romantische beschrijving van het bos. In het artikel is voor de leesbaarheid de nieuwe spelling aangehouden. Wandeling 19, Omzwervingen door bos en duin.Deze wandeling bestaat uit omzwervingen door Staelduin, “het mooiste plekje van het Westland”, dat gerust vergeleken mag worden met het mooiste wat ons land biedt, een prachtig duinterrein overdekt met mooi hoog en laag bos, in de vlakke landen gelegen ten zuidoosten van ’s-Gravenzande. Dit is een van de weinige plekken in ons land, waar de natuur natuur is, waar niets anders gehoord wordt dan het geruis van de bomen, het gezang van de vogels en het gegons en gezoem van allerlei insecten. Vele paden en lanen leiden door Staelduin, dat ongeveer 2 kilometer lang is en een grootste breedte van 800 meter heeft. Men kan er nog werkelijk dwalen door hoog opgaand bos, door lage struiken, over duinterrein met meidoorns gebroeid, hoge duinen beklimmen vanwaar men de zware toren van Brielle’s Catharinakerk ziet en aan de oever, van bosmeertjes neerzitten. Vaak zit ik hier op een plekje, waar vier lanen samen komen, daar staat een heel oude berk met zilverkleurige stam, de takken druipend van het neerhangende loof. Een beukenlaantje komt met een flauwe bocht naar mij toe. In dat laantje is het op de gladde, gave beukenstammen een druk beweeg van aldoor van vorm en plaats wisselende zonnevlekken. Laan met beuken en eikenDraai ik mij om, dan loopt verschrikt een pad weg en verdwijnt in een donkere opening van het dichte, wilde bos verderop en dan zie ik een stuk bos, enkele jaren geleden kaal geslagen, alleen de oude eiken zijn gespaard. Daar staan de zwarte fakkels van de toortsen, die in de vorige nazomer geel vlamden van de bloemen. Enkele koolwitjes fladderen in onverwachte zwenkingen voorbij. In het stugge, door de zon verdroogde gras tjirpen krekels. Boven de bomen zwieren zwaluwen in de lucht, lachend van het zonlicht. Een enkele reiger komt van tijd tot tijd over, statig voortvliegend met ingetrokken hals door de zachte zomerwind, die ik telkens van ver over de bomen hoor aanruisen.Van dit prachtige plekje, een van de vele, gaan we een kleine wandeling maken langs de Hobbellaan, het mooiste en afwisselendste wegje van heel Staelduin. Dan wandelen we eerst naar een van de drie bosmeertjes, naar de Zwaan. Dit meertje met fijn lichtgroen eendenkroos overdekt, ligt vredig te dromen binnen zijn oevers, met hoog, rank riet begroeid. Er langs loopt een mooie laan van beuken en verbazend hoge en dikke populieren. Een dichtbij uitkomend bospad is de Hobbellaan, die haar naam alle eer aandoet. Eerst lopen we door een donker, dicht bos van dennen, sparren en eiken, hier is de grond in het voorjaar overwaasd door een zacht rozerood van bloeiende ooievaarsbekjes. Als we een steile hoogte over zijn die dit gedeelte van het bos begrenst, komen we al op- en neergaand en “hobbelend” in een wild bosgedeelte. Daar staan hoge vlieren met groene bessen, die in de herfst glanzend zwart worden, oude meidoornbomen, in het voorjaar witte boeketten, grote Gelderse rozen, die in het najaar glimmend rode bessen zullen dragen, eiken en berken overwoekerd van welige klimop, die in zware trossen van gladde bladeren naar beneden hangt, waar hij geen steun meer vindt, kamperfoelies ranken tot hoog in de bomen met hun als rafelig touw om elkaar gedraaide stengelstammetjes en hoog en laag bloeien en hun geurige bloemen, het is een wilde wirwar van oneindig veel moois. Even verder waar op een open plek in het bos in overvloed de gele sterretjes van het hertshooi en de lichtroze bloemen van het zeepkruid staan eindigt de Hobbellaan.Een bepaalde wandeling door dit paradijs (geen overdreven benaming!) geef ik niet aan, ook zeg ik niet waar de Zwaan of de Hobbellaan is, om ten volle van de aan alle kanten aanwezige schoonheid