Tip ons
Tip ons

Je kunt zelf jouw bijdrage uploaden op onze website. Wij zullen deze controleren en bij goedkeuring publiceren.

Nu:
Straks:
Nu:
Straks:

Streekhistorie

Filteren op datum:
        
Streekhistorie: Wij Machteld, Gravin van Holland maandag 20 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Wij Machteld, Gravin van Holland

Op het ogenblik is er in het Westlands Museum een tentoonstelling te zien over gravin Machteld van Holland. De tentoonstelling duurt tot en met 30 december 2018. Machteld van Brabant was de echtgenote van graaf Floris IV van Holland. Floris IV overleed op 24-jarige leeftijd, waarna Machteld in het grafelijk kasteel van ’s-Gravenzande ging wonen. Zij had diverse Westlandse bezittingen als huwelijksgoed waardoor ze in haar onderhoud kon voorzien. Gravin Machteld heeft lang in ’s-Gravenzande gewoond en een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van dit dorp. In ’s-Gravenzande was zij de initiatiefnemer voor de oprichting van een zelfstandige parochiekerk. Ook heeft zij zich actief bemoeid met de stichting van een begijnhof en het gasthuis in ’s-Gravenzande. In 1246 verleende graaf Willem II op verzoek van Machteld stadsrechten aan ’s-Gravenzande. Machteld en Floris trouwden in 1224, dat was in de tijd dat de graaf nog langs zijn verschillende woningen in het graafschap reisde. Zijn hofwoning in ’s-Gravenzande schijnt hij relatief veel gebruikt te hebben, maar ook in zijn huis in Loosduinen verbleef het grafelijk echtpaar regelmatig. Hun zoon, de latere graaf Willem II, werd echter geboren in hun kasteel in Leiden. In 1229 kocht Floris het hof van Meilendis, de moeder van Dirk van Wassenaar, dat zich bevond in de Haagse Geest bij een duinmeer. Hieruit zou later het Binnenhof ontstaan en het duinmeer werd de hofvijver. Dit gebied viel toen nog onder het ambacht Monster. Het vermoeden bestaat dat Floris IV al de intentie had om de hof van Meilendis uit te bouwen tot zijn vaste residentie. In het Binnenhof is nog een gewelfde (kelder)zaal aanwezig die gedateerd wordt op ca. 1230 en daarom in opdracht van Floris IV gebouwd zou zijn.Floris en Machteld stichtten in 1230 in Loosduinen het eerste cisterciënzerinnenklooster in Holland. Voor de stichting van dit klooster schonken zij hun huis en landgoed in Loosduinen. Nieuw land door bedijking’s-Gravenzande is ontstaan op een zandplaat die zich door aanslibbing gevormd had in de Maasmonding. In de Late Middeleeuwen was het Maasmondingsgebied nogal aan verandering onderhevig. Vanaf de tweede helft van de 12de eeuw ontstond er een proces van verlanding en aanslibbing waardoor er in het mondingsgebied gorzen en slikken ontstonden die op een gegeven moment zó hoog waren dat het gebied ingepolderd kon worden. Dit proces werd door de Hollandse gravenfamilie gestimuleerd. Dit was allemaal nieuw gevormd land dat toe viel aan de landsheer, in dit geval de Hollandse graven. Machteld en haar zoon Willem II hebben zich intensief met het aanleggen van dijken en inpolderen bezig gehouden. Zo is al vóór 1240 de Maasdijk aangelegd. Bij dit werk werden monniken van de abdij Mariënweerd uit de Betuwe ingeschakeld om dit werk te leiden en te coördineren. Als beloning hiervoor kregen zij stukken van het nieuwe land geschonken. Ook kreeg de abdij van Mariënweerd het patronaatsrecht van de kerk van ’s-Gravenzande toegewezen, waarbij ze het recht hadden de pastoor te benoemen en recht hadden op een deel van de inkomsten van de kerk. Graaf Willem IIVia huwelijkspolitiek en schenkingen aan kloosters en kerken wist de Hollandse gravenfamilie overal bondgenoten te verwerven waardoor ze internationaal en in het Duitse Rijk steeds meer invloed kregen. In de jaren van het bewind van Willem II was er een strijd om de macht in het Duitse Rijk gaande. In 1245 was keizer Frederik II door de paus afgezet en geëxcommuniceerd. Graaf Willem II werd door zijn oom, hertog Hendrik II van Brabant, naar voren geschoven als nieuwe keizerskandidaat. Willem II werd uiteindelijk na veel moeite in 1248 tot Roomskoning gekroond in de Domkerk van Aken. In 1252 trouwde hij met Elisabeth van Brunswijk wat zijn positie in het Duitse Rijk nog verder verstevigde. Willem II was voorbestemd om door de paus tot keizer van het Duitse Rijk gekroond te worden. Echter voordat het zo ver was besloot Willem in de winter van 1256 tot een strafex¬peditie tegen de Friezen. Hij reed overmoedig vóór zijn troepen uit en zakte daarbij door het ijs. Toegesnelde Friezen sloegen hem dood en namen zijn lichaam mee. Wederom stierf een Hollandse graaf jong. Zijn in 1254 geboren erfgenaam Floris V was nog geen twee jaar en ook nu kwam er een regent, zijn oom Floris (de Voogd). Machtelds laatste jarenGravin Machteld heeft de laatste jaren van haar leven waarschijnlijk in eenzaamheid doorgebracht. Op het persoonlijke vlak heeft zij nogal wat tegenslagen gehad, zoals het feit dat zij twee keer weduwe werd en verschillende kinderen op jonge leeftijd overleden. Opvallend is dat nogal wat personen in haar directe omgeving een geweldadige dood stierven. Zo werden haar man Floris, zwager Willem en zoon Floris de Voogd gedood tijdens een toernooi en haar zoon Willem II tijdens een strafexpeditie tegen de Westfriezen. Machteld leidde een vroom en religieus leven en het lijkt wel of al deze geweldadige sterfgevallen de religieuze kant van haar leven nog verder stimuleerde. Er is een verhaal van haar bekend dat zij in 1253 een slagveld op Walcheren had bezocht, waar een Vlaams invasieleger tegen Hollandse en Zeeuwse troepen had gestreden. Zij zocht daar, samen met twee predikheren, naar gewonden en stervenden om hen te verzorgen en bij te staan in hun doodsstrijd. Machteld en haar dochters Margaretha en Aleida en haar zoon graaf Willem II begunstigden diverse kloosters, kerken en het ’s-Gravenzandse begijnhof. Machteld van Brabant overleed op 22 december 1267 in het klooster van Loosduinen, waar zij de laatste maanden van haar leven verbleef, waarschijnlijk omdat zij ziek en gebrekkig was geworden. In dat door haar en haar man Floris gestichte klooster werd zij begraven in de kapel, de nu nog bestaande abdijkerk. Haar graf is in de loop der eeuwen helaas verdwenen maar naast de preekstoel bevindt zich een gedenksteen voor haar. Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer
Streekhistorie: Brand in 's-Gravenzande maandag 13 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Brand in 's-Gravenzande

