Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Winkels en bedrijven in Maasland maandag 17 september 2018 11:11

Streekhistorie: Winkels en bedrijven in Maasland

Een dorpsgemeenschap was vroeger voor een groot deel zelfvoorzienend. Ook in Maasland waren volop winkels en bedrijven en was er van alles te koop. Op de lijst van Weerbare Mannen, opgesteld in 1747, staan diverse beroepen weergegeven. Interessant is dat er ook aantallen worden genoemd. Naast de honderdtwintig boeren en twaalf tuinders waren er vier metselaars, vier rietdekkers, een smid, zes timmerlieden, twee kleermakers, acht schoenmakers, twaalf schippers, vier chirurgijns, drie wagen- en wielmakers, vijf kuipers, een bleker, twee vlassers, vijf bakkers, een korenmolenaar, negen watermolenaars, drie koopmannen en twee winkeliers. Het is bekend dat er in de achttiende eeuw diverse verkooppunten vanuit woningen waren, waar slechts een paar kruidenierswaren werden verkocht: tabak, koffie, thee, zout en zeepwaren. Deze kleine winkeltjes worden niet altijd genoemd. Vaak werden dit soort winkeltjes gedreven door een weduwe om in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Honderd jaar later was er niet zo veel veranderd. Op een bevolking van ruim 2100 Maaslanders kon men dagelijks brood kopen zowel in de winkel of langs de deur aan de bakkerskar. Melk en groenten kocht men bij de boeren en de tuinders, vlees bij twee slagers en er waren zes officieel geregistreerde winkeliers. In de loop der tijd kwamen er winkels bij, zoals de rijwielhandelaar en het hoedenwinkeltje van mejuffrouw Booister. Maar ook verdween er een aantal, bijvoorbeeld de kuiper die het houten vaatwerk maakte voor de kaas- en boterproductie en de hoefsmid toen de auto gemeengoed werd en het paard met de wagen verving. Op de oude foto zien we aan de Oostgaag 20 de voormalige winkel van Van den Akker. Dit was nu typisch zo’n winkel die geheel buiten de dorpskom gelegen was en de buurtbewoners van kruidenierswaren kon voorzien. Men behoefde voor de boodschappen niet helemaal naar het dorp, de afstanden waren groot in die tijd. Eigenaar Tinus van den Akker bezorgde de boodschappen aan huis met de bakfiets. Daarnaast was hij ook nog spoelingschipper. Oostgaag 20 in 2018Veel winkels werden gedreven door echtparen, waarvan de man en ander beroep uitoefende. De winkelgrootte varieerde nogal, soms waren het kleine winkeltjes in een voorkamertje, waar slechts een beperkt aantal producten werd verkocht. Er waren ook grotere zaken met van alles en nog wat in de rekken. Een voorbeeld hiervan is de winkel van Han van den Berg, die een kruidenierszaak aan de ’s Herenstraat had van 1929 tot 1970. Nu is hier Museum ‘De Schilpen’ gevestigd. Op oude foto’s zijn winkels niet altijd goed te herkennen. Aan de etalage werd meestal niet veel gedaan, er waren zeer bescheiden uithangborden of helemaal geen. Reclame was minder nodig dan nu, men wist waar en welke producten verkocht werden. De keuze was zeer beperkt in vergelijking tot de huidige tijd en daarom waren de prijzen ook niet erg verschillend. Ook ‘winkelde’ men meestal bij de eigen geloofsgenoten, een gewoonte die tot in de jaren zestig van de vorige eeuw duurde. Tot 1960 veranderde er weinig. Maasland was een bedrijvig dorp met veel ambachtslieden en winkeliers, met name gevestigd in de ’s Herenstraat. Het aantal winkels en bedrijven liep parallel met de economische situatie. In de jaren zestig kwam de grote verandering. Kruidenierswinkels werden supermarkten, door de economische bloei kwamen meer verschillende artikelen op de markt en door de komst van de auto ging men buiten het dorp winkelen. Steeds meer winkels verdwenen en bedrijven vertrokken naar bedrijventerreinen buiten het dorp. Het eens zo levendige dorp is stil geworden.Auteur: Trudy Werner-Berkhout van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: "Er zijn geen katholieke tomaten en ook geen protestante" dinsdag 4 september 2018 09:09

Streekhistorie: "Er zijn geen katholieke tomaten en ook geen protestante"

Er zijn geen katholieke tomaten en ook geen protestante. Toch waren de belangenorganisaties in de tuinbouw lange tijd sterk verzuild. Nog in 1950 werd het katholieke tuinders verboden een neutraal blad te verspreiden. In 1971 ontstond echter meer samenwerking in de 3 HLO’s. Die samenwerking verliep zo goed dat in 1992 de Westelijke Land- en Tuinbouwbond werd opgericht. De verzuiling en ontzuiling van de Westlandse tuinbouw is onderwerp van een postuum verschenen bijdrage van dr. Ir. Aad Vijverberg in het Jaarboek 2018 van het Genootschap Westland. De bijdrage van Aad Vijverberg, aan wie in het jaarboek een In Memoriam is gewijd, geeft een schets van de ontwikkelingen sinds begin vorig eeuw. In de tijd voor de Tweede Wereldoorlog was de organisatie van de tuinbouw sterk verdeeld. Die verdeeldheid uitte zich levensbeschouwelijk maar ook lokaal. Zo was het loon dat de LTB-tuinders in Poeldijk betaalden systematische hoger dan dat in Naaldwijk. De bestuurders van de 3 HLO’s met secretaris Arie van der Lee. Om de tegenstellingen te overbruggen werd in de jaren dertig de Nederlandse Tuinbouwbond opgericht, die in Zuid-Holland echter een sterk nationaal-socialistisch karakter kreeg. In januari 1941 verboden de bisschoppen katholieke tuinders op straffe van excommunicatie om lid te zijn van NSB-organisaties. Na de oorlog waren er nieuwe pogingen om de verzuiling te doorbreken. Dit stuitte in het Westland echter op verzet van Jan Barendse uit Poeldijk Ook elders werd vastgehouden aan de vooroorlogse verhoudingen. ,,Jouw belangrijkste taak is het om zeep helpen van de neutrale organisaties’’, zei secretaris P.G. Tel van de LTB-tuinbouwvakgroep tegen een andere bestuurder. Na de jaren zestig zette echter in rap tempo de ontzuiling in. VaandelsDe rijk geïllustreerde bijdrage van drs. Frank de Klerk geeft onder de titel RK vaandels in het Westland een inkijkje in de katholieke zuil. Met name in de parochies van Poeldijk, Naaldwijk, Wateringen en Monster bevinden zich nog talrijke vaandels waaronder die van de LTB. De oudste vaandels dateren uit het begin van de twintigste eeuw, toen de organisatie van de samenleving op levensbeschouwelijk grondslag werd opgezet. Voor de aanschaf van een vaandel werden vaak kosten noch moeite bespaard. De vaandels van standsorganisaties, verenigingen en congregaties geven een goed beeld van het Rijke Roomse leven in het Westland. Vaandel H. AdrianusIn 2014 kreeg de r.k. Adrianuskerk in Naaldwijk vier lang verloren gewaande vaandels terug. In een loods van de aannemer diein 1971 een verbouwing aan de kerk uitvoerde, lagen deze vaandels opgeslagen. De aannemer liet via zijn administrateur bij de parochie polsen of er nog interesse in de vaandels was. De parochie hoefde niet lang te twijfelen. Het betrof drie van de mooiste vaandels uit de tijd van het Rijke Roomse leven, vervaardigd door het befaamde atelier Fermin uit Den Haag. De vaandels zijn zeer waarschijnlijk van het begin van de vorige eeuw en verdwenen bij de grote verbouwing van de kerk in 1971. Door critici wordt deze tijd aangeduid als de Tweede Beeldenstorm. Net zoals in 1566 tijdens de Reformatie kerkinterieurs werden gezuiverd, had in de kerk een reiniging plaats van als overbodig beschouwde beelden, muurschilderingen, vaandels en andere decoraties. Grote gangmakers waren doorgaans jonge priesters, die zich geïnspireerd voelden door de geest van het Tweede Vaticaans Concilie. In de jaren na dit Concilie was er een sterke hang naar versobering. De vier teruggevonden Naaldwijkse vaandels zijn van de heilige Adrianus, patroon van de parochie, de derde orde van Sint Franciscus, de vriendenkring van het Allerheiligst Sacrament en de Katholieke Arbeidersbeweging met een afbeelding van Sint Willibrord. Deze vaandels zijn van hoge artistieke waarde en hadden ooit een functie in het katholieke leven. Zij werden in de tijd van het Rijke Roomse leven onder andere meegedragen in processies. De drie eerst genoemde vaandels zijn gemaakt door het atelier Fermin. Historische plattegronden MonsterMonsterDr. Adri van Vliet bespreekt in het artikel Ambtenaren, vierscharen, meesters en voogden de bestuurlijke verhouding tussen Monster en Ter Heijde in de 17de eeuw. Wij lezen dat in Monster tussen 1610 en 1670 in totaal 61 landlopers zijn opgepakt waaronder 18 Engelsen en 9 Schotten. Zij werden verbannen. Bij terugkeer werden zij op het schavot voor de Grote Kerk tentoongesteld. Vaak waren het zwervende soldaten. Ter Heijde was in die tijd groter dan Monster. Het kerkdorp kreeg einde 16de eeuw een eigen soort dorpsraad, het College van Voogden. Het bestuur haalde zijn inkomsten uit een heffing op de consumptie van bier, wijn en de visserij. Op een half vat bier werden drie stuivers accijns geheven. De auteur verrichtte onderzoek in het Nationaal Archief, het Nationaal Archief, het Historisch Archief Westland en het archief van de Nederlands Hervormde kerk in Monster en Ter Heijde. Stadsgezicht MonsterHet jaarboek bevat voorts artikelen over de ontwikkeling van de fa M. Valstar naar de Best Fresh Group, de wegbetering in het Westland rond 1930, de klok van ’t Woudt, Everaard van Vlaardingen en een grafelijke hof in de Lier?. De archeologische kroniek van het Westland over 2017, een bibliografie Westland 2017, een verslag van de Oud-Westlandprijs, In Memoria van Wim Kögeler en Aad Vijverberg en het jaarverslag van het Genootschap Oud-Westland van de secretaris maken het jaarboek compleet. Het boek is vanaf 17 september voor € 14,95 te koop in het Westlands Museum en boekhandel Vingerling.Frank de Klerk van het Historisch Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: Brieven aan Treesje maandag 27 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Brieven aan Treesje

