Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage/tip via dit formulier toesturen. Wij zullen deze controleren en mogelijk gebruiken voor publicatie. Let op! Aangeleverd materiaal dient rechtenvrij te zijn of er moet schriftelijk toestemming zijn verleend voor het gebruik ervan.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Het dagelijks leven in Westland 1940-1945 zondag 7 april 2019 10:10

Streekhistorie: Het dagelijks leven in Westland 1940-1945

Tot 17 mei staat in de publiekshal aan de Verdilaan een kleine tentoonstelling over het dagelijks leven in het Westland van 1940 tot 1945. Het thema is niet de mobilisatie, de gevechten of het verzet, maar het leven van de gemiddelde Westlander die probeert om zo normaal mogelijk door te gaan met werken tijdens de oorlog. Het wordt allemaal wel steeds kariger en gevaarlijker, waardoor men steeds vindingrijker moet worden. Hier gaat deze expositie over. In dit artikel wordt de periode rond de meidagen van 1940 belicht. Vóór de oorlogIn april van 1940 zijn de spanningen voelbaar. De mobilisatie is al in augustus van 1939 begonnen en op diverse plaatsen zijn Nederlandse militairen ingekwartierd bij burgers. Her en der staan geïmproviseerde schuilkelders. Nederlandse militairen liggend in een geïmproviseerde schuilkelder achter het post- en telegraafkantoor aan de Rembrandtstraat in Naaldwijk. Bron: Fotocollectie Wim Emmens.In politierapporten vinden we berichten zoals we nu ook kennen: De jeugd zorgt voor overlast op het Kerkplein. Een jongen van 8 schopt een bal door de ruit, maar de eigenaar is verzekerd. Er wordt proces-verbaal opgemaakt voor het fietsen zonder voorlicht en bel. Ook maakt het Westland zich op voor de zomer en worden badgelegenheden op het strand geplaatst. Daar is de politie wel extra alert, vooral in de avonduren. Tussen zonsondergang en zonsopgang is het strand verboden gebied vanwege mijnengevaar.Politierapport Monster, 9 mei 1940.Een advertentie van Radion voor wittere handdoeken oogt heel zorgeloos. Er wordt veel getrouwd en C.P. v. Geest uit ’s-Gravenzande biedt in een advertentie aan om alvast meubelen te kopen, ‘nu de kwaliteit nog goed is’. Advertenties uit de Westlandsche Courant van 7 mei 1940. Op 3 mei trouwen Jan Klinkenbergen en Joanna Leopoldina Streux op het stadhuis van Naaldwijk. Bron: fotocollectie Wim Emmens. 10-15 mei 1940De oorlog duurde hier maar 5 dagen, daarna spreken we van de bezetting. Jeane Zwinkels beschrijft het begin en het einde in haar oorlogsdagboek:“Uit het achterraam wat een vliegtuigen en vechten. Heel de Fr. Hendrikstraat staat achter op de balkons. We kijken uit het voorraam, ook de hele Dijkweg op de been. De inspekteur komt juist naar Docter Langeveld toe met de uitroep: We hebben er een neergeschoten. Inderdaad, we zien de piloot aan een paraceut naar beneden komen. Helaas het blijkt een Hollander te zijn. In de tuin van Jaap Kester komt hij terecht. Wat zullen we nu doen? Ons kleden? Het is nog zoo vroeg, moeten we nu al die tijd gaan lopen ijsberen. Weet je wat we gaan weer naar bed, slaap je niet dan rust je toch. En werkelijk we slapen weer in tot ½ 7, ons toch zeker niet bewust van de toestand, hoe zou dat anders gegaan zijn. Als we half zeven met ons hoofd buiten het raam komen, gaan er 3 grote Duitse zwarte monsters heel laag over ons heen, om er boos op te worden wat brutaal. Docter Langeveld doet nog eens de verklaring dat het oorlog is. Dat wisten we, maar we zijn nog maar wat gaan slapen, was het antwoord. Gevolg door een uitroep: Hoe is dat mogelijk!!! We gaan om kwart voor 7 naar kerk toe, de H mis is voor Vader, wat een ontsteltenis in dorp.” (…) “Dinsdag 4 mei 1940: Het is vandaag weer werkdag. Wij waren voor de oorlog een paar dagen bij Tinus wezen druiven krenten.(…) Wij gaan ‘s avonds naar de kerk en horen Hoek v. Holland en Rotterdam brandt. Op den Hoek is eene straat welke door de bommen is getroffen en in elkaar gestort in de namiddag gaan branden en totaal in asch gelegd. De Engelsen waren daar volop gelegerd. Om 2 uur in de middag is Rotterdam gebombardeerd de gehele binnenstad is één grote puinhoop en vuurzee wij zien hier in Naaldwijk een grote witte wolk gelijk een sneeuwberg, wat de rookwolk van Rotterdam blijkt te zijn. (…) ‘s Avonds 9 uur komt Generaal Winkelman voor de radio, dat Nederland heeft gecapituleerd, behalve Zeeland dat vecht door. (…) Na Generaal Winkelman komt er een Duitser voor de radio, wij voelde geen grond meer. Zoo iets vreselijks om in plaats van je eigen bekende stemmen en Duitse omroeper te horen dat hen anleen iemand voelen die deze tijd heeft meegemaakt.”Vlak na de oorlog (mei 1940)Na de berichten van de capitulatie wordt op aandringen van de overheid het gewone leven zo snel mogelijk weer opgepakt. De Westlandsche Courant van 18 mei opent met:Maar op dezelfde pagina staat een hele lijst met verordeningen waaronder het verbod om naar niet-Duitse radiozenders te luisteren:De telefoonverbindingen worden door de P.T.T. zo spoedig mogelijk hersteld, het Naaldwijkse zwembad is weer open en vanaf 20 mei moeten alle kinderen weer naar school. Dat laatste geldt alleen als het schoolgebouw beschikbaar is, er zal gedurende de hele bezetting geregeld van ‘schoolgebouw’ gewisseld moeten worden.Ook de middenstand adverteert weer volop:Over de expositieHistorisch Archief Westland beschikt over de dagboeken van Jeane Zwinkels, zij is verpleegster bij het Rode Kruis. Een ander dagboek is dat van Cor Sala die als bakkersknecht een gezin moet zien te onderhouden. Beiden vertellen over de toestand in de wereld, maar vooral ook over de sores van alle dag. Uit deze schriftjes zijn fragmenten verzameld om een beeld te geven van hun ervaringen.De dagboeken van Jeane Zwinkels en Cor Sala. De volledige tekst is te lezen via www.historischarchiefwestland.nl/bronnen/Een ander bron zijn de politierapporten van Monster en Naaldwijk, waarin dagelijks verslag wordt gedaan van de aangifte van diefstallen, arrestaties en andere politiezaken.Alleen van 10 tot 17 mei 1940 zijn geen meldingen gemaakt. De rapporten tot 1943 zijn openbaar en in te zien in de leeszaal van Historisch Archief Westland in het gemeentehuis aan de Verdilaan in Naaldwijk.Tijdens de oorlogsdagen was het politiebureau gesloten.Bron: Politierapport MonsterDe toenemende voedselschaarste maakte het noodzakelijk om maaltijden aan te passen aan het aanbod. Tussen 1940 en 1945 zijn diverse kookboekjes uitgegeven en werden schriftjes bijgehouden met eigen recepten en krantenknipsels. Het archief heeft onlangs een receptenschriftje aangeboden gekregen waaruit 5 recepten gebruikt zijn voor de tentoonstelling. Het recept voor Aardappelcake hebben we zelf uitgeprobeerd en viel niet tegen.Daarnaast beschikt het archief over een fotobeeldbank en enkele privécollecties waaronder die van DR. Van Rijn en Wim Emmens. Voor de expositie hebben we ook gebruik gemaakt van recent gedigitaliseerde foto’s van dhr. A. van den Ende van de sloop van de woningen aan de Groeneweg in Naaldwijk. De Westlandsche Courant is tot januari 1942 verschenen. De fotobeeldbank en de kranten zijn te vinden via www.historischarchiefwestland.nl/collecties/De grote vitrinewand van het gemeentehuis is gevuld met objecten van het Westlands Museum waaronder een smokkelvest en smokkeltank, rookwaren en surrogaatkoffie, een jurkje van parachutestof, twee noodkeukentjes en een radio. Uit onze eigen collectie hebben we een landkaart toegevoegd waarop de troepenbewegingen bijgehouden zijn aan de hand van illegale radio-berichten. In de kleine vitrinekast liggen oorlogsdagboeken, twee van Jeane Zwinkels en één van de heer Hogervorst, een Naaldwijkse timmerman. Ook ligt er een politierapport van Monster. Dagelijks slaan we een pagina om zodat de bezoeker kan zien wat zij schrijven over hun ervaringen in april en mei van de oorlogsjaren. Bij de opening op 2 april heeft wethouder Piet Vreugdenhil de persoonsbewijzen van zijn ouders in deze vitrinekast geplaatst.Wethouder Piet Vreugdenhil plaatst persoonsbewijzen van zijn ouders in de vitrinekast.Een ander bijzonder document in deze vitrinekast is de zoen-distributiekaart. Deze kon je als kaart naar je geliefde sturen en laat zien dat ondanks de grote zorgen en de toenemende beperking, de humor overeind bleef.Distributiekaart voor geliefden.Bron: oorlogscollectie HAWOproep: Heeft u op zolder nog materiaal uit de oorlog liggen? Gooi het niet weg, maar breng het naar het Historisch Archief Westland. Op woensdag 17 april organiseert het archief een speciale ochtend waarop oorlogsdagboeken, kookschriftjes, krantjes en ander materiaal geschonken kan worden om onze oorlogscollectie aan te vullen. U vindt het archief in de publiekshal van het gemeentehuis aan de Verdilaan.Auteur: team Historisch Archief Westland
Lees meer
Streekhistorie: Zomertijd zondag 31 maart 2019 09:09

