Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage/tip via dit formulier toesturen. Wij zullen deze controleren en mogelijk gebruiken voor publicatie. Let op! Aangeleverd materiaal dient rechtenvrij te zijn of er moet schriftelijk toestemming zijn verleend voor het gebruik ervan.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Buitenplaats Zuidwind zondag 16 juni 2019 10:10

Streekhistorie: Buitenplaats Zuidwind

In het Westlands Museum in Honselersdijk loopt tot medio maart 2020 een grote expositie over de Westlandse buitenplaatsen in de Gouden Eeuw. De tentoonstelling laat de bezoeker kennismaken met de buitenplaatsen en hun ontwikkeling, de bewoners, hun gewoonten en de levensstijl. Tijdens de tentoonstellingsperiode worden veel activiteiten georganiseerd, o.a. workshops en demonstraties, lezingen en cursussen en er is een fietsroute langs nog bestaande buitens. In en na de Gouden Eeuw, kwam een "buiten" bij de rijke Hollandse kooplie­den erg in trek. Zo ont­stonden in aantrekke­lijk stre­ken vlak­bij de belang­rijkste steden buiten­plaatsen, die eerst als "twee­de" woning dienden en later perma­nent bewoond werden. 's-Gravenzande was in die tijd zo'n aantrekke­lijk woonge­bied. In de 17e en 18e eeuw werden hier wel veertien buitenplaatsen aangelegd. De grootste was Alsemgeest, die aan de Maasdijk lag en een oppervlakte had van 46 morgen (ongeveer 40 hectare). Eén van deze buitenplaatsen was het voorname Zuidwind, gelegen aan de zuidzijde van het dorp aan het einde van de Langestraat. De buitenplaats had als grenzen de huidige Zuid­wind, Naald­wijkse­weg, Berkenstraat en liep aan de zuidzijde tot bijna aan de Eiken­laan. De oudste gegevens over de buitenplaats Zuidwind date­ren uit het jaar 1669. Op 7 november van dat jaar kocht jonker Johan de Crequi dit la Roche de buiten­plaats van Salomon Sweers, koopman te Amsterdam. Jonker Johan was als kapi­tein van de Pittardiers (Picardiers?) in staatsdienst werkzaam. Kennelijk beschikte hij niet over de gehele koopsom want op 7 december 1670 erkende hij nog een restant van de kooppenningen schuldig te zijn. Deze schuld bleef bestaan en was er waar­schijnlijk de oorzaak van dat de buitenplaats op 16 september 1697 verkocht werd aan Mr.Gerbrand Zas van den Bossche, secre­taris van het Colle­gie der Admiraliteijt op de Maze tot Rot­terdam. De bui­ten­plaats werd in de koopakte als volgt om­schre­ven: "een plaets of hoffsteede, stallinge, ende tuij­nma­nshuijs met omtrent 13 mergen en zeshalf hondt, zoo gront, boomgaerd, plantage, bosch, weij ende ander land gelegen soo tot 's-Gravensande als in Sant Ambacht met eenige meubilen en gereed­schappen".Ook Mr.Gerbrand Zas kwam in financiële moeilijkheden te verke­ren. Na zijn overlijden werd de buitenplaats op 26 september 1703 verkocht aan Reijer Evertse van Bleijswijck uit Delft, van beroep kapitein van een compagnie infanterie voor de som van 5.020 gulden.Het landgoed werd toen omschreven als: "hoffsteede, stalling voor koets, vijff paerden, tuijnmanshuijs met omtrent 14 mergen (volgens de verponding 5 mergen plantagie en getimmer­tes onder 's-Gravenzande en 9 mergen plantagie onder Sand Ambacht) met een bequame vijver daarin plantagie, bosch enz.".Hoe het buiten er in 1712 uitzag is te zien op de kaart van landmeter Krui­kius. In de hoek van de Zuidwind/Naaldwijk­seweg lag de hofstede met koetshuis en bijgebouwen met daarom­heen ­bosjes, boomgaarden en een stelsel van ster­vormige lanen in barokke tuinaanleg. Van Bleijs­wijck had kort daarna op de buiten­plaats een indruk­wekkend landhuis laten bou­wen dat in 1715 gereed kwam. Dit kapitale landhuis lag in het verlengde van de Langestraat, ongeveer 70 meter vanaf de huidige Zuid­wind. De oude tuinen werden op­nieuw inge­deeld en de oude hof­stede werd verbouwd tot oranje­rie. Veel plezier van zijn landhuis heeft hij niet gehad omdat hij op 22 septem­ber 1719, op de leeftijd van 71 jaar, over­leed. Het buiten bleef daarna in het bezit van zijn weduwe, Petro­nella Ver­burgh ( 1662-1727) en na haar over­lijden trad haar zoon Franco op als erfge­naam. Enige jaren later omstreeks 1735 erfde Mr. Hendrik rijksba­ron van Slinge­landt (1702- 1759), sche­pen en burgemees­ter van 's-Gra­venhage, het landgoed. Hij was namelijk gehuwd met Maria Catharina van der Burch, (1707-1761) de klein­dochter van Reijer van Bleijs­wijck.Maria Catharina van der Burch, echtgenote van Hendrik van Slingelandt. Links achter op de prent een afbeelding van het huis Zuidwind.Hendrik van Slingelandt heeft aan zijn landhuis en het omlig­gende tuinencomplex veel geld besteed. Van de hier­aan verbon­den werk­zaamheden is onder andere het volgende bekend.In 1753 liet hij een nieuwe muur bouwen langs de Rijwegh (de Zuidwind), er werd een nieuwe wagen­schuur gebouwd en het "secreet" (toilet) werd vernieuwd. Ook werden er stukken land bijge­kocht. Hij liet een lange leimuur metselen, 26 roeden lang, 9 1/2 voet hoog en 1 1/2 steen dik, waartegen fruitbomen konden worden geplant. Omdat het waterpeil van de buiten­plaats niet optimaal was liet Van Slinge­landt in 1753, aan de oost­zij­de van de buitenplaats, een sloot graven die lag op de schei­ding met het land van " Juf­frouwe weduwe Antonij van Eepen­huijze". Later in 1755 werd deze sloot ver­lengd met 130 roe tot in totaal ongeveer 700 meter. Op 1 november 1755 schreef Van Slinge­landt een brief aan Schout, Am­bachtsbe­waar­ders en Croos­heemraden van 's-Gravenzan­de en Sand- Ambacht om een paardewa­termolen te mogen bouwen, zodat water gemalen kon worden uit de Oudelandse banwatering. De kosten van deze stenen watervij­zelmolen be­droegen 500 gulden. Reden hiervoor was dat de sloten en vij­vers van zijn buiten in de zomer meest­al droog lagen, vooral de sloten aan de westzij­de langs de “Publicque Heere­wech" (Naaldwijkseweg), zodat "droog­voets over deselve konde werden gepasseerd en de voor­noemde Hoffsteede was openleggende voor alle quaade en ondeu­gende persoonen".Het herculesbeeld op ZuidwindLater in 1756 kocht Van Slingelandt van Jop Thoen, meestertim­merman te Delft, 284.000 stenen van het gesloopte Domeinkwar­tier van de lusthof Honselaarsdijk. Deze stenen werden per schip naar 's-Gravenzande vervoerd. Wat hiervan gebouwd is, is niet bekend. Deze tijd, het midden van de 18e eeuw was het hoogtepunt van deze fraaie buiten­plaats. De lanen die over de buitenplaats liepen waren verfraaid met beelden­groepen, waaronder een imposant beeld van een hercules­figuur. In vijvers werden water­vo­gels en goudvis­sen gehou­den. Verder was er een baan waar men met familie en vrienden het colf­spel kon spelen, in die tijd een zeer geliefde bezig­heid. Ook aan de westzijde van de buiten­pla­ats, aan de andere zijde van de huidige Naald­wijkseweg, werd grond gekocht tot aan de Maas­dijk toe. Op dit deel van de bui­ten­plaats was een kunstma­tige heuvel, waarvan men een prachtig uitzicht over de omge­ving had. Verder was daar in de tuinen een monumen­tale stenen bank geplaatst, de zoge­naamde Europabank. Aan de Zand­dijk, op de toen­malige geest van Van Straalen, ten westen van de oude molen stond het vinken­huis, waar tijdens de na­jaars­trek met netten vogels werden gevan­gen. Dat was waar­schijn­lijk voor consumptie maar ook als aanvul­ling van de mena­gerie. De menagerie van Zuidwind.Van deze buiten­plaats bestaat een serie unieke aquarellen die, in opdracht van Van Slingelandt, tussen 1744 en 1749 gemaakt zijn door A.Schouman. Deze aqua­rellen geven een prachtig beeld van deze bui­ten­plaats in al zijn barokke pracht en praal. Helaas is er uit die tijd geen plattegrond van de buitenplaats bewaard gebleven. Op de buitenplaats was werk voor talloze tuinlieden, die niet alleen de perken bij moesten houden en de laanbomen in model moesten knippen, maar ook tot taak hadden de meest exotische gewas­sen te verzorgen. Zo groeiden er sinaasappelboompjes en agaves in kuipen en verder perziken en ananas. De kuipplanten werden in de winter in de oranjerie geplaatst. Voor de perzi­ken, druiven en ananas waren speciale kassen gebouwd. In de ananaskassen moesten in de winter kachels gestookt worden om de planten vorstvrij te houden. De voormalige boerderij verbouwd tot de oranjerie van Zuidwind.Ook waren er koet­siers, paardenknechten en een uitge­breide staf aan huis­per­soneel. Bij de aanleg van de tuinen en de verbou­wings­werk­zaam­heden hebben veel 's-Gravenzanders arbeid ver­richt. Er zijn rekeningen bewaard gebleven waar­uit blijkt dat arbei­ders voor diverse werkzaamheden per week (toen nog 6 dagen) 5 gulden en 8 stui­vers ver­dienden. Voor o.a. het ver­plaatsen van grond met paard en wagen kreeg Jan van Staal­duijnen op 15 sep­tember 1758 3 gulden per dag.Na het overlijden van Mr. Hendrik van Slingelandt vond op 2 november 1761 een boedelscheiding plaats. De buitenplaats kwam daarbij in het bezit van zijn zoon Mr. Barthout, rijksbaron van Slinge­landt en Goidschalkxoord, burgemeester van Dordrecht (1731- 1798). Zijn tweede echtgenote was Magdalena Anna Elisabeth van Boetze­laar (1756-1809). Zij woonden permanent op huize Zuijd­wind, beiden zijn op de buitenplaats overleden. Mevrouw de barones Van Boetzelaer overleed op 8 augustus 1809. Bij akte van 12 november 1810 werd de buitenplaats door de executeur van het testament verkocht. De koper, Willem Hubert junior, betaalde voor het hele complex f 27.000,- met 5% pond­geld aan het gerecht van 's-Gravenzande en Sand- Ambacht en 5% rantsoen aan de notaris te 's-Gravenha­ge. Uit de verkoopakte krijgen we een goed beeld van de toen­malige buitenplaats. Verkocht werd: "De buitenplaats Zuidwind, met deszelfs Heeren Huizinge, geleegen onder s Gravenzande en zand Ambacht, circa twee uren van den Haag,bestaande dezelve huizinge in verscheidene behan­gene kamers waaronder voornamentlijk uitmunt een met vogels geschilderd behangsel door wijlen den beroemden A.Schouman. Voorts gedeeltelijk met schilderijen boven de schoorstenen en marmere schoorsteenmantels voorzien, benevens verscheidene domesticken kamers, mangelkamer, kapitale zolders, kelders en verdere appartementen en offices, tot eene zeer gedistingueer­de woning behorende. Hebbende hetzelfve gebouw een allerver­rukkelijkst en uitgestrekt uitzigt over een gedeelte der buijtenplaats en de landerijen rondom dezelve gelegen. Wijders een zeer ruime tuinmanswoning en getimmertens tot diverse gebruijken kunnende strekken, orangerie, schuuren, wagenkeet, spaciens koetshuijs en stalling. Zijnde dezelve buitenplaats en zijne bepptinge en beplantinge groot, zeven mergen en vierhonderd roeden, waarvan een aanmerkelijk gedeelte is beplant met zwaarde opgaande beuke en linde boomen gevarieerd wordende en deszelfs laanen door engelsch plantsoen en terras­sen, als ook een menagerie waarin meede een kapitale kom voor watergevogeltens, bevattende wijders moestuijnenn, boomgaar­den, goudvis- en ander vijvers, bloem en grasperken, steenen druijven, persikken en ananaskassen, zijnde de moestuijnen met exquise vrugtboomen van allerlei soort voorzien, alsmede nog den opstand van een watervijzelmolen tot het opmalen van het benodigde water van de plaats en voorts allees wat tot agree­ment en sierraad van een kapitale buijtenplaats kan verstrek­ken. Onder het verkogte wordt verstaan begreepen te zijn de boomen welken op de Herenweg ten westen en ten noorden van de vorengemelde buijtenplaats zijn staande alsmede de twee banken in de kerk te 's-Gravenzande. Voorts een perceel land, groot omtrent acht mergen, gelegen ten westen van de voorgaande partij beplant met zware eijken, beuken ijpe en abeeleboomen, waaronder eenoge zeer bekwaam tot werkhout en een partij hakbaar houtgewas. Voorts met diverse kapitaale laanen, alsook eene met palissade afgeslotene menagerie.".Kennelijk is de buitenplaats aangekocht voor de sloop. Dit lag ook wel in de lijn van de verwachtingen in die tijd, zo kort na de Franse revolutie toen Nederland verarmd was en bezit uit den boze was. In 1813 kwam het "gedemolierde" Zuijdwind in het bezit van de heer A.A. de Vries Robbe te 's-Gravenhage. Op de ter­reinen die tot de buitenplaats hebben behoord zijn in later jaren tuinde­rijen aangelegd, o.a. die van de heer Pieter van den Berg. Kennelijk is toch niet het gehele bezit door de familie Van Slingelandt verkocht. In 1833 vond namelijk nog een verhu­ring van een stuk land plaats aan Abraham van Straalen, bouw­man te 's-Gravenzande, door een zaakgelastigde van Agatha Jacoba van Slingelandt, echtgenote van de heer Amede Joannes Maria Ghis­lenus baron Defailly, grondeigenaar te Brussel.Nu is er niets meer aanwezig van wat eens de buiten­plaats was. In de tachtiger jaren zijn door de Historische Werk­groep Oud 's-Gravenzande de funderingen van het koetshuis opgegra­ven. Rond 1980 werd bij het leggen van leidingen aan de Zuidwind de funde­ring blootgelegd van de in 1753 gebouwde muur. De enige blij­vende herinnering aan de buitenplaats is de straat­naam Zuid­wind en de vreemde bocht in de Zuidwind op de hoek van de Oudelandstraat. Hier begon vroeger de oprij­laan naar het landhuis.Maquette van de buitenplaats Zuidwind.Onderdeel van de grote expositie in het Westlands museum is een maquette van de buitenplaats Zuidwind. Deze maquette kon met veel moeite uiteindelijk aan de hand van de vele aquarellen van Schouman gereconstrueerd worden. Rechts de wagenschuur met daarachter kassen mogelijk werden hier de ananassen geteeld. Daarboven is de oude boerderij te zien die in de winter als oranjerie werd gebruikt. Auteur: Jan Dahmeijer van de Vereniging Oud ’s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Johan Barthold Jongkind is terug in Midden-Delfland zondag 9 juni 2019 09:09