In het Stadsarchief Amsterdam wordt het familiearchief Allebé bewaard. Daarin bevinden zich 27 brieven die weduwnaar Jacobus Johannes Allebé tussen 1832 en 1839 schreef aan zijn dochter Therese. Na het overlijden van haar moeder was zij ondergebracht bij haar oma Alida Herckenrath-Milius op de buitenplaats Geerbron in Monster. Alida Milius trouwde in 1789 in haar geboorteplaats Amsterdam met Gerardus Herckenrath. In hetzelfde jaar vestigden zij zich in Monsterambacht, waar Gerardus het beroep van arts ging uitoefenen. Na eerst schepen en substituut baljuw en schout te zijn geweest, werd hij in 1798 aangesteld als baljuw en schout van Monsterambacht. In 1801 kocht hij voor f 10.000,- de buitenplaats Geerbron aan de Herenstraat. Het gezin kreeg tussen 1790 en 1802 acht kinderen, van wie er een in het eerste levensjaar overleed. In 1809 overleed Gerardus Herckenrath op 42-jarige leeftijd en stond Alida alleen voor de opvoeding van zeven minderjarige kinderen.Grootmoeder Alida Herckenrath-Milius op Geerbron, geschilderd door schilder J.W. Pieneman in 1836. Op de achtergrond de kerk van Monster en de tuin van Geerbron.De oudste dochter Maria trouwde in 1810 met Jacobus Johannes Allebé uit Amsterdam. Zij kregen twee kinderen, Gerardus(1810) en Theresia (1823). Toen hun moeder in 1827 op 37-jarige leeftijd overleed, werd Theresia, of Treesje zoals ze als kind werd genoemd, ondergebracht bij haar grootmoeder Alida op Geerbron in Monster. Kennelijk zag Jacobus geen andere oplossing voor de opvoeding van het jonge kind. Broer Gerard was zeventien toen zijn moeder overleed. Hij liet zich rond die tijd inschrijven als medisch student aan het Atheneum Illustre, voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Hij wordt beschouwd als een belangrijke grondlegger van de lichamelijke opvoeding in Nederland.Vader Jacobus, wonend en werkend in Amsterdam, en dochter Treesje schreven elkaar geregeld brieven. Een groot aantal van de brieven die de vader door de jaren heen aan zijn opgroeiende dochter schreef, is bewaard gebleven. Ze bevinden zich in het gemeente-archief van Amsterdam en bestrijken de periode 1832-1839. Hoewel het familiearchief ook veel andere correspondentie en bescheiden bevat, zijn de brieven die Treesje terugschreef aan haar vader daarin helaas niet terug te vinden. Die zouden veel informatie over het dagelijkse leven op Geerbron hebben kunnen opleveren. Ook de correspondentie van de vader met grootmoeder Alida is waarschijnlijk verloren gegaan.Zegel JJA waarmee vader Jacobus Allebé een van zijn brieven zegelde.De brieven van vader Allebé hebben als adressering vaak ‘Aan de jonge jufvrouw T.A.A. Allebé ten huizen van mevrouw Herckenrath op Geerbron te Monster bij Den Haag’, maar soms ook simpelweg ‘Aan de jonge jufvrouw T.A.A. Allebé te Monster’. In alle brieven wordt Trees op het hart gedrukt toch vooral de groeten te doen aan de lieve grootmoeder en aan de andere familieleden op Geerbron: ‘Groet en omhels voor mij uwe lieve grootmoeder en denk dat het grootste genoegen wat gij mij doen kunt daarin bestaad, dat gij steeds tracht het leven van die waardige vrouw, waaraan wij zoo veel verpligt zijn, te veraangenamen’. Soms spreekt vader zijn teleurstelling erover uit dat hij al een tijdje niets van zijn dochter gehoord heeft. Hij vraagt ook geregeld hoe het met haar en de andere familieleden op Geerbron gesteld is.De eerste brief dateert van 8 april 1832. Treesje blijkt gedurende de afgelopen winter drie maanden bij haar vader in Amsterdam gelogeerd te hebben. Ze moet onder meer de groeten doen aan oom en tante Kuffeler. René Henri van der Meer van Kuffeler was in die tijd burgemeester van Monster. Hij was getrouwd met Constantia Herckenrath, een zus van Treesjes moeder.In een volgende brief meldt vader dat hij twee springtouwen voor zijn dochter aan een schipper heeft meegegeven. Ook heeft hij een kanarie in een kooitje voor haar gekocht. Hij vraagt het beestje te laten afhalen door een schipper van een aspergeschuit. Kors moet daar maar een betrouwbare schipper voor uitzoeken. Kors is waarschijnlijk Corstiaan Mostert, die als tuinman werkzaam was op Geerbron. Hij wordt enkele keren als tuinman van de familie vermeld in de registers van de burgerlijke stand als hij er door de familie op uit wordt gestuurd om aangifte te doen van de geboorte van een kind op Geerbron. Vader Allebé informeert ook of Trees nog tijd heeft om te tekenen. Het zou hem spijten als zij dat niet bijhield. Kennelijk zit het talent voor tekenen al vroeg in de familie. August Allebé (1838-1927), een zoon van Trees’ broer Gerard, was later een bekend kunstschilder en directeur van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.In een brief van 25 mei 1834 blijkt vader Allebé ineens verhuisd te zijn van Amsterdam naar Goch, vlak over de grens met Duitsland. Hij schrijft aan zijn dochter: ‘Het ging mij in Amsterdam niet voorspoedig en ik verwagt dat het hier voor mij beter zal zijn’. Wat precies de aanleiding voor de verhuizing was, wordt uit de correspondentie niet duidelijk. Hij wordt in de archieven aangeduid als makelaar. Niet valt uit te sluiten dat hij door te verhuizen zijn schuldeisers heeft willen ontlopen. Hij heeft in Goch een eenvoudig onderdak gevonden bij Peter Knegten, die naast logementhouder ook bakker is. Het leven in Goch staat hem op den duur wel aan. Hij schrijft en paar maanden later dat hij aan zijn kleren kan merken dat hij dikker is geworden. In het najaar gaat hij mee op jacht om te assisteren bij het schieten van hazen en patrijzen, waarbij hij dan altijd moet denken aan ‘het haasje dat wij vorige winter nabij Monster aan de jagers zagen ontkomen en waarover gij toen zoo verheugd waart’. Trees logeert ook wel eens bij haar broer Gerard en zijn vrouw Neeltje Scheltema in Amsterdam. Haar vader is enigszins teleurgesteld dat zij het aanbod van haar broer om in Amsterdam tekenles te krijgen niet had aangenomen ‘daar tekenen ook voor een meijsje een mooije aangename kunst is, voor borduur en andere werken haar goed kan te pas komen, en gij om ze te leren aanleg hebt’. In Goch is het, zo schrijft hij in mei 1835, af en toe toch wel eenzaam, al doet de familie Knegten zijn best het hem naar de zin te maken. Hij mist de winterse kaartavonden. Hij gaat er regelmatig op uit om de nachtegalen te horen zingen, wat hem doet herinneren aan de nachtegalen ‘aan de Boer zijn hoek’ in de buurt van Geerbron, die Trees ook moet kunnen horen. Het gebiedje aan het eind van de Herenstraat en de Rijnweg richting ’s-Gravenzande staat in Monster nog steeds bekend als de Boersche Hoek. Ook toen al was die naam dus in gebruik.Westlanders gingen in die tijd ondanks de gebrekkige verbindingen al massaal naar de bedevaartplaats Kevelaer. In september 1836 spreekt vader Allebé er zijn teleurstelling over uit dat Trees niet op zijn minst een brief heeft meegegeven met een van de Monsternaren in de Westlandse processie. Zij deden gewoonlijk het plaatsje Goch aan als laatste stop op weg naar Kevelaer. De Poeldijkse kapelaan blijkt zich evenmin gehouden te hebben aan zijn belofte iemand te vragen om voor vader Allebé een mand met wild mee terug naar Monster te nemen om de familie op Geerbron te verblijden met een paar hazen en patrijzen. Hij schrijft verder dat hij een hondje voor Trees heeft gekocht. Het is nog niet zo eenvoudig om het dier in Monster te krijgen. Afgesproken wordt dat hij het in een mandje naar oom Louis Herckenrath, een broer van zijn overleden vrouw, in Amsterdam zal laten vervoeren. Die kan het dan vervolgens afgeven aan een van de schippers uit Monster die op Amsterdam varen. Trees krijgt daarom het verzoek bij die schippers, en dan vooral schipper Burger die kennelijk het meeste vertrouwen geniet, te vragen of zij als ze in Amsterdam zijn bij oom Louis langs willen gaan om te informeren of het hondje al is aangekomen. Ze moeten dan wel op het hart gedrukt krijgen dat ze het hondje onderweg naar Monster voldoende te eten en te drinken geven en het van tijd tot tijd uit het mandje laten om ‘zekere zaken te kunnen doen’. Vader Allebé is blij met elke brief die hij in het verre Goch ontvangt, niet alleen van dochter Trees, maar ook van zijn zoon en van andere familieleden. Hij schrijft aan zijn dochter dat hij van oom Louis in Amsterdam een gunstig bericht kreeg over de betrekking die hij hoopt te krijgen. Verder kreeg hij onder meer een brief van zijn zwager Leon Herckenrath op Geerbron. Die schreef dat een zekere juffrouw Verhagen naar Geerbron zou komen om als gouvernante het onderwijs te verzorgen voor Trees en de kinderen van Leon en zijn vrouw. Ook de kinderen van burgemeester Van der Meer van Kuffeler en zijn vrouw Constantia Herckenrath zullen hoogstwaarschijnlijk in het klasje van juffrouw Verhagen hebben gezeten. Leon Herckenrath was rond 1818 op jonge leeftijd naar Noord-Amerika vertrokken om daar zijn geluk te beproeven. Hij keerde in 1835 met het gezin dat hij daar had gesticht terug naar Monster. Ondanks dat het hem voor de wind ging in zijn woonplaats Charleston, was zijn terugkeer min of meer gedwongen, omdat zijn vrouw als kleurlinge niet in de blanke gemeenschap van die tijd geaccepteerd werd. Theresia A.A. Allebé door August Allebé 1858, Coll. Rijksmuseum.De brieven van vader Allebé zijn altijd vroom en stichtelijk. Op het nieuws over de komst van juffrouw Verhagen reageert hij met het advies aan Trees om ‘door vlijt, oplettendheid, welwillendheid en voorkomendheid de toegenegendheid en vriendschap van jufvrouw Verhagen te verkrijgen en die dan te behouden’. Aardig om te lezen is het bericht van Leon dat er een portret is geschilderd van grootmoeder Alida Milius, waarover iedereen enthousiast is omdat het zo mooi is geworden en goed gelijkend is uitgevallen. Dit portret is vervaardigd door de bekende schilder Jan Willem Pieneman, van wie ook werk in het Rijksmuseum hangt. Het is na vele omzwervingen in 2010 met steun van Fonds Westland verworven door het Westlands Museum. Als vader Allebé in de zomer van 1838 verneemt dat Trees op het punt staat haar Eerste H. Communie te doen aarzelt hij geen moment en maakt plannen om naar Monster te komen. Hij wil ’s morgens per stoomboot uit Nijmegen vertrekken. Die komt ’s middags om één uur in Rotterdam aan en vervolgens rijdt er een diligence van de stoombootmaatschappij naar Den Haag. Die arriveert daar rond drie uur. Allebé vraagt of wellicht een knecht van schipper Hersbach hem daar met een kruiwagen kan opwachten om hem met zijn koffers naar de schuit te brengen die vrijdags vanuit Den Haag op Monster vaart. Hersbach was uitbater van logement Overheijde in de Choorstraat. Kennelijk onderhield hij ook een verbinding per schuit op Den Haag. In verband met de drukte op Geerbron is aan de vader van Treesje gevraagd onderdak te zoeken bij Hersbach. Dat vindt hij geen enkel probleem, hij zou ook tevreden zijn ‘om bij Kivie op de Heij te slaapen als ik overdag maar eventjes eens met het hooft door de Geerbronspoort mogt komen kijken hoe de vrienden, buuren en bontgenoten het al zoo maken!’. Kivie was in die tijd een logement in Ter Heijde.Later in het jaar laat vader Allebé van zijn teleurstelling blijken omdat buurman Van der Laan (kennelijk woonde die nabij Geerbron) op zijn doorreis naar Kevelaer geen brief van Trees bij zich had. Verrast was hij om onder de bedevaartgangers vriend Hersbach aan te treffen. Onder de Westlandse bedevaartgangers trof hij deze keer ook verscheidene ‘fatsoendelijke jufvrouwen, waaronder meerder nog jongen’ en hij maakt zich er zorgen over dat ze op hun terugreis naar het zich laat aanzien zulk slecht weer zullen hebben. Op de dag dat hij de brief aan zijn dochter schrijft is het de drukste dag van het jaar in Goch. Er komen op die dag meer dan 1000 mensen bij het logement van huisbaas Knegten langs voor een verversing. ‘Of het vanavond ook wat morssig zijn zal?! Bah.’ Uit een brief van mei 1839 wordt duidelijk dat vader Allebé recent vanuit Goch verhuisd is naar Leiden. Hij huurt een kamer in de Nieuwsteeg bij pensionhouder Cofijn en schrijft: ‘Het is mij hier nog zeer vreemd, inzonderheid wat de fabriek en de werkzaamheden betreft’. Hij heeft werk gevonden als leidinggevende bij de internationaal bekende dekenfabriek van Jacobus Scheltema. De fabriek aan de Oude Singel in Leiden werd opgericht in 1817 en heeft tot de jaren vijftig van de vorige eeuw dekens geproduceerd. In het begin van de 20ste eeuw stonden er wel twintig van dergelijke bedrijven in Leiden. Jacobus Scheltema was een van de getuigen bij het huwelijk van Gerard Allebé, de oudere broer van Trees, en Neeltje Scheltema. Hij overleed in maart 1838, waarna een familielid, waarschijnlijk de broer van Neeltje, op jonge leeftijd de leiding van de fabriek overnam. Dit feit en de familieband zullen zeker een rol hebben gespeeld bij de komst van vader Allebé naar Leiden. Hoewel de afstand tot Monster nu veel kleiner is, neemt de nieuwe baan hem zo in beslag, dat plannen om Geerbron te bezoeken nogal eens worden doorkruist. Directeur Scheltema is vaak voor zaken en vanwege zijn met zijn gezondheid kwakkelende vader in Amsterdam. ‘Hij wenscht dat als hij afweesend is, dat ik dan hier zal zijn’. Eind mei laat hij zijn dochter weten dat hij weliswaar blij was een brief ‘van mijn lief maisie (op zen Lais [=Leids]) te ontvangen, maar ‘Had gij mij wat wegens onze waarde grootmoeder, oom Leon en de zijnen, tante Constance en jufvr. Verhagen enz. geschreven, zou uwen brief mij nog meerder pleizier gedaan hebben. Denk er een volgende keer aan dat ook oude heeren nieuwsgierig zijn, en ik natuurlijk veel belang stel in alles wat de familie betreft’. Hij verwacht dat de Westlandse aardbeien nu weldra rijp zullen zijn en dan ook in Leiden op de markt zullen komen, maar asperges uit het Westland heeft hij nog niet gezien: ‘Het schijnt dat de [a]sperges allen naar grotere steden gaan’. Een dag of wat later lukt het vader Allebé eindelijk zich vrij te maken en naar Monster te komen. Hij schrijft op 10 juni: ‘Indien een lief meijsje, in de wandeling jonge jufvrouw Treesje genoemd, woensdag aanstaande geheel vrij van hoofdpijn, koorts en alles wat met zulke lelijke namen bestempeld wordt, zoude zijn, [en] het dien avond tegens half 9 uren mooi weër is, zoude haar Edele wel eens de weg naar de [Monsterse] molen kunnen gaan op patrouilleeren. Mogelijk dat zij dan in het verschiet een niet meerder jongen heer, die haar niet onverschillig is, met een stokje in de hand ziet aankomen’.Overlijdensadvertentie Theresia Allebé 28-2-1901. Trees heeft haar vader laten weten dat zij het sacrament van het vormsel heeft ontvangen. In zijn antwoordbrief reageert haar vader daarop verheugd en met een stichtelijk woord. Hij hoopt ook ‘dat bij de waardige grootmoeder de gedachten dat vier van de haren tegelijk met deze genaden bedeeld worden, meerder tot hare herstelling zal bijdragen als een emmer met medicijnen’. Leon Herckenrath, sinds 1835 terug uit Noord-Amerika en met zijn gezin woonachtig op Geerbron, is kennelijk op een lange reis geweest. Vader Allebé meldt tenminste dat hij heeft gehoord van zijn behouden terugkomst. Het lijkt erop dat Leon voor zaken opnieuw de oceaan is overgestoken en wellicht zijn oude woonplaats Charleston heeft aangedaan. Op 23 juli staat vader Allebé al vroeg in de ochtend de schuit van Hersbach op te wachten. Helaas was er geen bericht van Trees, wel kreeg hij van de schipper te horen dat op Geerbron alles wel was. Mocht Trees haar plan willen uitvoeren om met haar nicht en leeftijdgenoot Virginie, dochter van Leon Herckenrath, naar Leiden te komen dan adviseert hij hen vrijdags per diligence naar Den Haag te gaan om tegen 12 uur in de schuit naar Leiden te stappen. Die komt om 3 uur in Leiden aan. Mocht het plan niet doorgaan dan zou hij toch wel graag de eerste keer dat Hersbach weer in Leiden komt een lange brief ontvangen, ‘gebonden aan het oor van een klein mandje aalbessen’. Trees blijkt inderdaad langs geweest te zijn, waarschijnlijk zonder haar nicht Virginie. Haar vader denkt met genoegen terug aan de ‘aangenamen dagen die gij op mijn cel hebt doorgebragt’. En dat zij goed gezelschap zou hebben aan de twee Italiaanse heren in de schuit had hij ‘bij hun gunstig voorkomen’ wel verwacht. Het is duidelijk dat hij graag zijn aangetrouwde familieleden wat vaker zou ontmoeten. Leon Herckenrath heeft hij niet kunnen spreken toen die, terug van een lange reis, door Leiden kwam op weg naar Monster, evenmin als zijn Amsterdamse zwager Louis, die onlangs ook op doorreis in Leiden was. Ook de broer van zijn schoonvader, oom Frans Herckenrath, die net een mooie bevordering in het leger heeft gekregen, zou hij graag eens ontmoeten als die Leiden zou aandoen. Grootmoeder Herckenrath heeft de gewoonte haar kinderen in de herfst een mandje druiven van eigen kweek te sturen. Vader Allebé, voor wie het, zoals hij in oktober 1839 schrijft, een genoegen is ook nog tot die groep te worden gerekend, kijkt ernaar uit, vooral ‘omdat wat van Geerbron kwam mij altoos het lekkerste was’. Verder vertelt hij zijn dochter van Leidse bedevaartgangers naar Kevelaar een peperkoek uit het naburige Goch te hebben ontvangen. Die was meegegeven door bakker Peter Knegten, zijn oude huisbaas in Goch.Kerst 1839 wil vader Allebé graag bij de familie op Geerbron doorbrengen, als tenminste de fabriek geen roet in het eten gooit. Hij wil, zo schrijft hij op 16 december, de 24ste december naar Den Haag reizen en vraagt of Trees en haar nicht Virginie hem wellicht bij aangenaam helder winterweer tegemoet willen wandelen. Ze kunnen dan nog wat door de residentie drentelen en daarna met een huurkoetsier naar Monster reizen. Als hij dames niet treft dan ‘wandelt hij stillekens de Loosduinsche weg op en zóó verder’. Men zag er in die tijd kennelijk niet tegenop 10 km te voet af te leggen naar de plek van bestemming. Dat hij uitkijkt naar de ontmoeting blijkt uit het slot van de brief: ‘Dat zal dus nu vier malen zijn dat wij ons in dit jaar zullen zien!!’. Maar een week later blijkt dat het bezoek niet door kan gaan. De fabriek is in onderhandeling over een belangrijke opdracht en directeur Scheltema zit in Amsterdam om nog vóór het nieuwe jaar een aantal zaken te regelen. Vader Allebé kan dus in Leiden niet gemist worden. Hij hoopt dat het in januari wel gaat lukken om dan wat minder ‘gepresseerd’ te kunnen zien hoe ‘de overgrootmoeder, die beste braave vrouw, hare lieve kinderen en allemaal stoute kleinkinderen het maken’. Deze brief van 22 december 1839 is de laatste in de verzameling correspondentie van vader Jacobus Allebé met zijn dochter. Trees is dan zestien jaar oud. Haar vader overlijdt op 62-jarige leeftijd in 1845. Het is niet bekend wanneer Trees uit Monster vertrokken is. Ze is nooit gehuwd, woont jarenlang in bij haar broer Gerard en zijn gezin in Amsterdam en overlijdt in 1901. In de overlijdensadvertentie wordt zij door de familie aangeduid als ‘onze hartelijk geliefde Tante en Behuwdtante Mejuffr. Theresia Allebé’.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Wij Machteld, Gravin van Holland maandag 20 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Wij Machteld, Gravin van Holland