Streekhistorie: Zomertijd

In september 2018 besloot de Europese Commissie dat de lidstaten van de EU zelf mogen bepalen of ze in de zomer- of de wintertijd willen leven. De gezamenlijke omschakeling in de EU van winter- naar zomertijd zou in 2019 worden afgeschaft. Begin dit jaar hebben de transportministers van de EU echter besloten de definitieve beslissing over het halfjaarlijks veranderen van de klok uit te stellen tot 2021. Er moet eerst een onderzoek komen naar de voor- en nadelen van het verzetten van de klok. Een stap in de goede richting denken de voorstanders van afschaffing, maar de uiteindelijke beslissing wordt vooruit geschoven. Voorlopig blijft dus alles bij het oude. Dit weekeinde gaat de zomertijd weer in, dus zetten we de klok een uur vooruit en op de laatste zondag van oktober gaat de wintertijd in. In Nederland werd de zomertijd begin vorige eeuw van jaar tot jaar geregeld en in 1918 werd wettelijk vastgelegd dat de zomertijd jaarlijks zou vallen tussen 31 maart en 1 oktober. Met de gevolgen van de zomertijd had de land- en tuinbouw grote moeite. Door de zomertijd verschuift de daglichtperiode een uur, ’s morgens wordt het een uur later licht en ’s avonds een uur later donker. Het weer stoort zich uiteraard niet aan de zomertijd, de hoogste temperatuur van de dag wordt dan meestal pas enkele uren na het middaguur bereikt, zodat de dag meestal wat frisser begint en men langer last heeft van ochtendmist. In de jaren 1923 en 1924 heerst er in kringen van de land- en tuinbouw in Nederland grote beroering over de vóór- en met name de nadelen van de zomertijd. Na hiermee gedurende enige jaren ervaring te hebben opgedaan wordt het standpunt ingenomen dat er aan het jaarlijks verzetten van de klok zoveel nadelen kleven dat de zomertijd maar weer zo spoedig mogelijk moet worden afgeschaft. In het blad “DE TUINDERIJ, officieel orgaan van het Centraal Bureau van de Veilingen in Nederland” met als ondertitel “Weekblad gewijd aan de teelt van GROENTEN, KOOL, AARDAPPELEN, FRUIT” vinden wij deze problematiek breed uitgemeten terug. De discussie over de zomertijd heeft toen ook in het Westland voor de nodige commotie gezorgd. In het blad “De Tuinderij” van 23 februari 1923 werd gemeld dat er bij het behandelen van de begroting van Binnenlandse Zaken gediscussieerd is over de jaarlijkse zomertijd. Een fervent voorstander van afschaffing van de zomertijd, het Tweede Kamerlid Braat, diende een wetsontwerp in tot niet-invoering van de zomertijd in 1923. Dit voorstel wordt uiteindelijk aangenomen. De redacteur van het blad merkt hierbij met voldoening op dat, als ook de Eerste Kamer het wetsontwerp aanneemt, er dat jaar een bron van schade en belemmering in het bedrijf van de tuinder zal zijn weggenomen.Voorstanders uit de bevolking verzamelden 360.000 handtekeningen en richtten een verzoek tot de Eerste Kamer om niet over te gaan tot afschaffing. Doktoren wezen erop dat het voor de stadsbewoners ongezond was om een deel van de dag te slapen en een deel van de nacht op te blijven, het geneesmiddel was juist de zomertijd. Voorgesteld werd om de boeren en tuinders tegemoet te komen door de scholen een uur later te laten beginnen (dan was ook kinderarbeid nog mogelijk). In de landelijke bladen regende het van de ingezonden stukken van voorstanders. Het Centraal Bestuur van de Nederlandschen Tuinbouwraad daarentegen verzocht de kamer echter dringend om juist over te gaan tot afschaffing van de zomertijd. In een hoofdartikel in het Algemeen Handelsblad van 22 maart 1923 werd het opgenomen voor boer en tuinder. In dat artikel werden de volgende argumenten aangevoerd: Een stoommachine is even gewillig of het nu ‘s nachts 12 uur is of ‘s middags tijdens het theeuurtje en de schrijfmachine of het grootboek laten zich met evenveel genoegen behandelen om 9 uur als om 8 uur ‘s morgens. In industriële en handelsbedrijven kan men dus gemakkelijker de werktijden verzetten dan in het landbouwbedrijf. Op de boerderij is het echter heel anders gesteld omdat dieren en ook planten zich richten naar de zon. Daarbij komt, zoals algemeen bekend is, nog dat de landarbeiders in het vervroegde morgenuur niet productief tewerkgesteld kunnen worden. Omdat de landbouw de grondslag van onze samenleving vormt is de conclusie dat de invoering van de zomertijd voor de land- en tuinbouw, dus eigenlijk voor de hele gemeenschap, gepaard gaat met grote financiële schade en bovendien veel ongerief. De argumenten van de voorstanders komen alleen maar neer op genotsmotieven.Op woensdag 18 april 1923 werd het ontwerp tot afschaffing van de zomertijd onder zeer grote belangstelling van het publiek behandeld door de Eerste Kamer en aangenomen zodat er ondanks de argumenten van de land- en tuinbouw ook dat jaar weer zomertijd kwam. Op 15 november 1923 besloot het Bondsbestuur van de “Vereeniging Westland” een adres te richten aan de ministerraad en aan de leden van de 1e en de 2e Kamer, waarin uiteengezet werd welke bezwaren de Westlandse tuinbouw heeft ondervonden van de elk jaar opnieuw ingevoerde zomertijd. De tekst van de bij dit schrijven behorende toelichting kan worden toegeschreven aan de voorzitter, de heer J.Barendse, die zich ook in de vakbladen al eens in gelijke bewoordingen had uitgelaten. Hij schreef het volgende:Het Westlandsche Tuinbouwbedrijf wordt in het gebied van den Bond Vereeniging Westland uitgeoefend door ongeveer twee duizend tuinbouwers, woonachtig in de gemeenten ’s-Gravenzande, Naaldwijk, Monster, Wateringen, De Lier en Maasland. De teelten worden gedreven op den kouden grond en onder glas. Vele kassen en zogenaamde warenhuizen worden verwarmd met warm water of stoom. De glasteelt heeft een zeer grooten omvang aangenomen en vormt het hoofdbedrijf. De streek teelt een groote verscheidenheid van groenten en fruit, benevens bloembollen en snijbloemen, terwijl de varkensmesterij op vrij groote schaal wordt uitgeoefend. Alle groenten en fruit wordt verkocht op de veilingen van voornoemde vereenigingen, waarvan de gezamenlijke omzet in 1923 naar schatting de tien millioen gulden zal overschrijden. Uiteraard wordt deze geldelijke opbrengst verworven in de maanden April tot November, dus juist gedurende den zomertijdJan Barendse, voorzitter van de “Vereeniging Westland”Uit deze enkele gegevens kan worden afgeleid, dat het Westlandsche tuinbouwbedrijf door zijn veelzijdigheid, door de aanwending van kostbare kunstmiddelen, alsmede door zijn ook op het buitenland gerichten handel zeer gevoelig en in buitengewone mate afhankelijk is van de zon en van de weersinvloeden. Waar nu door de wettelijke tijdregeling in de zomermaanden, welk als noodzakelijke regel in de oorlogsjaren (1e Wereldoorlog) moest worden ingevoerd en aanvaard worden, de klok een uur bij de zon voorkomt, grijpt deze regeling diep in, in den zoo samengestelden en drukken tuinarbeid en in het jagende veilingbedrijf en brengt daar uitsluitend bezwaren, hindernis en schade teweeg, zonder ook maar een enkele begunstiging voor den tuinbouwer op te leveren.Ter nadere aanwijzing van de nadeelen, aan de zomertijdregeling verbonden, mogen hier eenige feiten als voorbeeld aangehaald worden:Ten eerste.In het voorjaar moeten de vroege groenten als spinazie, sla, bloemkool, bospeen ect. zoo versch mogelijk ter veiling worden aangevoerd om in den gunstigsten toestand zoowel de buiten- als de binnenlandsche markten te kunnen bereiken. Voor het verkrijgen van een waardevol product moet in de morgenuren worden geoogst. Daar de groote exportveilingen met het oog op de verlading voor het buitenland en den omvangrijken aanvoer reeds des voormiddags tusschen 81/2 en 10 uur aanvangen, kan de tuinder des morgens nooit te vroeg aan den arbeid zijn. De zomertijd ontneemt hem een vol uur zonlicht in den morgen, dus juist op dat deel van den dag, waarvan elke minuut kostbare waarde heeft.In de morgenuren, welke voor den aanvang der veiling resten, moeten de groenten niet alleen geoogst, maar ook geschoond, gesorteerd en verpakt worden. Dan volgt inlading en vervoer naar de veiling met plaatsing der goederen aldaar voor den verkoop. De tuinder kan met jagen en zwoegen het uur, waarvan de zomertijdregeling hem berooft, niet inhalen. Het is als het kostbaarste uur van den geheelen werkdag voor hem verloren. Het ligt voor de hand, dat zeer vele tuinbouwers en inzonderheid zij, die op aanzienlijken afstand van de veilinggebouwen verwijderd wonen, door tijdgebrek in den morgen genoodzaakt worden op den vorigen dag reeds te oogsten, wat aan de kwaliteit der producten ten zeerste schaadt.Ten tweede.In den midzomer, omstreeks den tijd van den hoogsten zonnestand is de zomertijdregeling voor het Westlandsche tuinbouwbedrijf eveneens hinderlijk en nadeelig. De glasteelten eischen voortdurend zorg en toezicht in verband met de kracht van de zon. De stand van de luchtramen dient geregeld naar den zonnestand. In den zomer verlaat het dienstpersoneel des namiddags te 61/2 uur den tuin, wanneer dus de zon nog hoog aan den hemel staat en het glas nog niet gesloten kan worden. De tuinder heeft hierdoor laat op den avond nog in veel werk te voorzien, waarvoor het bij het vertrek van het personeel nog te vroeg was. Ondergetekenden nemen de vrijheid aan het bovenstaande nog een bezwaar van algemeenen aard toe te voegen:De wettelijke regeling van den zomertijd prikkelt en verbittert de land- en tuinbouwende bevolking, omdat deze regeling ingaat tegen de ordening in de natuur, waarop zijn bedrijf steunt en hij zich daardoor een natuurlijk recht ontnomen ziet. Dit gevoel moet op den duur bij blijvende teleurstelling den geest van het platteland ongunstig beïnvloeden.Poeldijk, November 1923Aardappeloogst bij tuinder P. van den Berg aan de HeenwegIn januari 1924 werd er door een aantal kamerleden weer een voorstel tot opheffing van de zomertijd ingediend. Kennelijk was de regering hier niet erg van onder de indruk want begin februari verschijnt er een Koninklijk Besluit waarbij werd bepaald dat de zomertijd dat jaar in zou gaan op 30 maart en zou eindigen op 5 oktober. In de loop van het jaar 1924 werd er door het Centraal Bureau der Veilingen in Nederland, waarbij bijna alle telers van groenten, fruit en vroege aardappelen in Nederland waren aangesloten (meer dan 40.000 leden), een enquête gehouden. Op grond hiervan werd een rapport samengesteld waarin zwaarwegende bezwaren tegen de zomertijd werden aangevoerd. Deze rapportage werd op 18 juli 1924 aangeboden aan de minister van Binnenlandse zaken en Landbouw. De jaren daarna lezen wij in de vakbladen echter niet veel meer over de bezwaren tegen de zomertijd. Kennelijk hebben boer en tuinder uiteindelijk met dit jaarlijkse gebeuren leren leven. De jaarlijkse zomertijd is vlak na de Tweede Wereldoorlog afgeschaft. Dertig jaar later, na de zogenaamde “oliecrisis” veroorzaakt door een Arabisch olie-embargo, werd de zomertijd als energiebesparende maatregel in het voorjaar van 1977 opnieuw ingevoerd. Ook toen werden er vanuit de agrarische sector wel bezwaren aangevoerd maar kennelijk telden die niet zo zwaar meer als in de twintiger jaren van de vorige eeuw.Nu is de afschaffing van de zomertijd op termijn dus weer aan de orde. We zullen zien wat de rapportage van voor- en nadelen van de zomertijd dit keer oplevert en welke stappen dit voor de besluitvorming oplevert.Auteur: Jan Dahmeijer van de Vereniging Oud ’s-Gravenzande i.o.
Lees meer
Streekhistorie: Kasteel Keenenburg in beeld (deel 1) zondag 24 maart 2019 10:10