Streekhistorie: Johan Barthold Jongkind is terug in Midden-Delfland

Dit keer een toespraak van historicus Jacques Moerman in de boot op weg naar de onthulling van het standbeeld van Johan Barthold Jongkind op zondag 2 juni 2019. De schilder werd 200 jaar geleden, op 3 juni 1819, geboren. Vijfenveertig jaar geleden had ik een correspondentie met Victorine Hefting, voormalig directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag en schrijver van het eerste oeuvrewerk over de kunstenaar Jongkind. Het schrijven ging over het schilderij: ‘Wintergezicht op Klaaswaal’, volgens mij betreft het een ‘Wintergezicht op Schipluiden’. De toren van de kerk klopt, evenals boerderij Abbestee links op de voorgrond. Victorine hield het bij Klaaswaal. Zij wist niet dat Jongkind regelmatig als wandelaar gebruik maakte van het trekpad, en soms als passagier van de trekschuit, van Maassluis naar Delft. De kunstenaar heeft ook gezichten op Maassluis en Delft geschilderd, alsmede twee Delftse scheepswerfjes, waar trekschuiten werden onderhouden.Wintergezicht van Jongkind op Schipluiden of toch Klaaswaal in 1862?Twintig jaar geleden kwam ik in het bezit van een ets van Jongkind, een afbeelding in spiegelbeeld. Als je de ets omdraait, zie je een herkenbare situatie aan de Vlaardingsevaart, namelijk het Rechthuis van Zouteveen en twee molens. Hierover hebben we een correspondentie gevoerd met François Auffret, voorzitter van de ‘Société des Amis de Jongkind’. Hij deelde onze mening over de locatie van de ets en nam deze constatering op in zijn boek ‘Jongkind 1819-1891, Biographie Illustrée’, dat in 2004 is verschenen.Later ontdekten we nog enige kunstwerken van Jongkind van de trekschuitroute door Midden-Delfland, waaronder een ets met de Buijkslootmolen langs de Vlaardingsevaart en het schilderij ‘Le polder de Zouteveen’, mogelijk zijn laatste werk voor zijn dood in 1891. Op beide afbeeldingen is de trekschuit Maassluis - Delft te zien. Curieus is dat Jongkind aan het eind van zijn leven de plek schilderde, waar hij in zijn jeugd regelmatig langs liep. Het is goed dat hij vanaf vandaag in deze route nu zelf levensgroot is te zien. Galerie RitsArt in Maassluis heeft dit idee met de jonge stichting The Art Foundation heel attent en professioneel opgepakt. Ets van Jongkind van het Rechthuis van Zouteveen (situatie in spiegelbeeld), 1862.Betekenis van JongkindDe bekende Franse schilder Manet schreef dat Jongkind de vader van het moderne landschap is, Monet beschouwde hem als zijn leermeester en de enige goede schilder van watergezichten. Zola stond versteld van zijn werk en kende geen interessantere persoonlijkheid; Signac zag hem als geniale voorganger van het impressionisme. Jongkind leefde vanaf 1847 tot zijn dood in 1891 vooral in Frankrijk, zijn tweede vaderland. Het land ziet hem ook als lid van de Franse School. Hij was in zijn tijd in Frankrijk al beroemd. Algemeen wordt hij nu als voorloper van het impressionisme beschouwd. Hij schilderde al als impressionist, voordat het woord was geboren.Zijn jeugdJongkind werd op 3 juni 1819 in Lattrop Overijssel (bij Oldenzaal) geboren, hij woonde van zijn tweede tot zijn veertiende jaar in Vlaardingen (1821-1833). Zijn vader was daar Ontvanger van Accijnzen. In Vlaardingen heeft de familie Jongkind op meerdere locaties aan de Westhavenkade gewoond, waaronder in woningen die in voormalige pakhuizen waren gebouwd. In 1827 woonde het gezin voor het eerst in een normaal huis, Westhavenkade 59. Op de opvolger van dit pand is een gedenkplaat aangebracht, die naar Jongkind verwijst.In 1834 verhuisde het gezin naar Gouda, Johan Barthold woonde in dat jaar bij zijn oom Johannes Jongkind in Maassluis. Hij zou daar notarisklerk zijn geweest. Zijn vader overleed in 1836 in Gouda. Toen waren er nog drie van de acht kinderen minderjarig, waarna zijn moeder met het gezin naar Maassluis (1837) verhuisde. Ook daar woonde de familie op verschillende locaties, onder andere aan de Zuid- en de Noordvliet.Jongkind ging in 1837 (hij was 18 jaar) naar de Tekenacademie in Den Haag. In 1838 ging hij daar op kamers wonen; hij kwam nog wel regelmatig in Maassluis. Zijn vriend en medestudent Charles Rochussen schreef later over hun gezamenlijke studietijd: ‘Met genoegen herinner ik mij de wandelingen die wij met elkaar maakten, soms naar zijn moeder te Maassluis of naar zijn zuster te Klaaswaal. Onderweg was hij altijd aan het schetsen.’ Rochussen: ‘Hij teekende met gewoon zwart krijt en het was wonderlijk zijn vaste hand en zijn begrip van kleur en lijnen gade te slaan.’ Zijn schetsboekjes liggen nu in het Louvre en waren voor hem vaak het uitgangspunt voor zijn latere tekeningen, etsen, aquarellen en olieverfschilderijen. In Den Haag kregen Rochussen en Jongkind les van Adriaan Schelfhout, een schilder van de Romantische School. De eerste schilderijen van Jongkind, onder andere zijn ‘Gezicht op Delft, vanaf de Vliet’, passen nog in die stijl. Maar al snel ontwikkelde de kunstenaar een eigen stijl. Een tijdgenoot omschreef Jongkind als volgt: ‘een langen blonden knaap, met blaauwe oogen, van het blaauw van Delftsch aardewerk, met een mond met uitgezakte hoeken…’Water blijkt op hem de meeste aantrekkingskracht te hebben. Dit was geen toeval. In zijn jeugd woonde hij in twee havensteden: Vlaardingen en Maassluis. Hij heeft prachtige haven-, rivier- en strandgezichten in Frankrijk geschilderd. De meest geliefde schilderplekken waren voor hem: Dordrecht, Overschie en Honfleur.Patineurs à Maassluis, olieverf van Jongkind, 1866.Jongkind verlootte zijn eerste werk. In 1834 schreef hij aan B&W van Vlaardingen een brief: ‘dat het hun Edelachtbaren moge behagen hem tot het doen eener verloting bestaande uit 70 loten à eene gulden het lot en wel van twee schilderijen voorstellende het eene een gezigt op Maassluis en het andere op Vlaardingen, door hemzelve vervaardigd, goedgunstig tot te staan. Welke verloting hij alsdan zoude verlangen kwam plaats hebben in de Hollandsche Tuin op den 29 April a.s.‘ De schilder kocht zelf ook enige loten….De Hollandsche Tuin was een herberg, waar ook huizenveilingen plaatsvonden. Het pand stond in de Hoogstraat. Het geld was een welkome aanvulling op een studietoelage van 200 gulden die hij in 1836 van de Prins van Oranje, de latere koning Willem II, heeft gekregen. Hierdoor kon hij de Haagse Tekenacademie volgen en werd het voor hem mogelijk om zich als zelfstandig kunstenaar te vestigen. Zijn moeder heeft hem altijd gestimuleerd, ook toen hij zijn geluk zocht in Frankrijk, waar hij uiteindelijk het meeste succes kreeg. De waardering voor zijn persoon en kunst is in Nederland gestegen door een grote tentoonstellingen over zijn werk in het Gemeentemuseum in Den Haag (in 2003/2004) en in het Dordrechts Museum (in 2017/2018). In 2015 hebben we in de ‘Cultuurhistorische inventarisatie van de trekvaartroute tussen Delft en Maassluis/Vlaardingen’ voor het eerst uitgebreid aandacht besteed aan Jongkinds’ werk in relatie tot deze vaarroute. Het boekje is te downloaden via de website van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden. De verschijning ervan is niet onopgemerkt gebleven. Beeld van Jongkind door Rob Houdijk op de hoek van de Noordvliet (Maassluise Trekvliet) en de Vlaardingsevaart. Foto: Jacques Moerman.In het Museum van Vlaardingen is momenteel een uitstalling te zien van ca. twintig schilderijen van Jongkind, waaronder een ‘Gezicht op Delft’ en een ‘Gezicht op Maassluis’. Ga het zien… en vier vanaf vandaag (2 juni 2019) zijn terugkeer in Midden-Delfland. Het beeld van Jongkind staat op de hoek van Noordvliet en de Vlaardingsevaart. Hij liet zich hier in zijn jeugd overzetten met het veerpontje van het Rechthuis van Zouteveen, waarna hij zijn voettocht naar Den Haag of Maassluis voortzette. Het beeld - ook een voorbeeld van impressionisme - is gemaakt door de bekende kunstenaar Rob Houdijk.Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden.
Lees meer
Streekhistorie: De Buitenplaats van Salomon Swerius en zijn Sweeruslaan zondag 2 juni 2019 09:09