Op het ogenblik is er in het Westlands Museum een tentoonstelling te zien over gravin Machteld van Holland. De tentoonstelling duurt tot en met 30 december 2018. Machteld van Brabant was de echtgenote van graaf Floris IV van Holland. Floris IV overleed op 24-jarige leeftijd, waarna Machteld in het grafelijk kasteel van ’s-Gravenzande ging wonen. Zij had diverse Westlandse bezittingen als huwelijksgoed waardoor ze in haar onderhoud kon voorzien. Gravin Machteld heeft lang in ’s-Gravenzande gewoond en een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van dit dorp. In ’s-Gravenzande was zij de initiatiefnemer voor de oprichting van een zelfstandige parochiekerk. Ook heeft zij zich actief bemoeid met de stichting van een begijnhof en het gasthuis in ’s-Gravenzande. In 1246 verleende graaf Willem II op verzoek van Machteld stadsrechten aan ’s-Gravenzande. Machteld en Floris trouwden in 1224, dat was in de tijd dat de graaf nog langs zijn verschillende woningen in het graafschap reisde. Zijn hofwoning in ’s-Gravenzande schijnt hij relatief veel gebruikt te hebben, maar ook in zijn huis in Loosduinen verbleef het grafelijk echtpaar regelmatig. Hun zoon, de latere graaf Willem II, werd echter geboren in hun kasteel in Leiden. In 1229 kocht Floris het hof van Meilendis, de moeder van Dirk van Wassenaar, dat zich bevond in de Haagse Geest bij een duinmeer. Hieruit zou later het Binnenhof ontstaan en het duinmeer werd de hofvijver. Dit gebied viel toen nog onder het ambacht Monster. Het vermoeden bestaat dat Floris IV al de intentie had om de hof van Meilendis uit te bouwen tot zijn vaste residentie. In het Binnenhof is nog een gewelfde (kelder)zaal aanwezig die gedateerd wordt op ca. 1230 en daarom in opdracht van Floris IV gebouwd zou zijn.Floris en Machteld stichtten in 1230 in Loosduinen het eerste cisterciënzerinnenklooster in Holland. Voor de stichting van dit klooster schonken zij hun huis en landgoed in Loosduinen. Nieuw land door bedijking’s-Gravenzande is ontstaan op een zandplaat die zich door aanslibbing gevormd had in de Maasmonding. In de Late Middeleeuwen was het Maasmondingsgebied nogal aan verandering onderhevig. Vanaf de tweede helft van de 12de eeuw ontstond er een proces van verlanding en aanslibbing waardoor er in het mondingsgebied gorzen en slikken ontstonden die op een gegeven moment zó hoog waren dat het gebied ingepolderd kon worden. Dit proces werd door de Hollandse gravenfamilie gestimuleerd. Dit was allemaal nieuw gevormd land dat toe viel aan de landsheer, in dit geval de Hollandse graven. Machteld en haar zoon Willem II hebben zich intensief met het aanleggen van dijken en inpolderen bezig gehouden. Zo is al vóór 1240 de Maasdijk aangelegd. Bij dit werk werden monniken van de abdij Mariënweerd uit de Betuwe ingeschakeld om dit werk te leiden en te coördineren. Als beloning hiervoor kregen zij stukken van het nieuwe land geschonken. Ook kreeg de abdij van Mariënweerd het patronaatsrecht van de kerk van ’s-Gravenzande toegewezen, waarbij ze het recht hadden de pastoor te benoemen en recht hadden op een deel van de inkomsten van de kerk. Graaf Willem IIVia huwelijkspolitiek en schenkingen aan kloosters en kerken wist de Hollandse gravenfamilie overal bondgenoten te verwerven waardoor ze internationaal en in het Duitse Rijk steeds meer invloed kregen. In de jaren van het bewind van Willem II was er een strijd om de macht in het Duitse Rijk gaande. In 1245 was keizer Frederik II door de paus afgezet en geëxcommuniceerd. Graaf Willem II werd door zijn oom, hertog Hendrik II van Brabant, naar voren geschoven als nieuwe keizerskandidaat. Willem II werd uiteindelijk na veel moeite in 1248 tot Roomskoning gekroond in de Domkerk van Aken. In 1252 trouwde hij met Elisabeth van Brunswijk wat zijn positie in het Duitse Rijk nog verder verstevigde. Willem II was voorbestemd om door de paus tot keizer van het Duitse Rijk gekroond te worden. Echter voordat het zo ver was besloot Willem in de winter van 1256 tot een strafex¬peditie tegen de Friezen. Hij reed overmoedig vóór zijn troepen uit en zakte daarbij door het ijs. Toegesnelde Friezen sloegen hem dood en namen zijn lichaam mee. Wederom stierf een Hollandse graaf jong. Zijn in 1254 geboren erfgenaam Floris V was nog geen twee jaar en ook nu kwam er een regent, zijn oom Floris (de Voogd). Machtelds laatste jarenGravin Machteld heeft de laatste jaren van haar leven waarschijnlijk in eenzaamheid doorgebracht. Op het persoonlijke vlak heeft zij nogal wat tegenslagen gehad, zoals het feit dat zij twee keer weduwe werd en verschillende kinderen op jonge leeftijd overleden. Opvallend is dat nogal wat personen in haar directe omgeving een geweldadige dood stierven. Zo werden haar man Floris, zwager Willem en zoon Floris de Voogd gedood tijdens een toernooi en haar zoon Willem II tijdens een strafexpeditie tegen de Westfriezen. Machteld leidde een vroom en religieus leven en het lijkt wel of al deze geweldadige sterfgevallen de religieuze kant van haar leven nog verder stimuleerde. Er is een verhaal van haar bekend dat zij in 1253 een slagveld op Walcheren had bezocht, waar een Vlaams invasieleger tegen Hollandse en Zeeuwse troepen had gestreden. Zij zocht daar, samen met twee predikheren, naar gewonden en stervenden om hen te verzorgen en bij te staan in hun doodsstrijd. Machteld en haar dochters Margaretha en Aleida en haar zoon graaf Willem II begunstigden diverse kloosters, kerken en het ’s-Gravenzandse begijnhof. Machteld van Brabant overleed op 22 december 1267 in het klooster van Loosduinen, waar zij de laatste maanden van haar leven verbleef, waarschijnlijk omdat zij ziek en gebrekkig was geworden. In dat door haar en haar man Floris gestichte klooster werd zij begraven in de kapel, de nu nog bestaande abdijkerk. Haar graf is in de loop der eeuwen helaas verdwenen maar naast de preekstoel bevindt zich een gedenksteen voor haar. Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Brand in 's-Gravenzande maandag 13 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Brand in 's-Gravenzande