Eind juli waren er binnen enkele dagen twee grote branden in ’s-Gravenzande. Op zaterdag 21 juli een brand in de Gravenstraat waarbij de bovenverdieping van een huis volledig uitbrandde. Een oplettende verkoper van bakkerij 't Stoepje die vanuit zijn kraam zicht had op de achterzijde van de woningen aan de Gravenstraat merkte de brand op en alarmeerde de buurt waarop ook de brandweer werd gealarmeerd en kon worden voorkomen dat de brand zich kon uitbreiden naar de belendende percelen. Voorkomen kon niet worden dat de enige bewoner die thuis was, gewond raakte. Hij werd in het ziekenhuis opgenomen. Deze uitslaande brand heeft een pand grotendeels verwoest. Maandagavond 23 juli brak rond 22.45 uur brand uit in het kassencomplex van plantenkwekerij P. Mostert aan de Gravin van Bylandtlaan in ’s-Gravenzande. Daarbij raakte niemand gewond. Een deel van het complex moet volgens de brandweer als verloren worden beschouwd. De brand was rond 1.00 uur onder controle. De brandweer kon voorkomen dat het vuur oversloeg naar de naastgelegen woning en de achtergelegen kassen. Wat overbleef was een berg verwrongen staal en zwartgeblakerde ingestorte muren. Deze brand werd bij toeval door de brandweer zelf ontdekt door twee brandweerlieden die na een oefening. onderweg naar huis waren. Samen met andere eenheden vanuit de regio heeft de brandweer uitbreiding weten te voorkomen en is uiteindelijk de brand geblust. Ook in het verleden kon door allerlei oorzaken gemakkelijk brand ontstaan. Daarom werden er in de middeleeuwen door het stadsbestuur van ’s-Gravenzande voorschriften met betrekking tot de brandbestrijding vastgesteld. Dat was toen ook wel nodig ook omdat de middeleeuwse huizen van hout gebouwd waren met rieten daken. Steenbouw werd alleen toegepast bij kerken, kloosters en het stadhuis. Brand in één huis ontstaan kon zich gemakkelijk uitbreiden tot een brand die een groot deel van het dorp kon vernietigen. Van grote stadsbranden in Holland zijn in de 14e en 15e eeuw talloze voorbeelden te noemen. Ook 's-Gravenzande heeft een grote stadsbrand gekend. Op sacramentsdag in het jaar 1418, tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, hebben de troepen van Den Briel, die aan de zijde van Jan van Beieren stonden, het Hoekse 's-Gravenzande, dat voor Jacoba van Beieren had gekozen, tijdens een strafexpeditie tot de grond toe afgebrand. In de door het stadsbestuur uitgebreide voorschriften ter voorkoming van brand, de oude keuren (plaatselijke verordeningen), staan talloze regels. Voorgeschreven was onder andere dat in een huis zonder schoorsteen geen stro gestookt mocht worden maar alleen turf. 's Avonds moest het vuur afgedekt worden met een vuurklok waaronder het vuur kon smeulen tot de volgende dag. As mocht alleen door de voordeur het huis uit (en werd dan op straat gegooid). Bak-, eest en brouwovens mochten alleenoverdag gestookt worden en er moest bluswater klaar staan. De ovens mochten niet vòòr zonsopgang opgestookt worden en ’s avonds uiterlijk branden tot de klok van de grote kerk voor het Ave Maria geluid was. In de omgeving van 's-Gravenzande werd veel vlas geteeld, in verband met brandgevaar was het verboden het stro van het vlas binnen de stad te verbranden. Met betrekking tot brandstichtende jeugd vinden we aangetekend, dat de ouders volledig aansprakelijk werden gesteld voor de daden van hun kinderen.Ieder huis moest een (h)oosvat hebben en een lantaarn. Ook worden in de stadskeuren nog genoemd het bezit van ladders, emmers, haken en zeilen die bij brand gebruikt werden. De blusmiddelen moesten in goede staat worden gehouden op een boete van 20 schellingen. Dat werd jaarlijks in mei gecontroleerd, er werd dan schouw gehouden over de "brandwapens". Als er op een gegeven moment in ‘s-Gravenzande brand uitbrak dan werd de “brantclok" op het stadhuis geluid. Iedereen was dan verplicht om direct naar de plaats van de brand te komen om te helpen blussen. Het blussen van branden was vaak onbegonnen werk gelet op de brandbare bouwmaterialen en de beperkte blusmiddelen. Het water moest namelijk met lederen emmertjes uit sloten of putten, zoals de Poelsloot, de grote waterplas op het Marktveld, worden geschept waarna de emmers van hand tot hand doorgegeven en in het vuur gestort werden. Dat vereiste vaak een lange rij blussers. De hoeveelheid water was vaak te gering om het vuur te doven. Om het overslaan van het vuur te verhinderen werden er vaak grote natte zeilen over de daken van de nabijgelegen huizen gehesen.Plattegrond van Blaeu van ’s-Gravenzande uit 1652 met daarop de poel op het marktplein, het stadhuis en de stadswaterputWas de brand dan toch nog geblust dan mocht men niet direct naar huis maar werd de "stedeclok" geluid en moest iedereen zich met zijn "brandwapen" vervoegen bij het stadhuis en werden alle blusmiddelen weer aan de rechtmatige eigenaar teruggegeven. Naast de grote stadsbrand van 1418 is uit de oude geschiedenis van ons dorp de brand bekend die de herberg "De Spaansche Vloot" omstreeks het jaar 1683 op een stalling na geheel in de as legde. Pas in 1691 werd de herbouwde herberg weer in gebruik genomen. Ook in later tijd komen we in de stedelijke verordeningen brandpreventie maatregelen tegen. Zo werd in 1757 door Schout, Burgemeesters en Schepenen een “Resolutie omtrent de brandspuit der steede ’s Gravenzande” vastgesteld waarin orde op zaken wordt gesteld m.b.t. de organisatie van de brandbestrijding omdat de laatste oefening met de brandspuit niet helemaal vlekkeloos verlopen was! Verordonneerd wordt dan dat er voortaan acht brandmeesters moeten zijn die de leiding over de brandspuit voeren. Zij zijn te herkennen aan hun rood, wit, blauw geverfde stokken. Bij afwezigheid van een van hen moet de oudste brandmeester aan de Schout en het Gerecht melden wie daarvoor in de plaats zal komen. Bij brand of oefening met de brandspuit delen de vier oudste brandmeesters de orders uit en zij zorgen er voor dat het blussen volgens de regels verloopt. De vijfde en zesde brandmeesters in rang houden toezicht bij de grote pomp en de 7e en 8e in rang bij de zuig- en perspomp. Zij mogen pas bij hun pomp vandaan als er vervanging door een andere brandmeester is. De brandmeesters moeten er op toezien dat de brandspuit behoorlijk werkt en er bij het (met de hand) pompen regelmatig gewisseld wordt door het inzetten van nieuwe personen. Als er geen orde gehandhaafd kan worden moet dat gemeld worden aan de Schout en het Gerecht. Verder moeten de brandmeesters er voor zorgen dat de spuit in goede staat gehouden wordt. Daarom moet de spuit tenminste viermaal in het jaar, met alles wat daarbij hoort, nagekeken worden en wordt er door het Gerecht en persoon aangesteld die belast wordt met het schoonmaken, smeren en in orde brengen van het blusmateriaal. Ook moeten de brandmeesters er voor zorgen dat na gebruik de slangen van de spuit, zowel de leren als de slangen van zeildoek, worden schoongemaakt en netjes gedroogd, nagekeken en gerepareerd, waarna ze over de spuit gehangen worden en de spuit weer gebruiksklaar in het brandspuithuisje bij de kerk wordt gebracht. De brandspuit rukt uit Het bedienen van de spuit gebeurt door personen die op een lijst staan (de door het stadbestuur aangewezen inwoners tussen 20 en 60 jaar) die in het bezit is van de oudste brandmeester. De personen op de lijst hebben een bordpapieren plaatje waar op aangegeven staat wat hun functie bij de spuit is. Dat plaatje moeten zij bij brand en oefening op hun hoed dragen. De lantaarndragers moeten voor hun lantaarn een goede kaars hebben op een boete van zes stuivers ten behoeve van de Groten Armen van de stad. De op de lijst voorkomende personen moeten zich bij brand direct naar de spuit begeven en deze voorzichtig naar de brand transporteren. Telaatkomers krijgen een boete. De personen die aan de spuit aan het werk zijn moeten de bevelen van de brandmeesters direct opvolgen. Wanneer de brand geblust is of de oefening met de spuit afgelopen is moeten zij de spuitslangen helpen schoonmaken en naar het spuithuisje brengen. Niemand mag weglopen voordat de brandmeesters doorvoor toestemming hebben gegeven. De boete op voortijdig weglopen bedraagt 4 schellingen die ook weer in de armenkas worden gestort. Opdat bij het blussen van brand alles volgens de regels verloopt en iedereen weet welke taak hij daarbij heeft moet tenminste eens in het jaar een oefening met de spuit worden gehouden en wel op de woensdag van de ‘s-Gravenzandse kermis ‘s middags om 2 uur. Dat wordt de zondag daaraan voorafgaande aangeplakt aan het stadhuis. Voor deze oefening moet men zich voor het stadhuis per ploeg opstellen. Degenen die dan niet present zijn krijgen een boete. Deze voorschriften zullen op de gebruikelijke plaats, d.w.z. aan het stadhuis, worden aangeplakt zodat iedereen daar kennis van kan nemen. Verder worden deze voorschriften uitgereikt aan de brandmeesters zodat ze jaarlijks vòòr het oefenen met de brandspuit kunnen worden voorgelezen. Veel later in 1929 werd de plichtbrandweer, waarbij men aangewezen wordt door het gemeentebestuur, vervangen door een vrijwillig brandweerkorps. Toen had men nog steeds de ouderwetse handspuiten (die nog werkten op spierkracht). Dat was de sterk verbeterde versie van de eerste brandspuit die Jan van der Heijden rond 1670 uitvond. Omdat men constateerde dat men sterk achterbleef bij vele andere gemeenten werd in 1930 een modern blusvoertuig aangeschaft. Over de aankoop van deze spuit is heel wat te doen geweest. Het toenmalige gemeentebestuur vond dat men het voertuig ook voor andere doeleinden moest kunnen gebruiken, het was toch niet verantwoord om zoveel geld te steken in alleen een autospuit. Besloten werd om maar eens te kijken of er soms een autospuit was die meer kon. “Het wonder van ’s-Gravenzande” Dat was niet zo eenvoudig maar tenslotte reisde men naar Parijs en na veel zoeken vond men in de Renault fabrieken een apparaat dat aan alle eisen voldeed, het ei van Columbus! Een 4 cilinder 20 PK Renault brandweer- sproei- en veegmachine. Meegeleverd werden 7 straalpijpen met diverse mondstukken, 6 meter zuigslang en een koperen bel. De wagen had een watertank met een inhoud van 3200 liter en was voorzien van massieve rubberbanden. Het kon spuiten, sproeien en vegen en voor f 8000,- levering franco ’s-Gravenzande kwam het voertuig van de lichtstad naar het breeje dorp. Al bij de eerste proefrit kwam de zware wagen op de Hoflaan in de zachte berm vast te zitten waarop men besloot de watertank maar leeg te laten lopen zodat de wagen gemakkelijker weer op de weg getakeld kon worden. De inzet van deze brandweerwagen bleef op onverharde binnenwegen problemen geven. In de volksmond kreeg de wagen al snel de naam “het wonder van ’s-Gravenzande”. Na een tijdje bleek toch dat de wagen als veeg- en sproeiwagen geen groot succes was evenmin als brandweerwagen. Bij het uitbreken van brand moesten eerst de accu’s worden opgeladen wat 10 minuten duurde. Ook traden er nogal wat defecten op aan de dynamo, olieleiding, gebroken kogellagers, versnellingsbak en er was sprake van ondeskundig onderhoud. In 1935 verzucht men “dat het een aanfluiting in het Westland is, hij zuigt, veegt en sproeit maar deugt niet erg voor spuiten”. Pas in 1947 heeft men deze oude spuit voor f 500,- verkocht en in het najaar werd een nieuwe moderne brandspuit in gebruik genomen. Daarna zijn de ontwikkelingen snel gegaan. De brandweer kreeg een eigen onderkomen in de Gravenstraat in het voormalige pand van drukkerij Sonneveld. De brandweerwagen werd ondergebracht in een garage achter het politiebureau aan het Marktplein en de slangen konden te drogen worden gehangen in de zogenaamde slagentoren. Later werden nieuwe blusvoertuigen en materiaalwagens aangeschaft en kwam er regionale samenwerking en aansluiting op een alarmcentrale. In de loop der tijd zijn de taken van de brandweer met een belangrijk onderdeel uitgebreid namelijk de hulpverlening. Verder zijn de eisen strenger geworden wat meer opleiding en oefening van de vrijwillige brandweerlieden eiste. In 1978 werd de nieuwe kazerne aan de Fultonstraat in gebruik genomen. Nu valt de brandweer onder de regio Haaglanden. De brandweergarage aan de Fultonstraat Als gevolg van de gemeentefusie zijn de ’s-Gravenzanders veel publieke voorzieningen in het dorp kwijtgeraakt maar gelukkig is hier nog een eigen goed uitgerust vrijwillig brandweerkorps dat voor brand en hulpverlening direct ingezet kan worden. Auteur: Jan Dahmeijer van de Historische werkgroep Oud ’s-Gravenzande
Lees meer
Streekhistorie: Hambrouck komt terug in Schipluiden maandag 6 augustus 2018 09:09

