Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage uploaden op onze website. Wij zullen deze controleren en bij goedkeuring publiceren.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Audio Streekhistorie: Van Tol leverde eerste DAF-je in het Westland maandag 21 januari 2019 09:09

Streekhistorie: Van Tol leverde eerste DAF-je in het Westland

Tinus van Tol was schipper. Zijn zoons Jan en Wim van Tol startten een transportbedrijf met oude legertrucks. Gevestigd bij de veiling Poeldijk. Daar hadden ze ook een kantoortje. De zaken gingen goed. Begin jaren ’50 had het bedrijf een wagenpark van meer dan tien vrachtwagens. De gebroeders van Tol hadden een prachtige Borgward Isabella (zie foto), waar ze heel zuinig op waren. Als een chauffeur eerder terugkeerde van een rit dan verwacht dan kreeg hij van een van de broers vaak de vraag om de Borgward even te wassen. En het kwam ook voor dat een andere chauffeur later die dag dezelfde vraag kreeg van de andere broer. Het wagenpark van transportbedrijf Van Tol (veiling Poeldijk) De vrachtwagens en aanhangwagens moesten iedere 10.000 km worden doorgesmeerd en om zelf in die behoefte te voorzien werd eind jaren ’50 besloten aan de Jan Barendselaan een eigen garage te laten bouwen. En al tijdens de bouw van die garage besloten de gebroeders van Tol ook maar meteen DAF-dealer te worden.Mei 1959: "Het eerste DAF-je, produkt van Nederlandse auto-industrie, is zaterdag met muziek voorop het Westland binnengereden. En alsof het de intocht van een beroemd autocoureur betrof zo reed burgemeester Wouters van Monster achter de harmonievereniging Pius X aan, Poeldijk binnen"."De eerste die in onze streek een DAF-personenwagen zal bezitten is een Westlandse verpleegster, woonachtig in Monster. Zij zal echter nog even geduld moeten hebben want het wagentje van zaterdag is bestemd voor demonstraties. Dealer voor het Westland van deze eerste Nederlandse personenauto is de firma Gebr. van Tol in Poeldijk." (krant de Westlander 15 mei 1959) De garage was nog niet af. Van Tol maakte gebruik van een noodgebouw aan de Slachthuiskade. In december 1959 was het dan zover. De garage werd geopend door burgemeester Wouters. "Burgemeester Wouters vond het een knappe prestatie van de heer van Tol, dat deze, in een gebied, dat opgeslokt wordt door het glas, een dergelijk garagebedrijf kon oprichten. Met het gereedkomen van deze DAF-garage wordt in een grote behoefte voorzien, want ook de tuinders gaan met de moderne tijd mee" (krant De Westlander 4 december 1959).Als officiele openingshandeling reed burgemeester Wouters met een DAF-je door een gespannen lint. Van de toespraken tijdens de opening is een geluidsopname bewaard gebleven. U hoort resp. de ceremoniemeester, burgemeester Wouters, dhr. Homan (namens de DAF-fabrieken), dhr. Kooi (namens ESSO) en dhr. Wim van Tol. In de geluidsopname horen we Wim van Tol vertellen hoe enthousiast hij is over de DAF. Het DAF-je bevalt hem zo goed dat hij er, zo vertelt hij, liever in rijdt dan in zijn dierbare Borgward. “Laat mijn broer daar maar in rijden”. Er kwam in 1959 niet alleen een garage, maar ook een benzinestation. In de krant van juni 1959 adverteerden de gebroeders van Tol. Ze zochten personeel. Marcel van Elswijk weet het nog. "Je hoefde bij van Tol niet zelf te tanken. Dat deden Jan Kok en Janus Kok voor je. 49 cent (23 eurocent) per liter (1962). En tweetakt voor je brommer, zelf mengen."De aanhangwagens van het transportbedrijf werden doorgesmeerd en vervolgens vaak door een pickup-DAFje naar de veiling getrokken. Ze konden net genoeg snelheid maken om over de bult bij de Nieuweweg te komen. Er reed nog weinig verkeer in die tijd.De aanhangwagens van het transportbedrijf werden doorgesmeerd en vervolgens vaak door een pickup-DAFje naar de veiling getrokken. Ze konden net genoeg snelheid maken om over de bult bij de Nieuweweg te komen. Er reed nog weinig verkeer in die tijd.Eerste DAF-bestelautoCarrosseriebouwer Van Beurden in De Lier kreeg een zeer bijzondere opdracht kreeg van het garagebedrijf van Tol in Poeldijk. Op een goeie dag kon van Tol weer een DAF-autootje afleveren aan een kruidenier in Poeldijk. Maar die zei er bij dat het een bestelauto moest zijn. "Komt voor elkaar zei van Tol en ging praten met Piet van Beurden in De Lier, het kwam toen ook inderdaad keurig voor elkaar en van Beurden met zijn beide zoons zijn er met garagehouder van Tol nog steeds trots op dat zij de eerste DAF-bestelauto op de weg hebben gebracht". (krant De Westlander 18 juli 1969).Rond 1965 werd het bedrijf van de gebroeders van Tol gesplitst. Jan van Tol nam het transportbedrijf onder zijn hoede en Wim van Tol ontfermde zich over de garage en het inmiddels florerende ESSO-benzinestation. Het transportbedrijf is begin jaren ’70 opgegaan in transportbedrijf Van Geest. In 1974 is het benzinestation grondig verbouwd naar een self-servicestation. Bij de bouw van de garage, hebben Wim en Riet van Tol een huis aan de garage vast gebouwd. Dit huis mocht volgens de regels van toen niet te hoog worden en is daarom een soort bungalow geworden. Het huis staat er nog steeds en daar woont op dit moment Hans (jongste zoon van Wim). De garage is, toen de bedrijfsvoering veranderde, verkocht aan Nadorp, die er een drukkerij hield. Later, in de jaren 90, is de garage gedeeltelijk weer terug gehuurd om een autowasstraat en twee zelfwasboxen te realiseren, een van de eerste in Westland. Auteur: Jan Buskes van het Historisch Archief Westland Foto’s en geluidsopname van Hans van Tol en Kelly van Rijn-van Tol
Lees meer
Streekhistorie: Oud 's-Gravenzande wordt vereniging maandag 14 januari 2019 09:09