Streekhistorie: Kasteel Keenenburg in beeld (deel 1)

Op dinsdag 26 maart 2019 organiseert de Historische Vereniging Oud-Schipluiden een dubbellezing in het Notenschip, Schoolplein 4 te Schipluiden, aanvang 20.00 uur. Het onderwerp is: Kasteel Keenenburg te Schipluiden en zijn bewoners. Voor de pauze vertelt Hans Koot, archeoloog, over de bouwgeschiedenis van het kasteel, dat naast een hoofdburcht een oude en nieuwe voorburcht bezat. Het is een imposant complex geweest, dat verschillende bouwfasen heeft gekend. De oudste bouwfase dateert uit het begin van de vijftiende eeuw. De sloop vond in 1798 plaats. De spreker is nauw bij het onderzoek naar de Keenenburg betrokken.Na de pauze belicht Jacques Moerman, historicus, enige opvallende bewoners van het kasteel, waaronder Philips de Blote en Otto en Jacob van Egmond. Zij hadden ook een belangrijke rol in het gewest Holland.De laatste jaren is door nieuw onderzoek meer bekend geworden over de geschiedenis van de bouw en de bewoners van de Keenenburg. Enkele voorbeelden:Philips de BloteDeze edelman werd in 1411 eigenaar van de Keenenburg. Hij was een vertrouweling van graaf Willem VI en bekleedde de functie van secretaris van de tresorie. Hij beheerde dus mede de kas van het graafschap Holland. Een aantal jaren was hij schout en burgemeester van Delft. Deze functies had hij van Willem VI gekregen, omdat hij de graaf grote sommen geld had voorgeschoten. De oorlogvoering in het kader van de Hoekse en Kabeljauwse twisten kostte veel geld. Door de vermelde functies verdiende Philips de Blote het geleende geld weer terug. In 1407 kocht hij de grafelijke verblijven nabij de Markt in Delft. Enige jaren later verkocht hij deze panden met winst aan de stad Delft, die er een Vlees- en Lakenhal van liet maken. Mede door dit geld kon Philips de Blote in Schipluiden een kasteel laten bouwen. Hij was ook een aantal jaren baljuw en dijkgraaf van Delfland en Schieland en liet nabij zijn pas verworven bezit in Schipluiden de eerste windwatermolen van Zuid-Holland bouwen. Hij profiteerde dus zelf direct van deze nieuwe waterstaatkundige uitvinding. In 1412 liet hij de bestaande Keenenburg slopen en bouwde hij een nieuw kasteel, bestaande uit een indrukwekkende hoofdburcht en voorburcht. De bouwmaterialen van het oude kasteel, zoals leien en hout, verkocht Philips de Blote aan de graaf van Holland voor hergebruik bij de uitbreiding van het Binnenhof. In 1414 mocht hij bij de Keenenburg enkele zwanen houden. Het zwanenrecht was voorbehouden aan de graaf en sommige adellijke families. Zwanen nabij je huis straalden status uit. Op 8 mei 1417 kwam de bode van de graaf ’s nachts vanuit Den Haag naar Schipluiden om Philips de Blote voor overleg naar Den Haag te ontbieden. Uit dit gegeven blijkt dat de Keenenburg in die tijd werd bewoond. In Schipluiden herinnert de Philips de Blotestraat aan deze belangrijke eigenaar van de Keenenburg. ‘Blote’ verwijst naar open, iemand open tegemoet treden, meer een verwijzing naar dapperheid dan naar naaktheid. De bewoners van deze straat trots op deze straatnaam.Otto 1 van Egmond, een polderaar in de oorspronkelijke betekenis van het woordVerschillende heren van de Keenenburg in Schipluiden waren polderbestuurder, hoogheemraad of dijkgraaf. Eén van hen was Otto 1 van Egmond (1450-1510). Als waterstaatsbestuurder doet hij in Friesland iets opmerkelijks, waarvan in Oude Bildtzijl een verwijzing is te zien. In deze plaats, die in 1505 vijfhonderd jaar bestond, bevindt zich een Van Egmondstraat. Hoe is die naam daar te verklaren?Ruim 500 jaar geleden (in 1505) werd het Bildt, het gebied van de monding van de voormalige Middelzee in Noordwest-Friesland, ingepolderd. Dit land staat bekend als ‘de Hollandse polder’. Bij de bedijking en exploitatie van het Bildt waren Hollandse investeerders betrokken. De beroepsambtenaar Gerrit van Loo, afkomstig uit Dordrecht, organiseerde het ‘Hollandse waterschap’ in Friesland. Hij werd hiervan ook de eerste dijkgraaf. Eén van de ruim veertig aandeelhouders woonde in Schipluiden. Dit was Otto 1 van Egmond (1450-1510), heer van de Keenenburg, de grootvader van de Otto 2 van Egmond, die een vertrouweling was van Willem van Oranje. Otto 1 financierde met enige consorten de exploitatie van 405 morgen goed land, 16 morgen goede kwelder en 16 morgen slechte kwelder (in totaal ruim 370 ha). Andere bekende investeerders waren leden van het adellijke geslacht Van Wijngaarden, graaf Jan III van Egmond, stadhouder van Holland en Zeeland, Karel van Habsburg, graaf van Holland en Zeeland, Willem Goud, ontvanger generaal van Holland en Friesland en Gerrit van Loo, secretaris van het Hof van Holland. Otto 1 van Egmond bevond zich dus in goed gezelschap. Als hoogheemraad van Delfland had hij kennis van waterstaatskunde. Zijn betrokkenheid bij investeringen in het Bildt illustreert dat de familie Egmond van Keenenburg bemiddeld en ondernemend was.Auteur: Jacques Moerman van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Broederschap van de Westlandsche Processie naar Kevelaer 200 jaar zondag 17 maart 2019 10:10

Streekhistorie: Broederschap van de Westlandsche Processie naar Kevelaer 200 jaar