Streekhistorie: Hambrouck komt terug in Schipluiden

De Historische Vereniging Oud-Schipluiden voert een crowdfundingsactie om in de kerk van Schipluiden een gedenkteken te plaatsen dat herinnert aan ds. Antonius Hambrouck. Deze predikant stond van 1632-1647 in Schipluiden. Daarna is hij in VOC-verband met zijn gezin naar Formosa vertrokken, waar hij veel goed werk onder de lokale bevolking heeft gedaan. Uiteindelijk werd hij in 1661 na een heldhaftig optreden door een Chinese bezettingsmacht vermoord. Lang hoorde Hambrouck tot de grote figuren uit onze vaderlandse geschiedenis. Zijn daden werden in de achttiende en negentiende eeuw voor jong en oud als voorbeeld gesteld. Over hem zijn boeken, gedichten en toneelstukken geschreven. In de Laurenskerk in zijn geboortestad Rotterdam zijn twee kunstobjecten te zien, die zijn leven en ondergang tonen. In Taiwan (Formosa) wordt in meerdere musea aandacht aan Hambrouck besteed. In Schipluiden herinnert tot nu toe alleen zijn naam op het predikantenbord aan zijn aanwezigheid. In het Historische Jaarboek Schipluiden 2015 staat een groot artikel over het leven en werk van deze beroemde predikant. Het artikel eindigt met de wens om ook in Schipluiden meer aandacht aan Hambrouck te besteden. Om deze reden is er een crowdfundingsactie gestart, die tot nu toe ruim € 3.800,- heeft opgebracht. Inmiddels is het fraai tweeledig kunstontwerp van de kunstenaar Marcel Koeleman (geboren en opgegroeid in Schipluiden) in brons uitgevoerd. Hij laat met zijn kunstwerk de verbinding zien tussen Schipluiden (Nederland) en Formosa (Taiwan). Eén onderdeel ervan wordt buiten de kerk geplaatst, het andere komt in het portaal van de kerk. De projectgroep - met kerkenraadsleden en bestuursleden van Oud-Schipluiden - is erg enthousiast over het resultaat. Op zaterdag 8 september 2018 om 10.00 uur komt de ambassadeur van Taiwan naar Schipluiden om het kunstwerk te onthullen. Met deze handeling wordt tevens het Monumentenweekend in Midden-Delfland geopend. Voor de opening worden alle deelnemers aan de crowdfundingsactie uitgenodigd. De totale kosten voor het kunstwerk bedragen € 5.500,-. De Historische Vereniging Oud-Schipluiden wil door een aantal gerichte verzoeken op korte termijn nog € 1.700,- bij elkaar krijgen voor de bekostiging van het kunstwerk. Hopelijk wilt u als geïnteresseerde lezer van deze rubriek meedoen met onze actie. Zie voor de verdere gegevens de afgebeelde flyer.Auteur: Jacques Moerman (voorzitter) van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: Oorlogsschade uit 1940 nooit hersteld maandag 30 juli 2018 09:09

Streekhistorie: Oorlogsschade uit 1940 nooit hersteld

In de Wateringse Herenstraat zijn onlangs weer nieuwe winkels geopend, veelal gepaard gaande met verbouwingen aan het winkelpand. Ook zijn er in de loop der jaren veel gebouwen in de Herenstraat gesloopt en vervangen. Toch is er één pandje dat er niet alleen nog staat, maar waar zelfs een beschadiging aan de gevel niet wordt hersteld. Het is een soort oorlogswond, opgelopen in de Meidagen van 1940. Schade aan een gevel van je woning is niet leuk, maar als het een oorlogsgeschiedenis heeft en in 1940 is veroorzaakt tijdens uren durende gevechten in de Herenstraat en er geen instortingsgevaar is, maakt dat het wel bijzonder. Zo moet toen de familie Volkering hebben gedacht. Ben Volkering, buschauffeur bij de firma VIOS, liet de schade naast het linker raam onaangeroerd en hij liet het zitten als herinnering.Ben Volkering (circa 1935)Tijdens een informele avond tien jaar geleden met de bewoner, zoon Jan Volkering, over de geschiedenis van het pand Herenstraat 34, kwam toevallig de plek in de gevel ter sprake. Hierop antwoordde ik dat ik wist wie dat gedaan heeft. Jan werd nieuwsgierig en ik beloofde daar op terug te komen. Ik wilde al vele jaren achter de geschiedenis van de persoon sergeant H.H. Tobben komen.Samen met Gerard Lipman ben ik in1997 in de oorlogsgeschiedenis gedoken, voornamelijk om uit te zoeken hoe die vijf Meidagen in Wateringen zijn verlopen. Direct viel het ons toen op dat sergeant Harry Tobben een buitengewoon actief en gedreven militair was. Hij was de persoon die met een zware mitrailleur in de bewuste nacht van 12 op13 mei vanaf de toenmalige woning van schipper Van Dijk de Herenstraat vrij wilde houden van de Duitsers, die vanaf het Plein oprukten. Dat is door zijn kordate optreden gelukt, maar niet zonder een spoor van vernieling achter te laten: kapotte ruiten, dakpannen, kapotgeschoten etalages en kogelgaten. Met vijf strijdmakkers onder zijn bevel voerde sergeant Tobben dit uiterst gevaarlijke werk uit en bediende constant de mitrailleur, dus hij bracht de schade aan pand op nummer 34 toe. Sergeant H.H. TobbenOok bij de gevechtshandelingen van 11 mei 1940 aan de Zweth waarbij 26 Duitsers gevangen werden genomen, viel sergeant Tobben op door zijn optreden. In gevechtsverslagen werd hij geroemd, alle "rotklussen" loste hij op. Gedreven door de gedachte "wij laten ons op geen ene manier inpakken door die Duitsers". Twintig jaar geleden vertelde zijn dienstkameraad sergeant Albert van Laar (Maastricht) geëmotioneerd dat Tobben in een kamp in Hameln (Duitsland) in gevangenschap was omgekomen. Zijgevel van het postkantoor met kogelgatenUit het contact dat ik heb gehad met stadhistoricus Roelof Braad van Heerlen (woonplaats van sergeant Tobben) is het volgende bekend geworden: Tobben heeft de vijf oorlogsjaren lang in het verzet gewerkt, hij pleegde sabotage, bood hulp aan onderduikers en zorgde voor vluchtwegen voor vliegeniers. Jammer dat deze informatie mij nu pas bereikt, want Gerard en Jan kan ik hier niet meer over informeren. De huidige eigenaar van Herenstraat 34, W. van der Ham, ziet het kogelgat als een zeer aparte herinnering en wil er niets aan veranderen. Waarschijnlijk komen er uit Heerlen nog enkele gegevens over sergeant Harry Tobben.Wat nu bekend is, is erg waardevol. Wat er achter de schade schuilging en dat sergeant H.H. Tobben een enorme bijdrage heeft geleverd aan de strijd. Niet alleen tijdens de vijf Meidagen in Wateringen, maar ook als verzetsstrijder in de vijf oorlogsjaren erna. Het is gepast dit te herdenken, zeker nu in 2018, het Jaar van Verzet.Auteur: Henk Brabander van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul
Lees meer
Streekhistorie: De Hofstraat, het oude centrum van Honselersdijk maandag 23 juli 2018 09:09