Streekhistorie: De Buitenplaats van Salomon Swerius en zijn Sweeruslaan

De Westlandse Buitenplaatsen staan de laatste tijd flink in de belangstelling. In december 2018 werd het mooie boek over de Westlandse Buitenplaatsen gepubliceerd. Op 28 april 2019 startte er in het Westlands Museum een nieuwe, uitgebreide tentoonstelling over de Buitenplaatsen, die nog door loopt tot 15 maart 2020. Uit het boek en de tentoonstelling blijkt dat het Westland vele buitenplaatsen, ook wel hofsteden genoemd, heeft gehad vanaf eind zestiende eeuw. Maar er zijn er weinig van overgebleven. Dat geldt ook voor de buitenplaats van Salomon Swerius, waarvan alleen de straatnaam Sweeruslaan nog is blijven hangen. Waar lag/ligt de Sweeruslaan?De Sweeruslaan was een van de kleine zijlanen van het Oosteinde in Wateringen. Vanaf de Herenstraat ging je het Oosteinde op richting Rijswijk. Dan kreeg je aan je linkerhand achtereenvolgens de Kwaklaan, De Korte Kwak, de Uilenlaan, de Druivenlaan en de Sweeruslaan.Voor het tankstation naar links; dan kwam je aan het begin van de Sweeruslaan langs de families Holsteijn, Van der Helm en Koenen. Verder naar achteren was een bocht naar links en kwam je bij familie Bernard Zwinkels en familie Van Santen. Er van daar liep naar rechts een voetpad door naar de Noordweg. Per 1 januari 1994 werd dit deel van Wateringen geannexeerd door gemeente Den Haag en werd de Sweeruslaan dus een Haagse straatnaam (zie de topografische kaart van oktober 1995).Op 18 december 2013 nam de Haagse gemeenteraad het volgende besluit: Als gevolg van een grenswijziging behoort de Sweeruslaan (Escamp) vanaf 1 januari 1994 bij de gemeente Den Haag, voorheen behoorde deze straat tot de gemeente Wateringen. Besluit de in 1994 overgekomen straatnaam Sweeruslaan vanuit de gemeente Wateringen in te trekken (straatcode 20956). Nu ligt daar de Laan van Wateringse Veld. Vreemd is het dat op de kaart van Google Maps van 2019 de straatnaam Sweeruslaan nog voorkomt, terwijl deze feitelijk al is ingetrokken. Onvergeeflijk dat Den Haag zo’n besluit nam, terwijl deze laan zo'n bijzondere geschiedenis heeft.Kaart van Google Maps 2019 met vermelding van SweeruslaanHet ontstaan van de SweeruslaanOp oude kaarten komen we de contouren van de Sweeruslaan al tegen. Op de kaart van 1631 van de gronden van de Abdij van Leeuwenhorst in Wateringen zien we aan de rechterkant een 'Kerk padt' liggen lopend van Vlietwech (Suijtwech, nu Oosteinde) naar De Lange Noortwech. Dit Kerkpad is de voorloper van de Sweeruslaan! Rechts van dit Kerkpad lagen van onder naar boven de landerijen van Bartel Dircx (van der Valk), de Abdij van Leeuwenhorst (groen gekleurd) en Arent Jansz. (Olsthoorn). Tussen de Vlietwech en de Molenwateringe (de Vliet) staat links van dit Kerkpad een huis. Dit is het huis van Bartel Dircx. (van der Valck). Kaart van Abdij van Leeuwenhorst uit 1631 deel WippolderDetail kaart van Abdij van Leeuwenhorst uit 1631 huis Bartel DircxWillemina Sas, weduwe van Dirck BortIn 1641 verkocht Bartel Dircx zijn huis, bijhuis, schuur, bargen, boomgaarden en landen gelegen in de Wippolder als ook in de polder van Nieuw Wateringveld aan Willemina Sas, weduwe van Dirck Bort in zijn leven klerk ter Griffie van de Staten-Generaal. De transactie omvatte bijna 11 morgen in de Wippolder en bijna 14 morgen in de Nieuw Wateringveldse Polder. Zij woonde in 's-Gravenhage en gebruikte deze woning in de zomer als Buitenplaats. In de jaren 1643, 1646 (2 maal) en 1648 kocht Willemina Sas respectievelijk van Arijen Houckwater bijna 8 morgen in de Nieuw Wateringveldse polder, van Jacob Arijensz. Hoogerscheijt 4½ morgen in de Wippolder, van de erfgenamen van Jacob Cornelisz. Valck bijna 4 morgen in de Wippolder en van Zijne Hoogheid de Prins van Oranje (Frederik Hendrik) bijna 5 morgen in de Wippolder. Alle gekochte percelen grensden aan een zijde aan haar reeds in bezit zijnde eigendommen. Van de twee stukken land uit 1646 werd al gesproken over een uitpad naar de Vlietwech, welke toebehoorde aan Willemina Sas en de erfgenamen van Jacob Cornelis den Boer. Zo bezat zij in 1648 bijna 20 morgen in de Wippolder aan beide zijden van het Kerkpad en 22½ morgen in de Nieuw Wateringveldse Polder.Juffrouw Willemina Borth, minderjarige dochter en erfgenaam van wijlen mr. Nicolaes BortIn 1688 kochten mr. Louwerens Raavens, mr. Johan van Alphen en mr. Franchoijs van Bockhooven tesamen in kwaliteit als testamentaire voogden over juffrouw Willemijna Borth van Juffrouw Clara van Buijren, weduwe van de heer Pieter van Aldeweerelt een strookje teelland lang 107 roeden en breed 3 roeden, groot in het geheel 321 roeden - ten oosten van verkoopsters haar land en streckende van de Noortwegh off tot aent lant geleegen in de Wippolder onder Wateringh van de voorn coopers … voor de somme van 321 guldens. Tevens werd overeengekomen dat in de breedte van 3 roe (ruim 11 meter) de kopers een sloot van 8 á 10 voeten (2½ tot 3 meter) mochten delven waarvan het ‘spijs’op het resterende gekochte land moest worden gesmeten om het zo op te hogen en zo een eigen laen te maken van 107 roe (400 meter) van de Noordweg naar hun eigen land. Deze strook was het noordelijk deel van het Kerkpad dat op het perceel van Clara van Buijren lag; links van het groene vlak liep het Kerkpad verder over percelen die door de familie Bort in 1641 gekocht waren, naar de Suijtwech (nu Oosteinde). Kaart van Abdij van Leeuwenhorst uit 1631 met KerkepadtMen vond de breedte van de laan zeker onvoldoende want in 1689 werd door bovengenoemde voogden nogmaals een strook grond gekocht bij Clara van Buijren voor 327 gulden van 3 roeden lang en 107 roeden breed ten westen van de in 1688 gekochte strook. In 1690 werd gemeld dat deze laan reeds voltooid was en er zodoende een eigen verbinding was van de Buitenplaats aan de Suijtwech naar de Noortwech.In 1698 kochten de voogden in de Wippolder nog een stuk patrimoniaal stuk teelland van 4½ morgen van Meijndert van Buuren in de Wippolder ten noorden de Noordweg, ten zuiden Willemina Bort zelf.Salomon Swerius en Willemina BortAl deze gronden bracht Willemina Bort in bij haar huwelijk in 1704 met Salomon Swerius, een koopman uit Amsterdam. Er werden huwelijkse voorwaarden opgesteld en er werd een beschrijving gegeven van de inventaris van ingebrachte goederen van Willemina Bort. Hierna merken we dat Salomon en Willemina hun Buitenplaats verder uitbouwden.Waarschijnlijk hadden ze extra gelden nodig, want in 1707 verkocht Salomon Swerius het perceel teelland dat voor Willemina in 1698 gekocht was aan Pieter Pietersz. Couwenhoven voor 1300 gulden. Salomon en Willemina woonden in Amsterdam. Het gezin groeide ook door de geboorten van Nicolaes Francois, Willem Frederik, Harmen Cornelis, Cornelia Elisabeth, Gerardus Marinius en Henderina in resp. de jaren 1706, 1708, 1710, 1712, 1714, 1718. Deze zullen zich op de Buitenplaats in de zomer best vermaakt hebben. In 1724 woonden Salomon en Willemina in ’s-Gravenhage toen zij ruim 5 morgen weilanden kochten in de Nieuw Wateringveldse Polder van de Weesmeesters van Delft.In 1727 werd de Laan van Swerius in een akte aangehaald. Salomon Swerius verkocht binnen zijn landerijen twee strookjes grond aan Willem Clase van Heijningen. Het eerste vanaf de Suijtwegh tot de Vliet van 3 roe breed en 25 roe lang langs het pad daar Couwenhoven en zijn volk nu overgaan en het tweede gelegen over de Vliet groot 18 roeden uijtgesondert het padt aan de kant van de sloot daar Couwenhoven cum suis overgaat 't welk in eijgendom sal blijven aan de verkooper.Na het overlijden van Salomon Swerius in 1756 en van zijn weduwe Willemina Bort in 1761 waren Hermanus Cornelis Swerius en zijn zusters Cornelia Elisabeth Swerius en Hendrina Wilhelmina Swerius, ongehuwde juffrouwen, de enige nagelaten kinderen en erfgenamen. Willemina woonde in bij haar door in Wateringen en werd met 'een Jagt' naar Delft gebracht om daar begraven te worden. Na haar dood werd de Buitenplaats niet meer gebruikt en daarom verkochten de erfgenamen in 1764 deze met ruim 13 morgen voor 7.800 gulden aan Jacob Gael, eigenaar van de Buitenplaats Het Hof van Wateringen en voor de helft van Buitenplaats Suydervelt.De Buitenplaats werd als volgt omschreven: Een Schoone en Welgelegen Buijtenplaets, bestaande in een Heerenhuijsinge, Tuijn, Plantagie, Laentjes en Speelhuijs, alsmede een Annexe Boerenwoninge, als Huijs, Stallingen, Schuur, Bargen, Tuijn, Weij, Hooij en Taellanden in 't geheel groot 13 Mergen, 2 hond en 58 Roeden alle Staende ende gelegen in de Wippolder onder den Ambagte van Wateringen beoosten het Dorp strekkende in het geheel van de Zuid- off Kleijweg af met een Laen of Hogeweij tot aen de Noord- off Sandweg.Kaart van Kruikius 1712 met Buitenplaats van Salomon SweriusOp de kaart van het Hoogheemraadschap Delfland uit 1712 van landmeter Kruikius is de Buitenplaats in de rode cirkel weerggegeven. De Laan van Swerius loopt van daar naar de Lange Noort Wegh en werd op deze kaart 'Jan Smittenkade' genoemd. De oorsprong daarvan is nog niet achterhaald.Jacob Gael had de Buitenplaats Swerius niet gekocht om te verblijven. In de verpondingen (belastingen) van ambacht Wateringen vinden we namelijk dat de naam van De Heer Salomon Swerius is doorgehaald en in de marge vervangen werd door 1765 Mr. Jacob Gael met de opmerking in 1766 afgebroke woning f. 5,-. De kwaliteit van de Buitenplaats zal dus in de laatste jaren flink achteruit zijn gegaan en door Jacob Gael te gelde zijn gemaakt.Zicht op de Sweeruslaan in 1999 (foto Cees van der Doef)Maar de Laan van Swerius bleef in de volksmond wel bestaan. Al werd die wel verbasterd tot Sweeruslaan. En die naam heeft tot 2013 stand gehouden. Wellicht dat in de toekomst toch nog ergens een Sweeruslaan (en/of Bortlaan) als nieuwe straatnaam wordt vastgesteld. Want feitelijk had de familie BORT meer rechten op de naam van de laan dan SWERIUS!Zicht op de Sweeruslaan in 1999 (foto Cees van der Doef)Bronnen: Historisch Archief Westland; R.A. Wateringen No. 32, 33, 34, 38, 39, 40, 41, 42, 45; G.A. Wateringen No. 29; Haags Gemeente Archief Collegebesluiten 2013; Stadsarchief Amsterdam D.T.B.’s; Het Utrechts Archief stukken familie Van Hengst nr. 790 en Anton van der Valk waarvoor dank.Auteur: Chris Batist van de Historische Vereniging Wateringen Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Achter de Bergen, Bredenel en Endeldijk zondag 26 mei 2019 09:09

Streekhistorie: Achter de Bergen, Bredenel en Endeldijk

Straatnamen verwijzen vaak naar de historie van een dorp of streek. Als je weet waar ze voor staan, dan lees je al wandelend een geschiedenisboek. Honselersdijk heeft bijna 80 straatnamen die een streekverhaal vertegenwoordigen. Een groot aantal hiervan zijn dan ook uniek in Nederland. In dit artikel worden er drie toegelicht. Achter de BergenEen wat rare naam in dit vlakke Westland. Het heeft dan ook niets te maken met het landschap. Op deze plek heeft waarschijnlijk een boerderij met hooibergen gestaan, wat terug te vinden is op een prent uit 1785 van Isaac van Ketweg. Het plaatsje Dwingeloo in Drenthe kent een straat met de naam Achter de Bargen. Omdat ‘barg’ en ‘berg’ allebei afgeleid zijn van overdekte hooibergplaats, stel ik ze aan elkaar gelijk. In Honselersdijk is de naam al meer dan 150 jaar in gebruik. Wel bijzonder dat er in Nederland duizenden hooibergen gestaan hebben en Achter de Bergen toch uniek is.Dit bord in Poeldijk verwijst naar straten in HonselersdijkBredenelDe Bredenel was tot voor kort een heel gewoon Westlands tuinderspad. Ik denk dat in Honselersdijk bijna niemand het kent. Je komt er als je er zijn moet of als je het Regulierenpad wil bereiken. En tot midden juli ook als je met de fiets omgeleid wordt vanwege de afsluiting van het Poeldijksepad. Krantenartikel uit De Westlander van 25 mei 1973Je kan er ook wandelen. In 1973 werd in de nacht van 18 op 19 mei een tocht van 60 km van de kust naar Rotterdam georganiseerd. Deze ging vanaf Poeldijk ‘binnendoor’ via Gantel, Bredenel en Regulierenpad naar Honselersdijk, waar de deelnemers bij café Bij ’t Hof een tussenstop konden houden. De wandelaars zullen in die tijd tussen nieuwe kassen gelopen hebben. De route is vandaag de dag niet meer te construeren omdat het Regulierenpad doodloopt. Maar kennelijk waren deze tuinderslaantjes de moeite waard om in het artikel te vermelden. De kans dat je iemand kent die erbij was, is trouwens klein: van de 63 deelnemers kwamen er maar vijf uit het Westland. Vermoedelijk kennen Poeldijkers de straatnaam beter. Ook hier lag een stukje van dit pad, maar recente nieuwbouw heeft het weggevaagd. Nu is er alleen nog een Bredenel in Honselersdijk.Krantenartikel uit De Westlander van 1 januari 1971Maar waar komt die naam vandaan. Bredenel is waarschijnlijk een verbastering van ‘Den Brede Hel’, de naam van een hoeve uit de 14e eeuw. Een bijzondere naam. Het ligt vóór de dijk die de Gantel in toom moest houden en daarmee zal het geregeld last hebben gehad van de hoge waterstand in deze kreek. De grond was destijds in handen van een 's-Gravenzandse familie en is als legaat geschonken aan het Regulierenklooster. De hoeve is verdwenen en het Convent heeft er een uithof gevestigd, waar we verder geen gegevens van hebben. Een ‘uithof’ is een grote kloosterboerderij met vaak veel bijbehorende landerijen, die ik het bezit is van een kloosterorde, maar veelal door lekenbroeders werd beheerd of werd verpacht. Daarmee is de naam van het sportcentrum in Den Haag ook verklaard.EndeldijkDeel van oude ansichtkaart van de Endeldijk met verkeerd gespelde naamDe naam van deze straat is wat vaag. Etymologisch is het mogelijk een samenvoeging van einde + dijk met een ‘l’ als verbinder zoals vaker in het Middel-Nederlands gebeurde (net als endeldarm en middeleeuwen). Deze voorvader van onze huidige taal werd 500 tot 700 jaar geleden hier gesproken, wat duidt op een oude herkomst. In de Atlas van het Westland is een kaartje opgenomen, waarop de bedijking van de Gantel is weergegeven. Hierop staat dat het zuidelijke dijktracé door Honselersdijk rond het jaar 1150 is aangelegd. De dijk is een verhoging van een natuurlijke oeverwal en stopte abrupt.Deel van oude ansichtkaart van hetzelfde stukje Endeldijk, maar dan Mariondijk genoemd.Logischer wijs zou het laatste stuk van de dijk Endeldijk heten, maar dat is niet zo. Het laatste deel heet ‘Merryendijck’ (Mariëndijk) zoals op de kaart van Hoogheemraadschap Delfland te lezen is. Wanneer de naam Endeldijk voor het eerst aan de straat toegekend is, is niet bekend. Deel van een kaart van Delfland uit 1611De buitenplaats Endeldijk lag in elk geval niet aan het einde van deze dijk, maar ergens halverwege het dorp Honselersdijk en een hoeve met de tot de verbeelding sprekende naam De Wilde Zee, die wel aan het einde lag. Hier is de dijk middels een haakse bocht verbonden met de Middel Broekweg, maar die verbindingsweg lag niet verhoogd en was dus geen dijk. In Nederland is maar één andere straat die Endeldijk heet. Deze ligt in de na-oorlogse wijk Hordijkerveld in Rotterdam IJsselmonde. Het B&W besluit van Rotterdam dateert uit 1961 en vermeldt: “Endeldijk is een huis onder Naaldwijk, bezongen in een 'hofdicht' door de eigenaar Willem van der Pot (1768).” Deze Willem van der Pot behoorde tot een rijke Rotterdamse koopmansfamilie en schreef gedichten. Samen met zijn broer Cornelis was hij in 1726 een van de oprichters van het dichtgenootschap „Natura et Arte" te Rotterdam. Maar dat heeft hen geen van beiden een straatnaam in deze stad opgeleverd. In 2009 is wel de Mariëndijk toegevoegd aan het straatnamenregister van Rotterdam, in dezelfde wijk Hordijkerveld.kaartje van de aanleg van de Nieuwe Tuinensloot In Honselersdijk heeft Willem van der Pot wel een straat gekregen. Willem bezat sinds 1741 een herenboerderij die hij opwaardeerde tot buitenplaats. Aan de Nieuwe Tuinensloot - die hij had laten graven naast zijn buitenplaats - stichtte hij zestien fruithoeven voor arme gezinnen. Dat kwalificeerde hem in 1960 voor een eigen straatnaam in de burgemeestersbuurt: Willem van der Potstraat. Ook de straat Stompersdijk – vernoemd naar de herenboerderij Stomperdijk (zonder ‘s’) die Van der Pot in 1742 kocht en bij zijn buitenplaats voegde – ligt in deze wijk van Honselersdijk. En is uniek in Nederland.Het Historisch Archief Westland op haar website en rubriek Straatnamen in het Westland waar je de betekenissen kan vinden. Na De Lier en Maasdijk is recentelijk Honselersdijk toegevoegd.Achter de Bergen in 1977Tijdens het Historisch Café in Honselersdijk toont de historische vereniging een mooie serie foto’s van de omgeving van de Prinsengracht en worden meer straatnamen besproken. Dinsdag 11 juni vanaf 20.00 uur in de kerkzaal (voormalige smederij) op Achter de Bergen 6. Inloop vanaf 19.30 uur. De toegang en de koffie zijn gratis.Auteur: Jolanda Faber van de Historische vereniging Naaldwijk Honselersdijk.Foto’s en krantenknipsels zijn afkomstig uit de beeldbank van Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: De laatste reis van het ss Prinses Juliana zondag 5 mei 2019 11:11