De religieuze 'bedevaart' is al eeuwenoud. Men komt het wereldwijd in alle culturen en religies tegen. In de Grieks-Romeinse oudheid, bij de Azteken, bij Afrikaanse stammen, in de islam en het christendom. Op bedevaart gaan is een spirituele plaats bezoeken met een feest van ontmoeting, met momenten van bezinning, maar ook met gezelligheid. De bedevaartplaats KevelaerKevelaer is een katholieke bedevaartplaats net over de Duits-Nederlandse grens vlak bij Kleef, zo’n 30 km van Nijmegen. Wat is er in Kevealer gebeurd? Rond Kerstmis van het jaar 1641 hoorde de vrome marskramer Hendrik Busman op de heide van Kevelaer nabij een hagelkruis tijdens zijn gebed een stem: "Bouw mij op deze plaats een kapelletje!" Hij hoorde op drie verschillende dagen deze geheimzinnige stem. Zijn vrouw zag in een nachtelijke verschijning een afbeelding van Maria als "Troosteres van de bedroefden". Zij had een tijd eerder deze afbeelding gezien in de handen van twee soldaten. Zij ging op zoek naar deze soldaten en kocht de prent van de 'gekroonde Onze-Lieve-Vrouw'. Een devotieprent van kleine afmetingen. In 1642 reeds kon de pastoor van Kevelaer het genadebeeld in het door de marskramer Hendrik Busman gebouwde kapelletje plaatsen en de prent kreeg hier ook zijn eigen plaats.Door de vicaris van het Bisdom Roermond, waaronder Kevelaer viel, werd in 1642 een commissie ingesteld met hooggeleerde heren om de feiten tot een betrouwbare kern te brengen. In 1647 had deze commissie zijn werk afgerond en formeel bevestigd dat Kevelaer een heilige plaats was.De ontwikkeling van de bedevaartplaats KevelaerIn 1648 kreeg na de Vrede van Munster onze Republiek van de Zeven Verenigde Provincies zijn beslag. De Republiek was na tachtig jaar oorlog eindelijk verlost van de gehate katholieke Spanjaarden. Het protestantisme werd als officiële godsdienst van de nieuwe Republiek vastgesteld. De katholieken waren in de minderheid, werden wel niet vervolgd, maar mochten hun religie niet meer in openbaarheid belijden. Hierdoor trok de 'heilige plaats' Kevelaer net buiten de Republiek de katholieken aan. Hier konden ze hun geloof openlijk belijden en Kevelaer maakte een snelle onstuimige bloeiperiode door. Het is dan ook niet voor niets dat sinds jaar en dag katholieke Westlanders op bedevaart gaan naar het Duitse Maria bedevaartoord.Het Westlandsche Broederschap naar Kevelaer opgericht in 1819, 200 jaar geleden!De eerste processie werd al in 1643 gehouden vanuit Rees, een naburig dorp. Hierna volgde Roermond. Dit groeide uit tot een wijdverbreid gebruik en tegen het einde van de achttiende eeuw is er sprake van ruim 250 georganiseerde processies, zo'n dertig vanuit de Republiek. In die tijd trokken de pelgrims uit Holland onopvallend in kleine groepjes naar de grens. Bij de grens groepeerden ze zich en trokken dan in processie verder. Dit werd georganiseerd door broederschappen. Zo’n broederschap fungeerde als een soort reisorganisatie. Ze begeleidden de pelgrims, gaven praktische tips, bespraken de reisroute, gaven adressen voor eten en overnachtingen en organiseerde de tocht na de verzameling bij de grens. Na de Franse tijd kreeg het katholieke geloof meer vrijheid in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. In 1819 werd met goedkeuring van paus Pius VII het Broederschap van de Westlandsche Processie naar Kevelaer opgericht. In veel parochies van het bisdom waren broedermeesters of lijsthouders aangesteld en actief. Volgens het reglement uit 1881 van de Westlandsche processie naar Kevelaer stond de processie onder oppertoezicht van de toenmalige bisschop van Haarlem P.A.M. Snickers. Het bestuur van de Broederschap bestond uit een president en vijf leden, die broedermeesters werden genoemd. President was pastoor Andreas van Lottom van Wateringen. P.J. Samwel en G.J. Schilperoort waren allebei broeder-directeur en C.P. Hoek was secretaris en penningmeester. Het Broederschap was niet winstgericht: het batig saldo werd aangewend voor het lezen van missen voor de overleden leden.Broederschapskerk St. Jan de Doper parochie in WateringenHet Westlandse Broederschap telde ooit vierhonderd leden. Het aantal pelgrims werd zelfs zó groot, dat Delft zich in 1912 afscheidde. Vanaf die tijd is de kerk van de Sint Jan de Doperparochie in Wateringen de Broederschapkerk. Het hoofdbestuur zetelde echter reeds vanouds te Wateringen. In februari 1969 heeft het toenmalig (hoofd)bestuur van het Westlandsche Processie Broederschap van O.L. Vrouw van Kevelaer het Broederschap opgeheven en alle bezittingen van het Broederschap overgedragen aan het kerkbestuur van de Sint Jan de Doperparochie te Wateringen. Bij de bouw van de nieuwe Sint Jan de Doperkerk in 1901 werd aan de bedevaarten aandacht geschonken door twee aparte kerkramen. In de twee uiteinden van de Sint Jan de Doperkerk in Wateringen, links en rechts, zijn fraaie gebrandschilderde ramen aangebracht ter ere van Maria als de onbevlekte maagd (Lourdes) en als troosteres der bedroefden (Kevelaer). In twaalf taferelen wordt het hele verhaal van Kevelaer verteld: de verering van Maria als troosteres van de bedrukten, Hendrik Busmann, zijn vrouw, de twee soldaten die haar een prentje aanbieden, maar ook bouwpastoor Flinkenflügel van Wateringen.Vaandels van Westland en WateringenTijdens de processie werden vaandels meegedragen. De Westlandse en Wateringse inbreng werd door eigen vaandels ondersteund. De Sint Jan de Doperkerkkerk bewaart nog steeds vier processievaandels: een ongedateerd, een van het vijftigjarig, een van het vijfenzeventigjarig en een van het honderdjarig bestaan. Op het vaandel uit 1893 staat Joannes de Doper afgebeeld met een stok met daarboven de slang en daaronder het lam. Boven de afbeelding staat de tekst Westlandsche Processie naar Kevelaer. Onder de afbeelding van Joannes staan de jaartallen 1819-1893 en de ster van Wateringen. Aan de onderkant heeft het vaandel vier kwasten. Op het vaandel links staat boven Westlandsche Processie naar Kevelaar met hieronder de vermelding van de jaartallen 1819 (start van de Westlandsche Broederschap) - 1893. Een vaandel dus van 125 jaar oud. Maar wel met het Wateringse wapen toegevoegd!Kevelaer is ondertussen uitgegroeid tot een middelgrote stad. De Kapellenplatz ligt in het centrum van het stadje. Er zijn nu nog twee mooie kapellen uit de 17e eeuw op een plein met imponerende eeuwenoude lindebomen. Er is een indrukwekkende basiliek en er is een prachtig Kruiswegpark.Omdat het tweehonderd jaar geleden is dat de Westlandsche Broederschap naar Kevelaer met goedkeuring van paus Pius VII werd opgericht wordt van september 2019 tot en met januari 2020 een tentoonstelling gehouden in de wagenschuur van het Westlands Museum met aandacht voor Middeleeuwse bedevaartplaatsen in het Westland. Daarnaast aan bedevaartplaatsen waar in het verleden en ook in het heden Westlanders naar toe trekken als pelgrim of toerist. Daarbij kan je denken aan Brielle, Heiloo, Amsterdam, maar ook Lourdes, Santiago de Compostella, maar natuurlijk ook Kevelaer. De Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul heeft voor de realisatie van de tentoonstelling een flinke donatie ontvangen van Fonds 1818. Deze tentoonstelling wordt samen georganiseerd met de andere Historische Verenigingen en Archieven, de Stichting Bedevaarten Westland en de betreffende parochies. Een hele uitdaging!Maar…. U kunt ons ook helpen als u foto’s of mooie of leuke aandenkens heeft van bedevaartsoorden die u of uw familie in het verleden hebben bezocht. We zullen dit netjes op naam, eventueel met foto, innemen en er zorgvuldig mee omgaan. Dat kan op de eerste zaterdag van de maand, 's middags in de Kaaskelder in de Hofboerderij tijdens het spreekuur van de Historische Vereniging Wateringen-Kwintsheul, Hoflaan 1 in Wateringen. U kunt ons ook mailen op info@hvwk.nl.Bruikleen plaquette van Joh. van der Koleij : 25 jaar BroedermeesterVoor de tentoonstelling zijn al bijzondere zaken in bruikleen gegeven, zoals de hier afgebeelde prent met een gezicht op Kevelaer als dank voor de organisatie door de broedermeester Joh. van der Koleij met de tekst:“De Heeren Joh. Van der Koleij uit Wateringen ter gelegenheid van zijn 25-jarige pelgrimstocht als leider en meester van de processie 'Westland – Kevelaer, evenals trouwe 25-jarige gast van Hotel Kölner Hof – in liefde en dankbaarheid geschonken. Familie Jos Tornbergs Hotel Kölner HofKevelaer 12 september 1934”.Auteur: Chris Batist namens de Historische Vereniging Wateringen Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: Nog geen harmonie op de plaats van De Harmonie zondag 10 maart 2019 10:10

Streekhistorie: Nog geen harmonie op de plaats van De Harmonie

In Naaldwijk heeft DE Harmonie gestaan, op de hoek van de Verdilaan en de Dijkweg. Dit verenigingsgebouw van Fusica, dat in de voormalige pastorie gevestigd was, is in 2009 in alle haast afgebroken toen het in aanmerking kwam om een gemeentelijk monument te worden. Al tien jaar ligt het terrein braak. Nu zijn er nieuwe plannen voor bebouwing in de maak, maar hebben we iets geleerd over monumenten en de waarde ervan? Hoe doen we recht aan een historische omgeving? Laten we eerst kijken wat er na de sloop van de Harmonie over is aan monumentale en waardevolle objecten in de omgeving.Een kerkhof zonder kerk, maar wel uniek en een prachtige plek voor rust en bezinningIn 1828 is bij de toenmalige kerk aan de Dijkweg een stuk grond aangekocht voor een eigen katholieke begraafplaats. Het lag in die tijd ver genoeg buiten het centrum van Naaldwijk. De kerk die onopvallend achter de pastorie lag, is in 1870 afgebroken. En ook zijn opvolger die naast de pastorie gebouwd was, is al bijna een eeuw gelopen gesloopt. Maar het kerkhof is tot 1982 in gebruik gebleven. Nu is het een oase van rust. Lees ook het artikel wat eerder in deze rubriek verschenen is. https://www.wos.nl/streekhistorie-de-r-k-begraafplaats-aan-de-dijkweg/nieuws/item?824574Een woonhuis met hek en prieel en bovendien een mooi verhaal.Huize Bijdorp dat tegenover de Harmonie ligt, is in 1836 gebouwd als dokterswoning en heeft later als rusthuis van de hervormde kerk dienst gedaan. Met de grote tuin en een prieel uit 1907 vormt het nu nog een blikvanger. Het is met recht een rijksmonument. Lees meer op https://www.monumentaalwestland.nl/achtergrond-drie-monumenten-op-een-kavel-aan-de-dijkweg/Het eerste station van Naaldwijk Het tramspoor van de WSM liep tot 1907 over de Dijkweg en had zijn eindpunt voorbij de pastorie. Het station aan deze tramlijn is in 1895 gebouwd en ligt wat noordelijker (richting Honselersdijk), zodat er ruimte was voor rangeren. Dit gemeentelijk monument is herbestemd tot appartementencomplex. Het is geen opvallend gebouw maar wel onderdeel van het verhaal over de WSM in Naaldwijk.Het Monument voor de GevallenenSinds 1953 staat langs de Verdilaan het oorlogsmonument op de locatie waar tussen 1829 en 1865 de algemene begraafplaats van Naaldwijk gelegen moet hebben. Elk jaar op 4 mei wordt de Verdilaan hier afgezet om de herdenking plaats te laten vinden.Samen vormen deze verschillende monumentale objecten bijna een gesloten cirkel om het bouwterrein. De vraag is dus: wat heb je in het midden nodig om recht te doen aan deze waardevolle omgeving? Hoe passen we er iets in dat ruimte laat voor de beleving van ons erfgoed? Welke randvoorwaarden stellen we als samenleving aan dit soort unieke locatie? Willen contrasteren of gaan we voor harmonie en verfijning.De Verdilaan is een verkeerstechnische ingreep uit de jaren zeventig om het centrum van Naaldwijk beter te ontsluiten. Het heeft geen eenduidig karakter en de meeste gebouwen keren zich wat van de weg af. Stedenbouwkundig zou je kunnen pleiten voor een stevige bebouwingsrand om de overgang tussen het oude centrum en de nieuwbouw te markeren. Dat zou dan aan de noordzijde kunnen zoals ook bij het nieuwe gemeentehuis het geval is. Dit glazen gebouw heeft de entree prominent aan de verkeersader en niet aan de oudere Stokdijkkade. De vraag is of de kruising met de Dijkweg ook op deze manier vormgegeven moet worden en welke bouwmassa en uitstraling wenselijk is op deze locatie. De Stokdijkkade en de Dijkweg worden allebei doorsneden door de Verdilaan, en hoewel de bebouwing even ver van elkaar staat, zijn ze niet met elkaar te vergelijken. De Stokdijkkade heeft eind jaren zestig zijn open en landelijke karakter verloren en heeft aan een zijde een woonfunctie gekregen, aan de andere zijde staan voornamelijk kantoorpanden. Op de plaats waar ooit de vaart liep, wordt geparkeerd. De kunst is hier om de verbinding met het centrum beter vorm te gaan geven.De Dijkweg is meer intiem qua beleving en meer gevarieerd in functie. Het grootste deel van de bebouwing is van voor de oorlog en bestaat uit huizen met voortuinen. Hoewel ook hier al grotere ingrepen gedaan zijn, is de historie nog voelbaar en dat maakt dat dit een populaire fiets- en wandelroute is. Omdat het karakter van deze oude verbindingsweg aan beide zijden van de Verdilaan niet wezenlijk verschilt, zou continuïteit het uitgangspunt moeten zijn voor verdere invullingen langs de Dijkweg. Als vereniging pleiten we voor respect voor het karakter van de Dijkweg en voor de waardevolle objecten in de directe omgeving. Dus niet contrasteren, wat de snelle oplossing is in een complexe omgeving, maar op zoek gaan naar harmonie en verfijning. Het vereist onderzoek en studie naar bouwmassa, functie, toegang en materiaalgebruik, waarbij alle belangen erkend en gewogen worden. Dat is niet makkelijk en het kost meer tijd en vakmanschap. Maar het is uiteindelijk de moeite meer dan waard, omdat niet alleen het gebouw zelf, maar ook de omgeving en wij allemaal erbij gebaat zijn. Met dank aan HAW en Wim Valstar voor het gebruik van foto's.Auteur: Jolanda Faber van HVNH
Lees meer
Streekhistorie: Het drama van de torpedisten uit Hoek van Holland zondag 24 februari 2019 09:09