Streekhistorie: De Hofstraat, het oude centrum van Honselersdijk

Tijdens het Historisch Café op 12 juli stond Café Bij ’t Hof in de spotlight. Al eerder hebben we de Nederhof de revue laten passeren. In dit artikel lichten we vijf andere markante gebouwen in het oude centrum van Honselersdijk aan: Een Herberg, een molen, een veiling, een station en sporen van het oude dorpsplein. Luchtfoto 1954 met tekst Het oude dorpspleinAan de zuidzijde van de Hofstraat op nummer 42 staat een wit huisje vreemd schuin ten opzichte de straat. Op deze plek had circa 400 jaar geleden timmerman Teunes Gerritszn. zijn woning, werkplaats en erf. Het lag nogal prominent aan het oude dorpsplein dat vlak naast het oude jachtslot lag. Andere gebouwen aan de zuid-oostzijde van het plein waren eigendom van een smid, een bakker, een wielmaker en diverse schippers. Maar ook een perceel van ‘Zijn Hoocheijdt’ (prins Frederik Hendrik), met daarop sinds 1630 een schooltje. Kennelijk waren er voldoende kinderen aanwezig om te onderrichten. kaart uit ca. 1640 De bijhorende stallen lagen uitgespreid aan de westzijde van het plein, dat hierdoor geen duidelijke begrenzing had. Het dorpsplein dat beplant was met bomen heeft nadien nog ongeveer 30 jaar bestaan. Met de transformatie van het oude middeleeuwse jachtslot in een modern paleis waren de stallen op het plein te klein en moesten vervangen worden. Het Huis Honselaarsdijk was bedoeld om hoog bezoek te ontvangen en dan kwam de hele hofhuishouding mee. Aanvankelijk zou het dorp gespaard blijven, zoals te zien is op de prent van Balthasar Florisz. van Berckerode. prent Balthasar Florisz van Berckerode Maar toen rond 1640 de Nederhof gebouwd werd, moesten het plein en zeker vijf huizen plaatsmaken. Dit was een mooie gelegenheid om dit rommelige dorpje eveneens te moderniseren. Het verkavelingsplan met rechte lijnen en haakse hoeken was net als het paleis keurig georganiseerd volgens de rationalistische stedenbouw uit die tijd. Voor zover ik weet, had alleen Den Haag een vergelijkbare stadsuitleg langs haar Prinsengracht. kaart uit ca. 1640 bewerkt Het nieuwe rechthoekige dorpsplein met bomen werd begrensd door de Nederhof en de woningen aan onze huidige Prinsengracht. Aan de zuidzijde van de Nederhof was een ommuurde tuin bedacht, maar daar is het nooit van gekomen. Hierdoor slingert de Hofstraat en zijn de sporen van het oude dorp zichtbaar gebleven, zoals te zien is aan de schuine ligging van nummer 42. Herbergen en hotelsIn het kader van het thema van Open Monumentendag is het interessant om te melden dat Honselersdijk een toeristische trekpleister was. Huis Honselaarsdijk was het mooiste Hollandse lusthof in de 17e eeuw en was daarmee een interessante bezoekplek voor een eerst vorm van toerisme en voor studiereizen van jonge architecten en kunstenaars uit heel Europa. Zij kwamen naar Den Haag en namen vervolgens de trekschuit naar Honselersdijk. Dat was in die tijd een dagje reizen, dus moest er ook overnacht kunnen worden. Prent met trekschuit voor de Nederhof Er waren in elk geval twee herbergen die onderdak boden: De Moriaan in de Hofstraat en ’s Lands Welvaren nabij de Valbrug. Deze laatste kocht het recht zich Hofherberg te noemen en werd in 1707 in opdracht van Frederik van Pruisen (kleinzoon van Frederik Hendrik) verplaatst naar het midden van het plein, dat al versmald was door de aanleg van de Prinsengracht en nu dus de helft korter werd. Na de terugkeer van de Van Oranjes in 1754 ging deze herberg Het Wapen van Oranje heten. kaart van Samuel de Puyt, 1760 Op een kaart van Samuel de Puyt uit 1760 is de indeling van deze herberg te zien en een ook dat de naastgelegen stal plaats bood aan 20 paarden. De Hofstraat heette toen nog De wegh na Naaldwijck, later Naaldwijksche weg en pas sinds 1930 Hofstraat. De herberg is sinds 1857 niet meer als zodanig in gebruik. Het werd het eerste postkantoor van Honselersdijk en is nu een monumentaal woonhuis. Foto Hofstraat 62, voormalige Hofherberg Het Wapen van Oranje De stal van de Hofherberg is al 175 jaar ingericht als tapperij. Het is een wonder dat dit café er nog staat want er is al eens een locomotief van de WSM naar binnen gereden. Sinds 1932 heeft het de naam Café bij ’t Hof en is het in handen van dezelfde familie gebleven. Ansichtkaart van de Hofstraat met rechts De Moriaan Herberg De Moriaan lag op het perceel van schipper Huijch Janssen en heeft nog lang bestaan. Op een oude ansichtkaart is deze herberg te zien. Nu staat er een pand met het jaartal 1901 op de gevel ingemetseld. Tegenover de Mondriaan lag in die tijd het Bondshotel. Ook deze is afgebroken. Ansichtkaart van Hofstraat met het bondshotel De molenIn het jaar 1854 is een korenmolen aan de Hofstraat gebouwd. Het was een stellingmolen die verhoogd is om de wieken te verlengen. Rond 1910 woonde de familie Aalbrechts in het naastgelegen molenaarshuis. Ansichtkaart vanaf de Dijkweg met zicht op de korenmolen De wieken zitten er in 1954 niet meer op, zoals op foto’s te zien is. De molenstomp behoorde vervolgens bij de boerderij van Olsthoorn en is in 1966 na een brand gesloopt. Foto vanaf de Hofstraat met de stomp van de molen De veilingHonselersdijk heeft meerdere veilinggebouwen gehad. De eerste stond aan de Dijkstraat op het voorplein van de huidige Katholieke kerk. De tweede stamt uit 1905 en lag aan de Hofstraat ter hoogte van de huidige Kapelweg. Het was een groenteveiling met een representatieve voorgevel, maar vooral ook een overdekte losplaats aan het water. Het veilinggebouw had een zaagtanddak met veel ramen waardoor de hal goed verlicht werd. Foto Bloemenveiling ca. 1927 Deze veiling bleek in 1927 te klein en werd voor korte tijd een bloemenveiling. Oudere bewoners kennen het gebouw vooral als Kistenfabriek Bodegraven. Deze oude veiling is in de jaren 70 afgebroken en heeft plaats gemaakt voor woningen. Het stationTot 1912 reed de stoomtram van de WSM door de Hofstraat. Dat was een lastige en gevaarlijke situatie. Met het verleggen van de spoorbaan naar een nieuw tracé tussen de Nieuweweg en de Dijkweg (achter de Nederhof langs) waren er minder ontsporingen. Het nadeel was dat passagiers niet meer in een café op de tram konden wachten, maar in de kou stonden. Foto Station Honselersdijk In juli 1912 was er pas een stationnetje. Maar dan ook een goede, waarbij de entree van het wachtlokaal in de zijgevel zat en tuimelramen aan de zijde van de Hofstraat had waardoor de rook en het stoom niet naar binnen woei. Ladingmeester en tekenaar Jaap Binnendijk, woonde bij zijn moeder aan de Hofstraat. Na het verwijderen van het spoor in de jaren 70 is ook het station gesloopt. WinkeliersDe Hofstraat was lange tijd de hoofdweg en kende naast horeca ook veel kleine ondernemingen. Buurtbewoners kennen nog kruideniers Van der Burg en Brandhorst, melkboer Braat, bakker Scholtes, de sigarenwinkel van Van der Lugt, Aagje Dijkhuizen met ondergoed en garenband, Joop Gardien IJzerwaren (waar voorheen Den Hollander een benzinepomp had en petroleum verkocht) . Schoenmaker Speelgoed en herenkapper Piet van Ommeren. Wie voortaan over Hofstraat fietst, ziet niet alleen woningen en een café, maar met wat verbeeldingskracht ook 10 winkeltjes, twee herbergen, een hotel, een molen, een veiling en een station. En let even op het huis op nummer 42 dat het oude dorpsplein markeert. Auteur: Jolanda Faber, Historische Vereniging Naaldwijk Honselersdijkmet dank aan Gerard Beijer en bezoekers van het Historisch Café in Café Bij ’t Hof.Foto’s: Historisch Archief Westland en Westlands MuseumHeeft u foto’s van de winkels in de Hofstraat? Wij zijn er nieuwsgierig naar. Kom naar de Historische Informatiemarkt op zaterdag 13 oktober in het gemeentehuis aan de Verdilaan om deze ter plekke te laten scannen.
Lees meer
Streekhistorie: De kerkgang van Maarten ’t Hart maandag 9 juli 2018 09:09