Streekhistorie: De laatste reis van het ss Prinses Juliana

Het verhaal van de 1e compagnie van het 2e bataljon van het 40e Regiment Infanterie. De 1e compagnie van het 2e bataljon van het 40e Regiment Infanterie (1-II-40-RI) was vanaf het begin van de mobilisatie in 1939 gelegerd in Zeeuws Vlaanderen, in het rustige dorpje Groede enkele kilometers ten westen van het stadje Breskens. Het 2e bataljon stond onder commando van kapitein Van Zoest. Op 8 mei 1940 werden de soldaten in staat van alarm gebracht en werden zij belast met de bewaking van de Westerschelde oever. Op de ochtend van de 10e mei 1940 werden de soldaten omstreeks 04.00 uur gewekt met de kreet: “Jongens, het is oorlog” Kort daarna vlogen er drie vijandelijke vliegtuigen over. Sommige soldaten schoten erop met hun geweren. Kort na het uitbreken van de oorlog trokken Franse troepen vanuit het zuiden Zeeuws-Vlaanderen binnen. Een aantal eenheden stak, met de veerboten via Breskens naar Vlissingen, de Westerschelde over en namen op Walcheren posities in. Op 11 mei 1940 kregen de soldaten van 1-II-40-RI opdracht op te breken en naar Breskens te marcheren. Zij moesten, zeer tegen de zin van vice Admiraal Van der Stad, bevelhebber Zeeland, naar IJmuiden om daar de troepen te versterken. Te Breskens gekomen gingen de soldaten aan boord van de veerpont naar Vlissingen. In Vlissingen aangekomen marcheerde men naar de haven waar de veerboot ss. Prinses Juliana van de Maatschappij Zeeland lag. Boven Walcheren vonden die dag diverse luchtgevechten plaats tussen Duitse en Franse gevechtsvliegtuigen. De Franse jagers beschermden de Franse militairen welke oprukten naar Vlissingen en Middelburg. Ook het vliegveld bij Vlissingen werd aangevallen door Duitse Heinkel bommenwerpers en Messerschmitt 109 jagers. Het vliegveld werd verdedigd door middel van luchtafweergeschut. In de haven aangekomen gingen de manschappen en officieren van de 1e compagnie, ongeveer 200 man, onder chaotische toestanden, samen met hun paarden en materieel aan boord van het ss. Prinses Juliana. Aan boord gekomen stelde men de mitrailleurs aan dek op, het schip had geen eigen bewapening. Kort na het inschepen werd het schip aangevallen door Duitse vliegtuigen en er viel een vliegtuigbom ongeveer 10 meter naast het schip in het water. Een aantal soldaten raakte doorweekt van het opspattende water en een complete moddergolf sloeg over het dek. De manschappen riepen dat het menens was en begonnen het schip weer te verlaten. Een groot deel van deze soldaten waren boerenjongens die voor het eerst zo ver van huis waren en nog nooit een zeereis hadden gemaakt. Kapitein Van Zoest beval de mannen weer aan boord te gaan. Dit deden ze toen er een detachement marinetroepen (ongeveer 80 man) o.l.v. reserve 1e luitenant der mariniers Pronk aan boord gingen. Deze marinetroepen zouden ook meegaan naar IJmuiden.Nadat alles was ingescheept vertrok de Prinses Juliana uit de haven van Vlissingen en voer via de Scheldemonding richting Noordzee. Het schip had geen escorte van oorlogsschepen en slechts enkele lichte mitrailleurs als bewapening. Onder de Belgische kust ging men voor anker. Op zondag 12 mei 1940 (1e Pinksterdag) haalde het schip in de vroege ochtend uren, omstreeks 03.30 uur, het anker op en voer langs de kust naar het noorden, bestemming IJmuiden. Om 08.30 uur was er een luchtaanval van Duitse vliegtuigen op het schip. Er ontstond echter geen schade. Omstreeks 10.30 uur voer het schip ongeveer op 6 mijl dwars van Hoek van Holland toen het opnieuw werd aangevallen. Er naderden een formatie van negen Duitse bommenwerpers. Drie toestellen zwenkten naar het westen en drie naar het oosten. De overige drie Junkers Ju88 bommenwerpers vielen het schip aan, wierpen bommen af en beschoten het schip met hun boordmitrailleurs. De mitrailleurkogels sloegen in op het dek en in de dekhuizen. De bommen welke nabij het schip in het water vielen veroorzaakten waterfonteinen welke over dek sloegen. Vanaf het schip probeerde men met de mitrailleurs en geweren op de Duitse vliegtuigen te schieten. Er vielen geen doden of gewonden.Het ss. Prinses Juliana II na de luchtaanval, met gestreken sloepen.Plotseling werd de Prinses Juliana aan de achterzijde geraakt door de explosie van een vliegtuigbom welke vlak naast het schip in het water viel. Door de explosie ontstond een gat van een halve meter en raakte het stuurgerei onklaar. Het schip maakte slagzij over bakboord en richtte zich niet meer op. Kapitein J.P. Nonhebel gaf opdracht om het schip te verlaten en de soldaten renden naar de sloependekken. Men streek de sloepen en gooide vlotten in zee. Een aantal opvarenden sprong vanaf het schip in zee. Ondertussen waren de Duitse vliegtuigen gedraaid en ondernamen opnieuw een duikaanval op de Prinses Juliana terwijl ze het schip en de sloepen in zee beschoten met hun boordmitrailleurs. Het was een chaos rond de veerboot. Er lagen zeven sloepen en diverse vlotten vol met mensen in het water en er zwommen mensen rond. Rondom het schip was het lawaai van jankende vliegtuigmotoren, gierende en exploderende bommen en exploderende granaten. De Duitse vliegtuigen braken echter plotseling hun aanval af omdat er vier Britse torpedojagers uit de richting Hoek van Holland verschenen. Deze schepen schoten met hun luchtdoelgeschut op de vliegtuigen, waardoor deze gedwongen waren om hoger te gaan vliegen. Hierdoor had hun aanval geen effect meer waarna zij verdwenen.Paarden van de infanterie aan dek.                                                   Reddingsactie soldaten infanterie.De Britse torpedojager HMS. Wild Swan, het bewakingsvaartuig BV 43, een loodsboot en enkele vissersschepen namen alle opvarenden van de Prinses Juliana aan boord. De soldaten moesten echter hun wapens en uitrusting achterlaten. Het was een wonder dat er bijna geen slachtoffers vielen. Het enige slachtoffer was een bemanningslid, J. Looise, een stoker. Hij stierf aan een hartaanval en werd te Hoek van Holland begraven. De manschappen van de 1e compagnie van het 2e bataljon van het 40e Regiment Infanterie en de mariniers werden aan wal gebracht in Hoek van Holland en opgenomen in het Fort aan den Hoek van Holland. Deze manschappen waren zodanig over hun toeren dat zij niet meer direct konden worden ingezet. Nadat de soldaten van de 1e compagnie in het fort van schone, droge kleding en een aantal wapens waren voorzien werden zij in de fruitloods aan de Harwichkade ondergebracht. Zij werden ingeschakeld bij het vervoer van munitie, het maken van loopgraven, wachtdiensten en dergelijke. Deze soldaten zouden IJmuiden niet meer bereiken. De directe omgeving van de fruitloods werd gedurende deze dagen regelmatig door Duitse vliegtuigen onder vuur genomen en gebombardeerd. De diverse stukken luchtdoelgeschut en het luchtafweer geschut van de Britse torpedojagers te Hoek van Holland beschoten deze vliegtuigen, terwijl er ook enkele luchtgevechten plaats vonden met Britse jagers.De manschappen van het marine detachement werden voor de helft van andere geweren voorzien en werden samen met 40 manschappen van het fort naar het eiland Rozenburg gezonden. Daar waren ook Duitse soldaten geland. Reserve luitenant Pronk probeerde met hulp van een aantal van zijn mannen met een logger en de reddingboot de gestrande veerboot te bereiken om uitrustingstukken en wapens van boord te halen. Hij werd echter regelmatig onder vuur genomen door overvliegende Duitse vliegtuigen. Hierop besloot hij ’s-nachts opnieuw een poging te ondernemen. In de nacht bleek echter niemand aanwezig te zijn om de reddingboot te varen, waarop Pronk het met de logger probeerde. Door een stevige zeegang en de ondiepten bij het wrak voor de logger lukte het niet om de goederen van boord te halen.Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei 1940, onder druk van het bombardement op de stad Rotterdam en onder dreiging van bombardementen op andere Nederlandse steden, trokken de Duitse troepen op 16 mei Hoek van Holland binnen. De Nederlandse militairen werden krijgsgevangenen en moesten op last van de bezetter op 17 mei naar Den Haag marcheren waar zij in een school aan de Wouwermanstraat werden gedemobiliseerd en naar huis mochten. Het gebroken wrak van de Prinses Juliana II op de zandbank.De verlaten Prinses Juliana werd door de stroming en de wind in de richting van de kust gedrukt en door twee sleepboten schuin voor strandpaal 117 (51.59.53 NB en 04.06.38 OL) op de zandbanken gezet, terecht waar het schip in tweeën brak. Tijdens de oorlogsjaren werd tijdens oefeningen het wrak als schietschijf gebruikt door het 15 cm geschut van de Duitse kustartillerie te Hoek van Holland. Ook de Duitse schnelboten gebruikten tijdens hun oefeningen het wrak als aanvalsdoel. Het wrak zakte langzaam weg in het zand en ligt, aangegeven door een wrakboei, nog steeds op dezelfde plaats. Door het opspuiten van het Hoekse strand kwam het wrak wel dichter bij de kust te liggen.Het stoomschip PRINSES JULIANA II werd in 1920 bij de Kon. Mij. De Schelde te Vlissingen gebouwd voor de Maatschappij Zeeland te Vlissingen. Op 15 augustus 1920 maakte zij haar eerste reis van Vlissingen naar Folkestone in de nachtdienst. Op 13 juli 1922 ging het schip over op de dagdienst naar Folkestone. Later ging het schip op de route Vlissingen – Harwich varen. Het schip was 2.908 BRT. groot. Bronnen: In het zicht van de Haven, scheepsstrandingen bij Hoek van Holland 1875 – 1940. P. Heijstek en G.R. van Veldhoven. Uitg. De Bataafse Leeuw 1984.Harwich - Hoek van Holland. 100 jaar veerdienst. Miles Cowsill, Frank Haalmeijer en John Hendy. Uitg. Stena Lijn 1993.Worsteling om Walcheren, 1939 – 1945. Hen Bollen en Jantien Kuiper-Abee. Uitg. Terra. Zutphen. 1985. artikel in het blad voor oudgedienden; “Opmaat” , nr. 3. april 1997. geschreven door Arne Zuidhoek.Diverse verslagen afkomstig uit het archief van de krijgshistorie te Den Haag:Verslag van Commandant Westfront Vesting Holland over de periode van 10  t/m 14 mei 1940. Verslag over de krijgsverrichtingen in de positie Hoek van Holland. Verslag van de Positiecommandant Hoek van Holland, Kapitein Luitenant ter  Zee, J. van Leeuwen.De foto’s van het ss. Prinses Juliana II zijn afkomstig uit de collectie van H. van der Lugt.De foto van het gebroken wrak is een kopie afkomstig uit het fotoarchief van L.L. von Münching.Auteur: Dirk Ruis, historisch onderzoeker voor de St. Fort a/d Hoek van Holland en het Historisch Genootschap Hoek van Holland.
Lees meer
Streekhistorie: Het lot van de Monsterse slagersfamilie Van Leeuwen zondag 28 april 2019 11:11