Streekhistorie: Het drama van de torpedisten uit Hoek van Holland

Dat het werk van de manschappen van het Korps Torpedisten bijzonder gevaarlijk kon zijn blijkt uit het drama van 14 oktober 1909. Dit drama had een enorme impact op de bevolking en was dagenlang nieuws in de kranten. Op donderdag 14 oktober 1909 om 10 uur vertrokken een barkas (een grote sloep) met een duikertoestel aan boord, een vlet (een klein vaartuig van hout of staal) en de sleepboot Torpedodienst II uit de Berghaven te Hoek van Holland naar zee.De barkas en vlet waren van het Korps Torpedisten uit het garnizoen Den Briel. Aan boord van de scheepjes bevonden zich torpedisten en soldaten van de Pantserfort Artillerie. De barkas en de torpedisten waren vanwege oefeningen te Hoek van Holland gedetacheerd en hadden hun onderkomen in de torpedoloods en het fort. Zij hadden opdracht om langs de kust naar Katwijk te varen en moesten daar het wrak van het vrachtschip ss. “Caledonia” met explosieven opruimen. De mannen waren een week eerder bij het wrak geweest maar door het slechte weer konden zij niet met het werk beginnen. De ruimploeg stond onder commando van de 1e luitenant Johannes Oostrijck. Als duiker ging sergeant C. Stigter uit Den Helder mee.Het vrachtschip ss. “Caledonia”, ex Schmidborn. voer onder de Nederlandse vlag en werd gebouwd in 1870 op de scheepswerf van Backhouse & Dixon te Middlesbro. Het schip werd 1891 gekocht van E. Harris & Co te Middelsbro door de Nederlandse Stoomboot Mij. Later Wm. H. Müller & Co te Rotterdam. Op 14 december 1894 strandde het schip bij Katwijk, op weg van New Castle naar Rotterdam. Na de stranding brak het schip en ging het verloren.De torpedisten zouden proberen het wrak van de “Caledonia” te laten springen met hulp van pikrine-zuur. Bij de torpedodienst gebruikte men in die tijd steeds vaker pykrine-zuur in plaats van dynamiet omdat het gebruik hiervan veiliger was dan dynamiet. Pykrine-zuur kon niet worden ontstoken door vuur of een schok. Het explosief werd ook gebruikt als lading voor granaten. Het explosieve goedje was geelkleurig en werd vervoerd in mandflessen van ongeveer 50 liter of in stenen kruiken van 5 kilo. De fles of kruik werd afgesloten met een dubbele kurk. De kurk was doorboord zodat door de opening de geleidingdraden voor de geleiding van elektriciteit konden lopen. Deze draad eindigde in een slagpatroon, welke het gele pykrine-zuur ontstak. De ontsteking vond plaats door een elektrische stroom uit een batterij.Bij het scheepswrak gekomen bleven de sleepboot en de vlet op een afstand liggen. De barkas ging boven het wrak liggen. In de vlet zat korporaal Van Dijk met drie kanonniers van de Pantserfort-artillerie. Ook had hij twee ladingen pykrine-zuur aan boord. Deze ladingen moesten onder het wrak worden geplaatst. De duiker ging vanaf de barkas te water om twee ladingen op hun plaats aan te brengen. Aan boord bleef een hoeveelheid van 30 kilogram pykrine-zuur achter. Nadat de duiker de lading had aangebracht klom hij weer aan boord, waarna de barkas zich van het wrak zou verwijderen om van een afstand de lading met hulp van elektrische stroom tot ontploffing brengen.Duiker van de torpedisten gaat te water om een explosieve lading aan te brengen.Plotseling hoorden de vier mannen in de vlet een zware explosie. Op de plaats waar de barkas lag zagen zij een grote, schuimende, waterkolom tientallen meters omhoog schieten. Door de kracht van het water werd de vlet omhoog geslingerd maar sloeg niet om. Stukken ijzer van de barkas vlogen hoog op en werden naar alle kanten weggeslingerd.Korporaal van Dijk was, om zichzelf te redden, uit de vlet in zee gesprongen, bang voor de rondvliegende stukken ijzer. Ondertussen was de zee weer tot rust gekomen. De kanonniers waren, verstard door de schrik, in de vlet gebleven. Deze lag nu weer in een vlakke zee. Korporaal Van Dijk was nog bij bewustzijn. Hij zwom weer naar de vlet en klom er in.De bemanning van de vlet ging direct naar overlevenden zoeken. Van de barkas en bemanning was niets meer te zien, wel zagen zij een lichaam drijven. Het was kanonnier-stoker Luypen uit Rotterdam. Men hees hem aan boord van de vlet. Hij was verschrikkelijk verminkt maar leefde nog. Toen hij op de bodem van de vlet lag sloeg hij de ogen op en fluisterde: “Wat is er gebeurt”. Hierna stierf hij. Van de andere opvarenden van de barkas, waaronder de commandant 1e luitenant Oostrijck werd niets meer gevonden. Oostrijck was 28 jaar oud en had een goede staat van dienst. Het zoeken werd gestaakt en de vlet keerde terug naar Hoek van Holland om het lichaam van Luypen aan de wal te brengen en rapport uit te brengen over het ongeval.De kanonnier-stoker Luypen werd opgebaard in de Torpedoloods te Hoek van Holland. Op het Fort aan den Hoek van Holland werd de Nederlandse vlag in de rouwstand, halfstok, gehesen. De bevolking van de Hoek leefde erg mee. De commandant van het fort kreeg veel bewijzen van deelneming vanuit diverse delen van het land. Getuige van de explosie was de garnalenvisser Jacob Jonker. Hij lag met zijn vistuig ongeveer 200 meter van de onheilsplek en had alles gezien. Hij vertelde dat de duiker juist het ontploffingstoestel in het wrak had gebracht. Vier manschappen stonden op de barkas aan de windas, de officier stond bij hen. Toen volgde de ontploffing en hij zag het water omhoog spuiten met een wolk van rook. Toen de wolk was voorbij gedreven, zag hij van de tien personen er nog vier in de vlet. Zij voeren weg in de richting van de sleepboot maar kwamen even later terug, blijkbaar om naar de lichamen te zoeken maar zij vonden niets.Ontploffing van een explosieve lading.Aantreffen van de omgekomen militairenDe dagen na het drama spoelden bij Wassenaar en Scheveningen delen van lichamen aan. Men kon vaststellen dat dit delen waren van omgekomen bemanningsleden van de barkas. Zo spoelde vrijdag te Wassenaar het lichaam aan van sergeant-majoor Vreugdenhil waarna dit werd overgebracht naar het lijkenhuis aldaar.Maandag 18 oktober werd het lichaam van Luypen om half elf door een stoombootje van de Torpedodienst van Hoek van Holland overgebracht naar Den Briel. De kist stond op het achterdek, bedekt met de Nederlandse vlag. Ook het lichaam van Vreugdenhil werd per boot naar De Briel gebracht.Die middag vond de begrafenis plaats van beide mannen. Om half twaalf zetten de stoet zich in beweging. Bij elke lijkwagen bevond zich een detachement torpedisten en artilleristen onder bevel van een luitenant.Prachtige bloemen kransen, waaronder die van de torpedisten, bedekte de kisten. Vanwege het ministerie van Oorlog was aanwezig de kapitein der artillerie Blokhuis. Ook de inspecteur der artillerie en de marinecommandant van Hellevoetsluis waren aanwezig evenals het gemeentebestuur van Den Briel en vele andere autoriteiten. Toespraken werden gehouden door majoor Fabius, commandant Torpedodienst, de heer Lette, burgemeester van Den Briel en de inspecteur der artillerie.Op verzoek van beide families werd de begrafenisplechtigheid gehouden zonder militaire muziek en saluutschoten.Dezelfde dag spoelde op het strand bij IJmuiden het ongeschonden lichaam aan van milicien B. Visser, afkomstig uit Scheveningen.Op maandag 25 oktober spoelde, binnen de pieren van IJmuiden, het lichaam van sergeant-schipper C. Smits aan. Nog dezelfde dag werd het per trein naar Den Briel vervoerd. Op alle militaire objecten en schepen werden de vlaggen halfstok gehesen.Sergeant-schipper Smits werd in de ochtend van 27 oktober op dezelfde manier als de anderen te Den Briel begraven. Langs de route van de stoet waren veel woningen gesloten. Ook deze begrafenis vond plaats zonder militaire muziek en saluutschoten.De sleepboot Torpedodienst II was met een barkas op sleeptouw naar Katwijk gegaan. Op de barkas stond een duikertoestel en aan boord was een duiker van Rijkswaterstaat. Men zou een onderzoek gaan instellen in en rond het wrak van de “Caledonia” omdat men vermoedde dat het lichaam van de omgekomen sergeant-duiker Stigter door het gewicht van zijn zware duikerpak nog in of bij het wrak zou liggen. Het wrak van de barkas was boven op het wrak van de “Caledonia” terecht gekomen.Woensdag 27 oktober werd het lichaam van de duiker Stigter op het strand van Noordwijk aan Zee gevonden. Hij werd door collega’s en een chef herkend aan zijn duikerspak en militaire nummers op de kleding. Door de reddingboot werd het lijk overgebracht naar een barkas van de torpedodienst en hierna naar Den Helder vervoerd waar hij in het Marine-hospitaal te Nieuwendiep werd opgebaard.Sergeant-duiker Stigter werd op vrijdag 29 oktober in Den Helder met bijzondere militaire eer begraven. De stoet vertrok om 10 uur onder grote belangstelling van het Marine-hospitaal, vooraf gegaan door het stafmuziekkorps van de Marine en detachementen van het korps torpedisten, de pantserfortartillerie, de infanterie, de marine en de kameraden van Stigter.Tijdens de mars naar de begraafplaats en op de begraafplaats speelde het stafmuziekkorps treurmarsen. Op de begraafplaats hield zijn voormalige chef, kapitein J.N. Boom een toespraak en bracht hulde aan deze jonge man die was gevallen bij het vervullen van zijn plicht waarna er door de militairen saluutschoten werden gelost.Vrijdag 12 november om 04 uur spoelde het lichaam van luitenant Oostrijck aan op het strand van Wijk aan Zee. Na identificatie werd het lichaam de volgende middag overgebracht naar Den Haag.Op zondag 14 november werd 1e luitenant J. Oostrijck op de begraafplaats Nieuw Eikenduinen te Den Haag begraven. De stoet vertrok om 11 uur vanuit zijn woonhuis aan de Nassau-Odijckstraat. Er waren veel hoge officieren, onderofficieren en manschappen aanwezig. De minister van oorlog werd vertegenwoordigd door de kapitein der artillerie Logger, verder waren er generaal De Meester, commandant veldleger en gouverneur der residentie, generaal De Bordes, inspecteur der vestingartillerie, generaal Becking, inspecteur der genie, majoor J.F. Fabius commandant korps torpedisten en vele anderen. Er werden veel bloemen op het graf gelegd. Ook werden er veel lovende woorden gesproken over luitenant Oostrijck, die met en studie zou aanvangen aan de Hogere Krijgsschool.ConclusieUit het rapport van korporaal Van Dijk en het onderzoek door deskundigen bleek dat waarschijnlijk één van de twee ladingen pykrine-zuur onder het wrak door de een of andere oorzaak werd losgewoeld. Toen de barkas zich van het wrak verwijderde dreef de zuurlading met de barkas weg. De ladingen waren nog door middel van electrische draden met de barkas verbonden. Het laten ontploffen van de explosieven gebeurde namelijk door middel van electriciteit. De lading onder de barkas ontplofte en daarmee ook de overgebleven 30 kilogram pycrine-zuur in de barkas.Door het noodlottige ongeval zijn zes militairen tijdens de uitoefening van hun plicht gestorven, dit waren:1e luitenant Johannes Oostrijck, geboren 10 mei 1880 te Etten, wonende te Den Haag, gehuwd, 2 kinderen.Sergeant-majoor Herman Leendert Vreugdenhil, geboren 14 januari 1864 te Monster, wonende te Den Briel, gehuwd, 3 kinderen.Sergeant-schipper Cornelis Hendrik Smits, geboren 29 augustus 1871 te Piershil, wonende te Den Briel, gehuwd, 1 kind.Sergeant-duiker C. Stigter, ongehuwd, wonende te Den Helder.Milicien B. Visser, ongehuwd, wonende te Scheveningen.Kanonnier-stoker, Luijpen, wonende te Rotterdam.Bronnen:Diverse kranten van de database “Delpher”, o.a.:De Telegraaf, d.d.15-10, 13-11 en 15-11-1909, Tilburgsche Courant, 16 – 10 – 1909.Algemeen Handelsblad, 15-10, 16-10, 27-10, 13-11 en 15-11-1909, Vliegend blaadje, nieuws- en advertentiebode voor Den Helder, 16-10-1909, De Tijd, godsdienstig –staatkundig dagblad, 19-10, 21-10, 28-10 en 13-11-1909. Haagsche Courant, 19-10 en 15-11-1909, Haarlem’s Dagblad, 29-10-1909 en Het Centrum, 26 oktober 1909.De Nederlandsche Strydmacht en hare Mobilisatie in 1914. Kapitein J. Kooiman, Uitg. J. Muuses en Herman de Ruiter te Purmerend. Sept. 1915.Foto’s:De Nederlandsche Strydmacht en hare Mobilisatie in 1914. Kapitein J. Kooiman, Uitg. J. Muuses en Herman de Ruiter te Purmerend. Sept. 1915.Auteur: D. Ruis, historisch onderzoeker, St. Fort a/d Hoek van Holland/bunker Bremen en Historisch Genootschap Hoek van Holland.
Lees meer
Streekhistorie: Meten is weten! zondag 17 februari 2019 13:01