Eind juli waren er binnen enkele dagen twee grote branden in ’s-Gravenzande. Op zaterdag 21 juli een brand in de Gravenstraat waarbij de bovenverdieping van een huis volledig uitbrandde. Een oplettende verkoper van bakkerij 't Stoepje die vanuit zijn kraam zicht had op de achterzijde van de woningen aan de Gravenstraat merkte de brand op en alarmeerde de buurt waarop ook de brandweer werd gealarmeerd en kon worden voorkomen dat de brand zich kon uitbreiden naar de belendende percelen. Voorkomen kon niet worden dat de enige bewoner die thuis was, gewond raakte. Hij werd in het ziekenhuis opgenomen. Deze uitslaande brand heeft een pand grotendeels verwoest. Maandagavond 23 juli brak rond 22.45 uur brand uit in het kassencomplex van plantenkwekerij P. Mostert aan de Gravin van Bylandtlaan in ’s-Gravenzande. Daarbij raakte niemand gewond. Een deel van het complex moet volgens de brandweer als verloren worden beschouwd. De brand was rond 1.00 uur onder controle. De brandweer kon voorkomen dat het vuur oversloeg naar de naastgelegen woning en de achtergelegen kassen. Wat overbleef was een berg verwrongen staal en zwartgeblakerde ingestorte muren. Deze brand werd bij toeval door de brandweer zelf ontdekt door twee brandweerlieden die na een oefening. onderweg naar huis waren. Samen met andere eenheden vanuit de regio heeft de brandweer uitbreiding weten te voorkomen en is uiteindelijk de brand geblust. Ook in het verleden kon door allerlei oorzaken gemakkelijk brand ontstaan. Daarom werden er in de middeleeuwen door het stadsbestuur van ’s-Gravenzande voorschriften met betrekking tot de brandbestrijding vastgesteld. Dat was toen ook wel nodig ook omdat de middeleeuwse huizen van hout gebouwd waren met rieten daken. Steenbouw werd alleen toegepast bij kerken, kloosters en het stadhuis. Brand in één huis ontstaan kon zich gemakkelijk uitbreiden tot een brand die een groot deel van het dorp kon vernietigen. Van grote stadsbranden in Holland zijn in de 14e en 15e eeuw talloze voorbeelden te noemen. Ook 's-Gravenzande heeft een grote stadsbrand gekend. Op sacramentsdag in het jaar 1418, tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, hebben de troepen van Den Briel, die aan de zijde van Jan van Beieren stonden, het Hoekse 's-Gravenzande, dat voor Jacoba van Beieren had gekozen, tijdens een strafexpeditie tot de grond toe afgebrand. In de door het stadsbestuur uitgebreide voorschriften ter voorkoming van brand, de oude keuren (plaatselijke verordeningen), staan talloze regels. Voorgeschreven was onder andere dat in een huis zonder schoorsteen geen stro gestookt mocht worden maar alleen turf. 's Avonds moest het vuur afgedekt worden met een vuurklok waaronder het vuur kon smeulen tot de volgende dag. As mocht alleen door de voordeur het huis uit (en werd dan op straat gegooid). Bak-, eest en brouwovens mochten alleenoverdag gestookt worden en er moest bluswater klaar staan. De ovens mochten niet vòòr zonsopgang opgestookt worden en ’s avonds uiterlijk branden tot de klok van de grote kerk voor het Ave Maria geluid was. In de omgeving van 's-Gravenzande werd veel vlas geteeld, in verband met brandgevaar was het verboden het stro van het vlas binnen de stad te verbranden. Met betrekking tot brandstichtende jeugd vinden we aangetekend, dat de ouders volledig aansprakelijk werden gesteld voor de daden van hun kinderen.Ieder huis moest een (h)oosvat hebben en een lantaarn. Ook worden in de stadskeuren nog genoemd het bezit van ladders, emmers, haken en zeilen die bij brand gebruikt werden. De blusmiddelen moesten in goede staat worden gehouden op een boete van 20 schellingen. Dat werd jaarlijks in mei gecontroleerd, er werd dan schouw gehouden over de "brandwapens". Als er op een gegeven moment in ‘s-Gravenzande brand uitbrak dan werd de “brantclok" op het stadhuis geluid. Iedereen was dan verplicht om direct naar de plaats van de brand te komen om te helpen blussen. Het blussen van branden was vaak onbegonnen werk gelet op de brandbare bouwmaterialen en de beperkte blusmiddelen. Het water moest namelijk met lederen emmertjes uit sloten of putten, zoals de Poelsloot, de grote waterplas op het Marktveld, worden geschept waarna de emmers van hand tot hand doorgegeven en in het vuur gestort werden. Dat vereiste vaak een lange rij blussers. De hoeveelheid water was vaak te gering om het vuur te doven. Om het overslaan van het vuur te verhinderen werden er vaak grote natte zeilen over de daken van de nabijgelegen huizen gehesen.Plattegrond van Blaeu van ’s-Gravenzande uit 1652 met daarop de poel op het marktplein, het stadhuis en de stadswaterputWas de brand dan toch nog geblust dan mocht men niet direct naar huis maar werd de "stedeclok" geluid en moest iedereen zich met zijn "brandwapen" vervoegen bij het stadhuis en werden alle blusmiddelen weer aan de rechtmatige eigenaar teruggegeven. Naast de grote stadsbrand van 1418 is uit de oude geschiedenis van ons dorp de brand bekend die de herberg "De Spaansche Vloot" omstreeks het jaar 1683 op een stalling na geheel in de as legde. Pas in 1691 werd de herbouwde herberg weer in gebruik genomen. Ook in later tijd komen we in de stedelijke verordeningen brandpreventie maatregelen tegen. Zo werd in 1757 door Schout, Burgemeesters en Schepenen een “Resolutie omtrent de brandspuit der steede ’s Gravenzande” vastgesteld waarin orde op zaken wordt gesteld m.b.t. de organisatie van de brandbestrijding omdat de laatste oefening met de brandspuit niet helemaal vlekkeloos verlopen was! Verordonneerd wordt dan dat er voortaan acht brandmeesters moeten zijn die de leiding over de brandspuit voeren. Zij zijn te herkennen aan hun rood, wit, blauw geverfde stokken. Bij afwezigheid van een van hen moet de oudste brandmeester aan de Schout en het Gerecht melden wie daarvoor in de plaats zal komen. Bij brand of oefening met de brandspuit delen de vier oudste brandmeesters de orders uit en zij zorgen er voor dat het blussen volgens de regels verloopt. De vijfde en zesde brandmeesters in rang houden toezicht bij de grote pomp en de 7e en 8e in rang bij de zuig- en perspomp. Zij mogen pas bij hun pomp vandaan als er vervanging door een andere brandmeester is. De brandmeesters moeten er op toezien dat de brandspuit behoorlijk werkt en er bij het (met de hand) pompen regelmatig gewisseld wordt door het inzetten van nieuwe personen. Als er geen orde gehandhaafd kan worden moet dat gemeld worden aan de Schout en het Gerecht. Verder moeten de brandmeesters er voor zorgen dat de spuit in goede staat gehouden wordt. Daarom moet de spuit tenminste viermaal in het jaar, met alles wat daarbij hoort, nagekeken worden en wordt er door het Gerecht en persoon aangesteld die belast wordt met het schoonmaken, smeren en in orde brengen van het blusmateriaal. Ook moeten de brandmeesters er voor zorgen dat na gebruik de slangen van de spuit, zowel de leren als de slangen van zeildoek, worden schoongemaakt en netjes gedroogd, nagekeken en gerepareerd, waarna ze over de spuit gehangen worden en de spuit weer gebruiksklaar in het brandspuithuisje bij de kerk wordt gebracht. De brandspuit rukt uit Het bedienen van de spuit gebeurt door personen die op een lijst staan (de door het stadbestuur aangewezen inwoners tussen 20 en 60 jaar) die in het bezit is van de oudste brandmeester. De personen op de lijst hebben een bordpapieren plaatje waar op aangegeven staat wat hun functie bij de spuit is. Dat plaatje moeten zij bij brand en oefening op hun hoed dragen. De lantaarndragers moeten voor hun lantaarn een goede kaars hebben op een boete van zes stuivers ten behoeve van de Groten Armen van de stad. De op de lijst voorkomende personen moeten zich bij brand direct naar de spuit begeven en deze voorzichtig naar de brand transporteren. Telaatkomers krijgen een boete. De personen die aan de spuit aan het werk zijn moeten de bevelen van de brandmeesters direct opvolgen. Wanneer de brand geblust is of de oefening met de spuit afgelopen is moeten zij de spuitslangen helpen schoonmaken en naar het spuithuisje brengen. Niemand mag weglopen voordat de brandmeesters doorvoor toestemming hebben gegeven. De boete op voortijdig weglopen bedraagt 4 schellingen die ook weer in de armenkas worden gestort. Opdat bij het blussen van brand alles volgens de regels verloopt en iedereen weet welke taak hij daarbij heeft moet tenminste eens in het jaar een oefening met de spuit worden gehouden en wel op de woensdag van de ‘s-Gravenzandse kermis ‘s middags om 2 uur. Dat wordt de zondag daaraan voorafgaande aangeplakt aan het stadhuis. Voor deze oefening moet men zich voor het stadhuis per ploeg opstellen. Degenen die dan niet present zijn krijgen een boete. Deze voorschriften zullen op de gebruikelijke plaats, d.w.z. aan het stadhuis, worden aangeplakt zodat iedereen daar kennis van kan nemen. Verder worden deze voorschriften uitgereikt aan de brandmeesters zodat ze jaarlijks vòòr het oefenen met de brandspuit kunnen worden voorgelezen. Veel later in 1929 werd de plichtbrandweer, waarbij men aangewezen wordt door het gemeentebestuur, vervangen door een vrijwillig brandweerkorps. Toen had men nog steeds de ouderwetse handspuiten (die nog werkten op spierkracht). Dat was de sterk verbeterde versie van de eerste brandspuit die Jan van der Heijden rond 1670 uitvond. Omdat men constateerde dat men sterk achterbleef bij vele andere gemeenten werd in 1930 een modern blusvoertuig aangeschaft. Over de aankoop van deze spuit is heel wat te doen geweest. Het toenmalige gemeentebestuur vond dat men het voertuig ook voor andere doeleinden moest kunnen gebruiken, het was toch niet verantwoord om zoveel geld te steken in alleen een autospuit. Besloten werd om maar eens te kijken of er soms een autospuit was die meer kon. “Het wonder van ’s-Gravenzande” Dat was niet zo eenvoudig maar tenslotte reisde men naar Parijs en na veel zoeken vond men in de Renault fabrieken een apparaat dat aan alle eisen voldeed, het ei van Columbus! Een 4 cilinder 20 PK Renault brandweer- sproei- en veegmachine. Meegeleverd werden 7 straalpijpen met diverse mondstukken, 6 meter zuigslang en een koperen bel. De wagen had een watertank met een inhoud van 3200 liter en was voorzien van massieve rubberbanden. Het kon spuiten, sproeien en vegen en voor f 8000,- levering franco ’s-Gravenzande kwam het voertuig van de lichtstad naar het breeje dorp. Al bij de eerste proefrit kwam de zware wagen op de Hoflaan in de zachte berm vast te zitten waarop men besloot de watertank maar leeg te laten lopen zodat de wagen gemakkelijker weer op de weg getakeld kon worden. De inzet van deze brandweerwagen bleef op onverharde binnenwegen problemen geven. In de volksmond kreeg de wagen al snel de naam “het wonder van ’s-Gravenzande”. Na een tijdje bleek toch dat de wagen als veeg- en sproeiwagen geen groot succes was evenmin als brandweerwagen. Bij het uitbreken van brand moesten eerst de accu’s worden opgeladen wat 10 minuten duurde. Ook traden er nogal wat defecten op aan de dynamo, olieleiding, gebroken kogellagers, versnellingsbak en er was sprake van ondeskundig onderhoud. In 1935 verzucht men “dat het een aanfluiting in het Westland is, hij zuigt, veegt en sproeit maar deugt niet erg voor spuiten”. Pas in 1947 heeft men deze oude spuit voor f 500,- verkocht en in het najaar werd een nieuwe moderne brandspuit in gebruik genomen. Daarna zijn de ontwikkelingen snel gegaan. De brandweer kreeg een eigen onderkomen in de Gravenstraat in het voormalige pand van drukkerij Sonneveld. De brandweerwagen werd ondergebracht in een garage achter het politiebureau aan het Marktplein en de slangen konden te drogen worden gehangen in de zogenaamde slagentoren. Later werden nieuwe blusvoertuigen en materiaalwagens aangeschaft en kwam er regionale samenwerking en aansluiting op een alarmcentrale. In de loop der tijd zijn de taken van de brandweer met een belangrijk onderdeel uitgebreid namelijk de hulpverlening. Verder zijn de eisen strenger geworden wat meer opleiding en oefening van de vrijwillige brandweerlieden eiste. In 1978 werd de nieuwe kazerne aan de Fultonstraat in gebruik genomen. Nu valt de brandweer onder de regio Haaglanden. De brandweergarage aan de Fultonstraat Als gevolg van de gemeentefusie zijn de ’s-Gravenzanders veel publieke voorzieningen in het dorp kwijtgeraakt maar gelukkig is hier nog een eigen goed uitgerust vrijwillig brandweerkorps dat voor brand en hulpverlening direct ingezet kan worden. Auteur: Jan Dahmeijer van de Historische werkgroep Oud ’s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Hambrouck komt terug in Schipluiden maandag 6 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Hambrouck komt terug in Schipluiden