Streekhistorie: Het lot van de Monsterse slagersfamilie Van Leeuwen

Op 4 mei worden de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht. Onder de zes miljoen slachtoffers van de Holocaust waren vijf leden van de Joodse slagersfamilie Van Leeuwen uit de Zeestraat in Monster. In de negentiende eeuw telde Monster enkele tientallen Joodse inwoners. Veelal waren ze werkzaam in de handel of verdienden ze de kost als ambachtsman. Door de trek naar de stad, waar de mogelijkheden om rond te komen beter waren dan in een dorp, liep hun aantal aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw geleidelijk terug. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden er in Monster nog enkele alleenstaanden met een Joodse achtergrond en één Joods gezin. Dat was het uit vier personen bestaande gezin Van Leeuwen. Vader Mozes van Leeuwen, geboren in 1880, was afkomstig uit Naaldwijk. Zijn ouders, Levie van Leeuwen en Roosje Cats, dreven daar een slagerswinkel in de Prins Hendrikstraat. Mozes zal daar als jongeman meegeholpen hebben in de zaak van zijn vader.Van Naaldwijk naar MonsterIn 1907 vertrok hij samen met zijn zus Naatje naar Monster. Hij werd in Monster ingeschreven als ‘koopman in vleesch’. Hij heeft in Monster samen met zijn zuster op verschillende adressen gewoond. Uit overlevering is bekend dat hij een aantal jaren een slagerij heeft gehad aan de Vaart, de huidige Havenstraat, vlak om de hoek van de Choorstraat. De Vaart was toen nog niet gedempt.Op 24 december 1916 trouwde Mozes van Leeuwen in Zuidland op Voorne-Putten met de uit dat dorp afkomstige Eva van Dijk. Hij was toen 36 jaar en Eva 29. Ook Zuidland had in die tijd te maken met een sterke terugloop van het aantal Joodse inwoners. R. de Leeuw van Weenen-van der Hoek schrijft in haar boek Een Kille in de Mediene. Joods leven in Zuidland dat Eva van Dijk en Mozes van Leeuwen waarschijnlijk de laatsten waren die in de Zuidlandse synagoge onder de choepa (huwelijksbaldakijn) stonden. Niet lang daarna werd de synagoge gesloten omdat er onvoldoende Joodse inwoners over waren om een volwaardige gebedsdienst te houden.Bij de inschrijving in het bevolkingsregister van Monster gaf Eva van Dijk als beroep ‘winkelierster slagersbedrijf’ op. Het is waarschijnlijk dat zij dat beroep ook al in Zuidland uitoefende, wellicht bij haar vader of een ander familielid in de winkel. In ieder geval heeft ze in Monster met haar man in de winkel gestaan. Een maand nadat Eva van Dijk introk bij haar echtgenoot aan de Vaart in Monster, vertrok Naatje van Leeuwen, na ruim negen jaar bij haar broer ingewoond te hebben, weer naar Naaldwijk. Haar taak in de winkel en in het huishouden zat erop. Ze zou later trouwen met slager Gabie van Tijn uit Naaldwijk.Mozes van Leeuwen en Eva van Dijk kregen twee kinderen. Oudste zoon Levie Andries werd geboren op 21 september 1917. Hij is dus recht van de beddenplank, zoals dat vroeger wel werd genoemd als een kind negen maanden na een huwelijk ter wereld kwam. Hij is vernoemd naar beide grootvaders. Louise Roosje, ook wel Wiesje genoemd, werd geboren op 4 mei 1919. Zij is vernoemd naar beide grootmoeders. Het is niet bekend op welke school in Monster de kinderen gezeten hebben en of ze ook speciaal Joods onderwijs genoten hebben. Als dat laatste het geval is geweest, dan zullen ze daarvoor waarschijnlijk van tijd tot tijd naar Den Haag gereisd zijn, want in het Westland was die mogelijkheid er voor zover bekend niet meer. Eva van Leeuwen-van Dijk met haar kinderen Levie en Wiesje. Part. coll.Verhuizing naar de ZeestraatIn 1921 verhuisde het gezin Van Leeuwen naar een door woningbouwvereniging ‘De Goede Woning’ nieuw gebouwde hoekwoning annex slagerij in de Zeestraat. Hoewel het ging om sociale woningbouw kwamen er in de Zeestraat niet alleen werklieden te wonen. Met een jaarinkomen van f. 2.500,- was Mozes van Leeuwen wel de hoogst aangeslagen bewoner in de Zeestraat. De huur van zijn hoekwoning met winkel bedroeg f. 10,80 per week. De andere huizen deden f. 5,- per week. Na de sluiting van de synagoge in Naaldwijk in 1925 kwamen de weinige Joodse gezinnen die nog in het Westland woonden kerkelijk onder de hoofdsynagoge in de Haagse Wagenstraat te vallen. Dat had gevolgen voor de kerkelijke bijdrage. In 1926 schreef Mozes van Leeuwen een bezwaarschrift tegen de forse aanslag van f. 20,- die hij uit Den Haag ontving. De bijdrage aan Den Haag viel veel hoger uit dan voorheen aan de Westlandse kerkgemeente. Of het bezwaarschrift geholpen heeft is onbekend. Uit de hoogte van de aanslag valt overigens wel af te leiden dat het Mozes van Leeuwen zakelijk niet slecht ging. Zijn vader, die een slagerij had in de Prins Hendrikstraat in Naaldwijk, ontving over 1925 een aanslag van slechts f. 5,-.Levie en LouiseZoon Levie voetbalde in de jaren dertig bij voetbalvereniging Monster. Op een foto uit het seizoen 1934/35 staat hij afgebeeld te midden van zijn medespelers. Een van die medespelers was de op hoge leeftijd overleden Jan van Bommel. Die vertelde later over Levie van Leeuwen dat het een aardige jongen was uit een gerespecteerde familie. Voetbalvereniging Monster is voor de Tweede Wereldoorlog een zondagclub voor alle gezindten.Een elftal van VV Monster in seizoen 1934/35. Knielend in het midden Levie van Leeuwen. Coll. Sportclub Monster.Levie van Leeuwen aan de zijkant van de slagerij aan de Zeestraat. Part. coll.In 1938 overleed vader Mozes van Leeuwen. Het runnen van de slagerij kwam toen neer op de schouders van de nog jonge Levie. Levie trouwde op 12 augustus 1942 in Den Haag met Dina Sanders. Het gezin Sanders, vader, moeder en tien kinderen, woont dan aan de Keizerstraat 340 in Scheveningen, gemeente Den Haag. Het is niet bekend wat dochter Louise, in het dagelijks leven Wiesje genoemd, na haar schooltijd voor de kost deed. Wellicht heeft zij meegeholpen in de winkel en in het huishouden. Op 25 september 1940, dus na het uitbreken van de oorlog, liet Louise zich inschrijven als lid van de Joodse kerkelijke gemeente in Den Haag. Op 15 februari 1942 verloofde ze zich met Israël Mesritz uit Middelharnis, en wel ‘zonder ontvangdag’ zoals de verlovingsaankondiging in het Joods Weekblad vermeldt. Israël of Ies, zoals hij in de dagelijkse omgang heette, werd geboren in Oude-Tonge op 6 juli 1916. Hij was banketbakker en slager. Al voor zijn verloving woonde hij in bij zijn toekomstige schoonfamilie in Monster.Wiesje van Leeuwen voor het huis van een vriendin in de Zeestraat. Part. coll.Tweede WereldoorlogIn de eerste maanden na het uitbreken van de oorlog in mei 1940 was er voor de Joodse bevolking nog weinig aan de hand. Maar al snel werden hen steeds verdergaande beperkingen opgelegd. Bij tal van openbare gelegenheden kwam begin 1942 het bord ‘Voor Joden verboden’ te hangen en in mei 1942 werd het dragen van een Jodenster verplicht. Niet lang daarna begon de bezetter met het deporteren van Joden. Met het oog daarop werd op 1 juli 1942 het kamp Westerbork in gebruik genomen als doorgangskamp. Ook de familie Van Leeuwen onderging het lot van deportatie. Niet alleen Levie en Louise, maar ook hun respectievelijke verloofdes Dina Sanders en Israël Mesritz kregen in de zomer van 1942 een oproep om zich te melden. Voor de jongelui was dat een reden om nog in allerijl te trouwen. Kennelijk hebben ze hoop gekoesterd bij elkaar te kunnen blijven op hun reis met onbekende bestemming. Ze zullen gedacht hebben dat de kans daarop groter zou zijn wanneer ze als gehuwden aan die reis begonnen.Levie trouwde, zoals hiervoor vermeld, op 12 augustus in Den Haag met Dina Sanders en Louise op dezelfde dag in Monster met Israël Mesritz. Dina werd op haar trouwdag ingeschreven als inwoner van Monster. Israël had zich al in 1941 laten inschrijven. De trouwerij van beide koppels zal een weinig feestelijke gebeurtenis zijn geweest. Slechts enkele dagen later, op 15 augustus, arriveerde het viertal in kamp Westerbork. De dag ervoor hadden ze zich, evenals vele andere Joden uit Zuid-Holland moeten melden bij Loods 24 in Rotterdam. Volgens ooggetuigen zijn ze op eigen gelegenheid en zonder begeleiding afgereisd. Vanaf de Zeestraat zijn ze via het Kerkplein en de Havenstraat naar de Emmastraat gelopen. Daar was op de kruising van de Havenstraat en de Emmastraat een halte van de Westlandse stoomtram. Uitgezwaaid door een aantal inwoners zijn ze daar op de tram gestapt en waarschijnlijk via Hoek van Holland naar Rotterdam vertrokken. Vaststaat dat ze op 17 augustus vanuit kamp Westerbork gevieren op transport gingen naar Auschwitz. De exacte datum waarop ze daar zijn omgebracht is niet bekend. Als aanname is hun officiële overlijdensdatum in het bevolkingsregister gesteld op 30 september 1942. De inschrijving daarvan heeft pas begin jaren vijftig plaatsgevonden.Eva van Leeuwen-van Dijk bleef na het vertrek van haar zoon en dochter en hun echtgenoten alleen achter in het huis aan de Zeestraat. Al op 20 augustus werd een nauwgezette inventaris opgemaakt van de inboedel. Per vertrek in het huis is beschreven wat er aan huisraad stond. Wat opvalt is dat er geen melding wordt gemaakt van een winkel of winkelinventaris, evenmin als van een winkelvoorraad vlees. Alleen in de kantoorruimte treffen we zaken aan die op een slagerij wijzen: een weegschaal, twee hanglampen, een slachtbank, een vleesmes, enkele ‘waardeloze spullen’ en een medicijndoos. Waarschijnlijk was op dat moment de zaak al enige tijd gesloten vanwege de anti-joodse maatregelen van de bezetter.Van Eva van Leeuwen-van Dijk is bekend dat ze op 16 oktober 1942 vanuit Westerbork op transport is gegaan naar Auschwitz. Kort daarvoor, op 8 oktober, is ze door politiemensen van de zogenaamde Groep 10 uit Rotterdam uit haar huis gehaald en overgedragen aan de Monsterse politie, die haar vervolgens naar Amsterdam heeft vervoerd. In 1943 diende de gemeente een rekening in van f. 7,18 vanwege de hiervoor gemaakte kosten. In Amsterdam heeft ze zich moeten melden bij de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (letterlijke vertaling 'Centraal bureau voor Joodse emigratie') aan het Adama van Scheltemaplein. Dit bureau organiseerde vanaf het voorjaar van 1941 tot het najaar van 1943 de deportatie van Nederlandse Joden naar concentratiekampen in Duitsland en Polen. Vaststaat dat Eva al snel na aankomst in Auschwitz is vermoord. In het bevolkingsregister is haar officiële overlijdensdatum gesteld op 19 oktober 1942. StruikelstenenTer nagedachtenis aan de familie Van Leeuwen-van Dijk zijn op 25 februari 2016 vijf zogenoemde struikelstenen aangebracht in het trottoir van wat nu Zeestraat 29-31 is, de plaats waar tot 1995 hun woonhuis annex winkel stond en waar heden ten dage restaurant Oostgarden is gevestigd. Op dezelfde dag zijn vijf struikelstenen geplaatst voor leden van de familie Van Tijn op het Wilhelminaplein in Naaldwijk.Het project Struikelstenen, of Stolpersteine, is een in 1996 gestart initiatief van de Duitse kunstenaar Günter Demnig. Op veel plaatsen in Nederland, maar ook elders in Europa zijn deze gedenkstenen geplaatst voor – veelal – Joodse mensen die in de Tweede Wereldoorlog weggevoerd zijn en nooit meer zijn teruggekomen. Op de stenen van 10 x 10 cm is een messing plaatje aangebracht waarin de naam, geboortedatum, deportatiedatum en plaats en datum van overlijden zijn gegraveerd. Het is niet letterlijk de bedoeling om over de stenen te struikelen, maar wel om stil te staan bij de verschrikkelijke gebeurtenissen van destijds.Plaatsing van vijf struikelstenen voor het gezin Van Leeuwen op 25 februari 2016. Foto Jan Buskes.Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Westlandse Buitenplaatsen komen weer tot leven zondag 21 april 2019 11:11