te kunnen genieten moeten we zonder boekje in de hand wandelen, dat leidt maar af. Of liever, we moeten ons laten wandelen daarheen naar waar het hart trekt. Dan ontdekken we de Zwaan of de Hobbellaan wel, dan staan we misschien ook ineens voor één van de twee andere bosmeertjes, de Fles en de Kom, dan komen we door de lange Beukenlaan, waaraan de reigerkolonie ligt.Bosmeertje De FlesVerdwalen kunnen we hier niet, ook niet als we geen oriënteringsvermogen hebben, we komen altijd wel bij een van de boerderijen terecht, die in een vrij groot aantal langs de zoom van het bos liggen.Behalve enkele wegen is het gehele bos “Verboden Toegang”. Kosteloze vergunningen voor een of meer personen voor het verboden gedeelte kan men bij de eigenaar Jhr.mr. F.J.J.M. van Rijckevorsel, Huize “De Wamberg”, te Berlicum (N.Br.) aanvragen.En nu hoe er te komen. Het begin van de Heenweg is het dichtst bij Staelduin gelegen, bereikbaar per bus van de WSM. Zijn we aan de Heenweg uitgestapt dan slaan we deze rechte, niet onaardige weg in en lopen hem ten einde toe uit tot we de hoge Maasdijk bereiken. Deze dijk klimmen we langs een mulle weg aan de rechterhand op. Er boven op aangeland vinden we recht over ons de Nieuwlandse dijk waarop een zwart hek staat. Deze dijk die mooie gezichten over de omstreken geeft en vooral recht vooruit op het bos Staelduin, gaan we nu bewandelen. Wanneer hij een bocht naar links en twee naar rechts gemaakt heeft, vinden we aan zijn voet aan de zoom van tuinlanden die hier overgaan in weiden, een zwart hek, een van de ingangen van Staelduin. De afstand Heenweg-Staelduin bedraagt hoogstens 35 tot 40 minuten lopen. Wanneer we naar huis terugkeren en aan de andere kant het bos verlaten komen we weer op de Maasdijk terecht, die we dan tot het naburige polderhuisje, de Oranjesluis op de dijk rechtsaf kunnen volgen. De OranjesluisBij de Oranjesluis gaan we van de dijk af, vanwaar we ongeveer alle Westlandse dorpen en Brielle hebben zien liggen en slaan dan de Leeweg aan zijn voet in. Weldra bereiken we dan voortdurend langs een vriendelijke vaart doorgaand, het buurtje Westerlee met zijn mooie Leemolen, na een wandeling van hoogstens 50 minuten. Van Westerlee kunnen we per tram ineens naar Den Haag terugkeren of met de bus gaan. We kunnen ook van Staelduin naar ’s-Gravenzande wandelen langs de Maasdijk en Woutersweg. Per fiets is een heel aardige tocht van Den Haag over Loosduinen, Poeldijk, naar Heenweg. In Staelduin mag men niet fietsen door het gedeelte waarvoor de vergunning geldig is, de fiets kan men dan bij een naburige boer stallen.In dit artikel wordt een prachtig beeld gegeven van het Staelduinsebos, het mooiste plekje van het Westland. Eén van de lanen noemt de schrijver de Hobbellaan, waarschijnlijk een zelfverzonnen naam voor een ongelijk hobbelig bospaadje. Auteur: Jan Dahmeijer van de Vereniging Oud ‘s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Rederijkers in Schipluiden zondag 10 november 2019 09:09

Streekhistorie: Rederijkers in Schipluiden

Het thema van het Open Monumentenweekend 2019 was ‘Plekken van Plezier’. In Schipluiden werd dit jaar onder andere aandacht besteed aan de dichtkunst, met een verwijzing naar het werk van de rederijkers. Kerk, kasteel en rederijkersMeerdere malen wordt in de kerkenraadsboeken van de Hervormde gemeente Schipluiden gesproken over de rederijkers. In het dorp vormden ze het dichtgezelschap ‘Het Rosmareyn’. Het ontstaan van de lokale rederijkerskamer vond in 1562 plaats, met een herstart in 1585, toen Otto van Egmond ambachtsheer was. De heren en vrouwen van de Keenenburg blijken ten opzichte van de rederijkers lang een neutrale opstelling te hebben gehad. Terwijl de Gereformeerde Kerk (landelijk, maar ook plaatselijk) zich fel keerde tegen het wereldse rederijkersspel - dat vaak verbonden was aan de plaatselijke kermis - gedoogden verschillende kasteelbewoners het optreden van de rederijkers. Het katholieke volksdeel zorgde voor de meeste deelnemers, maar er deden ook protestantse jongeren mee, zoals de kinderen van schout Jan van Lis en later de dichter Hubert Korneliszoon Poot. Officieel waren rederijkersactiviteiten sinds 1588 binnen de gehele jurisdictie van het Hof van Holland verboden. Lokale bestuurders negeerden nog weleens de richtlijnen van de gewestelijke overheid. Zij stonden dicht bij de mensen en wisten dat de jaarlijkse rederijkersfeesten voor delen van de bevolking belangrijk waren.De bewoners van de Keenenburg kozen als ambachtsheer- of vrouwe in deze zaak soms de zijde van de kerk, maar meestal namen ze het op voor de rederijkers. Zeventiende-eeuwse opvoering van rederijkers.In de Classicale Acta van de classis van Delft en Delfland staat bij 6 juli 1598, dat er in Schipluiden nog geen rederijkersspelen (-wedstrijden) waren geweest, maar dat er nu wel één georganiseerd ging worden. Een predikant van Delft en een predikant van Pijnacker werden door de classis afgevaardigd om de heer van Keenenburg, Jacob van Egmond, te verzoeken het spel te verbieden. In 1605 spoorde de classis de heer van Keenenburg opnieuw aan om het optreden van de rederijkers onmogelijk te maken. In 1606 verzocht de classis de heer van Keenenburg de kamers van Maasland en Schipluiden te verbieden. Hij beloofde het spel van de rederijkers niet te zullen gedogen. Prompt kwam er een tegenreactie van de zijde van de rederijkers; zij spanden in 1607 schout Willem Claesz. van Diepen voor hun karretje. Op verzoek van de rederijkers reisde hij tweemaal naar Den Haag om de heer van Keenenburg te vragen de rederijkers tijdens de kermis te laten optreden. Jacob van Egmond sloeg het gesprek hierover echter af, waarna de schout zich tot de baljuw van Delfland wendde. De heer van Keenenburg was hierover erg verontwaardigd. Een echt verbod van de plaatselijke rederijkerskamer is er echter nooit gekomen.In 1661 was ‘Het Rosmareyn’ van plan om in Schipluiden een wedstrijd voor een aantal rederijkerskamers te organiseren. Het Hof van Holland liet de schout van Schipluiden weten, dat hij niet mocht toelaten dat er in zijn dorp door ‘enige Retorijckers ofte anderen werde gespeelt’. De toenmalige heer van Keenenburg, Otto Frederik van Zevender, trok zich weinig aan van deze waarschuwing. Wanneer de rederijkers niet op het dorp zouden mogen spelen, zou hij ze in zijn huis laten optreden. Een jaar eerder had hij enkele kerkenraadsleden, die om een verbod van de lokale rederijkerskamer kwamen verzoeken, al afgescheept met een loze belofte. Twee jaar later (in 1663) bleek zijn weduwe Anna Ermgart van Raesfelt er ook weinig voor te voelen om in te gaan op de smeekbeden van de kerkenraad om ‘dese ongheregelde luyden haer godloose comediantsbedrijff’ te verbieden. De rederijkerskamer ‘Het Rosmareyn’ bleef bestaan en ging zelfs een nieuwe bloeiperiode tegemoet. Herhaaldelijk behaalde de kamer van Schipluiden prijzen op feesten van andere rederijkerskamers. In 1671 trad ‘Het Rosmareyn’ op als gastheer voor een aantal rederijkerskamers. Op het ruime voorplein van de Keenenburg werden wedstrijden gehouden:‘Men hoorde van haer Komst, de hele wereld roemen,Soo dat zy nu ter tijdt, hier huysvest in dit pleyn.By ’t Hof van Kenenburgh en ’t Edel Roosmareyn.’Achter- en zijkant van kasteel Keenenburg met links de kerk, E. van der Burgh, 1728.In 1711 verboden de Staten van Holland in een algemeen plakkaat de rederijkersactiviteiten op zon- en feestdagen. Op 23 juli en 1 november van dat jaar werden in Schipluiden de laatste rederijkersfeesten gehouden. Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden.
Lees meer

Meer Streekhistorie