De Historische Vereniging Oud-Schipluiden voert een crowdfundingsactie om in de kerk van Schipluiden een gedenkteken te plaatsen dat herinnert aan ds. Antonius Hambrouck. Deze predikant stond van 1632-1647 in Schipluiden. Daarna is hij in VOC-verband met zijn gezin naar Formosa vertrokken, waar hij veel goed werk onder de lokale bevolking heeft gedaan. Uiteindelijk werd hij in 1661 na een heldhaftig optreden door een Chinese bezettingsmacht vermoord. Lang hoorde Hambrouck tot de grote figuren uit onze vaderlandse geschiedenis. Zijn daden werden in de achttiende en negentiende eeuw voor jong en oud als voorbeeld gesteld. Over hem zijn boeken, gedichten en toneelstukken geschreven. In de Laurenskerk in zijn geboortestad Rotterdam zijn twee kunstobjecten te zien, die zijn leven en ondergang tonen. In Taiwan (Formosa) wordt in meerdere musea aandacht aan Hambrouck besteed. In Schipluiden herinnert tot nu toe alleen zijn naam op het predikantenbord aan zijn aanwezigheid. In het Historische Jaarboek Schipluiden 2015 staat een groot artikel over het leven en werk van deze beroemde predikant. Het artikel eindigt met de wens om ook in Schipluiden meer aandacht aan Hambrouck te besteden. Om deze reden is er een crowdfundingsactie gestart, die tot nu toe ruim € 3.800,- heeft opgebracht. Inmiddels is het fraai tweeledig kunstontwerp van de kunstenaar Marcel Koeleman (geboren en opgegroeid in Schipluiden) in brons uitgevoerd. Hij laat met zijn kunstwerk de verbinding zien tussen Schipluiden (Nederland) en Formosa (Taiwan). Eén onderdeel ervan wordt buiten de kerk geplaatst, het andere komt in het portaal van de kerk. De projectgroep - met kerkenraadsleden en bestuursleden van Oud-Schipluiden - is erg enthousiast over het resultaat. Op zaterdag 8 september 2018 om 10.00 uur komt de ambassadeur van Taiwan naar Schipluiden om het kunstwerk te onthullen. Met deze handeling wordt tevens het Monumentenweekend in Midden-Delfland geopend. Voor de opening worden alle deelnemers aan de crowdfundingsactie uitgenodigd. De totale kosten voor het kunstwerk bedragen € 5.500,-. De Historische Vereniging Oud-Schipluiden wil door een aantal gerichte verzoeken op korte termijn nog € 1.700,- bij elkaar krijgen voor de bekostiging van het kunstwerk. Hopelijk wilt u als geïnteresseerde lezer van deze rubriek meedoen met onze actie. Zie voor de verdere gegevens de afgebeelde flyer.Auteur: Jacques Moerman (voorzitter) van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Oorlogsschade uit 1940 nooit hersteld maandag 30 juli 2018 09:09