Streekhistorie: Westlandse Buitenplaatsen komen weer tot leven

Ondanks de voetbalwedstrijd Ajax-Juventus op 10 april trok de lezing van conservator Ton Immerzeel van het Westlands Museum over de talrijke buitenplaatsen in het Westland veel publiek. Ruim 180 bezoekers kwamen naar Hemelsblauw in Honselersdijk voor de lezing van het Genootschap Oud-Westland met talloze dia’s en foto’s van veel inmiddels verdwenen buitenplaatsen. Van 28 april 2019 tot en met 15 maart 2020 is er in het Westlands Museum een uitgebreide tentoonstelling over Westlandse buitenplaatsen in de Gouden Eeuw. In die tijd was het Westland nog een open landschap, dat niet was volgebouwd met kassen. Vermogende stedelingen trokken zich in de zomer terug op buitenplaatsen net buiten de steden. "Het was voor hen vaak een belegging in een boerenbedrijf", zei Immerzeel. "De eigenaar had een ruimte voor zichzelf in de herenkamer. Een goed voorbeeld is de boerderij van Van Winden in Wateringen, die in de jaren zeventig is afgebroken om plaats te maken voor de Rabobank." OuwendijkMet name Monster en ’s-Gravenzande hadden door de ligging vlak achter de duinen veel buitenplaatsen waaronder Ouwendijk aan de Naaldwijkseweg. "Een van de bekendste bewoners was James de Fremery, die getrouwd was Virginie van Herckenrat"’, zei Immerzeel. "het gebouw is in 1984 gesloopt. Monumentenzorg zag er niet zoveel in vanwege de aanbouw. Bij de afbraak is er gelegenheid geboden voor opgravingen door amateurarcheologen maar het was heel moeilijk om afspraken te maken met de slopers. Wel was in de sloopvergunning vastgelegd dat de hekpalen behouden moesten blijven." De buitenplaatsen kenden vaak markante bewoners. Ockenburgh kwam in handen van Jacob Westerbaan. "Hij was van niet rijke afkomst en was beursstudent theologie", aldus Immerzeel. "Als aanhanger van de remonstrantse theoloog Arminius stopte hij echter met deze studie omdat hij er geen baan als predikant mee kon krijgen. Hij ging medicijnen studeren en trouwde met de weduwe van Reinier van Oldenbarnevelt. Deze werd evenals zijn vader, raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt, onthoofd nadat hij was betrokken bij een aanslag op Prins Maurits." Honselersdijk kende meerdere buitenplaatsen zoals Broekvliet, Mariaoord, slot Honselersdijk en Endeldijk. Met name de aanleg van het slot was ingrijpend. "Het hele dorp veranderde", zei Immerzeel. "De Nederhof kwam dwars over het dorpsplein te liggen en veel bewoners moesten vertrekken. Daarvoor is toen de bebouwing aan de Prinsegracht aangelegd. De afgelopen dertig jaar hebben er regelmatig opgravingen plaats gevonden op het terrein van het voormalige slot. Zo zijn in 1997 bij de uitbreiding van de veiling fundamenten van bruggen van de Hertelaan, de toegangsweg tot het slot vanaf de Middelbroekweg, gevonden." Schedels"Bij de aanleg van het bedrijventerrein zijn op de plaats van Ballering levensmiddelen schedels en botresten gevonden. Die zijn geborgen door de politie omdat er mogelijk sprake kon zijn van een misdrijf. Uit archiefonderzoek is toen gebleken dat op die plek de ijskelder van het slot Honselersdijk heeft gelegen. In de Franse tijd heeft het slot gediend als militair hospitaal en gevangenis van Russische militairen. In 1799 zijn er Engelse en Russische militairen per schip in Noord-Holland binnengevallen om het Bataafse bewind omver te werpen. De Russen zijn krijgsgevangen gemaakt en naar Honselersdijk vervoerd. Na hun overlijden zijn ze begraven in de ijskelder. Uit onderzoek is gebleken dat de skeletten van zes mannen zijn, die rond 1800 zijn overleden. Zij hadden de leeftijd tussen de 17 en 50 jaar. De voormalige gemeente Naaldwijk heeft verschillende keren geprobeerd om de vervallen Nederhof van de monumentenlijst te halen. Uiteindelijk is het slot in 1977 gerestaureerd." "Aan de Endeldijk lag de buitenplaats van de lakenkoopman van der Pot. Van der Pot was een rijk man en bezat 58 boerderijen, die hij allemaal verpachtte. Op het terrein van de buitenplaats Endeldijk stichtte hij een kleine 20 fruithoeves die hij verpachtte aan Westlandse tuinders. Dit was het gebied de Nieuwe Tuinen. Endeldijk is in 1768 door Cornelis van der Pot beschreven in een Hofdicht. Van der Pot was remonstrant en patriot. Na het neerslaan van de patriottenrevolutie, vluchtte hij naar Brussel en werd Endeldijk in 1787 voor straf verwoest. Tien jaar later keerde Van der Pot terug en werd de buitenplaats hersteld." Inmiddels is niets meer over van de buitenplaats Endeldijk. Een zelfde lot onderging Vreeburg. Ton Immerzeel was nog betrokken bij het bouwhistorisch onderzoek bij de sloop in 1999. "Dat moest allemaal door amateurs gebeuren", zei Immerzeel. "De gemeente vroeg: heb jij er geld voor? Wij ook niet. Het onderzoek bracht Middeleeuwse kruisgewelven in de kelder aan het licht en na sloop van de aanbouw was de duidelijk herkenbare gevel van de voormalige buitenplaats te zien." Auteur: Door Frank de Klerk van Genootschap Oud-Westland
Lees meer
Streekhistorie: Het dagelijks leven in Westland 1940-1945 zondag 7 april 2019 10:10

Streekhistorie: Het dagelijks leven in Westland 1940-1945

Tot 17 mei staat in de publiekshal aan de Verdilaan een kleine tentoonstelling over het dagelijks leven in het Westland van 1940 tot 1945. Het thema is niet de mobilisatie, de gevechten of het verzet, maar het leven van de gemiddelde Westlander die probeert om zo normaal mogelijk door te gaan met werken tijdens de oorlog. Het wordt allemaal wel steeds kariger en gevaarlijker, waardoor men steeds vindingrijker moet worden. Hier gaat deze expositie over. In dit artikel wordt de periode rond de meidagen van 1940 belicht. Vóór de oorlogIn april van 1940 zijn de spanningen voelbaar. De mobilisatie is al in augustus van 1939 begonnen en op diverse plaatsen zijn Nederlandse militairen ingekwartierd bij burgers. Her en der staan geïmproviseerde schuilkelders. Nederlandse militairen liggend in een geïmproviseerde schuilkelder achter het post- en telegraafkantoor aan de Rembrandtstraat in Naaldwijk. Bron: Fotocollectie Wim Emmens.In politierapporten vinden we berichten zoals we nu ook kennen: De jeugd zorgt voor overlast op het Kerkplein. Een jongen van 8 schopt een bal door de ruit, maar de eigenaar is verzekerd. Er wordt proces-verbaal opgemaakt voor het fietsen zonder voorlicht en bel. Ook maakt het Westland zich op voor de zomer en worden badgelegenheden op het strand geplaatst. Daar is de politie wel extra alert, vooral in de avonduren. Tussen zonsondergang en zonsopgang is het strand verboden gebied vanwege mijnengevaar.Politierapport Monster, 9 mei 1940.Een advertentie van Radion voor wittere handdoeken oogt heel zorgeloos. Er wordt veel getrouwd en C.P. v. Geest uit ’s-Gravenzande biedt in een advertentie aan om alvast meubelen te kopen, ‘nu de kwaliteit nog goed is’. Advertenties uit de Westlandsche Courant van 7 mei 1940. Op 3 mei trouwen Jan Klinkenbergen en Joanna Leopoldina Streux op het stadhuis van Naaldwijk. Bron: fotocollectie Wim Emmens. 10-15 mei 1940De oorlog duurde hier maar 5 dagen, daarna spreken we van de bezetting. Jeane Zwinkels beschrijft het begin en het einde in haar oorlogsdagboek:“Uit het achterraam wat een vliegtuigen en vechten. Heel de Fr. Hendrikstraat staat achter op de balkons. We kijken uit het voorraam, ook de hele Dijkweg op de been. De inspekteur komt juist naar Docter Langeveld toe met de uitroep: We hebben er een neergeschoten. Inderdaad, we zien de piloot aan een paraceut naar beneden komen. Helaas het blijkt een Hollander te zijn. In de tuin van Jaap Kester komt hij terecht. Wat zullen we nu doen? Ons kleden? Het is nog zoo vroeg, moeten we nu al die tijd gaan lopen ijsberen. Weet je wat we gaan weer naar bed, slaap je niet dan rust je toch. En werkelijk we slapen weer in tot ½ 7, ons toch zeker niet bewust van de toestand, hoe zou dat anders gegaan zijn. Als we half zeven met ons hoofd buiten het raam komen, gaan er 3 grote Duitse zwarte monsters heel laag over ons heen, om er boos op te worden wat brutaal. Docter Langeveld doet nog eens de verklaring dat het oorlog is. Dat wisten we, maar we zijn nog maar wat gaan slapen, was het antwoord. Gevolg door een uitroep: Hoe is dat mogelijk!!! We gaan om kwart voor 7 naar kerk toe, de H mis is voor Vader, wat een ontsteltenis in dorp.” (…) “Dinsdag 4 mei 1940: Het is vandaag weer werkdag. Wij waren voor de oorlog een paar dagen bij Tinus wezen druiven krenten.(…) Wij gaan ‘s avonds naar de kerk en horen Hoek v. Holland en Rotterdam brandt. Op den Hoek is eene straat welke door de bommen is getroffen en in elkaar gestort in de namiddag gaan branden en totaal in asch gelegd. De Engelsen waren daar volop gelegerd. Om 2 uur in de middag is Rotterdam gebombardeerd de gehele binnenstad is één grote puinhoop en vuurzee wij zien hier in Naaldwijk een grote witte wolk gelijk een sneeuwberg, wat de rookwolk van Rotterdam blijkt te zijn. (…) ‘s Avonds 9 uur komt Generaal Winkelman voor de radio, dat Nederland heeft gecapituleerd, behalve Zeeland dat vecht door. (…) Na Generaal Winkelman komt er een Duitser voor de radio, wij voelde geen grond meer. Zoo iets vreselijks om in plaats van je eigen bekende stemmen en Duitse omroeper te horen dat hen anleen iemand voelen die deze tijd heeft meegemaakt.”Vlak na de oorlog (mei 1940)Na de berichten van de capitulatie wordt op aandringen van de overheid het gewone leven zo snel mogelijk weer opgepakt. De Westlandsche Courant van 18 mei opent met:Maar op dezelfde pagina staat een hele lijst met verordeningen waaronder het verbod om naar niet-Duitse radiozenders te luisteren:De telefoonverbindingen worden door de P.T.T. zo spoedig mogelijk hersteld, het Naaldwijkse zwembad is weer open en vanaf 20 mei moeten alle kinderen weer naar school. Dat laatste geldt alleen als het schoolgebouw beschikbaar is, er zal gedurende de hele bezetting geregeld van ‘schoolgebouw’ gewisseld moeten worden.Ook de middenstand adverteert weer volop:Over de expositieHistorisch Archief Westland beschikt over de dagboeken van Jeane Zwinkels, zij is verpleegster bij het Rode Kruis. Een ander dagboek is dat van Cor Sala die als bakkersknecht een gezin moet zien te onderhouden. Beiden vertellen over de toestand in de wereld, maar vooral ook over de sores van alle dag. Uit deze schriftjes zijn fragmenten verzameld om een beeld te geven van hun ervaringen.De dagboeken van Jeane Zwinkels en Cor Sala. De volledige tekst is te lezen via www.historischarchiefwestland.nl/bronnen/Een ander bron zijn de politierapporten van Monster en Naaldwijk, waarin dagelijks verslag wordt gedaan van de aangifte van diefstallen, arrestaties en andere politiezaken.Alleen van 10 tot 17 mei 1940 zijn geen meldingen gemaakt. De rapporten tot 1943 zijn openbaar en in te zien in de leeszaal van Historisch Archief Westland in het gemeentehuis aan de Verdilaan in Naaldwijk.Tijdens de oorlogsdagen was het politiebureau gesloten.Bron: Politierapport MonsterDe toenemende voedselschaarste maakte het noodzakelijk om maaltijden aan te passen aan het aanbod. Tussen 1940 en 1945 zijn diverse kookboekjes uitgegeven en werden schriftjes bijgehouden met eigen recepten en krantenknipsels. Het archief heeft onlangs een receptenschriftje aangeboden gekregen waaruit 5 recepten gebruikt zijn voor de tentoonstelling. Het recept voor Aardappelcake hebben we zelf uitgeprobeerd en viel niet tegen.Daarnaast beschikt het archief over een fotobeeldbank en enkele privécollecties waaronder die van DR. Van Rijn en Wim Emmens. Voor de expositie hebben we ook gebruik gemaakt van recent gedigitaliseerde foto’s van dhr. A. van den Ende van de sloop van de woningen aan de Groeneweg in Naaldwijk. De Westlandsche Courant is tot januari 1942 verschenen. De fotobeeldbank en de kranten zijn te vinden via www.historischarchiefwestland.nl/collecties/De grote vitrinewand van het gemeentehuis is gevuld met objecten van het Westlands Museum waaronder een smokkelvest en smokkeltank, rookwaren en surrogaatkoffie, een jurkje van parachutestof, twee noodkeukentjes en een radio. Uit onze eigen collectie hebben we een landkaart toegevoegd waarop de troepenbewegingen bijgehouden zijn aan de hand van illegale radio-berichten. In de kleine vitrinekast liggen oorlogsdagboeken, twee van Jeane Zwinkels en één van de heer Hogervorst, een Naaldwijkse timmerman. Ook ligt er een politierapport van Monster. Dagelijks slaan we een pagina om zodat de bezoeker kan zien wat zij schrijven over hun ervaringen in april en mei van de oorlogsjaren. Bij de opening op 2 april heeft wethouder Piet Vreugdenhil de persoonsbewijzen van zijn ouders in deze vitrinekast geplaatst.Wethouder Piet Vreugdenhil plaatst persoonsbewijzen van zijn ouders in de vitrinekast.Een ander bijzonder document in deze vitrinekast is de zoen-distributiekaart. Deze kon je als kaart naar je geliefde sturen en laat zien dat ondanks de grote zorgen en de toenemende beperking, de humor overeind bleef.Distributiekaart voor geliefden.Bron: oorlogscollectie HAWOproep: Heeft u op zolder nog materiaal uit de oorlog liggen? Gooi het niet weg, maar breng het naar het Historisch Archief Westland. Op woensdag 17 april organiseert het archief een speciale ochtend waarop oorlogsdagboeken, kookschriftjes, krantjes en ander materiaal geschonken kan worden om onze oorlogscollectie aan te vullen. U vindt het archief in de publiekshal van het gemeentehuis aan de Verdilaan.Auteur: team Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: Zomertijd zondag 31 maart 2019 09:09