Streekhistorie: De kerkgang van Maarten ’t Hart

De Canon van Maassluis is in korte tijd een standaardwerk geworden over de geschiedenis van Maassluis. Het boek is exclusief voor leden van de Historische Vereniging Maassluis, die het als jubileumgeschenk dit jaar op kunnen halen bij de vereniging. Ondanks de grote zorgvuldigheid waarmee het boek is samengesteld, is er toch een foutje ingeslopen. Het betreft de kerkgang van de jonge Maarten ’t Hart, in hoofdstuk 24, de twee Maartens. Hierna doen we uit de doeken hoe het werkelijk zat.Noorderkerk in Maassluis, waar zijn moeder ter kerke ging. In 1943 gebombardeerd en afgebroken.Maartens ouders waren gereformeerd en zijn vader kerkte in de Zuiderkerk, zijn moeder kerkte (tot 1943) in de Noorderkerk. Waarom twee verschillende kerken? In 1834 vond er een ‘Afscheiding’ plaats van de Nederlandse Hervormde Kerk. De Afgescheidenen in Maassluis verlieten de Groote Kerk en bouwden de Groeneveldskerk aan de Sluispolderkade. In 1886 vond er opnieuw een kerkscheuring plaats. Onder leiding van dr. Abraham Kuyper stapten de ‘Dolerenden’ uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Zij bouwden een ‘Nieuwe Kerk’ aan de Korte Boonestraat. In 1892 gingen de beide bewegingen landelijk samen als de Gereformeerde Kerken. In Maassluis duurde het tot 1924 voor beide kerken werkelijk samengingen. De Groeneveldskerk werd Zuiderkerk, de Nieuwe Kerk werd Noorderkerk. Toch bleven ze elk hun eigen signatuur houden; de Zuiderkerk was van de A-richting (ex-Afgescheidenen), de Noorderkerk was van de B-richting (ex-Dolerenden).Rehobothkerk aan het eind van de Noordvliet, voorheen pakhuis Mercurius. Gereformeerde kerk B 1943-1954.In 1943 verwoestte een bombardement de Noorderkerk. De gereformeerden van de B-richting vonden onderdak in een pakhuis aan het eind van de Noordvliet, tegenover de Baansloot. Zij noemden de tijdelijke kerk ‘Rehoboth’, een oud Hebreeuws woord dat betekent: hier heeft God een plaats voor ons gemaakt. In 1954 kwam de Immanuelkerk gereed. Deze nieuwe kerk van de ‘B-richting’ (ex-Dolerenden) stond ongeveer op de plaats van de verwoeste Noorderkerk. Dat is de reden dat het standbeeld van dr. Abraham Kuyper in 2008 tegenover deze kerk is geplaatst.Immanuelkerk, kort na het gereedkomen in 1954.Aangezien Maarten ’t Hart in 1944 is geboren, heeft hij dus nooit de Noorderkerk bezocht. Deze bewering in de Canon berust dus niet op een wonderbaarlijk kerkbezoek van de jonge Maarten, maar op een menselijke verschrijving. Overigens kwam hij ook vrijwel nooit in de Rehobothkerk, waar zijn moeder kerkte; zijn moeder behoorde van huis uit tot de Dolerenden. Maarten ging met zijn vader mee naar de Zuiderkerk, het bolwerk van de A-richting.De Groote Kerk in Maassluis behoort sinds de kerkhervorming in 1814 tot de Nederlandse Hervormde Kerk.Bekend is, uit de boeken van Maarten ’t Hart, dat hij dolgraag naar het orgel in de Groote Kerk luisterde. Probleem was echter dat deze kerk van de hervormden was. In zijn tijd was deze kerk dus ‘verboden gebied’ voor een gereformeerde jongen. Tot zijn grote verdriet. De Zuiderkerk is in het begin van de jaren zestig afgebroken. En Maarten? Die vertrok uit Maassluis en brak met het geloof. Maar in zijn boeken keert hij steeds weer terug naar zijn geboortestad Maassluis en naar het gereformeerde leven.Heeft u pech en het boek van de Canon niet kunnen bemachtigen omdat u geen lid was van de Historische Vereniging Maassluis? Hier vindt u de meeste verhalen ook: www.canonvanmaassluis.nlAuteur: Jan Schakel van de Historische Vereniging Maassluis
Lees meer
Streekhistorie: Het gemeentehuis van Maasland maandag 2 juli 2018 08:08