Streekhistorie: Oorlogsschade uit 1940 nooit hersteld

In de Wateringse Herenstraat zijn onlangs weer nieuwe winkels geopend, veelal gepaard gaande met verbouwingen aan het winkelpand. Ook zijn er in de loop der jaren veel gebouwen in de Herenstraat gesloopt en vervangen. Toch is er één pandje dat er niet alleen nog staat, maar waar zelfs een beschadiging aan de gevel niet wordt hersteld. Het is een soort oorlogswond, opgelopen in de Meidagen van 1940. Schade aan een gevel van je woning is niet leuk, maar als het een oorlogsgeschiedenis heeft en in 1940 is veroorzaakt tijdens uren durende gevechten in de Herenstraat en er geen instortingsgevaar is, maakt dat het wel bijzonder. Zo moet toen de familie Volkering hebben gedacht. Ben Volkering, buschauffeur bij de firma VIOS, liet de schade naast het linker raam onaangeroerd en hij liet het zitten als herinnering.Ben Volkering (circa 1935)Tijdens een informele avond tien jaar geleden met de bewoner, zoon Jan Volkering, over de geschiedenis van het pand Herenstraat 34, kwam toevallig de plek in de gevel ter sprake. Hierop antwoordde ik dat ik wist wie dat gedaan heeft. Jan werd nieuwsgierig en ik beloofde daar op terug te komen. Ik wilde al vele jaren achter de geschiedenis van de persoon sergeant H.H. Tobben komen.Samen met Gerard Lipman ben ik in1997 in de oorlogsgeschiedenis gedoken, voornamelijk om uit te zoeken hoe die vijf Meidagen in Wateringen zijn verlopen. Direct viel het ons toen op dat sergeant Harry Tobben een buitengewoon actief en gedreven militair was. Hij was de persoon die met een zware mitrailleur in de bewuste nacht van 12 op13 mei vanaf de toenmalige woning van schipper Van Dijk de Herenstraat vrij wilde houden van de Duitsers, die vanaf het Plein oprukten. Dat is door zijn kordate optreden gelukt, maar niet zonder een spoor van vernieling achter te laten: kapotte ruiten, dakpannen, kapotgeschoten etalages en kogelgaten. Met vijf strijdmakkers onder zijn bevel voerde sergeant Tobben dit uiterst gevaarlijke werk uit en bediende constant de mitrailleur, dus hij bracht de schade aan pand op nummer 34 toe. Sergeant H.H. TobbenOok bij de gevechtshandelingen van 11 mei 1940 aan de Zweth waarbij 26 Duitsers gevangen werden genomen, viel sergeant Tobben op door zijn optreden. In gevechtsverslagen werd hij geroemd, alle "rotklussen" loste hij op. Gedreven door de gedachte "wij laten ons op geen ene manier inpakken door die Duitsers". Twintig jaar geleden vertelde zijn dienstkameraad sergeant Albert van Laar (Maastricht) geëmotioneerd dat Tobben in een kamp in Hameln (Duitsland) in gevangenschap was omgekomen. Zijgevel van het postkantoor met kogelgatenUit het contact dat ik heb gehad met stadhistoricus Roelof Braad van Heerlen (woonplaats van sergeant Tobben) is het volgende bekend geworden: Tobben heeft de vijf oorlogsjaren lang in het verzet gewerkt, hij pleegde sabotage, bood hulp aan onderduikers en zorgde voor vluchtwegen voor vliegeniers. Jammer dat deze informatie mij nu pas bereikt, want Gerard en Jan kan ik hier niet meer over informeren. De huidige eigenaar van Herenstraat 34, W. van der Ham, ziet het kogelgat als een zeer aparte herinnering en wil er niets aan veranderen. Waarschijnlijk komen er uit Heerlen nog enkele gegevens over sergeant Harry Tobben.Wat nu bekend is, is erg waardevol. Wat er achter de schade schuilging en dat sergeant H.H. Tobben een enorme bijdrage heeft geleverd aan de strijd. Niet alleen tijdens de vijf Meidagen in Wateringen, maar ook als verzetsstrijder in de vijf oorlogsjaren erna. Het is gepast dit te herdenken, zeker nu in 2018, het Jaar van Verzet.Auteur: Henk Brabander van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: De Hofstraat, het oude centrum van Honselersdijk maandag 23 juli 2018 09:09