Streekhistorie: Meten is weten!

In 2019 wordt de sinds 1889 internationaal geldende definitie van 1 kilogram als meeteenheid voor massa gewijzigd. Dit gebeurt na een jarenlange studie. Ook vroeger was er ‘gedoe’ over; dorpen en steden hadden vaak hun eigen eenheden voor maten en gewichten. In 1809 werd bij Koninklijk Besluit het Metrieke Stelsel geïntroduceerd. Pas rond 1870 kwamen de nieuwe namen voor maten en gewichten in zwang, daarvoor was er niet overal eenheid in eenheden. Zo gebruikte men eind 18e eeuw in Den Briel als lengtemaat de roede met een lengte van 3,74 m. In Maassluis gebruikte men ook de roede, echter met een lengte van 3,796 m. In het hele land (en daarbuiten) gebruikte men verschillende namen en afmetingen voor maten, gewichten en volumes. Regelmatig moesten standaardgewichten en andere meetinstrumenten gecontroleerd worden. Omstreeks 1780 werden er in Maassluis en Delft opnieuw ijkingen verricht voor het vaststellen van de juistheid van de gebruikte ‘Maaten en Gewichten’. Daarbij betrokken was Jan Schim, burgemeester en gecommitteerde van de visserij in Maassluis. Hij was amateur wetenschapper en lid van het Departement des Oeconomische Taks, de voorloper van de huidige Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel. De restanten van het gebouw Varia en woningen aan de Wagenstraat gezien vanaf de Noorddijk na het bombardement van 18 maart 1943. Op de achtergrond de ruïne van de Noorderkerk.Mede door Jan Schim kon de Commissie van Delft melden dat men ‘in ’t byzonder het genoegen had, door den Heere Schim, in dit werk te zyn geadsisteerd’. Voorbeelden van het resultaat van de ijkingen, waaruit ook de complexiteit blijkt, zijn de volgende: ‘het Graan agtendeel houd in 1952½ Cubic duimen, drie van die agtendeelen maken een Zak, en 29 Delftsche Zakken een Last en de Stoopsmaat waar meede sterke dranken, Bier, Azyn en Oly verkogt worden, houd in 129½ Cubic duimen.’Voor Maassluis werden soortgelijke metingen verricht waarbij ook de afmetingen van de haringtonnen werden vastgesteld. Zo moet ‘de Tonne binnen het Kroos (de groef in de duigen van een vat, waarin de bodem moet passen) van Bodem tot Bodem hoog vyff en twintig duim, de wydte van buiten op den buik vyff en sestig duim’ zijn.De Bethelkerk van de Christelijke Gereformeerde Kerk Maassluis aan de Wagenstraat omstreeks 1971. De kerk werd op 28 juni 1957 in gebruik genomen.De invoering van het metrieke stelsel betekende dat men nieuwe gewichten en meetlatten moest aanschaffen. Niet iedereen stond te trappelen om aan de wet te voldoen. Er zijn meerdere voorbeelden van kooplieden, winkeliers en handelaren bij wie lange tijd nog de oude maten en gewichten werden aangetroffen. ‘Het is speelgoed voor de kinderen, ik gebruik ze niet’, zei men.Meer weten? In het boekje Historische Schetsen 69 van de Historische Vereniging Maassluis staat een uitgebreid verhaal over het meten en wegen in het Maassluis van toen. Boekje niet in uw bezit? Op de HVM Collectiebank – collecties – Historische Schetsen vindt u de digitale versie van alle boekjes, inclusief een aparte index. Auteur: Ineke Vink van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Een picknicktochtje naar Ter Heijde in 1890 zondag 10 februari 2019 09:09