Streekhistorie: Zomertijd

In september 2018 besloot de Europese Commissie dat de lidstaten van de EU zelf mogen bepalen of ze in de zomer- of de wintertijd willen leven. De gezamenlijke omschakeling in de EU van winter- naar zomertijd zou in 2019 worden afgeschaft. Begin dit jaar hebben de transportministers van de EU echter besloten de definitieve beslissing over het halfjaarlijks veranderen van de klok uit te stellen tot 2021. Er moet eerst een onderzoek komen naar de voor- en nadelen van het verzetten van de klok. Een stap in de goede richting denken de voorstanders van afschaffing, maar de uiteindelijke beslissing wordt vooruit geschoven. Voorlopig blijft dus alles bij het oude. Dit weekeinde gaat de zomertijd weer in, dus zetten we de klok een uur vooruit en op de laatste zondag van oktober gaat de wintertijd in. In Nederland werd de zomertijd begin vorige eeuw van jaar tot jaar geregeld en in 1918 werd wettelijk vastgelegd dat de zomertijd jaarlijks zou vallen tussen 31 maart en 1 oktober. Met de gevolgen van de zomertijd had de land- en tuinbouw grote moeite. Door de zomertijd verschuift de daglichtperiode een uur, ’s morgens wordt het een uur later licht en ’s avonds een uur later donker. Het weer stoort zich uiteraard niet aan de zomertijd, de hoogste temperatuur van de dag wordt dan meestal pas enkele uren na het middaguur bereikt, zodat de dag meestal wat frisser begint en men langer last heeft van ochtendmist. In de jaren 1923 en 1924 heerst er in kringen van de land- en tuinbouw in Nederland grote beroering over de vóór- en met name de nadelen van de zomertijd. Na hiermee gedurende enige jaren ervaring te hebben opgedaan wordt het standpunt ingenomen dat er aan het jaarlijks verzetten van de klok zoveel nadelen kleven dat de zomertijd maar weer zo spoedig mogelijk moet worden afgeschaft. In het blad “DE TUINDERIJ, officieel orgaan van het Centraal Bureau van de Veilingen in Nederland” met als ondertitel “Weekblad gewijd aan de teelt van GROENTEN, KOOL, AARDAPPELEN, FRUIT” vinden wij deze problematiek breed uitgemeten terug. De discussie over de zomertijd heeft toen ook in het Westland voor de nodige commotie gezorgd. In het blad “De Tuinderij” van 23 februari 1923 werd gemeld dat er bij het behandelen van de begroting van Binnenlandse Zaken gediscussieerd is over de jaarlijkse zomertijd. Een fervent voorstander van afschaffing van de zomertijd, het Tweede Kamerlid Braat, diende een wetsontwerp in tot niet-invoering van de zomertijd in 1923. Dit voorstel wordt uiteindelijk aangenomen. De redacteur van het blad merkt hierbij met voldoening op dat, als ook de Eerste Kamer het wetsontwerp aanneemt, er dat jaar een bron van schade en belemmering in het bedrijf van de tuinder zal zijn weggenomen.Voorstanders uit de bevolking verzamelden 360.000 handtekeningen en richtten een verzoek tot de Eerste Kamer om niet over te gaan tot afschaffing. Doktoren wezen erop dat het voor de stadsbewoners ongezond was om een deel van de dag te slapen en een deel van de nacht op te blijven, het geneesmiddel was juist de zomertijd. Voorgesteld werd om de boeren en tuinders tegemoet te komen door de scholen een uur later te laten beginnen (dan was ook kinderarbeid nog mogelijk). In de landelijke bladen regende het van de ingezonden stukken van voorstanders. Het Centraal Bestuur van de Nederlandschen Tuinbouwraad daarentegen verzocht de kamer echter dringend om juist over te gaan tot afschaffing van de zomertijd. In een hoofdartikel in het Algemeen Handelsblad van 22 maart 1923 werd het opgenomen voor boer en tuinder. In dat artikel werden de volgende argumenten aangevoerd: Een stoommachine is even gewillig of het nu ‘s nachts 12 uur is of ‘s middags tijdens het theeuurtje en de schrijfmachine of het grootboek laten zich met evenveel genoegen behandelen om 9 uur als om 8 uur ‘s morgens. In industriële en handelsbedrijven kan men dus gemakkelijker de werktijden verzetten dan in het landbouwbedrijf. Op de boerderij is het echter heel anders gesteld omdat dieren en ook planten zich richten naar de zon. Daarbij komt, zoals algemeen bekend is, nog dat de landarbeiders in het vervroegde morgenuur niet productief tewerkgesteld kunnen worden. Omdat de landbouw de grondslag van onze samenleving vormt is de conclusie dat de invoering van de zomertijd voor de land- en tuinbouw, dus eigenlijk voor de hele gemeenschap, gepaard gaat met grote financiële schade en bovendien veel ongerief. De argumenten van de voorstanders komen alleen maar neer op genotsmotieven.Op woensdag 18 april 1923 werd het ontwerp tot afschaffing van de zomertijd onder zeer grote belangstelling van het publiek behandeld door de Eerste Kamer en aangenomen zodat er ondanks de argumenten van de land- en tuinbouw ook dat jaar weer zomertijd kwam. Op 15 november 1923 besloot het Bondsbestuur van de “Vereeniging Westland” een adres te richten aan de ministerraad en aan de leden van de 1e en de 2e Kamer, waarin uiteengezet werd welke bezwaren de Westlandse tuinbouw heeft ondervonden van de elk jaar opnieuw ingevoerde zomertijd. De tekst van de bij dit schrijven behorende toelichting kan worden toegeschreven aan de voorzitter, de heer J.Barendse, die zich ook in de vakbladen al eens in gelijke bewoordingen had uitgelaten. Hij schreef het volgende:Het Westlandsche Tuinbouwbedrijf wordt in het gebied van den Bond Vereeniging Westland uitgeoefend door ongeveer twee duizend tuinbouwers, woonachtig in de gemeenten ’s-Gravenzande, Naaldwijk, Monster, Wateringen, De Lier en Maasland. De teelten worden gedreven op den kouden grond en onder glas. Vele kassen en zogenaamde warenhuizen worden verwarmd met warm water of stoom. De glasteelt heeft een zeer grooten omvang aangenomen en vormt het hoofdbedrijf. De streek teelt een groote verscheidenheid van groenten en fruit, benevens bloembollen en snijbloemen, terwijl de varkensmesterij op vrij groote schaal wordt uitgeoefend. Alle groenten en fruit wordt verkocht op de veilingen van voornoemde vereenigingen, waarvan de gezamenlijke omzet in 1923 naar schatting de tien millioen gulden zal overschrijden. Uiteraard wordt deze geldelijke opbrengst verworven in de maanden April tot November, dus juist gedurende den zomertijdJan Barendse, voorzitter van de “Vereeniging Westland”Uit deze enkele gegevens kan worden afgeleid, dat het Westlandsche tuinbouwbedrijf door zijn veelzijdigheid, door de aanwending van kostbare kunstmiddelen, alsmede door zijn ook op het buitenland gerichten handel zeer gevoelig en in buitengewone mate afhankelijk is van de zon en van de weersinvloeden. Waar nu door de wettelijke tijdregeling in de zomermaanden, welk als noodzakelijke regel in de oorlogsjaren (1e Wereldoorlog) moest worden ingevoerd en aanvaard worden, de klok een uur bij de zon voorkomt, grijpt deze regeling diep in, in den zoo samengestelden en drukken tuinarbeid en in het jagende veilingbedrijf en brengt daar uitsluitend bezwaren, hindernis en schade teweeg, zonder ook maar een enkele begunstiging voor den tuinbouwer op te leveren.Ter nadere aanwijzing van de nadeelen, aan de zomertijdregeling verbonden, mogen hier eenige feiten als voorbeeld aangehaald worden:Ten eerste.In het voorjaar moeten de vroege groenten als spinazie, sla, bloemkool, bospeen ect. zoo versch mogelijk ter veiling worden aangevoerd om in den gunstigsten toestand zoowel de buiten- als de binnenlandsche markten te kunnen bereiken. Voor het verkrijgen van een waardevol product moet in de morgenuren worden geoogst. Daar de groote exportveilingen met het oog op de verlading voor het buitenland en den omvangrijken aanvoer reeds des voormiddags tusschen 81/2 en 10 uur aanvangen, kan de tuinder des morgens nooit te vroeg aan den arbeid zijn. De zomertijd ontneemt hem een vol uur zonlicht in den morgen, dus juist op dat deel van den dag, waarvan elke minuut kostbare waarde heeft.In de morgenuren, welke voor den aanvang der veiling resten, moeten de groenten niet alleen geoogst, maar ook geschoond, gesorteerd en verpakt worden. Dan volgt inlading en vervoer naar de veiling met plaatsing der goederen aldaar voor den verkoop. De tuinder kan met jagen en zwoegen het uur, waarvan de zomertijdregeling hem berooft, niet inhalen. Het is als het kostbaarste uur van den geheelen werkdag voor hem verloren. Het ligt voor de hand, dat zeer vele tuinbouwers en inzonderheid zij, die op aanzienlijken afstand van de veilinggebouwen verwijderd wonen, door tijdgebrek in den morgen genoodzaakt worden op den vorigen dag reeds te oogsten, wat aan de kwaliteit der producten ten zeerste schaadt.Ten tweede.In den midzomer, omstreeks den tijd van den hoogsten zonnestand is de zomertijdregeling voor het Westlandsche tuinbouwbedrijf eveneens hinderlijk en nadeelig. De glasteelten eischen voortdurend zorg en toezicht in verband met de kracht van de zon. De stand van de luchtramen dient geregeld naar den zonnestand. In den zomer verlaat het dienstpersoneel des namiddags te 61/2 uur den tuin, wanneer dus de zon nog hoog aan den hemel staat en het glas nog niet gesloten kan worden. De tuinder heeft hierdoor laat op den avond nog in veel werk te voorzien, waarvoor het bij het vertrek van het personeel nog te vroeg was. Ondergetekenden nemen de vrijheid aan het bovenstaande nog een bezwaar van algemeenen aard toe te voegen:De wettelijke regeling van den zomertijd prikkelt en verbittert de land- en tuinbouwende bevolking, omdat deze regeling ingaat tegen de ordening in de natuur, waarop zijn bedrijf steunt en hij zich daardoor een natuurlijk recht ontnomen ziet. Dit gevoel moet op den duur bij blijvende teleurstelling den geest van het platteland ongunstig beïnvloeden.Poeldijk, November 1923Aardappeloogst bij tuinder P. van den Berg aan de HeenwegIn januari 1924 werd er door een aantal kamerleden weer een voorstel tot opheffing van de zomertijd ingediend. Kennelijk was de regering hier niet erg van onder de indruk want begin februari verschijnt er een Koninklijk Besluit waarbij werd bepaald dat de zomertijd dat jaar in zou gaan op 30 maart en zou eindigen op 5 oktober. In de loop van het jaar 1924 werd er door het Centraal Bureau der Veilingen in Nederland, waarbij bijna alle telers van groenten, fruit en vroege aardappelen in Nederland waren aangesloten (meer dan 40.000 leden), een enquête gehouden. Op grond hiervan werd een rapport samengesteld waarin zwaarwegende bezwaren tegen de zomertijd werden aangevoerd. Deze rapportage werd op 18 juli 1924 aangeboden aan de minister van Binnenlandse zaken en Landbouw. De jaren daarna lezen wij in de vakbladen echter niet veel meer over de bezwaren tegen de zomertijd. Kennelijk hebben boer en tuinder uiteindelijk met dit jaarlijkse gebeuren leren leven. De jaarlijkse zomertijd is vlak na de Tweede Wereldoorlog afgeschaft. Dertig jaar later, na de zogenaamde “oliecrisis” veroorzaakt door een Arabisch olie-embargo, werd de zomertijd als energiebesparende maatregel in het voorjaar van 1977 opnieuw ingevoerd. Ook toen werden er vanuit de agrarische sector wel bezwaren aangevoerd maar kennelijk telden die niet zo zwaar meer als in de twintiger jaren van de vorige eeuw.Nu is de afschaffing van de zomertijd op termijn dus weer aan de orde. We zullen zien wat de rapportage van voor- en nadelen van de zomertijd dit keer oplevert en welke stappen dit voor de besluitvorming oplevert.Auteur: Jan Dahmeijer van de Vereniging Oud ’s-Gravenzande i.o.
Lees meer
Streekhistorie: Kasteel Keenenburg in beeld (deel 1) zondag 24 maart 2019 10:10

Streekhistorie: Kasteel Keenenburg in beeld (deel 1)