Streekhistorie: Oud 's-Gravenzande wordt vereniging

De Historische Werkgroep Oud ‘s-Gravenzande is opgericht in 1975 op initiatief van de destijds bekende streekhistoricus M.C.M. van Adrichem. Hij had zich ten doel gesteld om in elk Westlands dorp een werkgroep op te richten die een studie zou maken van de plaatselijke historie. Burgemeester Van Prooijen stelde als tijdelijke behuizing het voormalige B.B- gebouwtje aan de Gravenstraat daarvoor beschikbaar, dat ook in gebruik was bij de vrijwillige brandweer. Tijdens de oprichtingsvergadering, waarvoor ongeveer 30 ’s-Gravenzanders met bijzondere historische interesse waren uitgenodigd, werd de rijke historie van ’s-Gravenzande geschetst en konden de aanwezigen een onderwerp uitkiezen dat zij zouden gaan bestuderen. In het begin werden de bijenkomsten van de werkgroep om beurten bij de leden thuis gehouden. Later toen er foto’s , dia’s, kaart- en ander materiaal over ’s-Gravenzande verzameld was werden de maandelijkse bijeenkomsten om praktische redenen op een vast adres bij een werkgroeplid gehouden. Al snel werden er allerlei activiteiten georganiseerd, zoals een maandelijks historisch spreekuur in de bibliotheek, fietstochten met uitleg langs historische plekken en stands op de braderie e.d. In de loop der tijd werden met toestemming van de Provinciaal archeoloog opgravingen gedaan bijvoorbeeld in 1979/1980 bij het nieuwe gemeentehuis in aanbouw. Ook op andere plekken in ’s-Gravenzande werd steeds in overleg met deze archeoloog opgegraven. In de hal van het in 1981 geopende gemeentehuis werd door de gemeente een vitrine geplaatst waarin de werkgroep archeologische vondsten ten toon stelde. In de loop der tijd heeft de werkgroep het nodige op historisch gebied van ’s-Gravenzande gepubliceerd. Vanaf het begin heeft de werkgroep veel historisch materiaal over de rijke geschiedenis van ’s-Gravenzande verzameld uit allerlei boeken, geschriften en archieven. Deze kennis werd op verzoek van het gemeentebestuur bijeengebracht in het boek genaamd ” ‘s-Gravenzande in verleden en heden” waarvan het eerste exemplaar bij de opening van het nieuwe gemeentehuis werd aangeboden aan de commissaris van de Koningin van de provincie Zuid-Holland. Dit boek voorzag in een grote behoefte omdat er tot die tijd eigenlijk geen alles omvattende beschrijving van de geschiedenis van ’s-Gravenzande was. De historisch werkgroep ontving daarvoor in het jaar 1983 de gemeentelijke cultuurprijs. Verder werd onder andere een historisch artikel over brand in de middeleeuwen geschreven voor het boekje ter gelegenheid van het 50-jarige jubileum van de vrijwillige brandweer van ‘s-Gravenzande.Detail van centrum van ’s-Gravenzande, zoals dat er in 1566 uitzag, uit het Kaartboek van de Regulieren met de kerk, het gasthuis en het bagijnhof (foto Nationaal Archief).Een van de werkgroepleden was gefascineerd door de bemoeienis door de graven uit het Hollandse huis met ’s-Gravenzande. Daaruit ontstond een uitgebreide studie over het leven van gravin Machteld de echtgenote van graaf Floris IV en wat zij voor ’s-Gravenzande betekende. Dit leidde tot een foto-expositie in de bibliotheek en ook o.a. in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. De door haar opgestelde uitgebreide levensbeschrijving van de gravin verscheen in 1988 in het eerste deel van het Historisch Jaarboek van het Genootschap Oud Westland. In 1990 werd bij de herdenking van de bevrijding een grote foto-expositie gehouden in de bibliotheek en kwam het boekje “Stad binnen de vesting” uit dat ging over ’s-Gravenzande in WO II. Daarvoor werd veel archiefonderzoek verricht en werden interviews o.a. met leden van het voormalig verzet gehouden. Later in 1996 bij het herdenken van 750 jaar ’s-Gravenzande stelde de werkgroep een boekje samen “’s-Gravenzande door de eeuwen heen” met grepen uit de belangwekkende ’s-Gravenzandse stadsgeschiedenis en een zogenaamde kopieermap over de plaatselijke geschiedenis voor de hoogste leerjaren van het basisonderwijs. Verder werden nog geschreven het boekje “Negentig jaar vereniging Evangelische Unie ’s-Gravenzande en P.R.Dingemans van de Kasteele” en een gedenkboekje ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Sint Lambertuskerk aan de Heenweg. Ook werd een foto-expositie samengesteld over de middeleeuwse kerk van ’s-Gravenzande die in de Dorpskerk werd opgesteld. Bij de opening van het bezoekerscentrum “D Oude Koestal” werd een expositie gehouden over de historie van het Staelduinse bos.Opgraving Bagijnhof en de buitenplaats VreeburchIn 1999 en 2000 heeft de werkgroep in samenwerking met de Archeologische Werkgemeenschap Nederland en met medewerking van de gemeente ’s-Gravenzande een grote opgraving georganiseerd aan de Vreeburghlaan en het achterliggende veilingterrein naar de buitenplaats Vreeburch en het Bagijnhof. Gevonden werd de fundering van een deel van de buitenplaats en een middeleeuwse kelder die waarschijnlijk nog aan het bagijnhof had toebehoord. Ook van de bagijnen is veel aardewerk gevonden en zelfs nog schoeisel. Later werkte de werkgroep samen met de afdeling archeologie van Den Haag aan een opgraving van het daarachter gelegen kloosterterrein van de Regulieren van ’s-Gravenzande. Ook daar werden zeer interessante vondsten gedaan, met name de vondst van de resten van een middeleeuwse kloosterling.Aardewerkvondsten van het middeleeuwse BagijnhofIn de loop der tijd werden op verzoek geregeld dia-lezingen gehouden over een groot aantal onderwerpen, zoals de prehistorie, het ontstaan van ’s-Gravenzande, het leven van gravin Machteld, de geschiedenis van ’s-Gravenzande door de eeuwen heen, het Staelduin en omgeving, het leven van burgemeester Dingemans van de Kasteele, de ’s-Gravenzandse buitenplaatsen, ’s-Gravenzande in de 2e WO en ook veel gevraagd “’s-Gravenzande in oude ansichtkaarten” waarin een rondgang door ’s-Gravenzande in de loop van de 19e eeuw werd getoond. Ook werden een groot aantal items over ’s-Gravenzandse historische onderwerpen gemaakt samen met de Stichting Video- en JournaalGroep ’s-Gravenzande (VJG TV Producties) die o.a. op de WOS werden getoond en ook via RITV (Regionale Internet Televisie) nog bekeken kunnen worden. Ook werd meegewerkt aan het organiseren van Monumentendagen.Na 45 jaar bestaat de werkgroep door allerlei oorzaken nog maar uit enkele leden, maar er wordt nog wel flink gewerkt aan de ’s-Gravenzandse geschiedenis. Zo werd de laatste jaren o.a veel energie gestoken in het bestuderen van het Notarieel Archief van ’s-Gravenzande in het Historisch Archief Westland. Er zijn interessante uittreksels uit dit notarieel gemaakt m.b.t. belangrijke objecten uit de periode 1800 tot 1900. Wij als werkgroepleden zijn blij dat er nu initiatieven zijn gekomen voor het oprichten van een historische vereniging in ‘s-Gravenzande. Een vereniging heeft juridisch een bredere basis als een werkgroep en ook wel andere doelstellingen. Wij zullen de initiatiefnemers dan ook van harte steunen en met raad en daad bijstaan. De door ons in de loop der tijd opgedane kennis over de rijke historie van ’s-Gravenzande, in al zijn facetten, zullen wij daarbij inbrengen. De komende tijd zullen de initiatiefnemers de publiciteit zoeken en zult u meer lezen over de “Vereniging Oud ‘s-Gravenzande in oprichting”. Belangstellenden kunnen zich nu al melden via het mailadres: oudsgravenzande@hotmail.com Auteur: Jan Dahmeijer van Vereniging Oud ’s-Gravenzande i.o.
Lees meer
Streekhistorie: Ontstaansgeschiedenis omgeving Delft woensdag 9 januari 2019 11:11

Streekhistorie: Ontstaansgeschiedenis omgeving Delft

Wat was er eerst de stad of het platteland? In de omgeving van de latere stad Delft was er eerst sprake van een grafelijke hof, de Hof van Delft, waar vanuit de ontginning van het platteland werd georganiseerd. Een hof was een agrarisch bezitscomplex van de graaf. Er zijn er vele geweest. De kern van de grafelijke hof bij Delft lag op de plaats waar later het klooster Koningsveld tussen de Rotterdamseweg en de Delf (Schie) werd gesticht. De graaf betrok al vroeg andere instellingen bij het ontginningswerk, zoals de Domkerk van Utrecht, die gewijd was aan Sint Maarten. Deze instelling verkreeg mogelijk reeds in de tiende eeuw het gebied St. Maartensrecht, gelegen tussen de Gaag in Schipluiden en de Schie. Op het meest westelijke puntje van dit bezit werd later kasteel Keenenburg gebouwd. De abdij van Egmond ontving in de elfde eeuw stroken grond ten oosten en westen van de Delf, de latere Schie (Abtsrecht) en de abdij van Rijnsburg verkreeg in de twaalfde eeuw een gebied ten oosten van de Schie (Vrouwenrecht), dat ter hoogte van Ackersdijk was gelegen. Na de overstromingen in 1134-1135 en 1163 werden door de graaf ook particulieren bij de aanleg van het cultuurlandschap betrokken. Dit waren enerzijds vertrouwelingen, bevriende edelen, anderzijds werden er ook lokale grondgebruikers ingezet. Dit gebeurde in Woud-Harnasch (in het stroomgebied van de Lee) en in Vrijenban (stroken grond ten westen en oosten van de latere stad Delft en het gebied Ruiven (ten oosten van de Schie).kaart: Ambachten rond Delft omstreeks 1400Ontstaan van DelftDoor de toename van de agrarische bedrijvigheid rond de grafelijke Hof van Delft groeide de noodzaak van een marktplaats. Niet ver van de grafelijk hof ontstond in het begin van de dertiende eeuw een tweede grafelijke kern, rond het latere stadhuis op de Markt. Hier vestigden zich handelaren. Op 15 april 1246 kreeg deze kern, die met de naam Delft werd aangeduid, van de graaf stadsrechten. Wie zich na die datum in de stad vestigde en poorter wilde worden, moest daarvoor betalen en de eed van trouw afleggen aan de stad. Een poorter genoot overal in het graafschap vrijheid van tol voor zaken die hij de stad wilde in- of uitvoeren. Alleen poorters hadden in het vervolg het recht om op de weekmarkt te staan. Deze voorrechten gaven de stedelingen een voorsprong op handelsgebied ten opzichte van de bewoners van het platteland. De stad lette sterk op het gebruik van de juiste maten (inhoud en gewicht). De komst van de stad, gelegen aan een belangrijke binnenvaartroute, was gunstig voor het omringende platteland. De boeren konden hun agrarische producten aan handelende poorters leveren, en in ruil hiervoor kochten ze in de stad nijverheidsproducten. Deze wisselwerking tussen stad en platteland heeft tot ver in de twintigste eeuw bestaan.Kort voor 1350 vonden er in meerdere steden, waaronder in Delft, stadsuitbreidingen plaats. Dit is een aanwijzing voor de bloei van handel en nijverheid, maar ook van het machtstreven van steden. De nieuwe stedelijke bevolking was voor een deel afkomstig zijn van het platteland. Omstreeks 1368 woonde er zo’n 235.000 personen in het graafschap Holland, waarvan zo’n 172.500 (ruim 73%) op het platteland. Anderhalve eeuw later woonde er zo’n 275.000 mensen in het graafschap, waaronder ruim 54% op het platteland. De verstedelijking is duidelijk toegenomen.foto: Rond 1500 is de kerk van ’t Woudt vergroot en de toren verhoogd. De belangrijkste reden hiervoor was de toename van de bevolking. Foto: Quendoline Kunz.Demografische crisisIn 1369 was er een ernstige demografische crisis op zowel het platteland als in de steden. Deze crisis werd veroorzaakt door een uitbraak van de pest, die naar schatting zo’n 30% van de bevolking heeft weggevaagd. Door de combinatie van enkele bronnen kan gereconstrueerd worden wat het effect van deze epidemie op de bevolking van Woud-Harnasch was. Uit een register met de opgave van het aantal gezinshoofden in 1369 kan worden afgeleid, dat er toen ongeveer 90 personen in dit gebied woonde. Een opgave uit 1371 levert een plaatselijke bevolking van 52 personen op, waaruit een teruggang van 38 personen ofwel ruim een derde kan worden afgeleid. Dit is heftig. Of dit cijfer alleen bepaald is door de pest valt te betwijfelen. Ze ziekte sloeg vooral toe in steden, waardoor hier een gebrek aan arbeidskrachten ontstond. Ongetwijfeld zullen er bewoners van Woud-Harnasch naar de stad getrokken zijn. Overigens valt het vertrek van de bevolking in Woud-Harnasch ook af te leiden uit het aantal verlaten woonplaatsen. De kerk van ’t Woudt had vanwege het geringe aantal parochianen van ca. 1370 tot ca. 1473 geen eigen pastoor. In 1514 bedroeg de bevolking van Woud-Harnasch en ’t Woudt zo’n 130 personen en was er geen sprake meer van crisis. De vergroting van de kerk van ’t Woudt, omstreeks 1500, heeft te maken met de groei van het aantal inwoners.Auteur: Jacques Moerman, Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Kwintsheul was even 'wereldnieuws' maandag 31 december 2018 10:10

Streekhistorie: Kwintsheul was even 'wereldnieuws'