Streekhistorie: Het gemeentehuis van Maasland

Onder het bestuur van J.R. Thorbecke (1798-1872) kwam in 1851 de Gemeentewet tot stand. De Gemeentewet was gebaseerd op de Grondwet, die drie jaar eerder van kracht werd. Daarin lag het beginsel van de gemeentelijke autonomie (het zelf besturen). In 1825 kreeg Maasland de eerste burgemeester: De titel van de toenmalige schout Coenraad van Vrijberghe de Coningh werd in dat jaar veranderd in burgemeester. De gemeenteraadsvergaderingen vonden van oudsher plaats in dorpsherberg De Pynas. Burgemeester Adrianus van Heel, die in 1865 een groot pand op de Kerkweg (nummer 15) bewoonde, hield de gemeenteraadsvergaderingen en de secretarie echter liever aan huis. Voor dit doel richtte men dan ook een kamer in. Op voorstel van de burgemeester werden zelfs meubelen gekocht! De kantooruren werden gehouden van 10.00 tot 13.00 uur. Deze situatie bleek echter niet ideaal te zijn: het huis lag buiten de bebouwde kom en de beschikbare ruimte was te klein.In 1873 besloot Maasland tot de bouw van een gemeentehuis aan de ’s-Heerenstraat. Er werd een geldlening aangegaan van ƒ 25.000,- voor de aankoop van grond en de bouw van het raadhuis. ‘Er bood zich de gelegenheid aan tot aankoop van een groot, doch in verval zijnde gebouw, staande op een voordelig standpunt in het aanzienlijkste gedeelte van de gemeentekom’. Dit gebouw werd afgebroken en door ruiling van enige percelen grond kon de benodigde oppervlakte voor het nieuwe gemeentehuis worden verkregen. Op 20 juli 1874 kon het Maaslandse raadhuis officieel geopend worden. De gemeenteontvanger de heer Beelaerts schrijft: ‘… Omlaag is de woning van den bewaarder (de veldwachter). Met een aan weerszijden aangebrachte trap komt men door een dubbele deur in de vestibule. Rechts bevindt zich de kamer van de burgemeester en voor het dagelijksch bestuur; deze heeft het uitzicht op een der aanzienlijksten gedeelten van de met huizen bezette dorpsstraat. Daarachter volgt een goed ingerichte secretarie en vervolgens een kamertje tot berging van boeken, papieren en andere documenten van de gemeente. Links van de vestibule heeft men een vertrek dat ten dienste van den gemeenteontvanger strekt. Dan volgt een lokaal, waar tusschen muren en ijzeren deuren de gemeente haar financiën bewaart, dat ook voor den telefoondienst is ingericht en werkkamer van den secretaris is. De vestibule in rechte richting doorgaande, komt men in de ruime raadkamer, die een uitgestrekt landelijk uitzicht heeft op den Dijkpolder (!). Op het raadhuis staat een torentje, waarin een klok hangt.’ In de oorlogsjaren verdween de veldwachterswoning uit het gemeentehuis en werd de verdieping ingericht als secretarie en ontvangkantoor. Al in 1936 overwoog men het gemeentehuis uit te breiden, maar de uitvoering van deze plannen werd door de oorlog vertraagd. Pas in 1953 vond de verbouwing plaats en onderging de voorgevel een behoorlijke verandering. Ofschoon alle oude bouwkundige details zijn verdwenen, kreeg het raadhuis bij de verbouwing toch niet echt een modern uiterlijk. Daarom past het gebouw in de omgeving. De meeste huizen in de dorpskern dateren immers uit de negentiende en eerste helft van de vorige eeuw. Het gehele voorgedeelte van het raadhuis werd grondig gerestaureerd en gewijzigd. Het opvallende torentje verdween. De trap die toegang geeft tot de mooie raadzaal bleef behouden. Door uitbreiding van de gemeentelijke taken en de daarmee samenhangende groei van het ambtenarenapparaat werd het noodzakelijk het gemeentehuis te vergroten. In 1978 werd het buurhuis van de familie Barendregt gekocht en bij het gemeentehuis getrokken. Nog was de ruimte die men nodig had niet voldoende en besloten werd de open ruimte tussen het gemeentehuis en het kantoor van gemeentewerken vol te bouwen. Aan de achterkant van het raadhuis werd een geheel nieuw gebouw opgetrokken en geïntegreerd met het oude deel. Er kwam een nieuwe ingang, achter het oude gebouw. In 1987 was de feestelijke opening. De oude hoofdingang met de monumentale trappen aan de ’s-Herenstraat werd alleen nog gebruikt bij speciale gebeurtenissen en feesten, bijvoorbeeld bij huwelijksvoltrekkingen en de intocht van Sinterklaas.Op 17 juni 2003 stemde de Eerste Kamer der Staten-Generaal definitief in met de fusie van de gemeenten Maasland en Schipluiden. Op 1 januari 2004 ontstond de nieuwe gemeente Midden-Delfland. De vestiging van het gemeentebestuur kwam in Schipluiden. De omvang van het gemeentehuis in Maasland werd verkleind tot een servicepunt voor de bewoners. Later werd die functie ook overgeheveld naar Schipluiden. Op dit moment wordt er stevig nagedacht over de functie van het gebouw in de toekomst.  Auteur: Martin 't Hart van de Historische Vereniging Maasland
Lees meer
Streekhistorie: Orkaan teisterde in 1973 Westland maandag 25 juni 2018 14:02

Streekhistorie: Orkaan teisterde in 1973 Westland

De Beekenkamp Groep is een honderd procent Westlands familiebedrijf met traditie. Teruggekeerd van de politionele acties in Indonesië begon Govert Beekenkamp in 1951 een tuinbouwbedrijf in Maasdijk. Thans telt de Beekenkamp Groep wereldwijd 2600 werknemers. Afgelopen mei brachten leden van het Genootschap Oud-Westland tweemaal een bedrijfsbezoek aan Beekenkamp. Directielid Annie Beekenkamp (61), oudste dochter van de oprichter, vertelde over de begintijd en de groei van dit familiebedrijf. "Mijn vader kwam uit ’s-Gravenzande en mijn moeder uit De Lier", zei Beekenkamp. "De zoektocht leidde in 1951 naar een bedrijf in Maasdijk, dat te koop stond. Mijn moeder vond het als Lierse aanvankelijk helemaal niet leuk in Maasdijk te gaan wonen maar het is uiteindelijk allemaal goed gekomen." Govert Beekenkamp begon in Maasdijk als groenteplantenkweker maar zocht meer uitdaging. Bij de bank vroeg hij om contact met hem op te nemen als er een bedrijf te koop was. Die kans deed zich al snel voor. "Een bedrijf aan de Oude Campsweg liep niet goed", zei Annie Beekenkamp. "Mijn vader heeft het bedrijf toen overgenomen. Er werkten zestig mensen, die al maanden geen salaris meer hadden gehad. Mijn vader is toen met dertig mensen verder gegaan. Deze kregen duizend gulden voorschot op hun salaris. Op deze wijze kreeg mijn vader veel goodwill bij het personeel." OrkaanSoms had het bedrijf letterlijk te maken met tegenwind. Annie Beekenkamp weet zich een orkaan uit 1973 nog als de dag van gisteren te herinneren: "Ik kwam thuis van school en zag het voor mijn ogen gebeuren. Wij hadden net een nieuwe kas van 5000 vierkante meter, die door de storm als dominostenen in elkaar stortte. Mijn vader wist kort daarvoor nog de jonge planten uit deze kas te redden." De tegenslag stond de groei van het bedrijf echter niet in de weg. In 1980 vond de aankoop van Lyraflor plaats, twee jaar later gevolgd door het opzetten van Beekenkamp verpakkingen. "Mijn vader had een goede neus om de juiste mensen op de juiste plaats neer te zetten", zei Beekenkamp over de groei van het bedrijf, die in de jaren negentig in een stroomversnelling terecht kwam. "Hij zette locaties voor chrysantenstekken op in Oeganda en Ethiopië. Deze keuze was ingegeven door een mix van goedkope arbeid en het klimaat waardoor er weinig kosten voor energie zijn. Mijn vader kreeg een aanbod Novaplant over te nemen. Dit bedrijf rendeerde toen nog goed maar wist dat de toekomst moeilijk was. De locaties in Frankrijk hebben wij nog steeds." Eigen rasDe ontwikkelingen in de veredeling gingen door. "Toen wij Lyraflor overnamen hadden wij nog geen eigen rassen", zei Beekenkamp. "Wij merkten dat de markt veranderde en hebben Delta Stek overgenomen. Het geheel werd samengevoegd tot Deliflor. Sinds die tijd is alles wat wij via Deliflor afleveren eigen ras. In 2000 heb ik samen met mijn zus Margriet de aandelen van het bedrijf overgenomen. Ik werkte al op het bedrijf en dacht: wat hier gebeurt, dat kan ik ook. Ik ben onder andere verantwoordelijk voor de werkmaatschappijen van de Beekenkamp Groep." Maatschappelijke erkenning kwam er toen de Beekenkamp Groep in 2015 door de Hillenraad 100 werd uitgeroepen tot het familiebedrijf van het jaar. Het bedrijf onderscheidt zich in maatschappelijk ondernemen door in plaats van geld vooral diensten te verlenen. Zo heeft de scouting uit Naaldwijk een nacht op het terrein in Maasdijk gekampeerd en kregen de scouts uit Maasdijk voor het vervoer van materiaal de beschikking over een vrachtwagen van Beekenkamp.   Auteur: Frank de Klerk van Genootschap Oud Westland
Lees meer
Streekhistorie: De oprichting van een Gemeentelijk Badbedrijf in Ter Heijde maandag 18 juni 2018 09:09