Streekhistorie: Een picknicktochtje naar Ter Heijde in 1890

Op zondag 15 juni 1890 organiseerde de Delftsche Wielrijderclub P.I.M. een fietstochtje vanuit Delft naar Ter Heijde aan Zee. Van dit tochtje is verslag gedaan in het blad De Kampioen van de in 1883 opgerichte Algemene Nederlandsche Wielrijders-Bond, de ANWB. Dat nog steeds bestaande blad is tegenwoordig het grootste verenigingsblad van Nederland en de ANWB is heden ten dage een organisatie met meer dan 4 miljoen leden. Eind 19e eeuw was het een vereniging die zich uitsluitend bezighield met het bevorderen van het recreatieve fietsen. Een van hun activiteiten was het selecteren van Bondshotels, waar leden tegen een gereduceerd tarief konden dineren en overnachten. Er waren bij de hotels ook faciliteiten aanwezig om de fiets te repareren en de banden op te pompen. Hotel Overheijde in Monster was een voorbeeld van zo’n Bondshotel. De eerste fietsen verschenen in de loop van de 19e eeuw op de weg. Aanvankelijk waren dat loopfietsen. Rond 1870 ontstond een fiets met een hoog voorwiel en een klein achterwiel. De trappers zaten aan het voorwiel. Het was een hele kunst om daarop overeind te blijven. Nog iets later werden de eerste fietsen met kettingaandrijving ontwikkeld. Reparatie van een fiets bij een BondshotelOver de Delftsche Wielrijdersclub P.I.M., waarvan de leden dus kennelijk waren aangesloten bij de ANWB, is op internet niets terug te vinden. Ook is niet bekend waar de afkorting P.I.M. voor staat. Volgens het verslag in De Kampioen was de tocht naar Ter Heijde pas de derde officiële fietstocht van de club en was de club pas vier weken oud. Het doel was een ‘pic-nic’ te houden in de duinen nabij het dorp. De verwachtingen dat het een echte picknick zou kunnen worden waren echter laaggespannen. Daarvoor waren er volgens de schrijver van het verslag te weinig dames in het gezelschap aanwezig. Met andere woorden: het sprak kennelijk vanzelfsprekend dat het een taak van de dames zou zijn om dit deel van het evenement te verzorgen. Het weer was niet al te best die zondagmorgen, maar tegen de verwachting in kwam er op het afgesproken vertrektijdstip toch een achttal rijders opdagen van de 18 leden die de club inmiddels telde. Na een kwartiertje wachten kwamen er nog 6 leden opdagen en werd het sein voor vertrek gegeven. Onderweg pikte men nog een viertal leden op en was het gezelschap compleet: 16 heren en 2 dames. Onderweg hield het al snel op met regenen en kwam de zon door. Men had, ondanks het geringe aantal dames, toch zo veel etenswaren meegenomen dat het vervoer ervan ‘wel eenigszins lastig was’. Dat gold vooral voor een van de beide dames die achterop een tandem een zware mand met etenswaren meesjouwde. Nadat dit probleem was opgelost, reed men onder ‘vrolijken kout en zonder ongelukken’ door Wateringen, Kwintsheul en Monster. Daar kreeg men wat oponthoud doordat er een hek, dat midden voor een steeg geplaatst was, dicht zat. Alle drie- en vierwielers moesten er volgens de schrijver overheen getild worden. Men reed dus kennelijk niet alleen op tweewielers! Eenmaal in Ter Heijde aangekomen had men veel bekijks van de plaatselijke bevolking. Nadat alle ‘machines’ waren tegen de ‘onhebbelijk gladde en steile duinen’ waren opgesjouwd, kon de picknick beginnen. Een van de dames had zelfs gebakjes gemaakt met de naam P.I.M. erop. Het schijnt een vrolijke boel geweest te zijn. Een van de leden gebruikte zijn ‘signaalhoorn’ om eruit te drinken. Bondshotel Overheijde in de Choorstraat in Monster aan het begon van de 20ste eeuwOp de terugweg naar Delft werd nog een keer ‘aangelegd’ en werd de Bondsmarsch gezongen. Van dit lied bestaat een brochure met als titel ‘Wielrijderslied. Opgedragen aan den ANWB’. De tekst is van J.D.C. van Dokkum en de muziek van J.J. Koopman. Rond vier uur arriveerde men weer in Delft. De verslaglegger brengt aan het eind van zijn verslag nog een woord van hulde aan de twee hoornblazers in het gezelschap die de tocht hadden opgevrolijkt door zich onderweg van tijd tot tijd te laten horen. Het tweetal had ook goede diensten bewezen bij het handhaven van de orde en ze hadden in Ter Heijde vanaf een hoog duin het signaal om te vertrekken geblazen. De schrijver spreekt tot slot van zijn verslag de wens uit dat die zomer nog vele van dergelijke tochten voor P.I.M. zouden mogen opleveren. wielrijderslied ANWB Auteur: Leo van den Ende van de Historische Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: Meer dan honderd buitenverblijven in het Westland zondag 3 februari 2019 09:09

Streekhistorie: Meer dan honderd buitenverblijven in het Westland

Buitenplaatsen speelden in het Westland eeuwenlang een belangrijke rol. Vanaf het begin van de Gouden Eeuw tot ver in de negentiende eeuw waren er in de hele streek meer dan honderd buitenverblijven te vinden van welgestelde stedelingen uit omringende plaatsen als Delft en Den Haag. Onlangs verscheen onder verantwoordelijkheid van het Genootschap Oud Westland het boek Buitenplaatsen in het Westland. Het eerste boek is tijdens een bijeenkomst in de Naaldwijkse Ontmoetingskerk door eindredacteur Martin van den Broeke overhandigd aan wethouder Piet Vreugdenhil van de gemeente Westland. Volgens Van den Broeke is de relatie tussen de tuinbouw en de buitenplaatsen in het Westland nog nooit zo gedetailleerd beschreven. Vreugdenhil benadrukte het belang van het behoud van de buitenplaatsen. ,,Het Westland is het hart van de tuinbouw in Nederland en wereldwijd’’, zei Vreugdenhil. ,,In de tuinbouw in het Westland wordt ontzettend veel geld verdiend. Is de tuinbouw de oorzaak van het verdwijnen van de buitenplaatsen? Dat gevoel bekroop mij tijdens het lezen van het boek. Er is een kaalslag geweest. Het is jammer dat slot Honselersdijk er niet meer is. Wat zou er van het Westland zijn geworden als het slot er nog zou staan?’’ Versailles van NederlandHet Huis Honselersdijk is een begrip in het Westland. Het door stadhouder Frederik Hendrik vanaf 1621 gebouwde slot was vanwege zijn luister bekend in heel Europa. Van het slot resteert slechts een bijgebouw. Het hoofdgebouw is in 1815 afgebroken. Kunsthistoricus René Dessing, die opgroeide aan de Dijkweg in Honselersdijk, hield een lezing over Slot Honselersdijk, dat in de 17de eeuw het Versailles van Nederland werd genoemd. ,,Buitenlanders, die het Hof in den Haag bezochten, kwamen altijd naar het slot Honselersdijk om van alles te genieten’’. Bij de bouw van het slot waren belangrijke architecten betrokken zoals Jacob van Campen en Pieter Post. De bouw verliep niet zonder problemen. Omdat de grond te zwak was, kon geen hoog gebouw worden gerealiseerd. Na de dood van de koning-stadhouder Willem III kwam het slot in handen van De Pruisische koning. In deze tijd begon het verval, die leidde tot de sloop van een deel van de Nederhof. Het slot verloor de symmetrie van het bouwplan. Het werd het begin van het einde. SloopHet lot van Huis Honselersdijk is illustratief voor veel buitenverblijven in het Westland. In 1799 werd Patijnenburg gesloopt. In dezelfde tijd moest ook buitenverblijf Sion het veld ruimen. Meer recentelijk vielen de voormalige landhuizen Ouwendijk aan de Naaldwijkseweg in ’s-Gravenzande (1984) en Vreeburg naast de Dorpskerk in ’s-Gravenzande (1991) ten prooi aan de sloophamer. Enkele buitenverblijven zijn bewaard gebleven zoals Broekzicht aan de Dijkweg in Honselersdijk, de Hofboerderij en Suijdervelt in Wateringen, Op Hodenpijl bij Schipluiden en Sarijnenhove in de Zuidbuurt, thans gemeente Vlaardingen. In het landschap is weinig behouden. De oplettende bezoeker herkent hier en daar nog een hek, een sloot of een verkavelingspatroon dat herinnert aan een vroeger buitenverblijf en ook in namen van wegen, straten en wijken komen we verwijzingen tegen naar de voormalige lustoorden. De buitenplaatsen in het Westland hebben buiten deze regio niet de aandacht gekregen die ze verdienen. Dit boek wil daarin verandering brengen. Westlandse buitenplaatsen beschrijft het ontstaan en de verdwijning van deze buitenverblijven in het Westland. Ook geeft het een antwoord op de vraag welke rol zij gespeeld hebben in de ontwikkeling van de tuinbouw in deze streek. Tot slot bevat het uitgebreide beschrijvingen van achttien buitenplaatsen, die gezamenlijk een beeld geven van de rijkdom van het buitenleven in het Westland. Het rijk geïllustreerde boek Westlandse buitenplaatsen is gedrukt in een oplage van duizend exemplaren. Het is verkrijgbaar in de boekhandel en het Westlands Museum.Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: Twee bijzondere schilderijen van de ’s-Gravenzandse familie De Fremery maandag 28 januari 2019 09:09

Streekhistorie: Twee bijzondere schilderijen van de ’s-Gravenzandse familie De Fremery