Bij het Historisch Archief Westland in Naaldwijk kwam de vraag binnen of men iets wist van een ongeluk met een luchtballon dat in Kwintsheul had plaatsgevonden. Er zouden ook twee leden van het Koninklijk Huis bij betrokken zijn. Men dook in oude kranten en ontdekte dat er in 1932 inderdaad een ballon in Kwintsheul een noodlanding heeft gemaakt! Met behulp van die stukjes die in die week na de landing in verschillende kranten stonden is nu (voor zover mogelijk) een reconstructie gemaakt. Het is 1932, al in het begin van december zakt de temperatuur mede door de harde oostenwind tot onder nul. Dit houdt dagen lang aan en er kan dan ook al snel op natuurijs geschaatst worden. Op zondag 10 december omstreeks negen uur 's ochtends stijgt er in Düsseldorf (Duitsland) een luchtballon op met de naam "Stadt Düsseldorf". Het ligt in de bedoeling een vlucht naar België te maken, maar dat liep anders!Artikel Westlandsche Courant 14 december 1932 In de mand bevonden zich vier mannen, waarvan er twee hun eerste vlucht maakten. De andere twee waren ervaren ballonvaarders. De heer Pfeffer had de leiding, hij was de "Führer". De "Unterführer" (letterlijk verslag) was dr. Karl Münck. De twee nieuwelingen waren Otto Gaumnitz en Theo Jansen. Negen keer eerder was er met deze ballon gevaren en er waren nooit eerder problemen geweest. Men was ook al vaker in Nederland zonder moeilijkheden geland. Maar de tiende vaart zou niet goed aflopen…Door de harde wind kwam men nog wel over Limburg (ze hebben de Rijn en de Maas gezien) maar daarna dreven ze richting Nederland. Kort na twaalf uur waren ze boven Den Hoorn en zagen ze de Noordzee! De mannen raakte enigszins in paniek, want met die koude oostenwind en temperatuur rond het vriespunt was dat niet de meest ideale plaats om te landen.Het huis aan de Bovendijk 55 zoals het nu is. Waarschijnlijk woonde hier Jac. Hanemaaijerwaar het ongeluk in de tuin gebeurde.Men gooide een aantal zakken zand over boord, iets wat tegen alle regels van de ballonvaart ingaat. Je hoort los zand of water overboord te gooien. Maar gelukkig ging dat nog goed, bij de eerste poging te ankeren lukte dat niet maar maakten ze wel schade aan het elektrische net. Ook de volgende poging was niet direct succesvol. Door de vorst van de laatste dagen was de grond zo hard dat het anker geen grip kreeg. Vanaf hier lopen de berichten uiteen.In de Westlandsche Courant wordt vermeld dat ze eerst bij Raaphorst achter het voetbalterrein de grond raken. Daar zou Otto Gaumnitz al uit de mand geslingerd zijn. Terwijl hij aan de mand hing en onmogelijk door zijn medepassagiers gered kon worden, werd hij ongeveer 40 meter over de steenharde grond meegesleurd. Dat ging via het spruitenveld van J. Vijverberg tot het land van J. Hanemaaijer. Doordat het anker in een greppel bleef steken kwam de mand eindelijk tot stilstand. Daarbij was de klap zo groot dat de overige drie inzittende zich ook verwonden. De gewonde Otto is bij de bewoners van Bovendijk 55 (de familie Hanemaaijer) binnengebracht.De heer dr. Karl Münck, een van de andere passagiers van de ballon was arts maar had geen verbandtrommel bij zich en kon daardoor niets doen… Daarom is dokter Hoogwater uit Wateringen er bij gehaald voor de eerste medische hulp evenals de pastoor van Kwintsheul die inmiddels ook ter plaatse was. Piet Lipman van VIOS brengt het slachtoffer met zijn ambulance naar het Westeinde ziekenhuis in Den Haag. De gemeentepolitie met de rijksveldwachter stelde een onderzoek in. Er werd beslag gelegd op de ballon en de instrumenten.De drie anderen die ook wel enig letsel hadden opgelopen mochten nog niet terug naar huis in verband met het onderzoek. Later in de middag mochten ze onder politiebegeleiding een bezoek brengen aan het ziekenhuis maar de patiënt was niet bij kennis.Zondagavond kregen ze hun spullen zoals de ballon en bijbehoren, weer terug. Na onderzoek was er geen mankement aan ontdekt en ook het vliegbrevet was in orde. Het was inmiddels te laat om nog naar huis af te reizen dus men overnachtte in hotel Terminus in Den Haag. Dat hotel stond recht tegenover het station Hollands Spoor en is in 1982 gesloopt. Verslag uit de Sumatra PostDan de tweede lezing die in de Sumatra Post van woensdag 28 december 1932 staat. Het begin is hetzelfde als in de Westlandsche Courant, maar dan schrijft men dat de ballon zeer snel daalde en al erg laag was toen het anker op de hard bevroren grond kwam. Door die schok vloog de heer Gaumnitz uit het schuitje. Hij viel wel van zo’n 8 à 10 meter hoog. Hij bleef bloedend op de grond liggen en was buiten kennis. Toen de mand even daarna op de grond neerkwam was die klap zo hard dat de andere drie inzittenden ook gewond raakten.Halve kaart van Nederland met de vliegroute in pijlenDeze krant haalt ook een ooggetuige aan die tegen De Telegraaf zijn verhaal vertelde. Dat was de heer Hardonk uit Wassenaar. Hij reed met zijn wagen in Wateringen toen hij boven de polder een grote ballon zag die zichtbaar snel daalde. Hij zette zijn auto in Kwintsheul langs de weg en zag dat ze het anker uitgooiden dat door de hard bevroren grond geen grip kreeg. Maar toen het anker toch grip kreeg was de schok zo groot dat de heer Gaumnitz uit het schuitje viel. Hij viel van een hoogte van acht à tien meter op de bevroren grond, en bleef daar bloedend en buiten kennis liggen. De heer Hardonk ging via het ijs op de sloot het veld in en ook de bewoners van het huis langs de Bovendijk snelden er naar toe. "Ik zag", zo vertelde de heer Hardonk, "dat de man die gevallen was er erg slecht aan toe was en waarschuwde de pastoor van Kwintsheul, die hem de laatste sacramenten toediende."Men heeft de zwaargewonde man in het huis van Jac. Hanemaaijer gedragen. Hardonk reed ook nog naar Wateringen om de politie te waarschuwen. Met een ziekenwagen van VIOS-Autobusdienst is het slachtoffer naar het R.K. Ziekenhuis aan het Westeinde gebracht. Daar werd geconstateerd dat hij een schedelbreuk had, en men vreesde voor zijn leven.Nadat de politie de ballon vrijgaf is de balloncommandant Hauptmann Erwin Pfeffer, een zeer bekend Duitse oorlogsvlieger uit Düsseldorf, nog tot zondagavond acht uur bezig om de ballon te bergen en in te pakken voor de terugzending naar Düsseldorf. Pas daarna had hij gelegenheid om de journalist te woord te staan. Dat geschiedde in hotel Terminus in Den Haag. Daar hebben de drie de nacht doorgebracht.Artikel De Westlander 16 december 1932Dr. Karl Münch had bij de landing zijn hoofd zodanig gestoten tegen de bevroren grond en was direct naar zijn hotelkamer gegaan met de nadrukkelijke boodschap dat hij zich te ziek voelde om nog gestoord te worden. Zo troffen ze in de lounge van het hotel alleen de heren Pfeffer, met een grote pleister op zijn hoofd, en Theo Janssen aan, die ook een bloederige schram op zijn voorhoofd had. ''Een gevaarlijke tocht, Herr Führer?"   "Had feitelijk niets te betekenen", was het antwoord. "En de ongelukken dan?" "Als Gaumnitz zich goed had vastgehouden, was er niets gebeurd", zegt de commandant. Toen de mand met enige vaart over de grond sleepte en daardoor schuin hing, viel hij er uit en bezeerde zich door de snelheid op de harde grond ernstig. Wij zijn er alle drie uitgestegen toen de vaart verminderd was en hebben slechts enkele schrammen opgelopen." "Wanneer ging u uit Düsseldorf?" "Hedenmorgen om negen uur stegen wij met de ballon 'Düsseldorf' op. Het was een zuiver sportieve tocht, zoals wij zo dikwijls bij goed weer op zondag ondernemen. Wij zijn meermalen in Nederland geland, zonder ooit een ernstig ongeval te hebben meegemaakt. Dit is het eerste incident, dat mij sinds de oorlogsjaren 1914-1918 overkomt. Wij dreven vanmorgen op een hoogte van 300 meter in N.W. richting over Limburg, en passeerden de Maas en de Rijn." "Het was prachtig, zonnig weer daar boven. In het geheel niet koud. Het zal ongeveer twaalf uur vanmiddag geweest zijn toen we de Noordzee in de verte zagen opdoemen. Wij ontwaarden Den Haag. Het werd tijd om naar beneden te gaan en we besloten in de gemeente Wateringen te landen. Wij lieten gas ontsnappen en waren weldra boven een geschikt landingsterrein. Eerst moesten wij nog ballast uitgooien om een paar minder gunstige punten te ontgaan. Maar daarop verliep alles goed. Met enige snelheid begon de mand over de grond te slepen en alles zou vrij goed verlopen zijn als ook de heer Gaumnitz zich stevig had vastgehouden." "Viel hij dan niet op enige hoogte uit de mand, zoals beweerd werd?" "Absoluut niet", verzekerde Herr Pfeffer met nadruk. "Trouwens hoe zou dit ook gekund hebben. De mand van de ballon reikt tot borsthoogte der luchtvaarders, men kan er dus eenvoudig niet uitvallen, zolang de mand recht hangt. Bij het slepen over de grond kwam zij echter in scheve positie, waardoor het voor de inzittende niet gemakkelijk werd. De ballon zelf, die 1680 m3 inhoud heeft, is in het geheel niet beschadigd en is nu naar Düsseldorf teruggezonden."Over de medewerking der politie en bevolking van Wateringen was de balloncommandant zeer te spreken. Men had hem alle hulp geboden die nodig was. Maandagmorgen vroeg gaan de drie luchtvaarders naar Duitsland terug. Tot zover de lezing van de Sumatra Post van woensdag 28 december 1932. Het doet niet erg sympathiek aan zoals de verantwoordelijkheid van het ongeval geheel bij het slachtoffer gelegd wordt, hij had zich vast moeten houden…. In de avond van dinsdag 13 december om haf tien overlijdt Otto Felix Gaumnitz in het ziekenhuis St. Johannes de Deo in Den Haag. Hij was geboren in Dresden en werkte en woonde in Düsseldorf als handelsreiziger. Hij is 28 jaar geworden. Zijn moeder was vanuit Duitsland overgekomen. Woensdag is zijn stoffelijk overschot naar zijn geboorteplaats Dresden in Duitsland overgebracht.Overlijdensakte Otto Felix GaumnitzDit is het verslag van het ballonongeluk in Kwintsheul. Het was groot nieuws en het bracht heel wat mensen op de been. Volgens de krant kwamen er ondanks de snijdende oostenwind veel mensen tot laat in de middag naar de Bovendijk.In alle landelijke kranten stond er wel een stukje over. Blijft de vraag: door welke oorzaak is de ballon over een afstand van 240 km ongeveer 200 km naar het noorden afgebogen (afstand tussen Kwintheul en bijvoorbeeld Brussel)? Kwamen ze in een stevige noordwestelijke stroming terecht of was de navigatie niet correct? We komen er niet achter. Mochten er mensen zijn die meer weten over deze ongelukkige ballonvaart, laat het ons weten.Auteur: C.M.G. van Leeuwen-de Vette van de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Stoere burgervaders maandag 24 december 2018 10:10