Streekhistorie: De oprichting van een Gemeentelijk Badbedrijf in Ter Heijde

In het voorjaar van 1931 ontvouwde de gemeente Monster een plan om aan het Heijdse strand een zeebad te gaan exploiteren. Het plan bracht de gemoederen van de bevolking danig in beweging en ook de gemeenteraad was sterk verdeeld. Ter Heijde was aan het begin van de twintigste eeuw een onaanzienlijk plaatsje met vervallen huisjes en ongeplaveide wegen. In 1928 besloot de gemeente Monster het dorp Ter Heijde grotendeels te herbouwen. Dat was een goede gelegenheid ook aandacht te geven aan de strandrecreatie. Ter Heijde werd in de jaren twintig steeds meer ontdekt door strandrecreanten. Aanvankelijk trok het strand met name mensen die een stil en rustig zitje aan zee prefereerden boven de rumoerige drukte van de meer gecultiveerde badplaatsen. Deze voortrekkers werden echter spoedig door anderen gevolgd. In de zomer van 1930 was het al verschillende keren voorgekomen, dat op zondagen meer dan 2000 mensen het Heijdse strand bezochten. Het onbestrate dorp stond dan vol auto’s (ook toen al!) en de inwoners verdienden een daggeld met het bewaken van de fietsen van strandbezoekers. Aan het strand waren er geen voorzieningen. Er was geen drinkwater, geen gelegenheid zich om te kleden en er was geen toezicht. Na een tragisch ongeluk in 1919, waarbij twee jeugdige inwoners van Monster verdronken, werden er wel enkele reddingslijnen aan het strand geplaatst. In september 1929 hadden wethouder E. v.d. Wiel en gemeentesecretaris A.G. Delen een driedaags bezoek gebracht aan enkele badplaatsen aan de Belgische kust om zich op de raadhuizen aldaar te laten voorlichten over de verschillende regelingen die men had getroffen om de strandrecreatie in goede banen te leiden. Zij brachten uitgebreid schriftelijk verslag uit van hun bevindingen. Daarna horen we een tijdje niets, maar in maart 1931 verscheen een pre-advies van het college van B en W, waarin de meerderheid van het college zich uitsprak voor de oprichting van een Gemeentelijk Badbedrijf. Een minderheid van het college was gekant tegen de plannen, maar de meerderheid achtte gemeentelijk optreden noodzakelijk, omdat de bestaande situatie niet optimaal was. Juist op het gebied van de zedelijkheid waren er volgens hen klemmende redenen om de toestand radicaal te wijzigen. Volgens dit deel van het college kon moeilijk worden ontkend dat de jeugd in de zomermaanden in de gelegenheid verkeerde om op het strand en omgeving hoogst onstichtelijke tonelen te aanschouwen.Op deze foto uit de jaren dertig zijn op de achtergrond de strandhokjes van het zeebad en de rieten strandstoelen zichtbaar. Op de voorgrond staat Jeroen Voois met zijn ijskar op het houten plankier.Een deel van de Monsterse burgerij kwam in het geweer tegen de badplannen van de gemeente. Er werd een petitie ingediend met 883 handtekeningen, waarin de gemeenteraad werd verzocht de exploitatie van het strand op de zondag in welke vorm dan ook te verbieden. Volgens burgemeester G.W. Kampschoër was het echter niet de bedoeling om van Ter Heijde een mondaine badplaats te maken met veel amusement. “Ter Heijde wordt thans herbouwd. Er komen goede woningen en normale straten. De krotten zullen verdwijnen. Ter Heijde wordt een aardig plaatsje en moet ook een aardig badplaatsje worden, anders niet”, aldus de burgemeester in een interview met de Westlandsche Courant. Nadat de burgemeester en drie raadsleden nog een bezoek aan Katwijk hadden gebracht om zich ook daar op de hoogte te stellen, besloot de gemeenteraad uiteindelijk het strand in de gemeente van het Rijk te huren en over te gaan tot strandexploitatie. Besloten werd het zwemmen te verbieden zonder gebruik te maken van een behoorlijke gelegenheid tot omkleden.De officiële opening van het Gemeentelijk Badbedrijf vond plaats op zaterdag 25 juli 1931. Voor dat doel hadden vele genodigden de hevige plasregens getrotseerd. Onder de genodigden bevonden zich de commissaris van de Noord- en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij, de heer Kan, en verschillende Westlandse burgemeesters, alsmede de heer D. Oosthoek, architect van het gesaneerde Ter Heijde, waarvan de nieuwbouw op dat moment zo goed als klaar was. Het nieuwe badbedrijf was in verband met de opening feestelijk versierd met vlaggen, maar het geheel bood door de striemende regen helaas een weinig vrolijke aanblik. Burgemeester Kampschoër wees er in zijn toespraak nog eens op dat het, door het telkenjare toenemende strandbezoek aan Ter Heijde, noodzakelijk werd regelend op te treden. Het dochtertje van de burgemeester, Maria Kampschoër, verrichte de eigenlijke plechtigheid door het doorknippen van een lint. De Rotterdamse Reddingsbrigade gaf vervolgens een demonstratie, terwijl ook de reddingsboot van Ter Heijde en de reddingsploeg met schietkanon en reddingslijn in actie kwamen. De genodigden kregen na afloop een schaaltje Westlandse druiven mee naar huis.Een staaltje van verregaande bemoeizucht van de overheid in die tijd: Monster, den 20 Juni 1933 Aan den Badmeester en den Hoofdagent van Politie te MonsterHet heeft onze aandacht getrokken dat een groot aantal baders vrijwel uitsluitend van het strand gebruik maken om zonnebaden te nemen. Van een zeebad wordt een zeer kort gebruik gemaakt, terwijl men veelal zonnebaden gaat nemen. Dit wenschen wij niet langer te gedoogen, waarom wij bepalen dat het nemen van zonnebaden verboden is. Bovendien is het niet meer toelaatbaar dat personen, gekleed in badcostuum, van een strandstoel gebruik maken. U gelieve toe te zien dat aan deze regeling streng de hand wordt gehouden.Burgemeester en Wethouders van Monster Ook in de jaren vijftig was er nog een afscheiding tussen de verschillende strandgedeelten.Al in de eerste weken na de opening werd het bad door een flink aantal gasten gebruikt. Vooral veel Delftenaren schenen naar Ter Heijde te trekken, omdat dat voor hen de dichtstbij gelegen mogelijkheid was om naar het strand te gaan. De toegang werd voor de bezoekers vergemakkelijkt door richtingborden naar het strand te plaatsen. Verder werden er op het strand plankieren gelegd naar het bad. Het Badbedrijf bestond uit 36 badhokjes, waarvan 24 voor mannen en 12 voor vrouwen, en twee van elkaar gescheiden terreinen voor dames- en herenbaden. Het gehele badbedrijf was door palen afgeschoten.    Op het strand was verder nog een consumptietent geplaatst en een tent voor het verhuren van strandtenten en stoelen. De heer Ph. Tuk werd voor f 28,-- per week de eerste officiële badman. De gebroeders L. en J. v.d. Kruk exploiteerden de consumptietent op het strand. G. Pakvis had eveneens een vergunning, maar zijn verzoek ook op zondag op het strand te mogen verkopen werd niet gehonoreerd. J.A. de Zoete kreeg voor f 20,-- per seizoen vergunning tot het verhuren van ezels op het strand. De tarieven voor het bad bedroegen f 0,25 per dag of f 5,-- voor het gehele seizoen. Velen, niet alleen inwoners maar ook badgasten, vonden de tarieven echter te hoog en weken uit naar ’s-Gravenzande. In 1934 werd daarom besloten dat er naast het bestaande bad ook een Volksbad zou worden ingericht. Dit bad, bestaande uit twintig badhokjes, was bedoeld voor financieel minder draagkrachtigen. Het kostte f 1,-- voor volwassenen per seizoen en f 0,50 voor kinderen. Losse kaartjes waren niet te koop en de ‘beter gesitueerden’ mochten van het Volksbad geen gebruik maken. In de gehele gemeente werd nu het vrije baden langs het strand verboden. Auteur: Leo van den Ende van de Werkgroep Oud-Monster
Lees meer
Streekhistorie: De eerste jaren van de Oranjevereniging Juliana maandag 11 juni 2018 09:09