Op een internetveiling in de Verenigde Staten werden twee schilderijen aangeboden van Casparus de Fremery (1775-1853) en Ursula Hortensia Sprecher de Bernegg (1772-1842). Dit waren de ouders van Jacobus Petrus de Fremery, geboren in 1800. Jacobus de Fremery werd in 1824 eerst notaris en later burgemeester in ’s-Gravenzande. Bij zijn aanstelling in 1824 kocht hij de buitenplaats Ouwendijk aan de Naaldwijkseweg in ’s-Gravenzande om daar met zijn gezin te gaan wonen. In 1826 werd op Ouwendijk zijn zoon Jacobus geboren die door de familie Co werd genoemd maar zich later James ging noemen. Dat zal te maken hebben gehad met het feit dat hij al op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten (VS) (van Amerika) trok om daar in zaken te gaan. Op 21-jarige leeftijd trad hij in dienst van de firma Herckenrath & Van Damme die een vestiging hadden in New York. Hij kwam echter nog regelmatig terug in Nederland en dan verbleef hij op Ouwendijk. In 1853 trouwde hij met Virginie Theresa Herckenrath, dochter van Leon Herckenrath, die burgemeester was van Monster. Leon Herckenrath was ook zakenman en was mede-eigenaar van de firma Herckenrath & Van Damme die zaken deed in de VS. Schilderij Casparus de FremerySchilderij Ursula Hortensia Sprecher de BerneggBeide welgestelde families hadden een verzameling familieportretten. Deze verzamelingen werden door het echtpaar De Fremery-Herckenrath samengevoegd en opgehangen in het woonhuis van de buitenplaats Ouwendijk. De twee hierboven genoemde portretten waren onderdeel van die verzameling en hingen ook in Ouwendijk. Het is niet bekend wie de schilderijen van Caspar de Fremery en zijn vrouw vervaardigd heeft, op de schilderijen zijn geen signeringen aangetroffen. Het vermoeden bestaat echter, op basis van een catalogus uit 1942, dat ze geschilderd zijn door Johan Friedrich August Tischbein (1750-1812), telg uit een geslacht van bekende Duitse schilders. Hij was in zijn tijd een beroemd portretschilder. buitenplaats Ouwendijk in ’s-Gravenzande, afgebroken 1983In het laatste kwart van de 19de eeuw emigreerde James de Fremery met zijn vrouw Virginie Herckenrath naar de VS. De samengevoegde kunstverzameling met familieportretten werd door het echtpaar meegenomen naar de VS. James overleed hier in 1899, de verzameling familieportretten bleef echter bij elkaar en vererfde op zijn oudste zoon James Leon. De collectie hing in het woonhuis op hun landgoed The Grove in Oakland. Het was een bijzonder rijke collectie van ruim 50 schilderijen, die een periode van bijna drie eeuwen besloeg, vervaardigd door gerenommeerde schilders. James Leon de Fremery overleed in 1911, waarna zijn weduwe de collectie in bruikleen gaf aan het Golden Gate Museum in San Francisco. James de FremeryDoor financiële tegenslag die ontstond tijdens de crisisjaren na 1930 was de familie De Fremery gedwongen het grootste deel van de schilderijencollectie te belenen. Dit was gedaan door de kleinzoon van James, Paul William de Fremery. Na diens plotselinge dood in 1942 liet de firma die de collectie had beleend de schilderijen veilen zonder eerst in overleg te treden met de familie. Door deze veiling viel de schilderijencollectie De Fremery-Herckenrath uiteen en raakte verspreid door de VS. Virginie HerckenrathIn de 21ste eeuw was het wereldwijde web, het internet, zo goed ontwikkeld, dat je op veel plekken in de wereld allerlei zaken kon opzoeken. Zo kwam men achter het bestaan van zaken waar men geen weet van had en kon men ook redelijk eenvoudig spullen kopen bij bedrijven of instellingen die geen vestiging in Nederland hebben. Instellingen als Ebay, maar ook websites van veilinghuizen leverden zo een schat aan gegevens op over voorwerpen die in Nederland helemaal niet meer bekend waren. Het speuren op sites van veilinghuizen kon zo tot verrassende ontdekkingen van kunstwerken leiden. Zo kreeg het Westlands Museum in 2007 een schilderij te koop aangeboden door een kunsthandelaar, dit portret van Alida Herckenrath-Milius, was in 1836 geschilderd door Jan Willem Pieneman. Deze kunsthandelaar had dit schilderij gekocht via een internetveiling in de VS. Dat schilderij hebben we toen met steun van Fonds Westland kunnen aankopen. Sinds die tijd zijn verschillende mensen, waaronder Leo van den Ende en Maarten van der Schaft, ook regelmatig veilingsites in de VS gaan afspeuren op kunst met een Westlands onderwerp, en met name naar kunst die ooit onderdeel was van de verzameling De Fremery-Herckenrath. van de familie De Fremery in de VS In 2015 vonden we zo een schilderij terug van Leon Herckenrath, ook geschilderd door J.W. Pieneman en in 2017 een schilderij van Frans Herckenrath. Ook deze schilderijen konden we met hulp van de cultuurfondsen Loswal de Bonnen en Fonds Westland aankopen. Onlangs, eind 2018, werden er weer twee schilderijen uit de Fremery-Herckenrathcollectie gevonden op een internetveiling in de VS. Dit waren de hierboven genoemde schilderijen van het echtpaar Casper de Fremery en zijn vrouw. Ook nu lukte het weer om die schilderijen met steun van Fonds Westland aan te kopen, waardoor we inmiddels ongeveer 10% van de collectie De Fremery-Herckenrath terug hebben in het Westland. We hopen in de toekomst nog meer exemplaren van deze verzameling terug te vinden.Auteur: Ton Immerzeel, Conservator bij het Westlands Museum
Lees meer
Audio Streekhistorie: Van Tol leverde eerste DAF-je in het Westland maandag 21 januari 2019 09:09

Streekhistorie: Van Tol leverde eerste DAF-je in het Westland

Tinus van Tol was schipper. Zijn zoons Jan en Wim van Tol startten een transportbedrijf met oude legertrucks. Gevestigd bij de veiling Poeldijk. Daar hadden ze ook een kantoortje. De zaken gingen goed. Begin jaren ’50 had het bedrijf een wagenpark van meer dan tien vrachtwagens. De gebroeders van Tol hadden een prachtige Borgward Isabella (zie foto), waar ze heel zuinig op waren. Als een chauffeur eerder terugkeerde van een rit dan verwacht dan kreeg hij van een van de broers vaak de vraag om de Borgward even te wassen. En het kwam ook voor dat een andere chauffeur later die dag dezelfde vraag kreeg van de andere broer. Het wagenpark van transportbedrijf Van Tol (veiling Poeldijk) De vrachtwagens en aanhangwagens moesten iedere 10.000 km worden doorgesmeerd en om zelf in die behoefte te voorzien werd eind jaren ’50 besloten aan de Jan Barendselaan een eigen garage te laten bouwen. En al tijdens de bouw van die garage besloten de gebroeders van Tol ook maar meteen DAF-dealer te worden.Mei 1959: "Het eerste DAF-je, produkt van Nederlandse auto-industrie, is zaterdag met muziek voorop het Westland binnengereden. En alsof het de intocht van een beroemd autocoureur betrof zo reed burgemeester Wouters van Monster achter de harmonievereniging Pius X aan, Poeldijk binnen"."De eerste die in onze streek een DAF-personenwagen zal bezitten is een Westlandse verpleegster, woonachtig in Monster. Zij zal echter nog even geduld moeten hebben want het wagentje van zaterdag is bestemd voor demonstraties. Dealer voor het Westland van deze eerste Nederlandse personenauto is de firma Gebr. van Tol in Poeldijk." (krant de Westlander 15 mei 1959) De garage was nog niet af. Van Tol maakte gebruik van een noodgebouw aan de Slachthuiskade. In december 1959 was het dan zover. De garage werd geopend door burgemeester Wouters. "Burgemeester Wouters vond het een knappe prestatie van de heer van Tol, dat deze, in een gebied, dat opgeslokt wordt door het glas, een dergelijk garagebedrijf kon oprichten. Met het gereedkomen van deze DAF-garage wordt in een grote behoefte voorzien, want ook de tuinders gaan met de moderne tijd mee" (krant De Westlander 4 december 1959).Als officiele openingshandeling reed burgemeester Wouters met een DAF-je door een gespannen lint. Van de toespraken tijdens de opening is een geluidsopname bewaard gebleven. U hoort resp. de ceremoniemeester, burgemeester Wouters, dhr. Homan (namens de DAF-fabrieken), dhr. Kooi (namens ESSO) en dhr. Wim van Tol. In de geluidsopname horen we Wim van Tol vertellen hoe enthousiast hij is over de DAF. Het DAF-je bevalt hem zo goed dat hij er, zo vertelt hij, liever in rijdt dan in zijn dierbare Borgward. “Laat mijn broer daar maar in rijden”. Er kwam in 1959 niet alleen een garage, maar ook een benzinestation. In de krant van juni 1959 adverteerden de gebroeders van Tol. Ze zochten personeel. Marcel van Elswijk weet het nog. "Je hoefde bij van Tol niet zelf te tanken. Dat deden Jan Kok en Janus Kok voor je. 49 cent (23 eurocent) per liter (1962). En tweetakt voor je brommer, zelf mengen."De aanhangwagens van het transportbedrijf werden doorgesmeerd en vervolgens vaak door een pickup-DAFje naar de veiling getrokken. Ze konden net genoeg snelheid maken om over de bult bij de Nieuweweg te komen. Er reed nog weinig verkeer in die tijd.De aanhangwagens van het transportbedrijf werden doorgesmeerd en vervolgens vaak door een pickup-DAFje naar de veiling getrokken. Ze konden net genoeg snelheid maken om over de bult bij de Nieuweweg te komen. Er reed nog weinig verkeer in die tijd.Eerste DAF-bestelautoCarrosseriebouwer Van Beurden in De Lier kreeg een zeer bijzondere opdracht kreeg van het garagebedrijf van Tol in Poeldijk. Op een goeie dag kon van Tol weer een DAF-autootje afleveren aan een kruidenier in Poeldijk. Maar die zei er bij dat het een bestelauto moest zijn. "Komt voor elkaar zei van Tol en ging praten met Piet van Beurden in De Lier, het kwam toen ook inderdaad keurig voor elkaar en van Beurden met zijn beide zoons zijn er met garagehouder van Tol nog steeds trots op dat zij de eerste DAF-bestelauto op de weg hebben gebracht". (krant De Westlander 18 juli 1969).Rond 1965 werd het bedrijf van de gebroeders van Tol gesplitst. Jan van Tol nam het transportbedrijf onder zijn hoede en Wim van Tol ontfermde zich over de garage en het inmiddels florerende ESSO-benzinestation. Het transportbedrijf is begin jaren ’70 opgegaan in transportbedrijf Van Geest. In 1974 is het benzinestation grondig verbouwd naar een self-servicestation. Bij de bouw van de garage, hebben Wim en Riet van Tol een huis aan de garage vast gebouwd. Dit huis mocht volgens de regels van toen niet te hoog worden en is daarom een soort bungalow geworden. Het huis staat er nog steeds en daar woont op dit moment Hans (jongste zoon van Wim). De garage is, toen de bedrijfsvoering veranderde, verkocht aan Nadorp, die er een drukkerij hield. Later, in de jaren 90, is de garage gedeeltelijk weer terug gehuurd om een autowasstraat en twee zelfwasboxen te realiseren, een van de eerste in Westland. Auteur: Jan Buskes van het Historisch Archief Westland Foto’s en geluidsopname van Hans van Tol en Kelly van Rijn-van Tol
Lees meer

Meer Streekhistorie