Streekhistorie: De Hofstraat, het oude centrum van Honselersdijk

Tijdens het Historisch Café op 12 juli stond Café Bij ’t Hof in de spotlight. Al eerder hebben we de Nederhof de revue laten passeren. In dit artikel lichten we vijf andere markante gebouwen in het oude centrum van Honselersdijk aan: Een Herberg, een molen, een veiling, een station en sporen van het oude dorpsplein. Luchtfoto 1954 met tekst Het oude dorpspleinAan de zuidzijde van de Hofstraat op nummer 42 staat een wit huisje vreemd schuin ten opzichte de straat. Op deze plek had circa 400 jaar geleden timmerman Teunes Gerritszn. zijn woning, werkplaats en erf. Het lag nogal prominent aan het oude dorpsplein dat vlak naast het oude jachtslot lag. Andere gebouwen aan de zuid-oostzijde van het plein waren eigendom van een smid, een bakker, een wielmaker en diverse schippers. Maar ook een perceel van ‘Zijn Hoocheijdt’ (prins Frederik Hendrik), met daarop sinds 1630 een schooltje. Kennelijk waren er voldoende kinderen aanwezig om te onderrichten. kaart uit ca. 1640 De bijhorende stallen lagen uitgespreid aan de westzijde van het plein, dat hierdoor geen duidelijke begrenzing had. Het dorpsplein dat beplant was met bomen heeft nadien nog ongeveer 30 jaar bestaan. Met de transformatie van het oude middeleeuwse jachtslot in een modern paleis waren de stallen op het plein te klein en moesten vervangen worden. Het Huis Honselaarsdijk was bedoeld om hoog bezoek te ontvangen en dan kwam de hele hofhuishouding mee. Aanvankelijk zou het dorp gespaard blijven, zoals te zien is op de prent van Balthasar Florisz. van Berckerode. prent Balthasar Florisz van Berckerode Maar toen rond 1640 de Nederhof gebouwd werd, moesten het plein en zeker vijf huizen plaatsmaken. Dit was een mooie gelegenheid om dit rommelige dorpje eveneens te moderniseren. Het verkavelingsplan met rechte lijnen en haakse hoeken was net als het paleis keurig georganiseerd volgens de rationalistische stedenbouw uit die tijd. Voor zover ik weet, had alleen Den Haag een vergelijkbare stadsuitleg langs haar Prinsengracht. kaart uit ca. 1640 bewerkt Het nieuwe rechthoekige dorpsplein met bomen werd begrensd door de Nederhof en de woningen aan onze huidige Prinsengracht. Aan de zuidzijde van de Nederhof was een ommuurde tuin bedacht, maar daar is het nooit van gekomen. Hierdoor slingert de Hofstraat en zijn de sporen van het oude dorp zichtbaar gebleven, zoals te zien is aan de schuine ligging van nummer 42. Herbergen en hotelsIn het kader van het thema van Open Monumentendag is het interessant om te melden dat Honselersdijk een toeristische trekpleister was. Huis Honselaarsdijk was het mooiste Hollandse lusthof in de 17e eeuw en was daarmee een interessante bezoekplek voor een eerst vorm van toerisme en voor studiereizen van jonge architecten en kunstenaars uit heel Europa. Zij kwamen naar Den Haag en namen vervolgens de trekschuit naar Honselersdijk. Dat was in die tijd een dagje reizen, dus moest er ook overnacht kunnen worden. Prent met trekschuit voor de Nederhof Er waren in elk geval twee herbergen die onderdak boden: De Moriaan in de Hofstraat en ’s Lands Welvaren nabij de Valbrug. Deze laatste kocht het recht zich Hofherberg te noemen en werd in 1707 in opdracht van Frederik van Pruisen (kleinzoon van Frederik Hendrik) verplaatst naar het midden van het plein, dat al versmald was door de aanleg van de Prinsengracht en nu dus de helft korter werd. Na de terugkeer van de Van Oranjes in 1754 ging deze herberg Het Wapen van Oranje heten. kaart van Samuel de Puyt, 1760 Op een kaart van Samuel de Puyt uit 1760 is de indeling van deze herberg te zien en een ook dat de naastgelegen stal plaats bood aan 20 paarden. De Hofstraat heette toen nog De wegh na Naaldwijck, later Naaldwijksche weg en pas sinds 1930 Hofstraat. De herberg is sinds 1857 niet meer als zodanig in gebruik. Het werd het eerste postkantoor van Honselersdijk en is nu een monumentaal woonhuis. Foto Hofstraat 62, voormalige Hofherberg Het Wapen van Oranje De stal van de Hofherberg is al 175 jaar ingericht als tapperij. Het is een wonder dat dit café er nog staat want er is al eens een locomotief van de WSM naar binnen gereden. Sinds 1932 heeft het de naam Café bij ’t Hof en is het in handen van dezelfde familie gebleven. Ansichtkaart van de Hofstraat met rechts De Moriaan Herberg De Moriaan lag op het perceel van schipper Huijch Janssen en heeft nog lang bestaan. Op een oude ansichtkaart is deze herberg te zien. Nu staat er een pand met het jaartal 1901 op de gevel ingemetseld. Tegenover de Mondriaan lag in die tijd het Bondshotel. Ook deze is afgebroken. Ansichtkaart van Hofstraat met het bondshotel De molenIn het jaar 1854 is een korenmolen aan de Hofstraat gebouwd. Het was een stellingmolen die verhoogd is om de wieken te verlengen. Rond 1910 woonde de familie Aalbrechts in het naastgelegen molenaarshuis. Ansichtkaart vanaf de Dijkweg met zicht op de korenmolen De wieken zitten er in 1954 niet meer op, zoals op foto’s te zien is. De molenstomp behoorde vervolgens bij de boerderij van Olsthoorn en is in 1966 na een brand gesloopt. Foto vanaf de Hofstraat met de stomp van de molen De veilingHonselersdijk heeft meerdere veilinggebouwen gehad. De eerste stond aan de Dijkstraat op het voorplein van de huidige Katholieke kerk. De tweede stamt uit 1905 en lag aan de Hofstraat ter hoogte van de huidige Kapelweg. Het was een groenteveiling met een representatieve voorgevel, maar vooral ook een overdekte losplaats aan het water. Het veilinggebouw had een zaagtanddak met veel ramen waardoor de hal goed verlicht werd. Foto Bloemenveiling ca. 1927 Deze veiling bleek in 1927 te klein en werd voor korte tijd een bloemenveiling. Oudere bewoners kennen het gebouw vooral als Kistenfabriek Bodegraven. Deze oude veiling is in de jaren 70 afgebroken en heeft plaats gemaakt voor woningen. Het stationTot 1912 reed de stoomtram van de WSM door de Hofstraat. Dat was een lastige en gevaarlijke situatie. Met het verleggen van de spoorbaan naar een nieuw tracé tussen de Nieuweweg en de Dijkweg (achter de Nederhof langs) waren er minder ontsporingen. Het nadeel was dat passagiers niet meer in een café op de tram konden wachten, maar in de kou stonden. Foto Station Honselersdijk In juli 1912 was er pas een stationnetje. Maar dan ook een goede, waarbij de entree van het wachtlokaal in de zijgevel zat en tuimelramen aan de zijde van de Hofstraat had waardoor de rook en het stoom niet naar binnen woei. Ladingmeester en tekenaar Jaap Binnendijk, woonde bij zijn moeder aan de Hofstraat. Na het verwijderen van het spoor in de jaren 70 is ook het station gesloopt. WinkeliersDe Hofstraat was lange tijd de hoofdweg en kende naast horeca ook veel kleine ondernemingen. Buurtbewoners kennen nog kruideniers Van der Burg en Brandhorst, melkboer Braat, bakker Scholtes, de sigarenwinkel van Van der Lugt, Aagje Dijkhuizen met ondergoed en garenband, Joop Gardien IJzerwaren (waar voorheen Den Hollander een benzinepomp had en petroleum verkocht) . Schoenmaker Speelgoed en herenkapper Piet van Ommeren. Wie voortaan over Hofstraat fietst, ziet niet alleen woningen en een café, maar met wat verbeeldingskracht ook 10 winkeltjes, twee herbergen, een hotel, een molen, een veiling en een station. En let even op het huis op nummer 42 dat het oude dorpsplein markeert. Auteur: Jolanda Faber, Historische Vereniging Naaldwijk Honselersdijkmet dank aan Gerard Beijer en bezoekers van het Historisch Café in Café Bij ’t Hof.Foto’s: Historisch Archief Westland en Westlands MuseumHeeft u foto’s van de winkels in de Hofstraat? Wij zijn er nieuwsgierig naar. Kom naar de Historische Informatiemarkt op zaterdag 13 oktober in het gemeentehuis aan de Verdilaan om deze ter plekke te laten scannen.
Lees meer
Streekhistorie: De kerkgang van Maarten ’t Hart maandag 9 juli 2018 09:09

Streekhistorie: De kerkgang van Maarten ’t Hart

De Canon van Maassluis is in korte tijd een standaardwerk geworden over de geschiedenis van Maassluis. Het boek is exclusief voor leden van de Historische Vereniging Maassluis, die het als jubileumgeschenk dit jaar op kunnen halen bij de vereniging. Ondanks de grote zorgvuldigheid waarmee het boek is samengesteld, is er toch een foutje ingeslopen. Het betreft de kerkgang van de jonge Maarten ’t Hart, in hoofdstuk 24, de twee Maartens. Hierna doen we uit de doeken hoe het werkelijk zat.Noorderkerk in Maassluis, waar zijn moeder ter kerke ging. In 1943 gebombardeerd en afgebroken.Maartens ouders waren gereformeerd en zijn vader kerkte in de Zuiderkerk, zijn moeder kerkte (tot 1943) in de Noorderkerk. Waarom twee verschillende kerken? In 1834 vond er een ‘Afscheiding’ plaats van de Nederlandse Hervormde Kerk. De Afgescheidenen in Maassluis verlieten de Groote Kerk en bouwden de Groeneveldskerk aan de Sluispolderkade. In 1886 vond er opnieuw een kerkscheuring plaats. Onder leiding van dr. Abraham Kuyper stapten de ‘Dolerenden’ uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Zij bouwden een ‘Nieuwe Kerk’ aan de Korte Boonestraat. In 1892 gingen de beide bewegingen landelijk samen als de Gereformeerde Kerken. In Maassluis duurde het tot 1924 voor beide kerken werkelijk samengingen. De Groeneveldskerk werd Zuiderkerk, de Nieuwe Kerk werd Noorderkerk. Toch bleven ze elk hun eigen signatuur houden; de Zuiderkerk was van de A-richting (ex-Afgescheidenen), de Noorderkerk was van de B-richting (ex-Dolerenden).Rehobothkerk aan het eind van de Noordvliet, voorheen pakhuis Mercurius. Gereformeerde kerk B 1943-1954.In 1943 verwoestte een bombardement de Noorderkerk. De gereformeerden van de B-richting vonden onderdak in een pakhuis aan het eind van de Noordvliet, tegenover de Baansloot. Zij noemden de tijdelijke kerk ‘Rehoboth’, een oud Hebreeuws woord dat betekent: hier heeft God een plaats voor ons gemaakt. In 1954 kwam de Immanuelkerk gereed. Deze nieuwe kerk van de ‘B-richting’ (ex-Dolerenden) stond ongeveer op de plaats van de verwoeste Noorderkerk. Dat is de reden dat het standbeeld van dr. Abraham Kuyper in 2008 tegenover deze kerk is geplaatst.Immanuelkerk, kort na het gereedkomen in 1954.Aangezien Maarten ’t Hart in 1944 is geboren, heeft hij dus nooit de Noorderkerk bezocht. Deze bewering in de Canon berust dus niet op een wonderbaarlijk kerkbezoek van de jonge Maarten, maar op een menselijke verschrijving. Overigens kwam hij ook vrijwel nooit in de Rehobothkerk, waar zijn moeder kerkte; zijn moeder behoorde van huis uit tot de Dolerenden. Maarten ging met zijn vader mee naar de Zuiderkerk, het bolwerk van de A-richting.De Groote Kerk in Maassluis behoort sinds de kerkhervorming in 1814 tot de Nederlandse Hervormde Kerk.Bekend is, uit de boeken van Maarten ’t Hart, dat hij dolgraag naar het orgel in de Groote Kerk luisterde. Probleem was echter dat deze kerk van de hervormden was. In zijn tijd was deze kerk dus ‘verboden gebied’ voor een gereformeerde jongen. Tot zijn grote verdriet. De Zuiderkerk is in het begin van de jaren zestig afgebroken. En Maarten? Die vertrok uit Maassluis en brak met het geloof. Maar in zijn boeken keert hij steeds weer terug naar zijn geboortestad Maassluis en naar het gereformeerde leven.Heeft u pech en het boek van de Canon niet kunnen bemachtigen omdat u geen lid was van de Historische Vereniging Maassluis? Hier vindt u de meeste verhalen ook: www.canonvanmaassluis.nlAuteur: Jan Schakel van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Het gemeentehuis van Maasland maandag 2 juli 2018 08:08