Streekhistorie: Stoere burgervaders

Op 18 december is Bouke Arends benoemd en beëdigd tot burgemeester van gemeente Westland. In 2017 kwam hij in het nieuws vanwege serieuze bedreigingen waardoor hij moest onderduiken. Dat burgemeester geen veilig beroep is, heeft ook Jacob van der Goes in 1854 ondervonden. Daarover gaat dit artikel. Arends is in 1966 geboren in Zuidbarge in Drenthe en was al op 21-jarige leeftijd lid van de gemeenteraad van Emmen. Vanaf 2010 is hij wethouder en in 2017 ook waarnemend burgemeester. In januari is Arends in die rol verantwoordelijk voor de sluiting van het clubhuis van motorclub No Surrender in Emmen. Hierna ontvangt hij serieuze bedreigingen. Hoewel hij niet van plan was om hiervoor te buigen, heeft hij op dringend advies van de hoofdofficier van justitie toch drie weken ondergedoken gezeten in Engeland. “Het voelde als een vlucht, alsof iemand anders heeft gewonnen. Het was een periode van boosheid, frustratie, een periode ook waarin de adrenaline door mijn lichaam gierde.”Grondwet – 5 juli 1854In 1854 heeft een andere burgervader ook met bedreigingen te maken gehad. De aanleiding was het afschaffen van de jaarlijkse kermis in Naaldwijk. Jacob Adriaan van der Goes (geboren op 4 juli 1808 in Ravenstein in Noord-Brabant) was in 1851 gekozen tot burgemeester van de gemeente Naaldwijk. Burgemeesterswoning van J.A. van der Goes in Honselersdijk, in 1851 gekocht op naam van zijn echtgenote E.M.A.F. de Jonge van Zwijnsbergen. Deze foto is rond 1900 genomen. Foto: HAW Van der Goes was op dat moment secretaris en ontvanger bij de gemeente Monster. De gegoede burgers van Naaldwijk moeten zich gepasseerd hebben gevoeld omdat er een burgemeester ‘van buiten’ benoemd werd. De reden van zijn aanstelling kan zijn geweest dat hij als ex-zeeofficier orde en discipline hoog in het vaandel had. Vanwege gezondheidsredenen heeft hij de marine moeten verlaten, maar dat hij er wel profijt van zijn opleiding heeft gehad, blijkt uit het onderstaande verhaal: Regen, wind een knetterende onweersbuien teisteren het Westland als op 23 september 1853 in Honselersdijk een groep kermisgangers beschonken langs de straten trekt. Ze joelen en schreeuwen en er spelen zich voor de nette burgerij ‘ergerlijke tonelen’ af. Het is zelfs zo erg, dat een aantal vooraanstaande Naaldwijkers het gemeentebestuur vraagt om de kermis in Naaldwijk en Honselersdijk te verbieden. Raadsbesluit van 26 oktober 1853Burgemeester Van der Goes is het daarmee eens, maar voorziet dat een andere deel van de bevolking het wel eens niet zo makkelijk zal pikken. Hij treedt daarom in overleg met zijn collegae uit de buurtgemeenten en slaagt erin om eenzelfde maatregel in het hele Westland ingevoerd te krijgen. Groninger Courant – 20 december 1853Naarmate de datum van de eerstvolgende kermis in Naaldwijk nadert, neemt het rumoer op straat gestaag toe. Vooral ’s avonds is het een drukte van belang. De herbergen worden platgelopen. Er wordt overvloedig geschonken en gedronken. De burgemeester heeft slecht twee agenten, een nachtwaker en twee extra rijksveldwachters tot zijn beschikking. Als het sluitingsuur van de herbergen aanbreekt, geeft Van der Goes de agenten de opdracht op controle uit te gaan en zo nodig cafés te ontruimen.Raadhuis van Naaldwijk met op de achtergrond hotel Torenburg. 1895. Foto: HAWRecht tegenover het raadhuis staat de herberg Jan van der Waal – het latere hotel Torenburg. Overal gaat men gedwee naar buiten, maar bij deze herberg stuiten de agenten op verzet. De bezoekers weigeren de herberg te verlaten. De agenten dreigen zelfs onder de voet gelopen te worden en trekken zich terug. Een kritiek moment waarop de burgemeester heeft gewacht. Met de ambtsketen om en een geladen pistool op zak, gaat hij alleen naar binnen en verzoekt de aanwezigen de herberg te verlaten. Schorvoeten wordt hieraan gehoor gegeven. Maar de laatste is nog niet vertrokken of het volk komt in opstand. Men begint zich op te dringen, terwijl de wildste kreten worden geuit. Ze willen weer naar binnen. De burgemeester begrijpt dat hij de toestand nu meester moet zien te blijven en gaat breeduit voor de deur staan. Maar men blijft zich roeren en enkele raddraaiers hebben het zelfs op zijn ambtsketen gemunt. Hij weet ze echter met enkele welgerichte vuistslagen uit te schakelen. Als een van de muiters driegt een vuurpot naar de burgemeester te gooien, grijpt deze zijn pistool en dreigt de eerste de beste die hem nadert neer te kunnen schieten. De beschonken massa trekt zich terug en de agenten sluiten de herberg. IJlings te hulp geroepen militairen hebben daarna een einde gemaakt aan de relletjes en de grootste raddraaiers opgepakt. Dit verhaal is gebaseerd op het boek Uit de geschiedenis van het Westland van J.G. de Ridder. Of Van der Goes werkelijk een pistool getrokken heeft kunnen we niet achterhalen, maar dat hij zijn mannetje stond is wel aannemelijk.Jacob Adriaan van der Goes (1808-1881) Foto: HAWJ.A. van der Goes is dertig jaar burgemeester van Naaldwijk geweest en in dezelfde periode ook twee keer van De Lier. Klik hier voor de lijst met alle burgemeesters. Auteur: Jolanda Faber van de Historische Vereniging Naaldwijk Honselersdijk
Lees meer
Streekhistorie: Truus Wijsmuller-Meijer en de Kindertransporten maandag 17 december 2018 10:10