Streekhistorie: De eerste jaren van de Oranjevereniging Juliana

De Oranje Vereniging Juliana is vorig jaar in Schipluiden nieuw leven in geblazen. Na een voorzichtige herstart was er dit jaar weer een volwaardig programma rond Koningsdag. De vereniging bestaat in 2018 109 jaar. Hoe verliepen de eerste jaren? De geboorte van kroonprinses Juliana op 30 april 1909 was in veel plaatsen de aanleiding tot de oprichting van een Oranjevereniging. In het archief van de gemeente Schipluiden, dat bewaard wordt in het Stadsarchief van Delft, bevindt zich het telegram dat de geboorte van Juliana bekend maakte. Pieter Gerard Smelik, hoofd van de lokale School met de Bijbel, schreef op 25 mei 1909 namens ‘de commissie voor de feestviering’ een brief aan de gemeenteraad van Schipluiden. Op gepaste wijze wilde deze commissie de geboorte van kroonprinses Juliana feestelijk herdenken. Het verzoek om een gemeentelijke bijdrage werd door het College van B&W niet gehonoreerd. De belangrijkste reden van de afwijzing was, dat er in de gemeentekas geen geld aanwezig was. Ook kon er geen bedrag van andere posten worden onttrokken. Een maand later stelde burgemeester Musquetier zijn medecollegeleden voor om een bedrag van f 25,- te reserveren voor een toepasselijke versiering van het Raadhuis in de Dorpsstraat. De gemeente zou een treurige indruk maken als er niets tijdens de festiviteiten werd gedaan. Aannemer Jan Pieter Westerman maakte een sierlijke constructie voor het Raadhuis. In een brief van de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, gedateerd 16 juni 1909, lezen we dat de provincie de Feestcommissie te Schipluiden toestemming gaf om op 21 juni, tussen twee en zeven uur ’s middags, een wedstrijd te houden in het wielrijden met hindernissen op een deel van de Rijksweg van Delft naar Maassluis. Ook werd er een vergunning gegeven voor het ringrijden. Na elke rit moesten rij- en voertuigen de gelegenheid krijgen om te kunnen passeren. Voor schade aan de weg zou de Feestcommissie worden aangesproken. Met deze activiteiten begonnen de werkzaamheden van de Oranjevereniging Juliana, die dit jaar 109 jaar bestaat! Het kasboek uit de periode 1909-1972 vermeldt dat er in 1909 116 leden waren. De donatie per lid bedroeg minimaal 25 cent en maximaal f 2,50. De eerste uitgaven waren: f 4,- voor het huren van een vergaderlokaal (voor vier vergaderingen), f 15,05 voor de aanschaf van Oranjevlaggen, f 26,25 voor drukwerk en f 5,- voor bodeloon. Het jaar erop gaf de gemeente Schipluiden een bijdrage van f 15,-. Aannemer Ambrosius Bontenbal schonk de vereniging f 25,-. Acht deelnemers aan het ringrijden droegen elk f 2,50 bij. De heer Van Hodenpijl doneerde de vereniging f 2,50. Het aantal leden was in 1910/1911 gestegen tot 135. De inkomsten waren toen f 276,87. De uitgaven bedroegen f 189,59. Er waren in dat jaar prijzen voor de volksspelen (f 19,95) en voor een gouden dameshorloge (f 15,-), mogelijk was dit de hoofdprijs van het ringrijden. Schipper C. Vermeer kreeg f 4,75 voor het aanbrengen van zand op de rijroute, voor ijswafeltjes werd f 4,- uitgegeven. De zaalhuur voor acht vergaderingen bedroeg f 8,-. Ook in de jaren erna geeft het kasboek nauwkeurig de inkomsten en uitgaven van de Oranjevereniging aan. Het is een belangrijke historische bron.Auteur: Jacques Moerman, voorzitter van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden
Lees meer
Streekhistorie: De middeleeuwse kerk van ’s-Gravenzande maandag 4 juni 2018 09:09

Streekhistorie: De middeleeuwse kerk van ’s-Gravenzande

In de Langestraat van ’s-Gravenzande stond vroeger een zeer grote kerk die dateerde uit de Middeleeuwen. De toren van de kerk was ongeveer 90 meter hoog en daarmee de hoogste kerktoren van het Westland en net zo hoog als de ‘Haagse Toren’. De kerk en toren waren voor de kleine gemeenschap ’s-Gravenzande naar verhouding erg groot. Dat kwam omdat de kerk in de 13e eeuw een Mariabeeld uit de nalatenschap van gravin Machteld van Holland had gekregen. Dit beeld was in bezit geweest van de heilig verklaarde Elizabeth van Hongarije en aan het beeld werden al snel miraculeuze krachten toegekend. Hierdoor groeide ’s-Gravenzande uit tot een bedevaartsoord dat van heinde en verre mensen aantrok. Al deze bedevaartgangers brachten veel geld in het laadje waarvan de kerk vergroot en verfraaid kon worden.  's-Gravenzande in 1640Er zijn verschillende prenten van die oude middeleeuwse kerk bekend geschilderd door Aert Schouman omstreeks 1750. Schouman heeft de kerk heel gedetailleerd weergegeven en aan de hand daarvan hebben we de bouwgeschiedenis kunnen reconstrueren. De oorspronkeleijke kerk was gebouwd als kruiskerk maar later vergroot tot een drieschepige hallenkerk. De toren is na die vergroting opgehoogd om de afmeting van toren en gebouw in verhouding te brengen. In 1809 stortte de toren in en verwoestte daarbij een groot deel van de kerk. De ophoging van de toren is waarschijnlijk een van de oorzaken van de instorting geweest omdat de overgang altijd een zwakke plek is gebleven. De onderbouw van de toren was niet berekend op de totale hoogte van de toren die in zijn geheel uit steen bestond, inclusief de torenspits.De kerk in de 18e eeuw.De middeleeuwse kerk ging na de reformatie over in protestantse handen. Het heilige mariabeeld was weg en er mochten ook geen bedevaarten meer gehouden worden. De kerk was nu veel te groot voor de kleine dorpsgemeenschap van ’s-Gravenzande en omdat er ook geen inkomsten meer waren uit de bedevaarten kon men de hoge onderhoudskosten niet meer betalen. Door achterstallig onderhoud is de kerk in verval geraakt en de toren uiteindelijk ingestort. We weten daar iets over omdat kort voordat de toren in 1809 instortte er al signalen waren dat de zaak niet in orde was. In de weken voor de instorting waren er al verschillende keren brokstukken van de toren afgevallen. Ook ontdekte men scheuren in het metselwerk. Deze schades werden gerapporteerd aan de controleur van de landsgebouwen A. Noordendorp uit Den Haag. Deze heeft de toren op 3 mei geïnspecteerd waarbij hij tot de conclusie kwam dat een koppelijzer was doorgeroest dat de noord- en zuidmuur bij elkaar moest houden. De schade was echter volgens Noordendorp niet zo ernstig dat er direct reparaties uitgevoerd moesten worden. Op 5 mei stortte de toren echter in, Noordendorp had dus wel het een en ander uit te leggen. In zijn rapport over deze zaak zei hij dat de instorting veroorzaakt moest zijn door de slechte staat van de fundamenten en niet door het doorgeroeste koppelijzer en het slechte voeg- en metselwerk. In de archieven vinden we niets meer terug over deze zaak, maar het is vrijwel zeker dat het instorten van de toren veroorzaakt is door het doorgeroeste koppelijzer en het slechte voegwerk. Nieuwe KerkEr zijn destijds wel plannen gemaakt om de kerk te herstellen, maar door de perikelen van de Franse tijd waarbij er tussen 1809 en 1813 steeds een ander landsbestuur kwam konden de herbouwplannen niet uitgevoerd worden. De kerk was inmiddels zo vervallen geraakt dat men in 1815 besloot het restant van de middeleeuwse kerk geheel te slopen en op de zelfde plaats een nieuwe kerk te bouwen. De nieuwe dorpskerk was veel kleiner dan de oude middeleeuwse kerk.Van de middeleeuwse kerk van ’s-Gravenzande bleven na de sloop in 1815 maar weinig sporen over. Er zijn nog enkele grafstenen in en rondom de nieuwe kerk die uit de oude kerk afkomstig zijn en er is nog een grafkelder van de familie Van Vredenburch die zich vroeger in de middeleeuwse kerk bevond en nu in het plantsoen achter de dorpskerk ligt. Kerkmuur met steunbeer van de oude kerk.De afgelopen dertig jaar is er verschillende keren in de grond gewerkt rondom de huidige dorpskerk. Daarbij zijn op drie verschillende plaatsen fundamenten van de oude middeleeuwse kerk gevonden. Bij het vervangen van de bestrating voor de kerk en het vernieuwen van de riolering werd er muurwerk gevonden dat mogelijk van de toren was. Bij herstel van de grafkelder van de familie Van Vredenburch bleek dat de noordoostelijke buitenzijde van de keldermuur nog het originele fundament was van de middeleeuwse kerk. De grafkelder was in de 18de eeuw aangelegd in de noordelijke zijbeuk van de hallenkerk. De stichter van het graf Gerard van Vredenburch was eigenaar van de buitenplaats Vreeburch die achter de dorpskerk lag. Hij kocht in 1762 twintig graven op in de oude kerk om daar een groot familiegraf te bouwen dat bestond uit zeven verschillende ruimtes.Van die zeven kelders was er één dichtgemetseld. In deze dichtgemetselde kelder bevinden zich de lichamen van Gerard van Vredenburch en zijn eerste en tweede vrouw. Een inscriptie op de keldermuur vermeldde dat de kelder ‘tot het einde der tijden’ gesloten diende te blijven. Bij de aanleg van een nieuw herdenkingsmonument voor oorlogsslachtoffers in het plantsoen achter de dorpskerk werd bij graafwerk een groot stuk fundament van de middeleeuwse kerkmuur gevonden mét één van de steunberen. Het geplande herdenkingsmonument werd toen enkele meters verplaatst zodat er geen sporen van de middeleeuwse kerk vernietigd zouden worden.Auteur: Ton Immerzeel van het Westlands Museum
Lees meer

Meer Streekhistorie