Streekhistorie: Het gemeentehuis van Maasland

Onder het bestuur van J.R. Thorbecke (1798-1872) kwam in 1851 de Gemeentewet tot stand. De Gemeentewet was gebaseerd op de Grondwet, die drie jaar eerder van kracht werd. Daarin lag het beginsel van de gemeentelijke autonomie (het zelf besturen). In 1825 kreeg Maasland de eerste burgemeester: De titel van de toenmalige schout Coenraad van Vrijberghe de Coningh werd in dat jaar veranderd in burgemeester. De gemeenteraadsvergaderingen vonden van oudsher plaats in dorpsherberg De Pynas. Burgemeester Adrianus van Heel, die in 1865 een groot pand op de Kerkweg (nummer 15) bewoonde, hield de gemeenteraadsvergaderingen en de secretarie echter liever aan huis. Voor dit doel richtte men dan ook een kamer in. Op voorstel van de burgemeester werden zelfs meubelen gekocht! De kantooruren werden gehouden van 10.00 tot 13.00 uur. Deze situatie bleek echter niet ideaal te zijn: het huis lag buiten de bebouwde kom en de beschikbare ruimte was te klein.In 1873 besloot Maasland tot de bouw van een gemeentehuis aan de ’s-Heerenstraat. Er werd een geldlening aangegaan van ƒ 25.000,- voor de aankoop van grond en de bouw van het raadhuis. ‘Er bood zich de gelegenheid aan tot aankoop van een groot, doch in verval zijnde gebouw, staande op een voordelig standpunt in het aanzienlijkste gedeelte van de gemeentekom’. Dit gebouw werd afgebroken en door ruiling van enige percelen grond kon de benodigde oppervlakte voor het nieuwe gemeentehuis worden verkregen. Op 20 juli 1874 kon het Maaslandse raadhuis officieel geopend worden. De gemeenteontvanger de heer Beelaerts schrijft: ‘… Omlaag is de woning van den bewaarder (de veldwachter). Met een aan weerszijden aangebrachte trap komt men door een dubbele deur in de vestibule. Rechts bevindt zich de kamer van de burgemeester en voor het dagelijksch bestuur; deze heeft het uitzicht op een der aanzienlijksten gedeelten van de met huizen bezette dorpsstraat. Daarachter volgt een goed ingerichte secretarie en vervolgens een kamertje tot berging van boeken, papieren en andere documenten van de gemeente. Links van de vestibule heeft men een vertrek dat ten dienste van den gemeenteontvanger strekt. Dan volgt een lokaal, waar tusschen muren en ijzeren deuren de gemeente haar financiën bewaart, dat ook voor den telefoondienst is ingericht en werkkamer van den secretaris is. De vestibule in rechte richting doorgaande, komt men in de ruime raadkamer, die een uitgestrekt landelijk uitzicht heeft op den Dijkpolder (!). Op het raadhuis staat een torentje, waarin een klok hangt.’ In de oorlogsjaren verdween de veldwachterswoning uit het gemeentehuis en werd de verdieping ingericht als secretarie en ontvangkantoor. Al in 1936 overwoog men het gemeentehuis uit te breiden, maar de uitvoering van deze plannen werd door de oorlog vertraagd. Pas in 1953 vond de verbouwing plaats en onderging de voorgevel een behoorlijke verandering. Ofschoon alle oude bouwkundige details zijn verdwenen, kreeg het raadhuis bij de verbouwing toch niet echt een modern uiterlijk. Daarom past het gebouw in de omgeving. De meeste huizen in de dorpskern dateren immers uit de negentiende en eerste helft van de vorige eeuw. Het gehele voorgedeelte van het raadhuis werd grondig gerestaureerd en gewijzigd. Het opvallende torentje verdween. De trap die toegang geeft tot de mooie raadzaal bleef behouden. Door uitbreiding van de gemeentelijke taken en de daarmee samenhangende groei van het ambtenarenapparaat werd het noodzakelijk het gemeentehuis te vergroten. In 1978 werd het buurhuis van de familie Barendregt gekocht en bij het gemeentehuis getrokken. Nog was de ruimte die men nodig had niet voldoende en besloten werd de open ruimte tussen het gemeentehuis en het kantoor van gemeentewerken vol te bouwen. Aan de achterkant van het raadhuis werd een geheel nieuw gebouw opgetrokken en geïntegreerd met het oude deel. Er kwam een nieuwe ingang, achter het oude gebouw. In 1987 was de feestelijke opening. De oude hoofdingang met de monumentale trappen aan de ’s-Herenstraat werd alleen nog gebruikt bij speciale gebeurtenissen en feesten, bijvoorbeeld bij huwelijksvoltrekkingen en de intocht van Sinterklaas.Op 17 juni 2003 stemde de Eerste Kamer der Staten-Generaal definitief in met de fusie van de gemeenten Maasland en Schipluiden. Op 1 januari 2004 ontstond de nieuwe gemeente Midden-Delfland. De vestiging van het gemeentebestuur kwam in Schipluiden. De omvang van het gemeentehuis in Maasland werd verkleind tot een servicepunt voor de bewoners. Later werd die functie ook overgeheveld naar Schipluiden. Op dit moment wordt er stevig nagedacht over de functie van het gebouw in de toekomst.  Auteur: Martin 't Hart van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Orkaan teisterde in 1973 Westland maandag 25 juni 2018 14:02

Streekhistorie: Orkaan teisterde in 1973 Westland

De Beekenkamp Groep is een honderd procent Westlands familiebedrijf met traditie. Teruggekeerd van de politionele acties in Indonesië begon Govert Beekenkamp in 1951 een tuinbouwbedrijf in Maasdijk. Thans telt de Beekenkamp Groep wereldwijd 2600 werknemers. Afgelopen mei brachten leden van het Genootschap Oud-Westland tweemaal een bedrijfsbezoek aan Beekenkamp. Directielid Annie Beekenkamp (61), oudste dochter van de oprichter, vertelde over de begintijd en de groei van dit familiebedrijf. "Mijn vader kwam uit ’s-Gravenzande en mijn moeder uit De Lier", zei Beekenkamp. "De zoektocht leidde in 1951 naar een bedrijf in Maasdijk, dat te koop stond. Mijn moeder vond het als Lierse aanvankelijk helemaal niet leuk in Maasdijk te gaan wonen maar het is uiteindelijk allemaal goed gekomen." Govert Beekenkamp begon in Maasdijk als groenteplantenkweker maar zocht meer uitdaging. Bij de bank vroeg hij om contact met hem op te nemen als er een bedrijf te koop was. Die kans deed zich al snel voor. "Een bedrijf aan de Oude Campsweg liep niet goed", zei Annie Beekenkamp. "Mijn vader heeft het bedrijf toen overgenomen. Er werkten zestig mensen, die al maanden geen salaris meer hadden gehad. Mijn vader is toen met dertig mensen verder gegaan. Deze kregen duizend gulden voorschot op hun salaris. Op deze wijze kreeg mijn vader veel goodwill bij het personeel." OrkaanSoms had het bedrijf letterlijk te maken met tegenwind. Annie Beekenkamp weet zich een orkaan uit 1973 nog als de dag van gisteren te herinneren: "Ik kwam thuis van school en zag het voor mijn ogen gebeuren. Wij hadden net een nieuwe kas van 5000 vierkante meter, die door de storm als dominostenen in elkaar stortte. Mijn vader wist kort daarvoor nog de jonge planten uit deze kas te redden." De tegenslag stond de groei van het bedrijf echter niet in de weg. In 1980 vond de aankoop van Lyraflor plaats, twee jaar later gevolgd door het opzetten van Beekenkamp verpakkingen. "Mijn vader had een goede neus om de juiste mensen op de juiste plaats neer te zetten", zei Beekenkamp over de groei van het bedrijf, die in de jaren negentig in een stroomversnelling terecht kwam. "Hij zette locaties voor chrysantenstekken op in Oeganda en Ethiopië. Deze keuze was ingegeven door een mix van goedkope arbeid en het klimaat waardoor er weinig kosten voor energie zijn. Mijn vader kreeg een aanbod Novaplant over te nemen. Dit bedrijf rendeerde toen nog goed maar wist dat de toekomst moeilijk was. De locaties in Frankrijk hebben wij nog steeds." Eigen rasDe ontwikkelingen in de veredeling gingen door. "Toen wij Lyraflor overnamen hadden wij nog geen eigen rassen", zei Beekenkamp. "Wij merkten dat de markt veranderde en hebben Delta Stek overgenomen. Het geheel werd samengevoegd tot Deliflor. Sinds die tijd is alles wat wij via Deliflor afleveren eigen ras. In 2000 heb ik samen met mijn zus Margriet de aandelen van het bedrijf overgenomen. Ik werkte al op het bedrijf en dacht: wat hier gebeurt, dat kan ik ook. Ik ben onder andere verantwoordelijk voor de werkmaatschappijen van de Beekenkamp Groep." Maatschappelijke erkenning kwam er toen de Beekenkamp Groep in 2015 door de Hillenraad 100 werd uitgeroepen tot het familiebedrijf van het jaar. Het bedrijf onderscheidt zich in maatschappelijk ondernemen door in plaats van geld vooral diensten te verlenen. Zo heeft de scouting uit Naaldwijk een nacht op het terrein in Maasdijk gekampeerd en kregen de scouts uit Maasdijk voor het vervoer van materiaal de beschikking over een vrachtwagen van Beekenkamp.   Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud Westland
Lees meer

Meer Streekhistorie