Streekhistorie: Truus Wijsmuller-Meijer en de Kindertransporten

Op 2 december j.l. werd in diverse landen herdacht dat 80 jaar geleden het eerste Kindertransport in Engeland aankwam. Ook in Hoek van Holland werd hierbij stilgestaan. Er werd in samenwerking met leerlingen van de Rijckevorselschool een kleine ceremonie bij het Kindermonument aan de Koningin Emmaboulevard gehouden. Veel mensen kennen dit prachtige monument, maar hoe kwamen die transporten nou tot stand? Na de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 gaat in Groot-Brittannië een delegatie van Joodse leiders naar minister-president Chamberlain om hem om hulp te vragen met het redden van Joodse kinderen uit Duitsland, Polen, Tsjechoslowakije en Oostenrijk. Er wordt de volgende dag over gedebatteerd in het Britse Lagerhuis en men besluit dat er kinderen naar Groot-Brittannië mogen komen, onder diverse voorwaarden. Zo mogen er geen ouders meekomen, mogen de kinderen niet ouder zijn dan 17 jaar, en mogen ze maar 1 koffer meenemen. Hierin mogen geen waardevolle spullen zitten en per kind mag er hooguit 10 Reichsmark meegegeven worden. Veel van deze kinderen zullen over Hoek van Holland naar Engeland reizen. Er wordt een heel netwerk van vrijwilligers opgezet in bovengenoemde landen, evenals Nederland en Engeland. Vanuit Nederland is de bankiersvrouw Truus Wijsmuller-Meijer een belangrijke spil in het geheel.Truus Wijsmuller bij de onthulling van standbeeld in 1965. Foto NL-HaNA_2.24.01.03_0_918-2071Al vanaf 1933 helpt ze het Bijzondere Comité voor Joodse Belangen met het naar Nederland halen van joodse volwassenen en kinderen, voornamelijk familieleden en vrienden van Hollandse joden. Eén van de eerste groepen die ze begeleidt is georganiseerd door joodse leiders in Duitsland en vindt plaats van 1 op 2 december 1938. Dit bestaat uit kinderen die dakloos zijn geworden nadat hun weeshuis in brand is gestoken, nog voor de Kristallnacht. Zij vinden onderdak in Amsterdam. Er vindt tegelijkertijd nog een transport, los hiervan, plaats van 200 kinderen. Dit waren o.a. jonge jongens die in kampen hadden gezeten, of het risico liepen opgepakt te worden, of waarvan de vader al in een kamp zat. Dit transport was eveneens door Joodse organisaties in Berlijn en Hamburg georganiseerd. Het was dit transport dat op 2 december herdacht werd.De kinderen van het transport van 1 december 1938 staan in de vertrekhal in Hoek van Holland te wachten tot ze de boot op kunnen. Afbeelding Wiener Library Photo Archive WL47Truus Wijsmuller is net terug in Amsterdam als ze uitgenodigd wordt om bij het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen te komen praten. Daar wordt ze voorgesteld aan Norman Bentwich, die de Britse Council for German Jewry vertegenwoordigt en in die hoedanigheid verantwoordelijk is voor de emigratie van Joden uit Duitsland. Het lukt hem niet om van de Duitse autoriteiten toestemming voor de emigratie van de kinderen te krijgen, dus men verzoekt haar om in Wenen te gaan praten met Adolf Eichmann, om officiële toestemming te verkrijgen voor de transporten. Eichmann is verantwoordelijk voor het verstrekken van uitreispapieren van Joden (en wordt na de oorlog bekend als 'architect van de Holocaust'). Eichmann zit in een grote zaal, op een podium, met een herdershond naast zich. Hij staat niet op om haar de hand te schudden en snauwt haar toe dat hij niet gewend is om met vrouwen te onderhandelen. O dat is jammer, zegt ze, en gaat zitten. Hij zegt dat ze op moet donderen., maar ze blijft zitten. Hij vraagt haar of ze officiële papieren heeft uit Engeland (die heeft ze niet) schijnt met een felle lamp op haar en vraagt haar dan haar handschoenen uit te trekken, haar schoenen ook, ze moet zelfs haar rokken boven de knie op tillen. Ze vind hem een viezerd. Wat ze niet weet is dat hij beweerd dat hij door middel van een quasi-wetenschappelijke methode aan haar vingers, tenen, plooitjes bij de ogen, aan het neusbeen en de aan de oren kan zien of ze Joods of Arisch is. Maar Truus Wijsmuller is voor de duvel niet bang, laat staan voor de Nazi’s, en ze laat zich dan ook niet van haar stuk brengen, hoewel ze het wel vreemd vindt. Eichmann zegt hoofdschuddend: ‘so reinarisch un dann so verrückt’**. Hij vindt het eigenlijk allemaal wel grappig: ‘Na schön, machen wir ‘nen Witz’** en zegt tegen haar dat ze 600 kinderen mee mag nemen, die dan op zaterdag weg moeten (het is een maandag als dit gesprek plaatsvindt). Als ze dit kan regelen, dan mag ze meer kinderen helpen. Eichmann denkt natuurlijk dat dit haar nooit op zo’n korte termijn zal lukken, en ook de Joden te kunnen pesten door hun kinderen op de Joodse sabbat te laten reizen. Maar Truus Wijsmuller krijgt het wel voor elkaar. Engeland laat 500 vluchtelingetjes toe, de andere 100 worden in Den Haag opgevangen. Ze regelt met de Havenmeester van de Hoek, Gerrit Quint, dat de kinderen met de boot mee kunnen zodra ze in de Hoek aankomen. Het eerste transport van de 10.000 komt op deze zondag, 11 december 1938, aan in Hoek van Holland. Er staan voor de 100 kinderen die niet mee kunnen bussen klaar om ze naar Den Haag te vervoeren. In het boek over Truus Wijsmuller en haar werk, “Geen Tijd Voor Tranen door” L. Vroonland, staat: “Alles klopte in Den Haag en de Hoek. Ze zegt er niet veel over. Ze zegt niets over de vrouw die op de kade stond toen de Praag langzaam wegvoer, ze zegt niets over de vrouw die daar stond te wuiven naar dat schip met die lege reling: het was hartstikke koud, zegt ze een beetje ruw. De kinderen waren meteen in bed gestopt, maar ze wuifde het toch na, dat schip waarop haar kinderen veilig waren.”Ansichtkaart van de Prague. Collectie Henk van der LugtHierna volgen de transporten elkaar in rap tempo op en per keer gaan er 150 kinderen mee, Engeland wil voortaan transporten die niet groter zijn dan 150 kinderen. Dat is ook makkelijker voor de Joodse organisaties die zo’n transport in een paar dagen klaar moeten maken, en voor de boot die de kinderen in de gewone lijndienst meeneemt. In december zijn er al 4 transporten per week. In Nederland worden de treinen net over de grens opgewacht door vrouwen die klaar staan met limonade en maaltijden, snoep en speelgoed. Ook in de Hoek worden de kinderen opgewacht door vrouwen van diverse comité’s. De treinen hebben wel eens vertraging, en komen dan eigenlijk te laat voor de boot. Vaak wacht deze wel een paar uur, zo zegt Truus Wijsmuller in het boek ‘Geen Tijd Voor Tranen’ ‘[…] tot grote woede van de gewone passagiers, want dat waren in die spannende maanden alleen maar zakenlieden en die hadden afspraken in Londen’. De bekende Hoekse Miep Jansen-van Vugt herinnert zich hoe haar vader Marinus, die bij de boot werkte, op een dag thuiskomt met de tranen in de ogen. Haar moeder vraagt wat er aan de hand is en hij zegt: ‘wat ik nu gezien heb…een heleboel Joodse kinderen zijn met de trein meegekomen en met de boot nu onderweg naar Engeland’. Er zaten kinderen bij in reiswiegjes, net twee weken oud. Tante Truus, zoals ze door de kinderen genoemd wordt, zegt over o.a. de kruiers in Hoek van Holland: ‘ […] de kruiers die de kinderen op hun arm of hun schouder de loopplank van de boot opdroegen, hebben me altijd ontroerd; ik weet zeker dat al die duizenden kinderen van mijn transporten het zo hebben gevoeld: dit is een andere wereld–hier wonen goede mensen’. Op 3 september verklaart Engeland de oorlog aan Duitsland, nadat deze Polen is binnengevallen. Hiermee stopt de bootverbinding tussen Nederland en Engeland. Er zijn op dat moment 10.000 kinderen gered.Leerlingen van de Rijckevorselschool bij het Kindermonument op 2 december j.l. Foto Annelies VisserAuteur: Mirjam Visser van het Historisch Genootschap Hoek van HollandDit is een ingekorte versie van van een artikel dat ik schreef over Truus Wijsmuller en hoe de Kindertransporten tot stand kwamen. Het hele verhaal is hier te lezen.
Lees meer
Streekhistorie: Sinterklaas in de wijnhandel maandag 10 december 2018 09:09

Streekhistorie: Sinterklaas in de wijnhandel

Sinterklaas heeft pasgeleden met zijn medewerkers enkele weken prettig vertoefd in een historisch pand in de oude binnenstad van Maassluis. Het Sinterklaashuis is een huis met geschiedenis, er valt veel te vertellen over Nieuwstraat 2. Het huis ligt op een belangrijke historische plek, aan de voet van de Wateringse Sluis. Mede op deze plek is Maassluis ontstaan rond 1334. Bij het eind van de Zuidvliet vormde zich al gauw een overslagplaats voor goederen en op de Markt werd handelgedreven. Het is dus niet verwonderlijk dat men hier in het hart van het dorp wilde wonen. In en rond de huizen daar werd altijd handel gedreven. Aan het eind van de Zuidvliet, bij de Boelhouwersbrug, stond het patriciërshuis. Hier werd altijd handel gedreven.BrouwerijIn de 18e eeuw was er een enorme stedelijke groei in Maassluis en werden er veel huizen gebouwd. Vanaf 1735 tot 1923 is het huis in bezit geweest van de familie Van der Lely die er een brouwerij had en handelde in wijn en gedestilleerd. Ary van der Lely kocht het in 1735 en liet het geboortejaar van zijn zoon Jacob, 1731, op de daklijst van de zijgevel zetten. Dit was overigens ook het jaar van zijn huwelijk. Tot 1976 is het jaartal zichtbaar geweest. Hij liet het huis verbouwen tot het patriciërshuis dat wij nu kennen, met een voorhuis, een binnenplaats en een L-vormig achterhuis. Deze structuur is nog steeds herkenbaar. Het voorhuis is hoog en imposant. Aan de zijkant is nog een klein stukje kade, nu afgeschermd met een stevig hek. Dat hek was er vroeger niet en de kade liep door tot de achterkant van het achterhuis. De kade en de deurtjes aan de zij- en achterkant werden gebruikt voor de aan- en afvoer van de vaten wijn. Zoon Jacob en kleinzoon Ary erven respectievelijk het huis en leven van de wijnhandel. Achterkleinzoon Jacobus Cornelis van der Lely (1820-1871), erft op zijn beurt het huis in 1856. Hij is behalve grossier in wijnen en gedestilleerd ook eigenaar van de Touwfabriek, notaris en enige tijd burgemeester van Maassluis. Zijn zoon Jacobus is de vijfde generatie wijnkoopman in het pand. De hoge imposante gevel van het voorhuis met het natuurstenen basement.NatuursteenEr is in de loop van de eeuwen veel verbouwd aan en in het pand. De voorgevel van het voorhuis is ooit vervangen. Het is zichtbaar aan afwijkende kleur van het metselwerk en aan de bouwsporen in het metselwerk. De aansluiting van de zijgevel op voorgevel is niet origineel, er zijn afgehakte stenen zichtbaar en het metselwerk is zichtbaar hersteld. In het classicisme was een evenwichtige, symmetrische indeling van de gevel belangrijk, zowel verticaal als horizontaal. Alhoewel de zijgevel van het achterhuis ook een symmetrische vensterindeling heeft, is dit bij de voorgevel veel opvallender. De vensters hebben dezelfde maatvoering en zijn recht boven elkaar geplaatst. Ook de tussenliggende, gemetselde penanten (muurdammen) hebben dezelfde breedte. De horizontale indeling is bedoeld om de functie van de woonlagen aan te geven. Op de begane grond bevindt zich het basement ofwel souterrain. Omdat de eigenaar wilde laten zien dat het een belangrijk gebouw was, werd het basement voorzien van een natuurstenen bekleding. Hier bevonden zich de ruimtes van het personeel, de keuken en hier was waarschijnlijk ook een opslagruimte van wijnvaten. De bovenliggende verdiepingen waren voor de familie van de heer des huizes. Op de 1e verdieping waren de woonruimtes en deze wordt de bel-etage genoemd. De slaapvertrekken waren op de 2e verdieping. Op het stucplafond van de erkerkamer is naast allerlei plantmotieven ook een luchtballon te zien. Boven een deur zijn in stucwerk engeltjes (putti) bezig met wijn maken.LuchtballonEen belangrijke toevoeging is de karakteristieke erker met erkerkamer aan de zijgevel van het achterhuis, bedoeld om indruk te maken. Men kon in deze kamer gasten ontvangen en met hen de stad bekijken. Het stucwerk heeft voorstellingen die bol staan van de symboliek met allerlei verwijzingen naar de wijnhandel. Boven de deur zijn blote engeltjes in de weer met een wijnglas, het persen van druiven en een wijnvaatje waaruit wijn stroomt. Op het stucplafond is tussen de planten en wijnmotieven merkwaardig genoeg ook een luchtballon te zien! Ook is er een afbeelding in stucwerk van een cornucopia, ofwel een hoorn des overvloeds. In de Romeinse oudheid was dit een attribuut van Fortuna (Romeinse godin van het lot, het geluk of het ongeluk) en een symbool van onuitputtelijke overvloed. Het wordt vaak weergegeven als een geitenhoorn waaruit fruit en andere verfrissingen eindeloos blijven stromen.Van Linschoten in zijn slijterij in het souterrain van Nieuwstraat 2.Het huis op tvNa bijna twee eeuwen in bezit te zijn geweest van de familie Van der Lely, gaat het pand Nieuwstraat 2 in 1926 over in eigendom naar de heer Janssen. Tot 1960 zet hij de slijterij in het souterrain voort. Hierna is het Van Linschoten die de wijnhandel tot 1986 voortzet. Het huis heeft daarna vele bestemmingen gehad. Sinds de landelijke intocht van Sinterklaas in Maassluis in 2016, is het souterrain enkele weken per jaar het onderkomen van Sinterklaas in Maassluis. Het huis was in dat jaar regelmatig op tv te zien in het jeugdjournaal.Meer weten? In het boekje Historische Schetsen 73, dat de Historische Vereniging Maassluis in november 2018 heeft uitgegeven, staat een uitgebreid artikel over de geschiedenis van dit huis.
Lees meer
Streekhistorie: De brug van Ammerlaan over de Zuidgaag maandag 3 december 2018 09:09