Op dinsdag 26 maart 2019 organiseert de Historische Vereniging Oud-Schipluiden een dubbellezing in het Notenschip, Schoolplein 4 te Schipluiden, aanvang 20.00 uur. Het onderwerp is: Kasteel Keenenburg te Schipluiden en zijn bewoners. Voor de pauze vertelt Hans Koot, archeoloog, over de bouwgeschiedenis van het kasteel, dat naast een hoofdburcht een oude en nieuwe voorburcht bezat. Het is een imposant complex geweest, dat verschillende bouwfasen heeft gekend. De oudste bouwfase dateert uit het begin van de vijftiende eeuw. De sloop vond in 1798 plaats. De spreker is nauw bij het onderzoek naar de Keenenburg betrokken.Na de pauze belicht Jacques Moerman, historicus, enige opvallende bewoners van het kasteel, waaronder Philips de Blote en Otto en Jacob van Egmond. Zij hadden ook een belangrijke rol in het gewest Holland.De laatste jaren is door nieuw onderzoek meer bekend geworden over de geschiedenis van de bouw en de bewoners van de Keenenburg. Enkele voorbeelden:Philips de BloteDeze edelman werd in 1411 eigenaar van de Keenenburg. Hij was een vertrouweling van graaf Willem VI en bekleedde de functie van secretaris van de tresorie. Hij beheerde dus mede de kas van het graafschap Holland. Een aantal jaren was hij schout en burgemeester van Delft. Deze functies had hij van Willem VI gekregen, omdat hij de graaf grote sommen geld had voorgeschoten. De oorlogvoering in het kader van de Hoekse en Kabeljauwse twisten kostte veel geld. Door de vermelde functies verdiende Philips de Blote het geleende geld weer terug. In 1407 kocht hij de grafelijke verblijven nabij de Markt in Delft. Enige jaren later verkocht hij deze panden met winst aan de stad Delft, die er een Vlees- en Lakenhal van liet maken. Mede door dit geld kon Philips de Blote in Schipluiden een kasteel laten bouwen. Hij was ook een aantal jaren baljuw en dijkgraaf van Delfland en Schieland en liet nabij zijn pas verworven bezit in Schipluiden de eerste windwatermolen van Zuid-Holland bouwen. Hij profiteerde dus zelf direct van deze nieuwe waterstaatkundige uitvinding. In 1412 liet hij de bestaande Keenenburg slopen en bouwde hij een nieuw kasteel, bestaande uit een indrukwekkende hoofdburcht en voorburcht. De bouwmaterialen van het oude kasteel, zoals leien en hout, verkocht Philips de Blote aan de graaf van Holland voor hergebruik bij de uitbreiding van het Binnenhof. In 1414 mocht hij bij de Keenenburg enkele zwanen houden. Het zwanenrecht was voorbehouden aan de graaf en sommige adellijke families. Zwanen nabij je huis straalden status uit. Op 8 mei 1417 kwam de bode van de graaf ’s nachts vanuit Den Haag naar Schipluiden om Philips de Blote voor overleg naar Den Haag te ontbieden. Uit dit gegeven blijkt dat de Keenenburg in die tijd werd bewoond. In Schipluiden herinnert de Philips de Blotestraat aan deze belangrijke eigenaar van de Keenenburg. ‘Blote’ verwijst naar open, iemand open tegemoet treden, meer een verwijzing naar dapperheid dan naar naaktheid. De bewoners van deze straat trots op deze straatnaam.Otto 1 van Egmond, een polderaar in de oorspronkelijke betekenis van het woordVerschillende heren van de Keenenburg in Schipluiden waren polderbestuurder, hoogheemraad of dijkgraaf. Eén van hen was Otto 1 van Egmond (1450-1510). Als waterstaatsbestuurder doet hij in Friesland iets opmerkelijks, waarvan in Oude Bildtzijl een verwijzing is te zien. In deze plaats, die in 1505 vijfhonderd jaar bestond, bevindt zich een Van Egmondstraat. Hoe is die naam daar te verklaren?Ruim 500 jaar geleden (in 1505) werd het Bildt, het gebied van de monding van de voormalige Middelzee in Noordwest-Friesland, ingepolderd. Dit land staat bekend als ‘de Hollandse polder’. Bij de bedijking en exploitatie van het Bildt waren Hollandse investeerders betrokken. De beroepsambtenaar Gerrit van Loo, afkomstig uit Dordrecht, organiseerde het ‘Hollandse waterschap’ in Friesland. Hij werd hiervan ook de eerste dijkgraaf. Eén van de ruim veertig aandeelhouders woonde in Schipluiden. Dit was Otto 1 van Egmond (1450-1510), heer van de Keenenburg, de grootvader van de Otto 2 van Egmond, die een vertrouweling was van Willem van Oranje. Otto 1 financierde met enige consorten de exploitatie van 405 morgen goed land, 16 morgen goede kwelder en 16 morgen slechte kwelder (in totaal ruim 370 ha). Andere bekende investeerders waren leden van het adellijke geslacht Van Wijngaarden, graaf Jan III van Egmond, stadhouder van Holland en Zeeland, Karel van Habsburg, graaf van Holland en Zeeland, Willem Goud, ontvanger generaal van Holland en Friesland en Gerrit van Loo, secretaris van het Hof van Holland. Otto 1 van Egmond bevond zich dus in goed gezelschap. Als hoogheemraad van Delfland had hij kennis van waterstaatskunde. Zijn betrokkenheid bij investeringen in het Bildt illustreert dat de familie Egmond van Keenenburg bemiddeld en ondernemend was.Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Broederschap van de Westlandsche Processie naar Kevelaer 200 jaar zondag 17 maart 2019 10:10

Streekhistorie: Broederschap van de Westlandsche Processie naar Kevelaer 200 jaar

De religieuze 'bedevaart' is al eeuwenoud. Men komt het wereldwijd in alle culturen en religies tegen. In de Grieks-Romeinse oudheid, bij de Azteken, bij Afrikaanse stammen, in de islam en het christendom. Op bedevaart gaan is een spirituele plaats bezoeken met een feest van ontmoeting, met momenten van bezinning, maar ook met gezelligheid. De bedevaartplaats KevelaerKevelaer is een katholieke bedevaartplaats net over de Duits-Nederlandse grens vlak bij Kleef, zo’n 30 km van Nijmegen. Wat is er in Kevealer gebeurd? Rond Kerstmis van het jaar 1641 hoorde de vrome marskramer Hendrik Busman op de heide van Kevelaer nabij een hagelkruis tijdens zijn gebed een stem: "Bouw mij op deze plaats een kapelletje!" Hij hoorde op drie verschillende dagen deze geheimzinnige stem. Zijn vrouw zag in een nachtelijke verschijning een afbeelding van Maria als "Troosteres van de bedroefden". Zij had een tijd eerder deze afbeelding gezien in de handen van twee soldaten. Zij ging op zoek naar deze soldaten en kocht de prent van de 'gekroonde Onze-Lieve-Vrouw'. Een devotieprent van kleine afmetingen. In 1642 reeds kon de pastoor van Kevelaer het genadebeeld in het door de marskramer Hendrik Busman gebouwde kapelletje plaatsen en de prent kreeg hier ook zijn eigen plaats.Door de vicaris van het Bisdom Roermond, waaronder Kevelaer viel, werd in 1642 een commissie ingesteld met hooggeleerde heren om de feiten tot een betrouwbare kern te brengen. In 1647 had deze commissie zijn werk afgerond en formeel bevestigd dat Kevelaer een heilige plaats was.De ontwikkeling van de bedevaartplaats KevelaerIn 1648 kreeg na de Vrede van Munster onze Republiek van de Zeven Verenigde Provincies zijn beslag. De Republiek was na tachtig jaar oorlog eindelijk verlost van de gehate katholieke Spanjaarden. Het protestantisme werd als officiële godsdienst van de nieuwe Republiek vastgesteld. De katholieken waren in de minderheid, werden wel niet vervolgd, maar mochten hun religie niet meer in openbaarheid belijden. Hierdoor trok de 'heilige plaats' Kevelaer net buiten de Republiek de katholieken aan. Hier konden ze hun geloof openlijk belijden en Kevelaer maakte een snelle onstuimige bloeiperiode door. Het is dan ook niet voor niets dat sinds jaar en dag katholieke Westlanders op bedevaart gaan naar het Duitse Maria bedevaartoord.Het Westlandsche Broederschap naar Kevelaer opgericht in 1819, 200 jaar geleden!De eerste processie werd al in 1643 gehouden vanuit Rees, een naburig dorp. Hierna volgde Roermond. Dit groeide uit tot een wijdverbreid gebruik en tegen het einde van de achttiende eeuw is er sprake van ruim 250 georganiseerde processies, zo'n dertig vanuit de Republiek. In die tijd trokken de pelgrims uit Holland onopvallend in kleine groepjes naar de grens. Bij de grens groepeerden ze zich en trokken dan in processie verder. Dit werd georganiseerd door broederschappen. Zo’n broederschap fungeerde als een soort reisorganisatie. Ze begeleidden de pelgrims, gaven praktische tips, bespraken de reisroute, gaven adressen voor eten en overnachtingen en organiseerde de tocht na de verzameling bij de grens. Na de Franse tijd kreeg het katholieke geloof meer vrijheid in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. In 1819 werd met goedkeuring van paus Pius VII het Broederschap van de Westlandsche Processie naar Kevelaer opgericht. In veel parochies van het bisdom waren broedermeesters of lijsthouders aangesteld en actief. Volgens het reglement uit 1881 van de Westlandsche processie naar Kevelaer stond de processie onder oppertoezicht van de toenmalige bisschop van Haarlem P.A.M. Snickers. Het bestuur van de Broederschap bestond uit een president en vijf leden, die broedermeesters werden genoemd. President was pastoor Andreas van Lottom van Wateringen. P.J. Samwel en G.J. Schilperoort waren allebei broeder-directeur en C.P. Hoek was secretaris en penningmeester. Het Broederschap was niet winstgericht: het batig saldo werd aangewend voor het lezen van missen voor de overleden leden.Broederschapskerk St. Jan de Doper parochie in WateringenHet Westlandse Broederschap telde ooit vierhonderd leden. Het aantal pelgrims werd zelfs zó groot, dat Delft zich in 1912 afscheidde. Vanaf die tijd is de kerk van de Sint Jan de Doperparochie in Wateringen de Broederschapkerk. Het hoofdbestuur zetelde echter reeds vanouds te Wateringen. In februari 1969 heeft het toenmalig (hoofd)bestuur van het Westlandsche Processie Broederschap van O.L. Vrouw van Kevelaer het Broederschap opgeheven en alle bezittingen van het Broederschap overgedragen aan het kerkbestuur van de Sint Jan de Doperparochie te Wateringen. Bij de bouw van de nieuwe Sint Jan de Doperkerk in 1901 werd aan de bedevaarten aandacht geschonken door twee aparte kerkramen. In de twee uiteinden van de Sint Jan de Doperkerk in Wateringen, links en rechts, zijn fraaie gebrandschilderde ramen aangebracht ter ere van Maria als de onbevlekte maagd (Lourdes) en als troosteres der bedroefden (Kevelaer). In twaalf taferelen wordt het hele verhaal van Kevelaer verteld: de verering van Maria als troosteres van de bedrukten, Hendrik Busmann, zijn vrouw, de twee soldaten die haar een prentje aanbieden, maar ook bouwpastoor Flinkenflügel van Wateringen.Vaandels van Westland en WateringenTijdens de processie werden vaandels meegedragen. De Westlandse en Wateringse inbreng werd door eigen vaandels ondersteund. De Sint Jan de Doperkerkkerk bewaart nog steeds vier processievaandels: een ongedateerd, een van het vijftigjarig, een van het vijfenzeventigjarig en een van het honderdjarig bestaan. Op het vaandel uit 1893 staat Joannes de Doper afgebeeld met een stok met daarboven de slang en daaronder het lam. Boven de afbeelding staat de tekst Westlandsche Processie naar Kevelaer. Onder de afbeelding van Joannes staan de jaartallen 1819-1893 en de ster van Wateringen. Aan de onderkant heeft het vaandel vier kwasten. Op het vaandel links staat boven Westlandsche Processie naar Kevelaar met hieronder de vermelding van de jaartallen 1819 (start van de Westlandsche Broederschap) - 1893. Een vaandel dus van 125 jaar oud. Maar wel met het Wateringse wapen toegevoegd!Kevelaer is ondertussen uitgegroeid tot een middelgrote stad. De Kapellenplatz ligt in het centrum van het stadje. Er zijn nu nog twee mooie kapellen uit de 17e eeuw op een plein met imponerende eeuwenoude lindebomen. Er is een indrukwekkende basiliek en er is een prachtig Kruiswegpark.Omdat het tweehonderd jaar geleden is dat de Westlandsche Broederschap naar Kevelaer met goedkeuring van paus Pius VII werd opgericht wordt van september 2019 tot en met januari 2020 een tentoonstelling gehouden in de wagenschuur van het Westlands Museum met aandacht voor Middeleeuwse bedevaartplaatsen in het Westland. Daarnaast aan bedevaartplaatsen waar in het verleden en ook in het heden Westlanders naar toe trekken als pelgrim of toerist. Daarbij kan je denken aan Brielle, Heiloo, Amsterdam, maar ook Lourdes, Santiago de Compostella, maar natuurlijk ook Kevelaer. De Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul heeft voor de realisatie van de tentoonstelling een flinke donatie ontvangen van Fonds 1818. Deze tentoonstelling wordt samen georganiseerd met de andere Historische Verenigingen en Archieven, de Stichting Bedevaarten Westland en de betreffende parochies. Een hele uitdaging!Maar…. U kunt ons ook helpen als u foto’s of mooie of leuke aandenkens heeft van bedevaartsoorden die u of uw familie in het verleden hebben bezocht. We zullen dit netjes op naam, eventueel met foto, innemen en er zorgvuldig mee omgaan. Dat kan op de eerste zaterdag van de maand, 's middags in de Kaaskelder in de Hofboerderij tijdens het spreekuur van de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul, Hoflaan 1 in Wateringen. U kunt ons ook mailen op info@hvwk.nl.Bruikleen plaquette van Joh. van der Koleij : 25 jaar BroedermeesterVoor de tentoonstelling zijn al bijzondere zaken in bruikleen gegeven, zoals de hier afgebeelde prent met een gezicht op Kevelaer als dank voor de organisatie door de broedermeester Joh. van der Koleij met de tekst:“De Heeren Joh. Van der Koleij uit Wateringen ter gelegenheid van zijn 25-jarige pelgrimstocht als leider en meester van de processie 'Westland – Kevelaer, evenals trouwe 25-jarige gast van Hotel Kölner Hof – in liefde en dankbaarheid geschonken. Familie Jos Tornbergs Hotel Kölner HofKevelaer 12 september 1934”.Auteur: Chris Batist namens de Historische Vereniging Wateringen Kwintsheul
Lees meer

Meer Streekhistorie