Streekhistorie: De brug van Ammerlaan over de Zuidgaag

Vanaf de Kerkweg in Maasland gaande naar de Burgemeester Groot Enzerinksingel passeert men een forse, stenen brug over de Zuidgaag. Er gaat veel verkeer over de brug, vooral in de spitsuren is het erg druk. De brug is gebouwd in 1993 toen de dorpsuitbreiding in de Commandeurspolder tot ontwikkeling kwam. De brug heeft een gebogen brugdek en is daardoor vrij hoog gelegen boven het water van de Zuidgaag. Niet al te hoge schepen kunnen vanaf de Trekvliet varend het dorp Maasland bereiken. De brug is nieuw, maar de brugverbinding over de Zuidgaag op deze plek is al zeer oud. Eeuwenlang was hier een brugverbinding ten behoeve van de bewoners aan de Kluiskade, bekend als ‘de brug van Ammerlaan’. Op oude kaarten, zoals op de kaart van het hoogheemraadschap van Delfland, getekend door Floris Balthasarsz. (1611), is de brugverbinding tussen de Kluiskade en de Kerkweg al aangegeven. De oudste bewoning bevond zich in die tijd aan de Kluiskade in de Commandeurspolder. Aan de andere zijde van de Zuidgaag aan de Kerkweg kwam vrijwel geen bebouwing voor. De middeleeuwse ontginning en verkaveling van dit gebied vond plaats vanaf de Zuidgaag en de Kluiskade in twee richtingen in de Commandeurspolder en in de Dijkpolder. Zo ontstonden zeer lange smalle percelen die oorspronkelijk doorliepen tot de Vlaardingervaart en de Maasdijk. De boeren aan de Kluiskade hadden hun land dan ook aan beide zijden van de Zuidgaag, wat een goede oeververbinding noodzakelijk maakte.Niet iedere boerderij, tuinderij of huis had een eigen brug. Er was een beperkt aantal bruggen, waarvan gezamenlijk gebruikt werd gemaakt. De kade en de bruggen werden door bewoners onderhouden. Bekende bruggen over de Zuidgaag tussen de Trekkade en het dorp zijn de Kluisheulbrug en de brug van Ammerlaan. De Kluisheulbrug was een hoge brug waar de schepen onder door konden varen. De brug van Ammerlaan was een draaibrug, die voor het scheepvaartverkeer geopend moest worden. Tot in de tweede helft van de vorige eeuw was er een druk verkeer van tuinderschuiten, boerenschuiten, melkschuiten en van beurtschippers. Mevrouw Ammerlaan, die de brug bediende, moest dan ook ettelijke malen per dag haar bezigheden als boerin en huisvrouw onderbreken. Als de scheepshoorn, de scheepsbel of de roep ‘brugoop’ te horen was, moest ze weer de brug open draaien. De bewoners van de Kluiskade betaalden een kleine vergoeding voor het onderhoud en de bediening van de brug. Dat werd mondeling geregeld en beklonken tijdens een gezellig winteravondbezoek bij de familie Ammerlaan. In de tweede helft van de vorige eeuw nam het wegvervoer snel toe en het verkeer over water werd steeds minder, waardoor het bedienen van de brug geleidelijk afnam. Vooral toen de Maaslandse Groenten- en Fruitveiling aan Huis ter Lucht in 1967 ging sluiten, werd het steeds stiller op de Zuidgaag. Door het toenemende verkeer over de brug, waaronder ook veel vrachtverkeer, ging de brug snel achteruit. De draai-installatie raakte vast en het brugdek moest met draglineschotten versterkt worden. De leuningen werden herhaaldelijk stuk gereden en tenslotte vervangen door rood-witte planken. In deze toestand heeft de brug nog jarenlang dienst gedaan.De gemeente Maasland had inmiddels de brug overgenomen met de doelstelling deze te vervangen door een brug die beter bestand was tegen het toenemende verkeer. Eerst in 1993 werd de brug opgeruimd en was een einde gekomen aan ‘de brug van Ammerlaaan’.Foto 2: De ‘nieuwe’ brug (2018)Voortschrijdend onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat de ontginning van Maasland heeft plaatsgevonden vanaf de Maas tot de Vlaardingervaart. Hierdoor zijn percelen ontstaan van 6 à7 km, die later doorsneden zijn door de Zuidgaag en de Middelwatering. Auteur: Martin 't Hart van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Fascinatie voor Atlantikwall maandag 19 november 2018 09:09

Streekhistorie: Fascinatie voor Atlantikwall

Fotograaf Peter de Krom uit Hoek van Holland heeft een fascinatie voor bunkers uit de Tweede Wereldoorlog. Uit de grote opkomst bij zijn lezing over de Atlantikwall voor het Genootschap Oud Westland op 9 oktober bleek dat velen deze interesse delen. De zaal van de Noviteit in Monster was met 190 bezoekers tot de laatste plaats gevuld. De Krom heeft een groot archief opgebouwd met foto's van de aanwezigheid van de Duitse Wehrmacht in Nederland. Er zijn veel foto's uit de eerste jaren van de oorlog. "De Duitse militairen kwamen als een soort toerist naar Nederland", zei De Krom. "Het leger propageerde het bezit van een camera door de militairen. Ik koop nog steeds via internet foto's, die door Duitse militairen zijn gemaakt." Uit het bezit van de inmiddels overleden soldaat Reinhard H. kocht De Krom een serie van negentig foto's: Beelden van de veiling in 's-Gravenzande waar de Duitsers onder de overkapping militaire voertuigen repareerden maar ook een foto genomen aan de achterzijde van een woning in de Fremerystraat. De soldaat was in deze straat ondergebracht bij een familie op nummer 150. De woning werd later afgebroken om plaats te maken voor de Atlantikwall. "Deze Reinhard documenteerde zijn foto goed", zei de Krom. "Ik lees dat op nummer 150 de familie Meijburg woonde. Op de achterkant van de foto namen waaronder die van de kinderen Mate en Jopie. Die kunnen nog leven en ik ging op onderzoek uit in De Kreek. De vierde persoon die ik sprak wist dat de jongen geen Mate maar Maarten heette en wist dat deze elders in de buurt woonde. Ik heb op straat mensen aangesproken en die konden mij het precieze adres vertellen. Ik heb aangebeld en de man stond perplex. Hij wist niet van het bestaan van de foto's maar herkende Reinhard. Deze is na de oorlog nog eens in 's-Gravenzande op vakantie geweest." De eerste oorlogsjaren waren voor de Wehrmacht bijna vakantie. In juni wordt de batterij Vineta aangelegd ter ondersteuning van de plannen voor een invasie van Engeland. De foto's uit deze tijd geven een relaxt beeld: strandfoto's van geklede en naakte soldaten. Andere foto's laten soldaten met huisdieren zoals konijnen en varkens zien. Een winters kiekje toont een Duitser in een iglo. Vanaf 1942 veranderen de foto's. De Duitsers beginnen met de bouw van de Neue Westwall. Zij graven zich in omdat de oorlog aan het oostfront het uiterste aan mankracht eist. Hoek van Holland en IJmuiden worden zwaartepunten in de Westwall. Later komen daar nog Den Helder en Walcheren bij. Hoek van Holland en IJmuiden kregen in 1944 de militaire status van Festung en werden voorzien van bunkers van het type 608. Oberst Neumann werd vestingcommandant. "Deze fanatieke nazi bleef tot begin 1945 en wilde de stelling tot het uiterste verdedigen", wist De Krom. "Hij is bekend geworden omdat hij de opstand van de Georgiërs op Texel heeft neergeslagen. Wij weten veel over de aanleg van de Atlantikwall omdat de geallieerde luchtmacht twee keer per week foto's maakte. Zo zien wij op de foto's de aanleg van bunkers, die later onder het zand werden gecamoufleerd. Veel bunkers zijn bij de waternood van 1953 letterlijke weggespoeld maar ook in 1943 zijn er bunkers weggezakt door het wegspoelen van zand. Aan de landzijde werd de Festung beschermd door een tankgracht met slechts enkele doorlaatpunten, die werden beschermd met bunkers. Bij de Waalbrug staan vijf bunkers." Er zijn al veel bunkers verdwenen maar er zijn ook veel restanten van de Atlantikwall in het landschap behouden gebleven. Peter de Krom is voorzitter van de stichting Stelling 33, die zich inzet voor het behoud van dit weerstandspost bij de Oranjesluis in Maasdijk. "Wij kunnen paden aanleggen langs de bunkers in de Maasdijk met beton dat is vrijgekomen van de sloop van andere bunkers", zei De Krom. "Bedrijven kunnen. bijvoorbeeld een vierkante meter beton sponsoren. Het is mogelijk vaartochten te houden over de tankgracht en bij aanlegsteigers uit te stappen. Bij de bunkers kan dan een klein terrasje met een foodtruck komen om iets te nuttigen." "Sommige bunkers zijn na de oorlog tien jaar bewoond geweest omdat er te weinig huizen waren. Het is mogelijk bunkers in te richten voor duurzame recreatie. Ik erger mij in Hoek van Holland rot aan al die strandhuisjes. Kleinschalig en duurzaam recreëren in een bunker is een goed alternatief. Wij hebben bijvoorbeeld subsidie gekregen voor de herbestemming van de telefoonbunker. Het is een rijksmonument maar verkeert in slechte staat. Met een oppervlakte van 20 vierkante meter kunnen wij er een tiny house van maken. Wij hebben ook een meubellijn met klapstoelen van zandzak ontwikkeld. De wapening van gesloopte bunkers wordt gebruikt voor kleerhangers en verlichting."Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: Een bijzondere archeologische vondst in de Nieuwlandse Polder maandag 12 november 2018 09:09

Streekhistorie: Een bijzondere archeologische vondst in de Nieuwlandse Polder

In 1988 werden de Nieuwe Laan en de Haakweg, die liepen vanaf de Maasdijk naar Hoek van Holland, aangepast en verbeterd om zo beter berekend te zijn op het zware vrachtverkeer dat naar de veerboot in Hoek van Holland ging. Tot die tijd waren dit vrij smalle wegen, die door het toenemende zware vrachtverkeer gevaarlijke situaties opleverden. De twee wegen zouden verbreed worden met daarnaast een vrijliggend fietspad. De Nieuwe Laan liep voor een deel over de uit de 15de eeuw daterende Nieuwlandse dijk. Bovenop de dijk kon de weg alleen verbreed worden als het dijklichaam enorm verbreed zou worden en dan nog zou het een moeilijke constructie worden. Het idee was daarom om in het weiland ten westen van de Nieuwlandse dijk een nieuwe weg aan te leggen. Hiertegen kwamen diverse natuurorganisaties en het Zuid-Hollands landschap, dat eigenaar was van het Staelduinse bos, in het geweer. Zij vonden dat het weiland als hooiland en groen voorland van het bos niet aangetast mocht worden. Deze lobby had succes en de overheid besloot daarom het stuk dijk af te graven en de weg in zijn geheel op maaiveld hoogte aan te leggen. Dat was erg jammer want zo werd een flink deel van de Nieuwlandsedijk, die in 1421 was aangelegd, verwijderd. Erfgoedorganisaties besloten toen de vinger aan de pols te houden bij het afgraven van de dijk om te zien of er niet nog meer historische sporen verloren zouden gaan. Op oude kaarten van het gebied van even na 1600 was te zien dat in de Nieuwlandse dijk een sluis was ingetekend, de Nieuwe Sluis. Dat was ongeveer in de buurt waar de Nieuwe Laan een haakse bocht maakt en overgaat in de Haakweg. Leden van de archeologische werkgroep Westland zouden het afgraven van de Nieuwlandse dijk in de gaten houden. Vrijwel meteen bij het begin van het graafwerk kwam inderdaad oud muurwerk tevoorschijn, wat later de noordelijke sluismond van de Nieuwe Sluis bleek te zijn. Na zorgvuldig uit- en afgraven bleek de gehele sluis nog aanwezig. Hij lag precies op de plek waar de Nieuwe Laan overging in de Haakweg en de sluis sloot in rechte lijn aan op de zuidelijke bermsloot van de Haakweg. Het was een prachtige gemetselde koker van ongeveer 20 meter lengte waar een volwassen persoon enigszins gebukt doorheen kon lopen. Aan de noordzijde was de sluismond afsluitbaar geweest met een houten schuif die men met een takelsysteem op en neer kon bewegen. Aan de zuidzijde werd de sluismond afgesloten met een zwaaideur die in halfvergane toestand nog aanwezig was. Detail van de Atlas van Delfland uit 1611 met de Nieuwe Sluis Kaart van het Nieuwland uit 1665, Nationaal ArchiefAfgraven van de Nieuwlandse dijk in 1988, foto Jan DahmeijerDe sluis is gebruikt voor het afvoeren van overtollig water uit de Nieuwlandse polder. Als er te veel water in de polder was en de waterstand in de Maas laag dan werd de schuif van de sluis open gezet en liep het water naar de Maas. De zwaaideur van de zuidelijke sluismond werd dan door de waterdruk opengeduwd en zo kon het water op een natuurlijke manier wegstromen. Als het water in de Maas hoog stond of door eb en vloedwerking zeewater werd opgestuwd, dan werd de deur van de sluismond automatisch dicht gedrukt en kon er geen water de polder instromen. Dit systeem werkte alleen als de polder hoog genoeg lag ten opzichte van het af te wateren gebied. Na het aanleggen van de Nieuwlandse polder in 1421 ging het aanslibben van nieuw gebied in de Maasmonding ten zuiden van de Nieuwlandse dijk door. Dit nieuw aangeslibde gebied kwam op een gegeven moment hoger te liggen dan het maaiveld van de Nieuwlandse Polder. De polder was landbouwgebied geworden en werd door de vele gegraven sloten sterk ontwaterd. Hierdoor klonk de bodem in en kwam de polder naar verhouding nog lager te liggen ten opzichte van het buitendijkse gebied. Na verloop van tijd kon er niet meer op een natuurlijke manier afgewaterd worden via de sluis. Dit werd in de loop van de 16de eeuw zo erg dat men voor het afwateren van de polder iets anders moest bedenken. In 1584 heeft men toen de Nieuwlandse poldermolen gebouwd die sindsdien met windkracht het water uit de polder maalde. Bij boerderij de Hilwoning ging het water de polder uit en werd dan via de Krimsloot afgevoerd naar de Maas. De Nieuwe Sluis had nu eigenlijk geen functie meer, hoewel ik in de archieven nog wel teruggevonden heb dat in perioden van extreme droogte er via de sluis Maaswater in de polder werd gelaten.Noordelijke sluismond Nieuwe sluis, foto Ton ImmerzeelZuidelijke sluismond met restant zwaaideur, foto Jan DahmeijerDe uitgegraven Nieuwe Sluis, foto Jan DahmeijerDe Nieuwlandse molen in 1970, foto Westlands MuseumDe Nieuwlandse molen na ophoging, foto Ton ImmerzeelDe afwatering van de sluis ging via een van de kreken in het buitendijkse gebied naar de Maas. Door het gebied liep een grote kreek, die ooit tot aan ’s-Gravenzande had doorgelopen. Deze kreek was een zijarm van de Maas die doorliep tot aan wat nu de Zanddijk is. Een restant van deze kreek is in het Noordland nog aanwezig en wordt ook de Kreek genoemd. In het buitendijkse gebied is het restant van deze kreek nog vrij lang in gebruik geweest en op oude kaarten komt die nog voor als de Grote Rel. In het archief van de Nieuwlandse polder bevindt zich zelfs nog een akte uit 1606 waarbij de vissers van Ter Heijde het recht krijgen om met hun schepen tot aan de duinen te varen en daar aan te meren. Via de duinen liepen zij dan naar huis in Ter Heijde. In een stuk uit 1570 wordt ook gesproken over de haven van het Nieuwland die via de Grote Rel te bereiken was en in de 15de eeuw werd nog vermeld dat de Grote Rel zo wijd was dat de schepen tot omtrent Staelduin het gat in kunnen laveren. Die kreek, de Grote Rel, mondde uit in de Maas bij het zogenaamde Amersgat. Dat was in de buurt van waar nu Poortershaven is, te bereiken als je vanaf de Maasdijk over de Schenkeldijk naar de Nieuwe Waterweg rijdt. De kreek slingerde door het buitendijkse gorzengebied richting Hilwoning. De loop van die kreek is nog te herkennen in de Bonnenweg die aansluit op de Haakweg vlakbij de Nieuwe Sluis. In de 18de eeuw is dit gebied ingepolderd en werd Bonnenpolder. Het aanslibben van nieuw gebied in zuidelijke richting bleef echter maar doorgaan en dreigde in de 19de eeuw de gehele Maasmonding te verzanden. Om de haven van Rotterdam goed toegankelijk te houden is toen in 1866-1872 de Nieuwe Waterweg gegraven, die het nieuw aangeslibde gebied doorsneed.Afbraak van de Nieuwe Sluis, foto Ton ImmerzeelReconstructiekaart van de Maasmonding door Beekman, Archief Hoogheemraadschap DelflandNa de vondst van de Nieuwe Sluis is nog geprobeerd het bouwwerk te behouden. De ingenieurs waren echter bang dat het sluisgewelf de zware vrachtwagens niet kon dragen en daarom is de sluis weggebroken. Jammer, want het bouwwerk dat dateerde uit de 15de eeuw, was nog in verrassend goede staat.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: De visserij van Ter Heijde in de zeventiende eeuw maandag 5 november 2018 11:11

Streekhistorie: De visserij van Ter Heijde in de zeventiende eeuw

In het zeventiende-eeuwse Ter Heijde was de visserij lange tijd de belangrijkste economische pijler. In tegenstelling tot de meer agrarisch georiënteerde kerkdorpen Monster en Poeldijk was bijna iedereen direct of indirect bij het wel en wee van de zeevisserij betrokken. De meeste volwassenen mannen gingen als visser naar zee, terwijl de achterblijvende beroepsbevolking haar geld verdiende in gerelateerde beroepen als nettenbreier, lijndraaier, herbergier, (scheeps)timmerman, viskoper en scholsnijder. Slechts een enkele agrariër woonde in het dorp en veelal had ook hij belangen in het visserijbedrijf als toeleverancier of als investeerder in de zeeschuiten. De Heijdse vissersvloot bestond in die tijd hoofdzakelijk uit zeeschuiten, pinken en haringbuizen. Op het strand van Ter Heijde of in het schuitengat, een laagte in de duinen waar ’s winters de vissersschepen werden geborgen, waren hoofdzakelijk zeeschuiten en een kleinere variant, het scholschuitje, te zien. De laatste waren kleine open scheepjes die vanwege hun grootte maar een korte tijd in zee konden blijven. Net als de grotere zeeschuiten hadden zij een platte bodem, waardoor ze bij hoog water op het strand gezeild konden worden en bij laag water rechtop bleven staan. Ter Heijde had geen haven. Daardoor was er voor haringbuizen en andere kielschepen geen plaats`. Zij havenden vooral in Maassluis en Delfshaven. Vanaf de scholschuitjes viste men met netten hoofdzakelijk op platvis. Ook werden deze schuitjes wel gebruikt om met hoekwant kabeljauw of schelvis te vangen. Met de zeeschuiten gingen de Heijdse vissers ver de zee op tot onder de Engelse kust om deel te nemen aan de steurharingvisserij. Het Heijdse vissersbedrijf was een complexe bedrijfstak. Verschillende vormen van visserij werden naast en door elkaar op de Noordzee uitgeoefend. Het ging om de pekelharingvisserij, de visserij op gezouten vis, de steurharingvisserij en de kustvisserij. De Heijenaars voerden hoofdzakelijk schol en schelvis aan en in mindere mate haring, kabeljauw en zalm. De afslagZodra thuiszeilende vissersschepen door de stoker van de vuurboet of door de klapwaker voor de kust werden gesignaleerd, liep hij het dorp rond om de schrijvers, scholdragers, vislopers, viskopers, familieleden en andere geïnteresseerden te waarschuwen om de vissersschepen met hun vangsten op te wachten. Alle vis die door Heijdse vissers werd gevangen, moest naar oude gewoonte via de afslag op het strand worden verkocht. Schout en schepenen zagen erop toe dat aan dit voorschrift streng de hand werd gehouden. Vooral zalm werd nog al eens buiten de afslag om verkocht. Stuurlieden mochten eventueel wel hun hele vangst direct aan een gegadigde verkopen, mits de verschuldigde belastingen maar werden betaald. Viskopers uit Ter Heijde hadden altijd het recht van voorkoop. Tegen dezelfde prijs konden zij een partij of een gedeelte daarvan claimen. Onstuimige zee met drie scholschuiten op de voorgrond en een vierde aan de horizon, door Renier Nooms (1652-1654). (Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-20.554In Scheveningen, Katwijk en Noordwijk waren de afslager en de schrijver dé functionarissen op de visafslag. In Ter Heijde waren beide functies in één persoon verenigd. Van oudsher was de visafslag met een heel pakket aan maatregelen omgeven. Toch lijken deze voorschriften weinig uitwerking te hebben gehad. Rond de visafslag vonden voortdurend incidenten plaats. Talloze keren werden omstanders gemaand de juiste afstand te bewaren tot de te verkopen vis, werden vechtlustigen bestraft, scheldpartijen beboet en het dragen van messen en andere wapens ten strengste verboden. Cornelis Gijsen uit Scheveningen werd zelfs opgepakt omdat hij verschillende omstanders had uitgescholden en met de plaatsvervanger van de schout en de schrijver had gevochten. De Heijdse visafslag nam zeker geen opvallende positie in. Ook in andere plaatsen waren geweld en onenigheid op en rond de visafslag een niet uit te roeien verschijnsel. Alle vissersplaatsen aan de Zijde, maar ook de visafslagen in de grotere steden, kenden stringente regelgeving om dit te voorkomen. In de eerste maand van 1602 ontvingen de baljuws van Monster, Katwijk aan Zee, Noordwijk aan Zee, Zandvoort en Egmond een schrijven van de Grafelijkheids Rekenkamer uit Den Haag. Op verzoek van de ambachtsheren van deze heerlijkheden informeerde de secretaris van de Rekenkamer bij de baljuws naar de status van de afslagers en schrijvers. De ambachtsheren waren namelijk van mening dat zij het recht bezaten om de afslagers en schrijvers te benoemen in ruil waarvoor zij een geldbedrag ontvingen. Veel schrijvers dachten daar anders over. Een langslepend conflict ontstond dat pas tien jaar later door tussenkomst van het Hof van Holland werd geschikt. Ook in latere jaren bleven namens de ambachtsheer de baljuw van Monster en de Nassause Domeinraad zich met de visafslag bemoeien. De afslagers dienden jaarlijks ten overstaan van de baljuw een eed af te leggen. In 1670 gebood de Domeinraad dominee Michael Hendriksz. en de kerkenraad van Ter Heijde de afslag goed te controleren zodat er niet met de belastingheffingen ten behoeve van de Heijdse kerk zou worden gesjoemeld. MalversatiesOm malversaties rond de verkoop van schol te voorkomen, beschikten de afslagers over enkele scholtonnen. Met behulp van deze tonnen konden zij de viskopers vaste hoeveelheden schol leveren. Jaarlijks werden de scholtonnen onder het toeziend oog van de kerkmeesters geijkt. Zij hadden er namelijk alle belang bij dat de verkoop van schol op een eerlijke manier plaats vond, omdat de Monsterse kerk van elke ton verkochte schol enkele penningen kreeg. Na het ijken van de tonnen verdwenen de kerkmeesters in de herberg om hun dorstige kelen te lessen met een kan bier of een stoop wijn. In de kerkrekeningen staan jarenlang uitgaven verantwoord die onder andere Jan Jansz. Jonge Slock, waard in de herberg ’t Wapen van Rotterdam te Ter Heijde voor deze gelagen in rekening bracht. Verschillende vissersboten aan het strand. Op het strand verkopen vissers vis, waarschijnlijk door Jan Porcelis (1600-1650). (Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1890-A-15865)Ondanks de jaarlijkse controle op de tonnen uitten de viskopers zo nu en dan klachten over de maat van de gebruikte scholtonnen. Ze zouden te klein zijn, waardoor zij te weinig vis voor hun geld kregen. De baljuw en de kerkmeesters werden naar Ter Heijde ontboden en vergeleken dan de tonnen met de geijkte scholton. In alle gevallen bleken de viskopers ten onrechte de afslagers beschuldigd te hebben. De maatvoering bleef een kwestie van vertrouwen. Verkoop van de vangstenTer Heijde telde zelf zo’n zeven à acht viskopers. Zij namen het leeuwendeel van de verkoop voor hun rekening. De gekochte verse vis vond zijn weg naar consumenten in Monster, Den Haag, Delft en Rotterdam. Net als in Scheveningen en andere vissersplaatsen werd in Ter Heijde de handel in verse vis hoofdzakelijk door vrouwen gedreven. Lopend met een mand op de rug gingen zij naar de viswaag in Monster, naar de omliggende dorpen of naar Delft, Den Haag of Maassluis om langs de deuren hun vis te slijten. Grotere partijen werden met paard en wagen naar de afnemers vervoerd. Afhankelijk van de vraag en het aanbod elders deden ook viskopers uit de regio zaken op de Heijdse afslag. De gedroogde schol had een groter afzetgebied. Via de Monsterse vaart werden per schuit Amsterdamse, Delftse, Rotterdamse en zelfs Nijmeegse kooplieden hiermee bevoorraad. Voor Heijdse begrippen ging het hierbij om grote bedragen. Zo staat in de boedelbeschrijving van een weduwe een post van maar liefst 245 gulden voor gedroogde schol open die was geleverd aan een Amsterdammer. Schrijver Harmen Jansz. Crijsman machtigde iemand uit ’s-Gravenzande om in Delft en Amsterdam wanbetalers te dwingen alsnog de hun geleverde tonnen gedroogde schol te betalen. Sommige viskopers kochten verse vis direct op zee. Vanuit de zeeschuiten werd de vangst dan overgezet in andere schepen die daarmee naar Engeland voeren. Londen vormde voor deze handel het centrum. Het ‘op de stroom’ of ‘op de leck’ kopen en verkopen van vis was een doorn in het oog van de schrijvers van de visafslag. Talloze keren vergaten Heijdse stuurlieden dan de voorgeschreven belasting te betalen, waardoor de schrijvers hun inkomsten misliepen. Schattingen over de hoogte van de gederfde inkomsten ontbreken echter. Brielse en Maassluise vishandelaren klaagden veelvuldig over de concurrentie die zij op de Londense vismarkten ondervonden van vis die afkomstig was uit Ter Heijde en Scheveningen. Heijdse viskopers waren ook buiten het dorp actief, bijvoorbeeld in Maassluis en Scheveningen. TeruggangIn normale tijden was de visserij een lonende bedrijfstak, maar als door oorlogs- of natuurgeweld schepen of netten verloren gingen, konden alleen hoge winsten tijdens de volgende teelt de geleden schade compenseren. Tijdens de zeventiende eeuw ging er bijna geen decennium voorbij dat de Republiek niet in conflict was met een of meer Europese mogendheden. Al deze oorlogen hadden een enorme impact op de visserij. Schepen werden genomen, opgebracht of tot zinken gebracht. Vissers lieten het leven of brachten maandenlang door in Vlaamse of Engelse gevangenissen. De schade was enorm en kon uiteindelijk niet meer gecompenseerd worden. Investeerders van buiten Ter Heijde lieten het dan ook afweten. Het dorp verarmde. Het werd een gemeenschap met een hoog aantal armlastigen. Visafslag op hert strand. Herkomst onbekend. Daarnaast werd de woonsituatie steeds moeilijker. Zware stormen gecombineerd met slecht onderhoud van duinen en dijken zorgden ervoor dat de duinengordel voortdurend afkalfde en talloze vissershuizen in de golven verdwenen. De meeste reders en investeerders hielden het voor gezien. Noodgedwongen maakten veel Heijenaars de overstap naar de agrarische sector of gingen werken op de Maassluise en Vlaardingse vissersvloot. De eens zo bloeiende visserij van Ter Heijde verdween grotendeels. In het midden van negentiende eeuw voer nog slechts een zeeschuit vanaf het Heijdse strand naar zee.Auteur: Adri van Vliet van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer

Meer Streekhistorie